Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1603

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
22-001501-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens diverse diefstallen met braakschade en bedreiging door verslavingsgevoelige man

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf voor diverse diefstallen met braakschade en bedreiging van een buurtbewoner. In hoger beroep vernietigt het hof het vonnis deels en spreekt de verdachte vrij van enkele tenlasteleggingen wegens onvoldoende bewijs.

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere diefstallen uit auto's en een supermarkt, waarbij braakschade werd veroorzaakt, en aan bedreiging met de woorden "Ik maak je dood". De verdachte is verslavingsgevoelig, impulsief en heeft een laag IQ, met een geschiedenis van recidive en eerdere plaatsingen in een inrichting voor stelselmatige daders.

Gezien de ernst van de feiten, de recidive en de overlast legt het hof een gevangenisstraf van 18 maanden op, waarvan een deel voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, waaronder reclasseringstoezicht en ambulante behandeling. Tevens worden schadevergoedingen aan benadeelden toegewezen en wordt de proeftijd van een eerdere straf met één jaar verlengd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, deels voorwaardelijk, voor diverse diefstallen met braak en bedreiging.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001501-25
Parketnummers: 09-329294-24, 09-010659-25 (gevoegd ttz ea) en
09-058027-20 (TUL)
Datum uitspraak: 6 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 2 mei 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder parketnummer 09-329294-24 onder 4 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder parketnummer 09-329294-24 onder 1, 2, 3 en 5 en onder parketnummer 09-010659-25 onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en is een beslissing genomen op de vordering tot tenuitvoerlegging, een en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Den Haag vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 09-329294-24 onder 4 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 09-329294-24:1.
hij in of omstreeks 25 december 2023 te 's-Gravenhage een USB kabel, gereedschap, en/of brillenreiniger in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen USB kabel, gereedschap, en/of brillenreiniger onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2.
hij in of omstreeks 3 januari 2024 te 's-Gravenhage een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
3.
hij op of omstreeks 25 december 2023 te 's-Gravenhage een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
5.
hij in of omstreeks 3 januari 2024 te 's-Gravenhage een elektrische step, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen elektrische step onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
Zaak met parketnummer 09-010659-25:1.
hij op of omstreeks 21 december 2024 te 's-Gravenhage meerdere goederen, te weten: jas, sleutels, visum, pinpas en/of airpods, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf (te weten de auto van die [slachtoffers] ) heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking (door het achterraam van die auto in te tikken) en/of inklimming;
2.
hij op of omstreeks 23 december 2024 te 's-Gravenhage [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door [slachtoffer 7] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
hij op of omstreeks 23 december 2024 te 's-Gravenhage (een tas met) meerdere goederen (te weten: portemonnee, rijbewijs, bankpassen), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf (te weten de auto van [slachtoffer 8] ) heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
4.
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere winkelgoederen en/of contant(e) geldbedrag(en) (ten bedrage van 4231,45 euro en/of 800 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [een markt] (gevestigd aan [adres] )en/of [slachtoffer 9] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf (het winkelpand) heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking (door de voordeur van het winkelpand te forceren);
5.
hij op of omstreeks 21 december 2024 te 's-Gravenhage, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 2,50 euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door (zonder toestemming) gebruik te maken van de pinpas van [slachtoffer 5] .

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder parketnummer 09-329294-24 onder 1, 2, 3 en 5 en onder parketnummer 09-010659-25 onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak met parketnummer 09-329294-24 onder 1 en 3 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-329294-24 onder 2 en 5 en in de zaak met parketnummer 09-010659-25 onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 09-329294-24:2.
hij
in of omstreeksop3 januari 2024 te 's-Gravenhage een geldbedrag
, in elk geval enig goed,dat
/die geheel of ten deleaan [slachtoffer 2]
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft
en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebrachtdoor middel van braak
en/of verbreking;
5.
hij
in of omstreeksop3 januari 2024 te 's-Gravenhage een elektrische step
, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [slachtoffer 4]
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om
hetdiezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft
en/of die weg te nemen elektrische step onder zijn bereik heeft gebrachtdoor middel van braak
en/of verbreking;
Zaak met parketnummer 09-010659-25:1.
hij op
of omstreeks21 december 2024 te 's-Gravenhage meerdere goederen, te weten: jas, sleutels, visum, pinpas en
/ofairpods,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om
hetdezezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf (te weten de auto van die [slachtoffers] ) heeft verschaft
en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebrachtdoor middel van braak
en/of verbreking(door het achterraam van die auto in te tikken)
en/of inklimming;
2.
hij op
of omstreeks23 december 2024 te 's-Gravenhage [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 7] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
hij op
of omstreeks23 december 2024 te 's-Gravenhage
(een tas met
) meerderegoederen (te weten: portemonnee, rijbewijs, bankpassen)
, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [slachtoffer 8]
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om
hetdezezich wederrechtelijk toe te eigenen
, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf (te weten de auto van die [slachtoffer 8] ) heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
4.
hij op
of omstreeks1 januari 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen,meerdere winkelgoederen en
/ofcontant
(e
)geldbedrag
(en
)(ten bedrage van 4231,45 euro en
/of800 euro
), in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [een markt] (gevestigd aan [adres] ) en/of [slachtoffer 9]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om
hetdezezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en
/ofzijn mededader
(s
)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf (het winkelpand)
heeft/hebben verschaft en
/ofdie weg te nemen goederen onder
zijn/hun bereik
heeft/hebben gebracht door middel van braak
, verbreking(door de voordeur van het winkelpand te forceren);
5.
hij op
of omstreeks21 december 2024 te 's-Gravenhage, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 2,50 euro
, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten deletoebehorende aan [slachtoffer 5] ,
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,waarbij verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door (zonder toestemming) gebruik te maken van de pinpas van [slachtoffer 5] .
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder parketnummer 09-010659-25 onder 2 tenlastegelegde bedreiging, nu de bedreiging niet van dien aard was en onder zodanige omstandigheden geschiedde dat bij de aangever redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd gepleegd zou worden.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling vereist is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Niet is vereist dat bij de bedreigde werkelijke vrees is ontstaan.
Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De aangever en de verdachte bevonden zich op 23 december 2024 rond half zeven in de ochtend in een afgesloten parkeergarage. De aangever betrapte de verdachte daar op het plegen van een diefstal uit een van de geparkeerde auto’s. De aangever sprak de verdachte hierop aan, waarna de verdachte op dreigende wijze en met versnelde pas op de aangever afliep. De aangever en de verdachte schreeuwden over en weer naar elkaar, waarna de verdachte naar de aangever de woorden “ik maak je dood” riep. Anders dan de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat deze woorden van de verdachte, gegeven de hiervoor genoemde omstandigheden waaronder en de context waarin de uitlating heeft plaatsgevonden, naar objectieve maatstaven in redelijkheid bij de aangever de vrees kon doen ontstaan dat hem iets aangedaan zou worden. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 09-329294-24 onder 2 en 5 en in de zaak met parketnummer 09-010659-25 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
telkens:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Het in de zaak met parketnummer 09-010659-25 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Het in de zaak met parketnummer 09-010659-25 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Het in de zaak met parketnummer 09-010659-25 onder 4 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Het in de zaak met parketnummer 09-010659-25 onder 5 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich op de wijze zoals in de bewezenverklaring nader omschreven schuldig gemaakt aan een viertal diefstallen uit auto’s. De verdachte heeft daarbij verschillende spullen uit de auto’s meegenomen. Bij drie van deze diefstallen heeft de verdachte schade braakschade aan de auto’s toegebracht. De verdachte heeft vervolgens met een bij een van deze diefstallen buit gemaakte pinpas gepind. Toen de verdachte bij een van deze diefstallen door een buurtbewoner betrapt werd, heeft hij deze buurtbewoner met een misdrijf tegen het leven bedreigd.
De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan een inbraak in een supermarkt samen met een of meer anderen, waarbij zij in een tijdsbestek van meerdere uren nagenoeg de gehele winkel hebben doorzocht. De verdachte en de medeverdachte(n) hebben hierbij een grote hoeveelheid goederen en een aanzienlijk geldbedrag buit gemaakt en hebben veel overlast voor de eigenaren van de winkel veroorzaakt. Het hof neemt dit de verdachte zeer kwalijk.
Met zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van anderen en heeft hij zich kennelijk laten leiden door financieel gewin. Daarnaast heeft hij voor de betrokkenen overlast en financiële schade veroorzaakt.
Justitiële documentatie
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte al vaker onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder een groot aantal (gekwalificeerde) diefstallen.
De verdachte is in het verleden meerdere keren in een inrichting voor stelselmatige daders geplaatst, maar na het beëindigen van de plaatsing is de verdachte toch telkens veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De persoon van de verdachte
Het hof heeft voorts acht geslagen op een reclasseringsadvies van GGZ Fivoor d.d. 3 april 2025. Blijkens dit advies betreft de verdachte een verslavingsgevoelige man, die diverse malen heeft getracht zijn verslaving onder controle te krijgen, maar tot op heden telkens terug is gevallen in middelengebruik. De verdachte heeft een impulsief karakter, is laag begaafd en ervaart op verschillende leefgebieden problemen. Desondanks adviseert de reclassering – gelet op het hoge recidiverisico en de motivatie van de verdachte – bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met oplegging van bijzondere voorwaarden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ook aangegeven bereid te zijn mee te werken aan eventuele bijzondere voorwaarden en open te staan voor hulp.
Strafmodaliteit en strafmaat
Gelet op de ernst van de feiten, de veelvuldige recidive en de grote mate van overlast die de verdachte door het plegen van de strafbare feiten heeft veroorzaakt is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een forse gevangenisstraf. Om de kans op recidive te beperken en een stok achter de deur te bieden, zal het hof bepalen dat een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk wordt opgelegd. Aan dit voorwaardelijke strafdeel zal het hof voorts, gelet op de persoon van de verdachte en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, bijzondere voorwaarden verbinden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur – waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest – een passende en geboden reactie vormt. Het bevel tot opheffing van de voorlopige hechtenis is apart geminuteerd.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 5]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 5] zich als [benadeelde partij 1] gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder parketnummer 09-010659-25 onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 831,74.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 155,85 met de wettelijke rente over dit bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet inhoudelijk betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade – voor zover deze bij het hof aan de orde is – is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 09-010659-25 onder 1 bewezenverklaarde. De vordering heeft betrekking op de post ‘driehoek raam’ en betreft de vergoeding voor de schade die door de verdachte is veroorzaakt aan de autoruit. Dit deel van de vordering is door of namens de verdachte niet betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 155,85 met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 december 2024 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde partij 1] .

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 6]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 6] zich als [benadeelde partij 2] gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder parketnummer 09-010659-25 onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 831,74.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 236,89, met de wettelijke rente over dit bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade – voor zover deze bij het hof aan de orde is – is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 09-010659-25 onder 1 bewezenverklaarde. De schadepost ‘deur slot’ van € 56,89 is door en namens de verdachte niet betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier kan voorts vastgesteld worden dat de benadeelde partij ten aanzien van de post ‘Airpods’ schade heeft geleden. De rechtbank heeft bij deze post gebruik gemaakt van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek) en de schade toegewezen tot een bedrag van € 180,-. In hoger beroep is deze post aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag. Het hof maakt net als de rechtbank hierbij gebruik van de schattingsbevoegdheid op de voet van artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek, nu de omvang van de geleden materiële schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Het hof stelt de schade vast op een bedrag van € 180,00.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 236,89 met de wettelijke rente over dit bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde partij 2] .

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder parketnummer 09-010659-25 onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 821,74.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 65,00, met de wettelijke rente over dit bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade – voor zover deze bij het hof aan de orde is – is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 09-010659-25 onder 1 bewezenverklaarde. De vordering ziet op de post ‘jas New Balance’. De rechtbank heeft bij deze post gebruik gemaakt van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek) en de schade toegewezen tot een bedrag van € 65,00. In hoger beroep is deze post aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag. Het hof maakt net als de rechtbank gebruik van de schattingsbevoegdheid op de voet van artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek, nu de omvang van de geleden materiële schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Het hof stelt de schade vast op een bedrag van € 65,00. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 65,00 met de wettelijke rente over dit bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde partij 3] .

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 4]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 4] zich als [benadeelde partij 4] gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 754,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 150,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de schadepost ‘autoruit’ van € 75,00, is namens de verdachte niet betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder parketnummer 09-329294-24 onder 5 bewezenverklaarde.
Ten aanzien van de schadepost ‘Segway Ninebot Max G30’ maakt het hof gebruik van de schattingsbevoegdheid op grond van artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek, nu de omvang van de geleden materiële schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. De benadeelde partij heeft immers de nieuwprijs van de step gevorderd, terwijl deze op 31 mei 2021 is aangeschaft en het feit op 3 januari 2024 is gepleegd. Het hof stelt de schade, gelet op de waardevermindering van de step, vast op een bedrag van € 150,00.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot een bedrag van € 225,00 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 4]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 225,00 met de wettelijke rente daarover aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde partij 4] .

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 juni 2020 onder parketnummer 09-058027-20 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, met bevel dat een deel van die gevangenisstraf van 137 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering is in beginsel gegrond.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, is het hof van oordeel dat de proeftijd met één jaar moet worden verlengd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-329294-24 onder 4 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-329294-24 onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-010659-25 onder 1, 2, 3, 4 en 5 en in de zaak met parketnummer 09-329294-24 onder 2 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 09-010659-25 onder 1, 2, 3, 4 en 5 en in de zaak met parketnummer 09-329294-24 onder 2 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd:
- de verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden. De verdachte meldt zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres Johanna Westerdijkplein 40 te Den Haag;
- de verdachte laat zich ambulant (zonder opname) gedurende de proeftijd behandelen door Forensisch Ambulant Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie, stabilisatie, of observatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal betrokkene zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
- de verdachte verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat noodzakelijk vindt, in een nog nader te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra er een plaatsingsdatum is. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- de verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- de verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-010659-25 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 155,85 (honderdvijfenvijftig euro en vijfentachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-010659-25 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 155,85 (honderdvijfenvijftig euro en vijfentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 december 2024.
Vordering van [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-010659-25 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 236,89 (tweehonderdzesendertig euro en negenentachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-010659-25 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 236,89 (tweehonderdzesendertig euro en negenentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 december 2024.
Vordering van de [benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-010659-25 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 65,00 (vijfenzestig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-010659-25 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 65,00 (vijfenzestig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 december 2024.
Vordering van [benadeelde partij 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-329294-24 onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 225,00 (tweehonderdvijfentwintig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-329294-24 onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 225,00 (tweehonderdvijfentwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 januari 2024.
Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 juni 2020 parketnummer 09-058027-20, met een termijn van 1 (één) jaar.
Dit arrest is gewezen door mr. C.H.M. Royakkers, als voorzitter, mr. Th.W.H.E. Schmitz en mr. H.C. Plugge, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 mei 2026.
Mr. H.C. Plugge is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.