Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:160

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
200.341.960/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:227 BWArt. 6:89 BWArt. 7:204 lid 2 BWArt. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg afspraken renovatiekosten en herstel gebreken riolering bij huur bedrijfsruimte

NR Cooling huurde een bedrijfsruimte van [appellante] en voerde voorafgaand aan de huur renovatiewerkzaamheden uit. Partijen maakten afspraken over de kostenverdeling, waarbij verhuurder maximaal € 200.000,- exclusief BTW zou bijdragen. Na oplevering ontstonden gebreken aan de riolering en ontstoppingskosten. De rechtbank veroordeelde [appellante] tot betaling van een deel van de renovatiekosten, herstel van de riolering en kosten rioolonderzoek.

In hoger beroep betwistte [appellante] de uitleg van de afspraken, stelde dat NR Cooling geen toestemming had voor de werkzaamheden en dat de gebreken aan de riolering voor rekening van de huurder kwamen. Het hof oordeelde dat de afspraken voldoende bepaalbaar zijn, dat NR Cooling toestemming had op basis van de investeringsbegroting en communicatie met de makelaar en beheerder, en dat de gebreken aan de riolering reeds bij aanvang van de huurovereenkomst aanwezig waren.

Het hof wijzigde de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente naar 2 december 2021 en veroordeelde [appellante] tot betaling van de kosten van het ontstoppen van het riool. De vordering tot afgifte van bescheiden en de kosten van daktoetreding werden afgewezen. De proceskosten werden verdeeld met toewijzing aan NR Cooling in het principaal hoger beroep en compensatie in het incidenteel hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst de renovatiekosten en herstel van riolering toe met wettelijke rente vanaf 2 december 2021 en veroordeelt verhuurder tot betaling van ontstoppingskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.341.960/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10483410 CV EXPL 23-12209
Arrest van 10 februari 2026
in de zaak van
[naam] Vastgoed B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. L.P. Quist, kantoorhoudend in Dordrecht,
tegen
NR Cooling Services B.V.,
gevestigd in Krimpen aan den IJssel en kantoorhoudend in Ridderkerk,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.C. de Kanter, kantoorhoudend in Amersfoort.
Het hof noemt partijen hierna [appellante] en NR Cooling.

1.De zaak in het kort

1.1
NR Cooling heeft een bedrijfsruimte van [appellante] gehuurd. Voorafgaand aan de aanvangsdatum van de huurovereenkomst heeft zij de bedrijfsruimte gerenoveerd. Over de renovatie en de kosten daarvan hebben partijen afspraken gemaakt. Het gaat in deze zaak om de vraag hoe die afspraken moeten worden uitgelegd. Ook gaat het om herstel van de gebreken aan de riolering en de vraag wie de kosten van het uitgevoerd onderzoek aan het riool en het ontstoppen van het riool moet betalen.
1.2
De rechtbank heeft [appellante] veroordeeld om een bedrag van € 94.840,96 aan NR Cooling te betalen en een bedrag van € 1.443,53 voor kosten rioolonderzoek. Verder heeft de rechtbank [appellante] veroordeeld de gebreken aan de riolering te herstellen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel. Wel komt het hof tot een andere ingangsdatum van de wettelijke handelsrente. Ook vindt het hof dat [appellante] de kosten van het ontstoppen van het riool moet betalen.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 29 april 2024, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2024;
  • de memorie van grieven van [appellante], met bijlagen;
  • het arrest van dit hof van 16 juli 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast (deze is niet gehouden);
  • de memorie van antwoord in principaal appel en memorie van grieven in incidenteel appel (tevens wijziging van eis) van NR Cooling, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellante].

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[appellante] is eigenaar van het bedrijfspand aan de [adres] (hierna: het pand). Het pand is begin 2021 ter verhuur aangeboden door Van Vliet Bedrijfsmakelaars B.V. Als verhurend makelaar is [makelaar] (hierna: [makelaar] of de makelaar) opgetreden. In de verhuurbrochure is aanvankelijk een huurprijs van € 6.000,- opgenomen.
3.2
NR Cooling heeft belangstelling getoond voor (de huur van) het pand. NR Cooling heeft na bezichtiging van het pand kenbaar gemaakt dat het pand eerst gerenoveerd moest worden.
3.3
In dat verband heeft [makelaar] op 20 juni 2021 een e-mail gestuurd aan [bestuurder NR] (indirect bestuurder van NR Cooling, hierna: [bestuurder NR]) met de volgende inhoud:
“Ik heb nog diverse malen overleg gehad met de eigenaar van het pand aan de [adres]. (….) Als we kijken naar verhuur is eigenaar bereid aanzienlijk mee te investeren in het up-to-date maken van het pand.
Van het totaal te investeren bedrag, met een bovencap van € 400.000,- exclusief BTW, is eigenaar bereid om voor 50% mee te investeren en dit terug te laten komen in de huurprijs. Eigenaar is dus bereid om € 200.000,- te investeren in het pand, e.e.a. op basis van de door jullie overlegde / te overleggen investeringsbegroting.
Uitgaande van deze investering (…) mag ik het pand aanbieden voor een huurprijs van € 7.750,- per maand exclusief servicekosten exclusief BTW. De voorkeur van verhuurder is dan wel een huurtermijn van 7 jaar. (…)”
3.4
NR Cooling heeft op 29 juni 2021 een investeringsbegroting gemaakt ter zake van de werkzaamheden aan het pand. Deze investeringsbegroting is als bijlage bij de door beide partijen ondertekende huurovereenkomst gevoegd. De begroting sluit op een bedrag van € 554.180,00. Op de begroting staat:
“Tot € 400.000,- exclusief BTW zullen de kosten op basis van 50%-50% tussen huurder van verhuurder worden verdeeld. Al het meerdere komt voor rekening van huurder.”
3.5
Bij e-mail van 5 juli 2021 heeft de heer [medewerker NR] van NR Cooling (hierna: [medewerker NR]) aan [makelaar] geschreven:
“Zoals besproken aan de telefoon hierbij het overzicht voor de investering in het pand aan de [adres].”
3.6
NR Cooling heeft op 6 juli 2021 een schriftelijke huurovereenkomst met betrekking tot het pand gesloten met [appellante], ingaande op 1 oktober 2021, voor de duur van zeven jaar.
3.7
In artikel 23 van Pro de huurovereenkomst is het volgende vastgelegd:
“Partijen zijn overeengekomen dat het pand in de huidige staat wordt opgeleverd en het gehuurde in goed overleg tussen partijen zal worden gerenoveerd / zal worden ingericht naar wens van huurder.
Een overzicht van de benodigde werkzaamheden is vermeld op de bij deze huurovereenkomst bijgesloten investeringsbegroting d.d. 29 juni 2021.
De hiermee gemoeide kosten, tot een maximum van € 400.000,- exclusief BTW, zullen op basis van een verdeling 50% - 50% tussen huurder en verhuurder worden verdeeld. Verhuurder investeert maximaal € 200.000,- exclusief BTW. Al het meerdere komt voor rekening van huurder. De uit te voeren werkzaamheden zullen voor 50% bij verhuurder in rekening worden gebracht en voor 50% bij huurder.
Alle met hierboven genoemde investering genoemde zaken / voorzieningen worden verondersteld deel uit te maken van het gehuurde. Het is huurder bij beëindiging van de huurovereenkomst niet toegestaan deze zaken / voorzieningen geheel of gedeeltelijk weg te halen of anderszins te verwijderen en / of te verkopen. Het is huurder tevens niet toegestaan om bij beëindiging van de huurovereenkomst aan een toekomstig huurder hiervoor nog een vergoeding te vragen. Verhuurder is bij beëindiging van de huurovereenkomst geen vergoeding verschuldigd aan huurder voor de door huurder gedane investering.”
Artikel 14 van Pro de huurovereenkomst luidt als volgt:
“Indien huurder aanpassingen aan het gehuurde wenst, dient huurder te allen tijde vooraf schriftelijke toestemming aan verhuurder te vragen en verhuurder tevens inzage van deze (bouw)plannen te geven.”
In de toepasselijke algemene bepalingen is in de artikelen 11 en 12 (voor zover relevant) opgenomen:
“11.5 Ter verduidelijking dan wel in afwijking of in aanvulling op artikel 11.2 zijn voor rekening van Huurder:
d. onderhoud en herstel van (…)gootstenen, (…) sanitair;
e. onderhoud en herstel van leidingen en kranen van (…) water;(…)
k. de zorg voor het (…) schoonmaken en ontstoppen van putten, goten en alle afvoeren/rioleringen tot aan de gemeentelijke hoofdriolering van het gehuurde (…).
11.6
Onderhoud, herstel en vernieuwingen van door of vanwege Huurder aangebrachte veranderingen en toevoegingen zijn voor rekening van Huurder.
(…)
12.1
Huurder zal Verhuurder te allen tijde tevoren schriftelijk informeren over iedere verandering of toevoeging. Hieronder vallen onder meer doch niet uitsluitend alle wijzigingen die een effect zouden kunnen hebben op de op het gehuurde toepasselijke vergunningen. (…)
12.2
Zonder toestemming van Verhuurder is Huurder bevoegd veranderingen en/of toevoegingen in het gehuurde aan te brengen die voor de exploitatie van het bedrijf van Huurder nodig zijn, mits de veranderingen en toevoegingen niet de (bouwkundige) constructie van het gehuurde en/of technische voorzieningen die deel uitmaken van het gehuurde (…) betreffen of beïnvloeden.
12.3
Voor alle veranderingen en toevoegingen anders dan bedoeld in artikel 12.2 behoeft Huurder de voorafgaande schriftelijke toestemming van Verhuurder.(…)”
3.8
Het pand is op 8 juli 2021 opgeleverd. In de opleverrapportage is onder meer opgenomen:
“Het gehuurde zal compleet worden gerenoveerd, e.e.a. zoals beschreven in de door partijen ondertekende huurovereenkomst.”
3.9
Op 8 juli 2021 heeft [medewerker NR] een e-mail gestuurd aan [makelaar] met de volgende inhoud:
“Zoals besproken zouden wij graag vanuit de eigenaar goedkeur krijgen op de aanpassingen die wij gaan uitvoeren op de [adres].
Ik ben zo vrij geweest een document te maken waarin benoemd word wat wij gaan doen, waarbij heel simpel door ja of nee te zeggen akkoord (of niet) kan worden gegeven op de aanpassingen.
I.v.m. voortgang demontage werken zouden wij graag voor het weekend horen of wij verder kunnen gaan, of dat een bezoek met de eigenaars vertegenwoordiger morgen een optie is. (…)”
3.1
Op 9 juli 2021 heeft [makelaar] aan [medewerker NR] gemaild:
“Uiteraard kan worden aangevangen met de eerste werkzaamheden aan de [adres].
De tekenlijst heb ik in goede orde ontvangen en doorgezet naar verhuurder. Ik kom hier zsm op terug.”
3.11
Op 15 juli 2021 heeft [makelaar] aan [medewerker NR] geschreven:
“Zoals besproken onderstaand de contactgegevens van de beheerder van de [adres].
Met hem kunnen de bouwtechnische zaken worden besproken en in eerste instantie ook de financiële afwikkeling van de verbouwing.”
3.12
NR Cooling heeft op dezelfde dag de beheerder [beheerder] (hierna: [beheerder] of de beheerder) uitgenodigd om aanwezig te zijn bij een overleg op 21 juli 2021 met leveranciers over een aantal werkzaamheden in het pand. De beheerder heeft aangegeven dat hij niet aanwezig kan zijn.
3.13
[medewerker NR] heeft op 25 augustus 2021 aan [beheerder] het ontwerp van het kantoor toegestuurd. In reactie daarop mailt [beheerder]:
“Ziet er goed uit!”
3.14
Bij e-mail van 3 september 2021 bericht [beheerder] aan [medewerker NR]:
“Na onze afspraak heb ik e.e.a. met de eigenaar besproken. (…)
Daktoegang
In principe is de eigenaar hiermee akkoord om dit aan te laten brengen. Ter vergelijk zal ik ook een offerte laten opmaken. Na ontvangst van de raming van jouw aannemer zal ik beide voorstellen voorleggen ter goedkeuring aan de eigenaar. (…)”
3.15
Na afrondin
gvan de werkzaamheden heeft NR Cooling het gehuurde op 4 oktober 2021 in gebruik genomen.
3.16
Bij e-mail van 5 oktober 2021 heeft NR Cooling aan de beheerder gemeld dat er problemen waren met de riolering en dat er een professioneel ontstoppersbedrijf is ingeschakeld om alles te ontstoppen. Ook is in de e-mail vermeld dat de oorzaak was “zwaar aangekoekte riool afvoeren, door lange stilstand waardoor alles opdroogt en aankoekt aan de wanden”. In de bijlage is een factuur meegestuurd van € 1.570,90 (exclusief btw). Verder is melding gemaakt van een verstopping van een regenafvoerput op het achterterrein.
3.17
Op 20 oktober 2021 heeft NR Cooling een factuur voor een bedrag van € 200.000,- exclusief BTW aan [appellante] verzonden voor de kosten van de renovatie.
3.18
Bij e-mail van 10 november 2021 heeft NR Cooling de facturen van de verbouwing aan [appellante] gestuurd. Op 15 november 2021 heeft [appellante] geschreven dat zij een voorschotbetaling zal doen van 50% van de factuur, dat zij nog niet akkoord is met de specifieke factuur en dat een inhoudelijke beoordeling daarvan pas kan plaatsvinden na het overleg van volgende week.
3.19
Op 2 december 2021 heeft NR Cooling aan [appellante] een excel bestand met factuurnummers en link naar de facturen gestuurd.
3.2
Bij e-mail van 19 januari 2022 heeft [appellante] nog een aantal opmerkingen gemaakt over de juistheid van de rapportage. In mei 2022 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen NR Cooling en [appellante] over de facturen.
3.21
In een e-mail van 1 juni 2022 heeft [makelaar] onder meer het volgende verklaard:
“(…)
Vanuit mij is er zowel telefonisch als per mail diverse keren contact geweest met verhuurder inzake de verbouwing.
Op 2 juni , in de onderhandelingsfase, heb ik een mail verzonden naar verhuurder met een overzicht van de werkzaamheden die jullie voornemens waren om te doen in het pand.
Op 11 juni heb ik het door jullie opgestelde overzicht (bijgesloten excel bestand) aan verhuurder toegezonden. Dit is de basis geweest voor de uiteindelijke investeringsbegroting die als bijlage is bijgesloten bij de huurovereenkomst.
Ik kan niet precies herleiden hoe verhuurder hier akkoord op heeft gegeven en wanneer. Maar feit is dat dit document is bijgesloten bij de huurovereenkomst en partijen deze overeenkomst hebben ondertekend. En verhuurder dus op de hoogte is van de voorgenomen aanpassingen aan het pand.
Voor en ook na de oplevering heb ik op 9 juli en op 15 juli de tekeningen (bijgesloten) van de verbouwing toegezonden aan verhuurder. Verhuurder heeft dezelfde dag op gereageerd met ‘ja, ziet er mooi uit, nu in het eggie!’ (…)”

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1
NR Cooling heeft [appellante] gedagvaard en gevorderd (samengevat) haar te veroordelen
  • tot betaling van € 100.000,- exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, de buitengerechtelijke kosten en de kosten van rioolonderzoek;
  • primairtot herstel van gebreken aan het vuilwatersysteem en de straatkolken van het terrein aan de achterzijde van het gehuurde, op straffe van een dwangsom en
    subsidiairtot betaling van een bedrag van € 4.270,- exclusief BTW;
  • de toegezegde daktoetreding te realiseren, op straffe van een dwangsom;
  • in de proceskosten.
4.2
NR Cooling legt aan haar vordering ten grondslag nakoming van artikel 23 van Pro de huurovereenkomst. Voor wat betreft de riolering stelt zij dat hier sprake is van een gebrek en dat [appellante] als verhuurder verantwoordelijk is voor gebreken aan het gehuurde.
4.3
[appellante] heeft op haar beurt gevorderd (in reconventie) NR Cooling te veroordelen
  • tot betaling van een bedrag van € 121.000,- met wettelijke handelsrente;
  • tot herstel van de gebreken aan een niet werkend vuilwatersysteem en de niet werkende straatkolken op het terrein aan de achterzijde en bewijs te verstrekken dat herstel heeft plaatsgevonden, op straffe van een dwangsom;
  • in de (buiten)gerechtelijke incassokosten en in de proceskosten.
4.4
[appellante] legt daaraan ten grondslag dat zij onverschuldigd heeft betaald omdat NR Cooling nooit toestemming heeft gevraagd voor de werkzaamheden en nooit overleg met haar heeft gevoerd. Voor wat betreft de gebreken stelt [appellante] dat deze op grond van de algemene bepalingen voor rekening van de huurder komen.
4.5
Daarnaast heeft [appellante] voorwaardelijk een incidentele vordering ex art. 843a Rv ingesteld. Zij wil dat NR Cooling aan haar ter beschikking stelt (op straffe van een dwangsom) alle offertes, opdrachtbevestigingen, facturen, afleverbonnen en betaalbewijzen van de facturen ter zake waarvan NR Cooling betaling vordert zoals vermeld op het kostenoverzicht van NR Cooling voor een bedrag van € 456.982,03 exclusief BTW alsmede een verklaring van de accountant van NR Cooling omtrent de kortingsregeling welke bestaat met Toshiba in 2021 en waaruit blijkt in hoeverre deze kortingsregeling is aangewend ten gunste van [appellante].
4.6
De kantonrechter heeft de vorderingen van NR Cooling grotendeels toegewezen, de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat artikel 23 van Pro de huurovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat NR Cooling zonder (schriftelijke) toestemming werkzaamheden zoals opgenomen op de investeringsbegroting mocht uitvoeren. NR Cooling mocht de feitelijke kosten van derden en (naar redelijkheid) de door haar begrote kosten voor de eigen werkzaamheden aan [appellante] doorbelasten. [appellante] moet de riolering herstellen nu vast staat dat de oorzaak van dit gebrek niet aan NR Cooling kan worden toegerekend. [appellante] hoeft geen dakluik te laten maken. Volgens de kantonrechter heeft [appellante] geen belang bij afgifte van de gevorderde bescheiden.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
[appellante] vordert in hoger beroep het vonnis van de kantonrechter te vernietigen en opnieuw rechtdoende NR Cooling te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 121.000,-, tot terugbetaling van een op basis van het vonnis betaald bedrag van € 132.906,20, tot betaling van de herstelkosten van de riolering (€ 1.390,53) en tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten. Voor zover het hof van oordeel is dat NR Cooling rechten kan ontlenen aan artikel 23 van Pro de huurovereenkomst stelt zij opnieuw de vordering tot afgifte van bescheiden ex art. 843a Rv (voorwaardelijk) in.
5.2
Kort gezegd zien de bezwaren van [appellante] op de uitleg door de kantonrechter van de afspraken in artikel 23 van Pro de huurovereenkomst (grieven 1 t/m 5), de omvang van de kosten van de renovatiewerkzaamheden (grief 6 en 7), het oordeel dat [appellante] moet zorgdragen voor herstel van de riolering en de draaikolken en dat [appellante] de kosten van het rioolonderzoek moet betalen (grief 8), het oordeel dat [appellante] geen belang heeft bij afgifte van de gevorderde bescheiden (grief 9) en de veroordeling van [appellante] in de proceskosten (grief 10).
5.3
NR Cooling eist in incidenteel hoger beroep dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van € 100.000,- (in plaats van het door de kantonrechter toegewezen bedrag van € 94.840,96) met de wettelijke handelsrente vanaf 3 november 2021 (dan wel vanaf 2 december 2021, dan wel vanaf 22 mei 2022, dan wel vanaf 24 november 2022) tot de dag dat volledig is betaald, na eiswijziging tot betaling van de kosten van het ontstoppen van de riolering (€ 1.570,-), tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, tot het realiseren van een daktoetreding, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van beide instanties.
5.4
De bezwaren van NR Cooling zien op de afwijzing van de kosten van het ontstoppen van het riool (grief 1), de overweging dat administratiekosten niet in de berekening van de renovatiekosten mogen worden opgenomen (grieven 2 en 3), de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente (grief 4), de overweging dat [appellante] niet hoeft te zorgen voor daktoetreding (grief 5) en de afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten (grief 6).

6.Beoordeling in hoger beroep

Uitleg artikel 23 huurovereenkomst Pro

6.1
[appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de woorden ‘in goed overleg’ in artikel 23 moet Pro worden afgeleid dat partijen de intentie hadden dat over de concrete invulling van de afspraken nog overleg zou worden gevoerd. Met artikel 23 wordt Pro volgens [appellante] niet geregeld welke werkzaamheden worden uitgevoerd en wanneer, welke leveranciers de werkzaamheden zullen uitvoeren, wat de onderlinge verdeling van taken tussen partijen zal zijn etc. De verbintenissen die voortvloeien uit artikel 23 zijn Pro dan ook onvoldoende bepaalbaar. Bovendien volgt uit artikel 12.3 van de algemene bepalingen dat NR Cooling schriftelijke toestemming nodig heeft voor veranderingen en toevoegingen aan het gehuurde. Artikel 23 is Pro niet een bijzondere bepaling die de algemene bepaling van artikel 12 lid 3 opzij Pro heeft gezet. Bovendien is die bepaling nog eens herhaald in artikel 14 van Pro de huurovereenkomst, waarin staat dat altijd schriftelijke toestemming nodig is. Dat betekent dus dat NR Cooling én toestemming nodig had van [appellante] voor het laten uitvoeren van concrete werkzaamheden én in goed overleg met [appellante] concrete opdrachten zou geven voor de uitvoering van de werkzaamheden. Anderen waren niet bevoegd om [appellante] in dezen te vertegenwoordigen. De investeringsbegroting was niet leidend voor de werkzaamheden die daadwerkelijk zouden worden uitgevoerd maar slechts bedoeld om bij benadering inzichtelijk te krijgen wat de beoogde renovatie zou gaan kosten. De investeringsbegroting kan niet worden beschouwd als schriftelijke toestemming. Uit de e-mail van 8 juli 2021 volgt dat ook NR Cooling er zonder meer vanuit ging dat zij toestemming nodig van [appellante]. Omdat NR Cooling zich niet aan de voorwaarde van toestemming en goed overleg heeft gehouden, is [appellante] niet gebonden aan de afspraak. Verder moet artikel 23 volgens Pro [appellante] zo worden uitgelegd dat facturatie voor 50% bij verhuurder en voor 50% bij huurder zou plaatsvinden. Indirecte facturering is niet afgesproken. Partijen hadden een gezamenlijk opdrachtgeverschap voor ogen. Voor [appellante] was het immers van groot belang om controle te blijven houden over de daadwerkelijk uit te voeren werkzaamheden en de daaraan verbonden kosten. Ten onrechte heeft de kantonrechter bij de uitleg van de afspraak een grote rol toegekend aan de afspraak dat NR Cooling de wijzigingen bij het einde van de huurovereenkomst zal achterlaten zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. [appellante] heeft (onder verwijzing naar een verklaring van makelaar-taxateur Bremmer) betwist dat zij profiteert van een waardevermeerdering.
Voldoende bepaald
6.2
Met NR Cooling is het hof van oordeel dat de afspraken tussen partijen voldoende bepaalbaar in de zin van artikel 6:227 BW Pro zijn. De afspraken zijn voldoende kenbaar en geven voldoende houvast ten aanzien van de omvang van de verplichtingen. Duidelijk is immers dat het pand zal worden gerenoveerd/ zal worden ingericht naar de wens van de huurder, dat de werkzaamheden zullen worden uitgevoerd zoals vermeld op de bijgesloten investeringsbegroting, dat de kosten die gemoeid zullen zijn met de uitvoering van de werkzaamheden tot een maximum van € 400.000,- exclusief BTW op basis van een verdeling 50%-50% tussen huurder en verhuurder zullen worden verdeeld, dat de verhuurder maximaal € 200.000,- exclusief BTW zal bijdragen en dat de rest voor rekening van de huurder zal komen. Uit artikel 6:227 BW Pro volgt niet dat bij het aangaan van een overeenkomst al duidelijk is wanneer en door welke leveranciers de werkzaamheden zullen worden uitgevoerd en wat de onderlinge taakverdeling is.
Schriftelijke toestemming en goed overleg
6.3
Voor wat betreft de schriftelijke toestemming is het hof van oordeel dat uit artikel 23 reeds Pro volgt dat de huurder toestemming had van de verhuurder om het pand te renoveren. Partijen hebben immers voorafgaand aan de totstandkoming van de huurovereenkomst uitvoerig onderhandeld over de uit te voeren renovatiewerkzaamheden en [appellante] wist aan de hand van de investeringsbegroting, die als bijlage bij de huurovereenkomst is gevoegd, welke werkzaamheden NR Cooling wilde gaan uitvoeren en wat de kosten daarvan zouden zijn. NR Cooling mocht daar ook vanuit gaan, mede gelet op de e-mail van 9 juli 2021 van de makelaar [makelaar] waarin hij aangeeft dat (uiteraard) met de eerste werkzaamheden kan worden gestart. Bovendien is naar aanleiding van de door NR Cooling aan de makelaar toegestuurde tekenlijst (met uit te voeren werkzaamheden) geen bezwaar ontvangen van of namens [appellante]. Integendeel, volgens de verklaring van de makelaar (zie 3.21) zou de verhuurder na ontvangst van de tekeningen van de verbouwing hebben gezegd
“ja, ziet er mooi uit, nu in het eggie”.
6.4
Het hof volgt ook niet de uitleg die [appellante] aan de woorden “in goed overleg “ geeft. Noch uit de bewoordingen van artikel 23 noch Pro uit de gedragingen van partijen kan worden afgeleid dat het de bedoeling was (zoals [appellante] stelt) dat de renovatiewerkzaamheden in gezamenlijkheid zouden worden uitgevoerd. Nadat duidelijk was geworden dat bouwtechnische zaken met de beheerder moesten worden besproken, heeft NR Cooling op 15 juli 2021 de beheerder uitgenodigd voor overleg met de leveranciers over de werkzaamheden maar deze kon daarbij niet aanwezig zijn. Er is echter geen bezwaar gemaakt tegen het doorgaan van het overleg zonder aanwezigheid van de beheerder (dan wel iemand anders namens [appellante]). Naar aanleiding van het toesturen van het schetsontwerp op 25 augustus 2021 aan de beheerder reageert de beheerder enkel met de woorden dat ‘het er goed uit ziet’. Op geen enkel moment is door of namens [appellante] om overleg gevraagd over het geven van opdrachten voor de werkzaamheden terwijl uit de e-mail van 3 september 2021 volgt dat de beheerder wel contact heeft met de verhuurder en deze dus op de hoogte moet zijn geweest van de uitgevoerde of nog uit te voeren werkzaamheden.
Vertegenwoordigingsbevoegdheid
6.5
[appellante] heeft nog aangevoerd dat de makelaar noch de beheerder bevoegd was om haar te vertegenwoordigen. Het hof gaat aan die stelling voorbij. Vast staat immers dat [appellante] nooit zelf om overleg heeft gevraagd, vragen heeft gesteld of een bezoek heeft gebracht aan het pand. NR Cooling heeft er op gewezen dat alle contacten gedurende het hele verhuurtraject via de makelaar liepen. Zij heeft ook gewezen op de e-mail van 15 juli 2021 aan NR Cooling waarin is bericht dat alle bouwtechnische zaken en (in eerste instantie) ook de financiële afwikkeling met de beheerder konden worden besproken. In dat licht bezien had het op de weg gelegen van [appellante] om haar stelling (nader) te onderbouwen, hetgeen zij niet heeft gedaan.
Gezamenlijk opdrachtgever
6.6
Volgens [appellante] moet de bepaling dat “
de uit te voeren werkzaamheden dienen voor 50% bij de verhuurder en voor 50% bij de huurder in rekening te worden gebracht”zo worden uitgelegd dat de facturen naar beide partijen bij helfte moeten worden gefactureerd. Dat impliceert volgens haar dat partijen gelijkwaardig de offertes zouden opvragen en opdrachten zouden aangaan. Die kans is [appellante] ontnomen. Het hof volgt dat betoog niet. De uitleg die [appellante] aan de bepaling wil geven volgt niet uit de stukken. Bovendien heeft NR Cooling er terecht op gewezen dat [appellante] zich ook niet als zodanig heeft gedragen. Zij heeft immers nooit (ook niet via de makelaar of de beheerder) aan NR Cooling kenbaar gemaakt dat zij betrokken wilde worden bij het aanvragen van offertes, de keuze voor aannemers of leveranciers, de verstrekking van opdrachten en de betaling van facturen. Evenmin heeft zij zelf offertes aangevraagd. Daarbij komt dat de werkzaamheden mochten worden uitgevoerd “naar wens van de huurder” en dat NR Cooling al een investeringsbegroting had opgesteld op basis van kostenbegrotingen van aannemers/leveranciers. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat een redelijke uitleg van voornoemde bepaling meebrengt dat facturering indirect kan plaatsvinden.
Overige omstandigheden
6.7
Tot slot kan de uitleg van artikel 23 van Pro de huurovereenkomst niet los worden gezien van de omstandigheden waaronder de huurovereenkomst tot stand is gekomen. De afspraak over de vergoeding van de renovatiekosten is gemaakt onder de voorwaarde dat NR Cooling een hogere huurprijs zou accepteren (€ 7.750,- in plaats van € 6.000,-), een langere huurtermijn (7 jaar in plaats van 5 jaar) en na het einde van de huurovereenkomst alle zaken/voorzieningen die met de renovatie gemoeid zijn zonder recht op vergoeding in het pand zou achterlaten. [makelaar] schrijft immers in de mail van 20 juni 2021 dat de eigenaar bereid is voor 50% mee te investeren en dat hij dit wil laten terugkomen in de huurprijs. [appellante] kan reeds daarom niet gevolgd worden in haar uitleg dat zij geen enkel profijt heeft gehad van de renovatiewerkzaamheden. Daarnaast kan [appellante] ook profiteren van enige waardevermeerdering, zo volgt immers uit de verklaring van makelaar-taxateur Bremmer.
Welke kosten vallen onder artikel 23?
a)
Factuur KSP
6.8
Volgens [appellante] heeft de kantonrechter een te hoog bedrag onder artikel 23 geschaard Pro. [appellante] heeft er op gewezen dat op de factuur van KSP (productie 10 bij dagvaarding) het oude adres van NR Cooling staat vermeld. Zij meent dat deze factuur geen betrekking heeft op werkzaamheden aan het gehuurde. Het gaat om sloop van een hekwerk terwijl er bij het gehuurde geen hekwerk is gesloopt.
6.9
NR Cooling heeft onder verwijzing naar foto’s in de verhuurbrochure voldoende onderbouwd dat het hier gaat om het demonteren van een stalen hek dat zich in het magazijn bevond. Dat hekwerk staat ook opgenomen op de investeringsbegroting.
b)
Facturen inrichting
6.1
Volgens [appellante] heeft een deel van de kosten betrekking op de aankleding van het pand, terwijl die kosten niet onder artikel 23 vallen Pro. Met de schuine streep in de zinsnede “
het gehuurde in goed overleg tussen partijen zal worden gerenoveerd / zal worden ingericht naar wens van huurder”is niet beoogd om de werkzaamheden uit te breiden maar het tweede deel omvat een alternatieve omschrijving van het eerste deel. Met het inrichten wordt niet gedoeld op inrichting in de zin van bekleding, meubilair en dergelijke maar op de wijze waarop het pand bouwkundig gezien wordt ingericht, op de plattegrondinrichting. Partijen hebben niet beoogd om af te wijken van het zeer gebruikelijke uitgangspunt dat de aankleding van een gehuurd pand voor rekening van de huurder komt. [appellante] verwijst daarbij naar het bericht van de makelaar-taxateur Bremmer waarin wordt vermeld dat aankleding geen invloed heeft op de waarde omdat deze smaak-, tijd- en gebruiksgevoelig zijn en relatief eenvoudig kunnen worden vervangen en verwijderd. Daarom wordt dit niet betrokken in de taxatie van onroerend goed.
6.11
Het hof volgt dat betoog niet. De bepaling kan (taalkundig) niet anders worden uitgelegd dan dat de werkzaamheden niet alleen zien op de renovatie maar ook op de inrichting van het pand. NR Cooling heeft er terecht op gewezen dat uit het Schetsontwerp en het Plan van Aanpak (onder het kopje Binnenzijde locatie) de vervanging van vloerbedekking, plafonds, verlichting, raambekleding etc. is opgenomen.
c) KSP niet als leverancier vermeld
6.12
[appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat KSP niet als leverancier staat vermeld op de investeringsbegroting. NR Cooling wijkt dus af van de investeringsbegroting zonder dat daarvoor nadere (schriftelijke) toestemming is verleend. NR Cooling heeft daar tegenin gebracht dat sommige werkzaamheden zijn opgedragen aan een andere aannemer/leverancier dan genoemd in de investeringsbegroting omdat die andere aannemer/leverancier een gunstiger offerte uitbracht of omdat de n de investeringsbegroting genoemde aannemer/leverancier niet beschikbaar was om de werkzaamheden volgens planning uit te voeren. Dat er toestemming was voor de uitvoering van de werkzaamheden, zoals opgenomen in de investeringsbegroting, wil naar het oordeel van het hof nog niet zeggen dat er ook toestemming nodig was voor het inschakelen van een specifieke in de investeringsbegroting genoemde aannemer of leverancier. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt ook niet in te zien welk belang [appellante] daarbij zou hebben.
d)
Sloopwerkzaamheden
6.13
Verder is bezwaar gemaakt tegen het opnemen van de kosten van de sloopwerkzaamheden. Uit het feit dat deze niet in de investeringsbegroting zijn opgenomen moet volgens [appellante] worden afgeleid dat die niet voor haar rekening komen. NR Cooling heeft er op gewezen dat de sloopwerkzaamheden weliswaar niet letterlijk zijn omschreven maar dat deze wel zijn inbegrepen, zoals ook volgt uit het Plan van Aanpak. Daarin is onder het kopje “Binnenzijde locatie” omschreven dat vloerbedekking vervangen moet worden, plafonds, datakabels, wanden en deuren. Tegen die achtergrond is het hof met de kantonrechter van oordeel dat het vanzelf spreekt dat sloopwerkzaamheden moesten worden verricht en dat daarvoor kosten mochten worden berekend.
e) Onvoorzien
6.14
[appellante] klaagt verder dat de kantonrechter ten onrechte enkele kosten die niet vermeld stonden op de investeringsbegroting onder de post “onvoorzien“ heeft geschaard. Volgens [appellante] was er (gelet op de vermelding “wordt hopelijk niet gebruikt”) eerst nog toestemming nodig voor werkzaamheden die onvoorzien waren. Het hof verwijst voor de vraag of toestemming nodig was naar de overwegingen onder 6.3 en 6.4. De onvoorziene kosten worden inhoudelijk niet door [appellante] betwist en blijven (ruimschoots) binnen de post “onvoorzien 10% van totaal € 50.380,00” genoemd in de investeringsbegroting.
f) Uren NR Cooling
6.15
Volgens [appellante] heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat de betwisting van de uren van NR Cooling te algemeen was. In dat kader geldt volgens haar dat NR Cooling als crediteur in verzuim is door [appellante] niet te betrekken in het offertetraject waardoor [appellante] niet beschikt over vergelijkbare offertes van andere aanbieders niet gehouden kan zijn tot een verdere betwisting. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 6.6 kan dit standpunt niet worden gevolgd. [appellante] had ook achteraf (bijvoorbeeld) offertes kunnen opvragen om haar stelling te onderbouwen dat NR Cooling teveel uren in rekening heeft gebracht.
g) Administratiekosten
6.16
NR Cooling heeft op haar beurt bezwaar gemaakt tegen de overweging van de kantonrechter dat de administratiekosten niet in de berekening mogen worden meegenomen. Volgens haar kwalificeert artikel 23 van Pro de huurovereenkomst als een aannemingsovereenkomst, heeft NR Cooling zich als (hoofd)aannemer jegens [appellante] verbonden om de renovatie/inrichting tot stand te brengen, heeft zij de uitvoering van het werk gecoördineerd en heeft zij ook het risico gedragen voor fouten van de aannemers/leveranciers. [appellante] heeft betwist dat sprake is van een aannemingsovereenkomst. De afspraak was alleen dat [appellante] een financiële bijdrage zou leveren. Dat administratiekosten zijn verschuldigd blijkt ook nergens uit de investeringsbegroting of de tekenlijst. Subsidiair wordt betwist dat 10% gebruikelijk is of redelijk.
6.17
Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat hier sprake is van een eenvoudige overeenkomst waarin afspraken zijn gemaakt over het recht van NR Cooling als huurder om werkzaamheden uit te laten voeren en de plicht van [appellante] om hieraan een financiële bijdrage te leveren. De administratiekosten zijn niet opgenomen in de investeringsbegroting, zodat deze op grond van de huurovereenkomst niet toewijsbaar zijn. De overeenkomst kwalificeert, anders dan NR Cooling suggereert, niet als een aannemingsovereenkomst. Daarvan is immers sprake als de aannemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door de opdrachtgever te betalen prijs in geld. NR Cooling heeft zich ook nooit als aannemer gedragen door bijvoorbeeld werk op te leveren. Van een aannemingsovereenkomst is dan ook geen sprake zodat de administratiekosten (die overigens ook niet op de investeringsbegroting of tekenlijst waren opgenomen) niet toewijsbaar zijn.
6.18
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat [appellante] enig bedrag onverschuldigd heeft betaald. Het beroep daarop faalt dus.
Riolering (vuilwatersysteem en straatkolken)
6.19
Partijen twisten over de vraag of de gebreken aan de riolering voor rekening van huurder of voor verhuurder moeten komen. NR Cooling beroept zich op het feit dat de aanvangsdatum van de huurovereenkomst 1 oktober 2021 is. In artikel 11 van Pro de huurovereenkomst is bepaald dat de sleuteloverhandiging/oplevering kan plaatsvinden zodra de huurovereenkomst volledig is getekend en de eigenaar/verhuurder de bankgarantie of waarborgsom van de huurder heeft ontvangen. In artikel 11 noch Pro elders in de huurovereenkomst is bepaald dat de huurovereenkomst bij sleuteloverhandiging/oplevering aanvangt. Er is nergens afgeweken van art. 7:204 lid 2 BW Pro en de algemene bepaling 2.1 van de huurovereenkomst en er is nergens bepaald dat de onderhoudsverplichting van huurder al aanvangt op de datum van sleuteloverhandiging/oplevering. Het gaat er daarom om of het gebrek op 1 oktober 2021 aanwezig was. NR Cooling heeft de gebreken op 5 oktober 2021 gemeld, direct na de ingebruikname van het pand. Dat bevestigt volgens NR Cooling dat de gebreken al aanwezig waren bij de aanvang van de huurovereenkomst. [appellante] heeft aansprakelijkheid aanvaard omdat zij meermaals – via de beheerder – heeft aangegeven de gebreken te zullen oplossen, waartoe zij ook opdracht heeft gegeven aan aannemer [aannemer] & Zn.
6.2
[appellante] heeft daar tegenin gebracht dat het gehuurde met ingang van 8 juli 2021 in gebruik is genomen. Op grond van artikel 11.5 onder d, e en k en artikel 11.6 van de algemene bepalingen althans op grond van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid is het gebruik daarmee voor rekening en risico van NR Cooling gebracht. Het had op de weg van NR Cooling gelegen om het gehuurde bij ingebruikname te controleren. Niet is komen vast te staan dat het gebrek ten tijde van de oplevering bestond. Dit is immers niet vermeld in de opleverrapportage. Door eerst op 4 oktober 2021 te klagen heeft NR Cooling haar klachtplicht ex artikel 6:89 BW Pro verzaakt. [appellante] is in haar belangen geschaad omdat de oorzaak nu niet meer te achterhalen valt. Juist in de periode van renovatie kon er veel zand, afval en bladeren in de kolken terecht komen.
6.21
Het beroep op schending van de klachtplicht wordt verworpen en ook de overige argumenten van [appellante] treffen geen doel gelet op het volgende. NR Cooling heeft er terecht op gewezen dat het feit dat de sleutel eerder is afgegeven (hetgeen in artikel 11 van Pro de huurovereenkomst is geregeld) niet afdoet aan het feit dat de huurovereenkomst pas is ingegaan op 1 oktober 2021. In artikel 11 is Pro immers niet geregeld dat met de sleutelafgifte ook de ingangsdatum vervroegd zou worden. Gesteld noch gebleken is dat er daarmee een leemte bestond in de huurovereenkomst zodat het beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid niet kan slagen. NR Cooling heeft voldoende onderbouwd dat het gebrek aan de riolering pas aan het licht is gekomen bij daadwerkelijke ingebruikname van het pand. Gelet op het feit dat NR Cooling al enkele dagen na aanvang van de huurovereenkomst het gebrek heeft gemeld, moet worden aangenomen dat het gebrek al bij aanvang van de huurovereenkomst aanwezig was. Dat wordt bevestigd door de vermelding op de factuur van [aannemer] van 26 oktober 2021:
“afvoer vol met kalk waardoor de verstoppingen ontstaan”en de e-mail van NR Cooling van 29 augustus 2022 waarin wordt gesproken van “
zwaar aangekoekte riool afvoeren, door lange stilstand waardoor alles opdroogt en aankoekt aan de wanden”.Dat [aannemer] in 2024 heeft opgemerkt dat de kolken zwaar vervuild waren door weersinvloeden doet daaraan niet af. Onduidelijk is immers wanneer deze vervuiling heeft plaatsgevonden, waarbij niet uit te sluiten valt dat dit al gedurende de leegstand van het pand is gebeurd. Het gebrek aan de riolering en de kosten van herstel daarvan dienen dan ook voor rekening van [appellante] te komen. Het voorgaande betekent dat de grief van [appellante] niet slaagt zodat de veroordeling in de kosten van het rioolonderzoek (€ 1.443,53) en tot herstel van de gebreken overeind blijft. De incidentele grief van NR Cooling slaagt wel. Het hof zal daarom de door NR Cooling gevorderde kosten (€ 1.570,-) alsnog toewijzen.
Ingangsdatum wettelijke handelsrente
6.22
In hoger beroep is alleen de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente in geschil. Volgens NR Cooling is de wettelijke handelsrente – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - verschuldigd vanaf 3 november 2021. Zij wijst erop dat in artikel 23 van Pro de huurovereenkomst geen voorwaarde is opgenomen waaruit zou volgen dat het bedrag van 50% (met een maximum van € 200.000,-) pas door [appellante] verschuldigd zou zijn als het bedrag onderbouwd is aan de hand van onderliggende facturen. Verder heeft zij er op gewezen dat de renovatie- en inrichtingswerkzaamheden zijn uitgevoerd in de periode juli t/m september 2021. De beheerder is in die periode regelmatig aanwezig geweest in het pand en wist dus welke werkzaamheden zijn uitgevoerd. Gelet op deze omstandigheden was het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om op 20 oktober 2021 betaling van de facturen te vragen. [appellante] had ook onder voorbehoud kunnen betalen en had dan kunnen voorkomen dat zij rente verschuldigd werd. Het hof volgt dat betoog niet. Mede gelet op de hoogte van het bedrag mocht [appellante] verlangen dat NR Cooling inzichtelijk zou maken aan de hand van facturen hoe het gevorderde bedrag tot stand was gekomen. Wel is het hof van oordeel (anders dan de rechtbank) dat de subsidiair gevorderde ingangsdatum (2 december 2021) toewijsbaar is. Op dat moment had [appellante] alle facturen ontvangen en had de heer Dekker het pand bezichtigd en alle uitgevoerde werkzaamheden gezien. Dat [appellante] nog kanttekeningen had bij een aantal facturen en meende dat op dat moment geen volledige openheid van zaken was gegeven, is onvoldoende voor het aannemen van schuldeisersverzuim aan de zijde van NR Cooling.
Daktoetreding
6.23
Volgens NR Cooling zijn partijen in afwijking van artikel 23 van Pro de huurovereenkomst en de investeringsbegroting overeengekomen dat [appellante] de daktoetreding zal laten aanbrengen. Beheerder [beheerder] heeft immers bij e-mail van 3 september 2021 (namens [appellante]) bevestigd dat zij in principe akkoord is met het laten aanbrengen van de daktoegang en dat hij een offerte zal aanvragen bij onderhoudsbedrijf Van Mastrigt en die samen met de offerte van NR Cooling ter goedkeuring zal voorleggen aan de eigenaar. Ook NR Cooling heeft een prijsopgave gevraagd en deze doorgestuurd aan [beheerder]. Nadat NR Cooling om een update had gevraagd, heeft [beheerder] op 14 december 2021 geantwoord dat hij de offertes heeft ontvangen en zal voorleggen aan de eigenaar. Volgens NR Cooling mocht zij gelet op deze correspondentie erop vertrouwen dat [appellante] de daktoetreding voor haar rekening zou laten realiseren.
6.24
[appellante] heeft betwist dat partijen zijn overeengekomen dat een daktoetreding zou worden gerealiseerd voor rekening van [appellante]. Het feit dat terzake offertes zijn aangevraagd door de beheerder maakt zulks niet anders. De beheerder is niet bevoegd. Voor zover de beheerder wel bevoegd zou zijn, dan geldt dat met het opvragen van de offertes de beheerder nog niet heeft aangegeven dat de kosten voor rekening van [appellante] zouden zijn. Het is niet meer dan een serviceverlening dat de offertes zijn opgevraagd.
6.25
Het hof kan uit de correspondentie waarop NR Cooling zich beroept niet afleiden dat daaruit zou volgen dat [appellante] de daktoetreding zou realiseren en dat dit voor haar rekening zou gebeuren. Evenmin mocht NR Cooling daarop vertrouwen. [beheerder] had immers het voorbehoud gemaakt dat hij het zal voorleggen aan de eigenaar. Het enkele feit dat (ook) [appellante] offertes heeft aangevraagd is onvoldoende om van gerechtvaardigd vertrouwen te kunnen spreken. Bovendien is het realiseren van een dakluik genoemd in de investeringsbegroting, zodat het voor de hand lag dat NR Cooling dit in het kader van de renovatie had laten uitvoeren. In dat geval zou de kostenverdeling gelden zoals is overeengekomen (voor zover dit de € 200.000,- niet overschrijdt). De (bij eiswijziging) gevorderde € 5.000,- om de daktoetreding zelf te realiseren is niet toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten
6.26
Volgens NR Cooling heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat er geen grondslag is voor toekenning van buitengerechtelijke incassokosten omdat op het moment van verrichten van de buitengerechtelijke werkzaamheden nog geen sprake was van een opeisbare vordering. NR Cooling vordert een bedrag van € 15.404,51 en subsidiair € 10.269,33. Zowel NR Cooling als [appellante] verwijst daarbij naar de standpunten ten aanzien van de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente. [appellante] heeft daaraan toegevoegd dat geen buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die voor vergoeding in aanmerking komen en dat de kosten onvoldoende zijn onderbouwd.
6.27
Met [appellante] is het hof van oordeel dat NR Cooling haar vordering op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Niet duidelijk is welke kosten zien op het geven van de onderbouwing door middel van facturen en welke kosten zien op daadwerkelijke buitengerechtelijke werkzaamheden. NR Cooling heeft bij inleidende dagvaarding aangeboden om de facturen die ten grondslag liggen aan de vordering in het geding te brengen. Het had echter op haar weg gelegen om, zeker nadat deze vordering door [appellante] in eerste aanleg al was betwist, om de facturen in hoger beroep in het geding te brengen. Het hof wijst de vordering op dit punt dus af.
Vordering tot afgifte bescheiden (art. 843a Rv (oud))
6.28
Nu de voorwaarde (zie 5.1) waaronder de vordering tot afgifte van bescheiden is vervuld komt het hof toe aan de beoordeling daarvan. [appellante] vordert afgifte van alle offertes, opdrachtbevestigingen, afleverbonnen, verklaring van een accountant, alsmede betaalbewijzen van de facturen waarvan betaling wordt gevorderd alsmede gegevens omtrent de kortingsregeling met Toshiba. Volgens [appellante] heeft zij belang erbij om de aan haar toegezonden facturen op juistheid te controleren, ook in verband met eventuele kortingen die NR Cooling heeft gekregen. Zij wil ook inzage in offertes waarbij zij er vanuit gaat dat [appellante] als opdrachtgever voor de leveranciers heeft te gelden. Dat uitgangspunt is echter niet juist zoals het hof al onder 6.6 heeft overwogen. Voor het overige geldt dat NR Cooling in eerste aanleg al een groot aantal facturen heeft overgelegd zodat het op de weg van [appellante] had gelegen om meer specifiek aan te geven van welke bescheiden zij afgifte wenst. Voor wat betreft de verkregen kortingen heeft NR Cooling onweersproken gesteld dat Toshiba de korting al op de facturen heeft verdisconteerd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien welk (rechtmatig) belang [appellante] nog heeft bij de gevorderde bescheiden. Het hof verenigt zich met de overwegingen van de kantonrechter onder 2.33 en 2.34. De vordering is daarom niet toewijsbaar.
Bewijsaanbiedingen
6.29
Het bewijsaanbod van [appellante] wordt gepasseerd omdat het onvoldoende specifiek is. Het bewijsaanbod van NR Cooling wordt gepasseerd omdat de aangeboden feiten, indien bewezen, niet tot een andere beslissing kunnen leiden.
Conclusie en proceskosten
6.3
De conclusie is dat het principaal hoger beroep van [appellante] niet slaagt. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. Het incidenteel hoger beroep van NR Cooling slaagt gedeeltelijk. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter vernietigen voor wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente. Ook veroordeelt het hof [appellante] tot betaling van de kosten van ontstopping van het riool (€ 1.570,-). Voor het overige zal het hof het vonnis bekrachtigen. De kosten van het incidenteel hoger beroep zal het hof compenseren omdat partijen over een weer in het ongelijk zijn gesteld. Alle overige vorderingen worden afgewezen.
6.31
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van NR Cooling op:
griffierecht € 6.561,-
salaris advocaat € 3.797,- (1 punt × tarief V)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 10.547,-

7.Beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2024 doch uitsluitend voor zover (in conventie) onder 3.1 de wettelijke handelsrente is toegewezen vanaf 14 april 2023
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- wijst de wettelijke handelsrente toe vanaf 2 december 2021 tot de dag dat volledig is betaald;
  • bekrachtigt het vonnis voor het overige;
  • veroordeelt [appellante] tot betaling van € 1.570,- aan NR Cooling;
  • veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep, aan de zijde van NR Cooling begroot op € 10.547,-,
  • bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-,
  • compenseert de kosten van het incidenteel hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J. Ruijpers, mr. Th. G. Lautenbach en mr. R.M. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.