KNSF Vastgoed II B.V. vorderde in een incident op grond van artikel 195 RvPro inzage in diverse documenten met betrekking tot de verkoop van het monumentale vastgoedcomplex Ensemble Veenhuizen door het Rijksvastgoedbedrijf aan een consortium. KNSF stelde dat deze documenten nodig waren om haar stellingen over onrechtmatigheid en nietigheid van de koopovereenkomst te onderbouwen.
Het hof oordeelde dat KNSF onvoldoende belang had bij de gevorderde inzage. De rechtbank had reeds geoordeeld dat het Rijksvastgoedbedrijf niet onrechtmatig had gehandeld en dat er geen causaal verband bestond tussen de vermeende onrechtmatige daad en de door KNSF gestelde schade. KNSF had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het Consortium ten onrechte was toegelaten tot de biedprocedure.
Daarnaast bevatte een deel van de gevorderde documenten bedrijfsvertrouwelijke en concurrentiegevoelige informatie van het Consortium, dat geen partij is in het incident, waardoor gewichtige redenen zich verzetten tegen verstrekking. Ook waren sommige gevorderde gegevens te ruim omschreven en onvoldoende bepaald.
Het hof wees de vordering af en veroordeelde KNSF in de proceskosten van het incident. De zaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van grieven in de hoofdzaak.
Uitkomst: De vordering van KNSF tot afgifte van bescheiden wordt afgewezen wegens gebrek aan voldoende belang en bescherming van vertrouwelijke informatie.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.355.418/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/661365 / HA ZA 24-155
Arrest in het incident van 27 januari 2026
in de zaak van
KNSF Vastgoed II B.V.,
gevestigd in Muiden,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. N van Tamelen te Amsterdam
tegen
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninksrijksrelaties),
zetelend in Den Haag,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. R.J. Roks te Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna KNSF en de Staat.
1.De zaak in het kort
1.1
KNSF vordert in dit incident jegens de Staat (het Rijksvastgoedbedrijf van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) afgifte van verschillende bescheiden met betrekking tot de verkoop door middel van een Biedboekprocedure van het monumentale complex Ensemble Veenhuizen aan het zogeheten Consortium. Het hof wijst deze vordering af.
2.Procesverloop in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 7 april 2025, gericht tegen Staat (als geïntimeerde sub a in de hoofdzaak) en tegen na te noemen stichting De Nieuwe Rentmeester en het Consortium (als geïntimeerden sub b tot en met e in de hoofdzaak), waarmee KNSF in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2025;
de incidentele vordering ex artikel 195 RvPro van 12 augustus 2025, gericht tegen de Staat;
de akte van de Staat van 26 augustus 2025 houdende antwoord in het incident.
3.Aanleiding voor dit incident
3.1
De aanleiding voor dit incident is de verkoop door het Rijksvastgoedbedrijf van het monumentale complex Ensemble Veenhuizen door middel van een Biedboekprocedure. KNSF en het Consortium (geïntimeerden sub c, d en e in de hoofdzaak) hebben zich aangemeld en in fase 1a van de Biedboekprocedure een opgave geschiktheid ingediend. De Beoordelingscommissie heeft na een beoordeling van de door beide gegadigden in fase 1b van de Biedboekprocedure ingediende visie aan KNSF laten weten dat zij niet is toegelaten tot de tweede fase van de Biedboekprocedure. Het Consortium is wel toegelaten tot de tweede fase. Nadat het Consortium een plan had ingediend waarin haar visie nader was uitgewerkt, heeft zij in de derde fase een onvoorwaardelijke bieding gedaan. Vervolgens heeft het Rijksvastgoedbedrijf in de vierde fase de verkoop van het Ensemble gegund aan het Consortium. De koopovereenkomst is ondertekend op 28 mei 2021, waarna op 5 juli 2021 de levering heeft plaatsgevonden. Het Consortium heeft het Ensemble vervolgens voor hetzelfde bedrag verkocht en geleverd aan De Nieuwe Rentmeester (geïntimeerde sub b in de hoofdzaak).
3.2
Het Rijksvastgoedbedrijf heeft naar aanleiding van een verzoek van KNSF van 28 april 2021 op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) (oud) op 20 december 2021 een aantal van de verzochte bescheiden, in een bestand van 615 pagina’s, openbaar gemaakt.
3.3
KNSF heeft zich bij brief van haar raadsman van 22 april 2022 op het standpunt gesteld dat de Biedboekprocedure niet eerlijk is verlopen. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft dat bij brief van haar raadsman van 2 augustus 2022 gemotiveerd weersproken.
3.4
KNSF heeft vervolgens de Staat, De Nieuwe Rentmeester en het Consortium in rechte betrokken en in de hoofdzaak gevorderd, samengevat:
de verklaring voor recht dat de tussen het Rijksvastgoedbedrijf en het Consortium gesloten koopovereenkomst ten aanzien van het Ensemble (geheel) nietig is, althans vernietigbaar en deze te vernietigen, althans dat KNSF deze koopovereenkomst rechtmatig heeft vernietigd, althans alle gedaagden te veroordelen tot ongedaan making van alle koop-, verkoop-, en leveringshandelingen uit hoofde van zowel de koopovereenkomst tussen het Rijksvastgoedbedrijf en het Consortium als de koopovereenkomst tussen het Consortium en De Nieuwe Rentmeester;
de verklaring voor recht dat het Rijksvastgoedbedrijf onrechtmatig heeft gehandeld jegens KNSF;
de veroordeling van het Rijksvastgoedbedrijf tot vergoeding van de door KNSF geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
de veroordeling van het Rijksvastgoedbedrijf en het Consortium in de proceskosten.
3.5
KNSF heeft tevens bij wege van incident op de voet van artikel 843a Rv (oud) gevorderd het Rijksvastgoedbedrijf te veroordelen aan haar te verstrekken de in de dagvaarding genoemde stukken met betrekking tot de verkoop van het Ensemble aan het Consortium op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag met een maximum van € 1.000.000, met veroordeling van het Rijksvastgoedbedrijf in de kosten van het incident.
3.6
De rechtbank heeft bij vonnis van 8 januari 2025 [1] de vorderingen in de hoofdzaak en het incident afgewezen, met veroordeling van KNSF in de proceskosten. In de hoofdzaak heeft de rechtbank geoordeeld dat, samengevat, het Rijksvastgoedbedrijf niet onrechtmatig jegens KNSF heeft gehandeld omdat zij niet in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Indien er veronderstellenderwijs vanuit moet worden gegaan dat het Rijksvastgoedbedrijf het Consortium in de Biedboekprocedure heeft bevoordeeld, ontbreekt het causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de door KNSF geleden schade omdat het Ensemble niet aan KNSF zou zijn verkocht indien het Consortium in de Biedboekprocedure zou zijn uitgesloten. Aangezien KNSF aldus niet in haar concrete belangen is geschaad kan zij voorts geen beroep doen op de staatssteunregels. In het incident heeft de rechtbank geoordeeld dat KNSF gelet op het voorgaande geen belang meer heeft bij haar incidentele vordering.
4.De vordering in het incident
4.1
KNSF vordert in het incident ex artikel 195 RvPro afgifte van de volgende bescheiden:
De koopovereenkomst tussen het Consortium en de Staat zoals vermeld in de akte van levering van 5 juli 2021 en alle eventuele andere afspraken die ten aanzien van het Ensemble, al dan niet via de Stichting, zijn gemaakt;
De opgave geschiktheid (alle versies) die het Consortium in fase 1a van het biedproces heeft ingediend;
De visie die het Consortium in fase 2 heeft ingediend;
De communicatie tussen het Rijksvastgoedbedrijf, de notaris en het Consortium gedurende het biedingsproces;
De taxatie van het Ensemble Veenhuizen (hierna: het Ensemble) die voorafgaand aan het biedingsproces is verricht;
De taxatie van het Ensemble in opdracht van het Rijksvastgoedbedrijf;
De bieding en het plan die door het Consortium zijn ingediend.
4.2
KNSF stelt deze stukken nodig te hebben om het standpunt van de Staat (het Rijksvastgoedbedrijf) dat het Consortium terecht niet is uitgesloten op basis van de door hem ingediende opgave(n) geschiktheid, alsmede de marktconformiteit van de transactie en de vraag of er staatssteun is verleend, te kunnen beoordelen. Voorts wenst KNSF inzage in de communicatie tussen het Rijksvastgoedbedrijf, de notaris en het Consortium in fase 1a (de opgave geschiktheid) en ook toen zij (KNSF) heeft geklaagd over de gang van zaken, mede omdat zij de indruk heeft dat de Biedboekprocedure in algemene zin niet eerlijk is verlopen. KNSF wenst over de taxaties van het Ensemble te beschikken om de uitgangspunten te kunnen beoordelen ter onderbouwing van haar standpunt dat het Ensemble niet voor een marktconforme prijs is verkocht en staatssteun is verleend. Tot slot wenst KNSF over de bieding en het plan van het Consortium te beschikken om de geloofwaardigheid en de marktconformiteit daarvan en de vraag of staatssteun is verleend te beoordelen.
5.Beoordeling van de vordering in het incident
5.1
Het hof acht, gezien de aard en inhoud van de vordering in het incident, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering, het redelijkerwijs geboden dat op de vordering in het incident eerst en vooraf wordt beslist als bedoeld in artikel 209 RvPro.
5.2
Naar het oordeel van het hof is de incidentele vordering niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Een vordering op de voet van artikel 195 RvPro kan immers in beginsel in iedere stand van het geding worden ingesteld, dus ook in een lopende procedure in hoger beroep indien eiseres in het incident een identieke vordering als in eerste aanleg heeft ingesteld waarop in die instantie reeds is beslist. De omstandigheid dat de Staat ten gevolge hiervan de mogelijkheid wordt ontnomen een oordeel in twee (feitelijke) instanties te verkrijgen over de exhibitievordering maakt niet dat deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Dat de belangen van de Staat of het Consortium onredelijk zouden worden geschaad door een separate beslissing in het incident acht het hof mede gezien het hierna weergegeven oordeel niet aannemelijk. Ook overigens is naar het oordeel van het hof geen sprake van strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof verwerpt de formele verweren van de Staat.
5.3
KNSF baseert haar incidentele vordering op artikel 195 RvPro. Die bepaling is van toepassing, omdat de nieuwe regeling betreffende het inzagerecht geldt voor procedures die na 1 januari 2025 bij een instantie aanhangig worden gemaakt (artikel XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht). Ingevolge artikel 195 lid 1 RvPro in verbinding met artikel 194 lid 1 RvPro kan de rechter, op verzoek van een partij bij een rechtsbetrekking die daarbij voldoende belang heeft, de wederpartij die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens.
5.4
Artikel 195 RvPro voorziet, evenals 843a Rv (oud), niet in een onbeperkt recht op inzage, afschrift of uittreksel jegens degene die over de gegevens kan beschikken of deze in bezit of bewaring heeft. Voor toewijzing van een vordering op grond van artikel 195 RvPro moet zijn voldaan aan de volgende cumulatieve vereisten. De eiser moet (i) partij zijn bij de rechtsbetrekking waarop de verlangde gegevens betrekking hebben, (ii) de verlangde gegevens moeten voldoende bepaald zijn, en (iii) de eiser moet voldoende belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel.
5.5
Met deze vereisten, in onderlinge samenhang bezien, wordt onder meer beoogd "fishing expeditions" te voorkomen. Artikel 195 RvPro biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van gegevens waarvan de eiseres slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan haar stellingen. Verder kan ook indien aan de vereisten is voldaan de vordering op grond van artikel 195 lid 1 RvPro in verbinding met artikel 194 lid 2 RvPro worden afgewezen indien de wederpartij zich kan beroepen op een verschoningsrecht of indien gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Onder gewichtige redenen valt in ieder geval het verstrekken van vertrouwelijke bedrijfsinformatie. Daarnaast hangt het af van de concrete omstandigheden van het geval in hoeverre een gewichtige reden van degene die over de informatie beschikt, zwaarder dient te wegen dan het belang dat degene die om de informatie verzoekt over alle informatie beschikt die van belang is voor de oplossing van het geschil [2] . De rechter kan de vordering voorts afwijzen wegens strijd met de eisen van een goede procesorde of misbruik van procesrecht. Het criterium van strijd met de eisen van een goede procesorde heeft niet slechts betrekking op het moment waarop de vordering wordt gedaan, maar strekt zich ook uit tot de proceshouding van een partij en biedt de rechter de mogelijkheid om bijvoorbeeld herhaalde verzoeken met dezelfde inhoud af te wijzen. Het criterium van misbruik van bevoegdheid geldt tot slot als een belangrijke waarborg tegen toewijzing van “fishing expeditions” [3] .
5.6
Bij de beoordeling of is voldaan aan de vereisten kan de rechter de aard van de verlangde gegevens en de partij tegen wie de vordering is gericht betrekken. Indien het gaat om bedrijfsgevoelige informatie die wordt gevorderd door een concurrerende onderneming of een inzagevordering die is gericht tot een derde die buiten het geschil staat, zal de rechter kritischer toetsen of er een verband bestaat tussen de verlangde informatie en het aan de vordering ten grondslag liggende geschil [4] .
5.7
De Hoge Raad heeft met betrekking tot artikel 843a Rv (oud) geoordeeld, welk oordeel ook van betekenis is voor de beoordeling van een vordering op grond van artikel 195 RvPro, dat degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt om een door hem vermoede onrechtmatige daad te kunnen aantonen, gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden zal moeten stellen en met eventueel al voorhanden bewijsmateriaal moeten onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan. Wat in dit verband als een voldoende mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, kan niet in algemene zin worden beantwoord. Enerzijds is uitgangspunt dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op (dreigend) onrechtmatig handelen gebaseerde (ge- of verbods)vordering of vordering tot schadevergoeding; anderzijds dienen aan de mate van aannemelijkheid van de gestelde onrechtmatige daad bij de beoordeling van een inzagevordering hogere eisen te worden gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal. [5]
5.8
Naar het oordeel van het hof faalt de vordering in het incident reeds wegens gebrek aan voldoende belang. Het hof licht dat hierna toe.
5.9
KNSF vordert in de hoofdzaak een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst tussen het Rijksvastgoedbedrijf en het Consortium nietig dan wel vernietigbaar is en het Rijksvastgoedbedrijf onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en de door haar geleden schade moet vergoeden. KNSF legt aan haar vordering ten grondslag dat, samengevat, de koopovereenkomst nietig dan wel vernietigbaar is wegens strijd met artikel 3:14 BWPro, omdat het Rijksvastgoedbedrijf heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel en/of het vertrouwensbeginsel door het Consortium ten onrechte toe te laten tot fase 1b en vervolgens tot fase 2 van de Biedboekprocedure, aangezien zowel haar opgave geschiktheid in fase 1a, als haar visie in fase 1b niet voldeed aan de eisen van het Biedboek. Volgens KNSF is voorts sprake van staatssteun zodat de koopovereenkomst ook nietig is op grond van artikel 3:41 BWPro.
5.1
Vast staat dat KNSF niet is toegelaten tot de tweede fase van de Biedboekprocedure omdat de Beoordelingscommissie in fase 1b de inschrijving van KNSF als onvoldoende heeft beoordeeld. De Beoordelingscommissie vond namelijk zowel het onderdeel van het investerings- en exploitatieplan als de financiële haalbaarheid onvoldoende. KNSF is daar toen niet tegenop gekomen. De gegevens waarvan KNSF afschrift vordert hebben echter – behoudens mogelijk een deel van de verlangde communicatie, waarover hierna – geen betrekking op fase 1b van de Biedboekprocedure. Voor zover KNSF haar vordering in de hoofdzaak mede baseert op de stelling dat zij ten onrechte niet is toegelaten tot de tweede fase van de Biedboekprocedure heeft zij derhalve geen belang bij haar incidentele vordering.
5.11
Voor zover de door KNSF verlangde gegevens betrekking hebben op andere fasen van de Biedboekprocedure, ter onderbouwing van haar stelling dat het Consortium ten onrechte zou zijn toegelaten tot fase 1b respectievelijk fase 2 van de Biedboekprocedure, geldt dat KNSF evenmin voldoende belang heeft bij afschrift van de gegevens. KNSF heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de Staat onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van causaal verband tussen de door KNSF aan de Staat verweten onrechtmatige daad en de door haar gestelde schade. De Staat heeft in dit verband onder meer gemotiveerd aangevoerd dat het Ensemble vanwege de onvoldoende score van KNSF op het punt van de visie in fase 1b van de Biedboekprocedure, tegen welke beoordeling en daarop volgende uitsluiting KNSF op geen enkel moment bezwaar heeft gemaakt, onder geen beding aan KNSF zou zijn verkocht omdat zij niet voldeed aan de noodzakelijke vereisten voor aankoop van het Ensemble. KNSF heeft dit als zodanig niet, althans niet voldoende onderbouwd, weersproken. In dit verband behoeft thans niet onderzocht te worden of sprake is van onrechtmatig handelen jegens KNSF doordat de Staat het Consortium zou hebben bevoordeeld.
5.12
Het hof overweegt met betrekking tot de afzonderlijke gegevens waarvan KNSF afschrift vordert bovendien als volgt.
(1) Koopovereenkomst en alle eventuele aanvullende afspraken
5.13
De Staat heeft met betrekking tot deze gegevens in eerste aanleg aangevoerd dat de definitieve koopovereenkomst materieel niet verschilt van de (concept)koopovereenkomst die als bijlage 4 onderdeel uitmaakte van het Biedboek en de verkoopprocedure en dat het Rijksvastgoedbedrijf daarin geen afwijkende en/of aanvullende (financiële) afspraken heeft opgenomen terwijl de koopprijs van het Ensemble kenbaar is gemaakt via de leveringsakte. KNSF heeft dat onvoldoende gemotiveerd weersproken. Voor zover KNSF afschrift vordert van alle eventuele andere afspraken die ten aanzien van het Ensemble, al dan niet via de Stichting, zijn gemaakt, zijn de verlangde gegevens onvoldoende bepaald.
(2, 3 en 7) Opgave(n) geschiktheid en visie; bieding en plan
5.14
Ten aanzien van de opgave(n) geschiktheid, de visie, de bieding en het plan van het Consortium heeft de Staat aangevoerd dat gaat het om bedrijfsvertrouwelijke en concurrentiegevoelige gegevens die informatie bevatten over de inschrijving. Artikel 6.3.2 van het Biedboek bepaalt in dit verband dat het belanghebbenden niet is toegestaan informatie uit hun aanmelding, de daarmee verband houdende documenten, eventueel ingediende plannen noch de uiteindelijke bieding bekend te maken aan derden. KNSF heeft onvoldoende weersproken dat de opgave(n) geschiktheid en de visie van het Consortium bedrijfsvertrouwelijke en concurrentiegevoelige bevatten. Hetzelfde geldt voor de bieding en het plan van het Consortium. De door de Staat aangevoerde gewichtige reden dient zwaarder te wegen dan het belang van KNSF om over deze gegevens te beschikken. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat het gaat om gegevens van het Consortium, dat als zodanig geen partij is in dit incident in hoger beroep. Gelet op dit alles staan gewichtige redenen in de weg aan toewijzing van de incidentele vordering met betrekking tot deze gegevens (art. 195 lid 1 RvPro jo. artikel 194 lid 2 RvPro).
(4) Communicatie Rijksvastgoedbedrijf, notaris en Consortium
5.15
Naar het oordeel van het hof zijn de door KNSF verlangde gegevens – alle communicatie tussen het Rijksvastgoedbedrijf, de notaris en het Consortium – te ruim omschreven en daarmee onvoldoende bepaald. KNSF heeft ook niet, althans niet voldoende, onderbouwd welke informatie uit deze gegevens kan worden verkregen en waarom die informatie van belang is. Voorts heeft de Staat onweersproken aangevoerd dat het Rijksvastgoedbedrijf KNSF naar aanleiding van haar Wob-verzoek in de gelegenheid heeft gesteld alle correspondentie uit de openbare inschrijving geprint en ongelakt in te zien, waarna de correspondentie uiteindelijk (gelakt) openbaar is gemaakt. KNSF heeft in dit verband niet voldoende onderbouwd dat en zo ja, welke relevante gegevens nog ontbreken. In zoverre ontbeert KNSF ook voldoende belang bij haar incidentele vordering.
(5 en 6) Taxatie(s)
5.16
KNSF vordert tot slot afschrift van de taxatie van het Ensemble die voorafgaand aan het biedingsproces is verricht, alsmede van de taxatie van het Ensemble in opdracht van het Rijksvastgoedbedrijf. In haar incidentele conclusie verwijst zij voor de beide taxaties naar de erkenning van het Rijksvastgoedbedrijf tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg dat die taxatie bestaat. De Staat heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg aangevoerd dat er voorafgaand aan de biedingsprocedure een taxatie is geweest, dat dit een boekhoudkundige exercitie was waarbij is gekeken naar de waarde van de individuele objecten bij individuele verkoop, die bij elkaar opgesteld kwam op een bedrag van € 13 miljoen, hetgeen een ander uitgangspunt is dan de verkoop van de objecten als geheel. KNSF heeft dat als zodanig niet weersproken. KNSF heeft evenmin onderbouwd dat sprake zou zijn van meer dan één taxatie. Hiervan uitgaande heeft KNSF onvoldoende onderbouwd dat het taxatierapport relevant is voor beantwoording van de vraag of het Ensemble voor een marktconforme prijs is verkocht, alsmede de vraag of staatssteun is verleend. KNSF heeft ook in zoverre onvoldoende belang bij haar incidentele vordering.
Conclusie en proceskosten
5.17
De conclusie is dat de incidentele vordering van KNSF zal worden afgewezen. Het hof zal KNSF veroordelen in de kosten van de procedure in het incident.
5.18
Het hof begroot de kosten in het incident aan de zijde van de Staat als volgt:
salaris € 1.214,- (1 punt x tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 1.392,-.
5.19
Deze kosten worden vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierna vermeld.
6.Beslissing
Het hof:
in het incident
wijst de vordering van KNSF af;
veroordeelt KNSF in de kosten van de procedure in het incident, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.392,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als KNSF deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
bepaalt dat als KNSF niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, KNSF de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als KNSF deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
verklaart de veroordeling tot betaling van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 10 maart 2026 voor memorie van grieven aan de zijde van KNSF;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. D. Stoutjesdijk, M.A.F. Tan – de Sonnaville en A.J.C. Wassenaer van Catwijck en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.