ECLI:NL:GHDHA:2026:171

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.341.032/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.18 lid 4 ArbobesluitArt. 7.23d ArbobesluitArt. 131 RvArt. 2.13.1 Landelijk procesreglementArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid VVT in hoger beroep tegen wijziging artikel 7.23d Arbobesluit en afwijzing vorderingen

Vereniging Verticaal Transport (VVT) stelde zich op het standpunt dat de wijziging van artikel 7.23d van het Arbobesluit onrechtmatig en onverbindend was, onder meer omdat de Staat niet naar behoren overleg had gevoerd. VVT vorderde onder meer vernietiging van het wijzigingsbesluit, verklaring van onrechtmatigheid en schadevergoeding.

De rechtbank verklaarde VVT niet-ontvankelijk in haar vorderingen met betrekking tot de (on)rechtmatigheid en (on)verbindendheid van artikel 7.23d Arbobesluit wegens gebrek aan eigen belang en wees overige vorderingen af. VVT ging in hoger beroep tegen deze uitspraken.

Het hof oordeelde dat VVT niet-ontvankelijk is in hoger beroep voor zover het hoger beroep betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring en oordelen van de rechtbank, omdat VVT niet binnen de appeltermijn hoger beroep had ingesteld tegen het tussenvonnis van 22 juni 2022. Het hof liet producties van VVT buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde en de tweeconclusieregel. Het hof verwierp de grieven van VVT over misbruik van procesrecht, onbehoorlijk overleg en schadevergoeding wegens onvoldoende onderbouwing en gebrek aan belang.

Het hof bekrachtigde het vonnis van 21 februari 2024, veroordeelde VVT in de proceskosten van het hoger beroep en wees alle overige vorderingen af. Het arrest werd uitgesproken op 13 januari 2026.

Uitkomst: VVT is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep en het vonnis van 21 februari 2024 is bekrachtigd met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.341.032/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/618512 / HA ZA 21-868
Arrest van 13 januari 2026
in de zaak van
Vereniging Verticaal Transport,
gevestigd in Culemborg,
appellante,
advocaat: mr. R.J.E. Reidinga, kantoorhoudend in Epe,
tegen
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid),
zetelend in Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S.O. Visch, kantoorhoudend in 's-Gravenhage.
Het hof noemt partijen hierna VVT en de Staat.

1.De zaak in het kort

1.1
Deze zaak gaat over de totstandkoming van een wijziging van artikel 7.23d Arbobesluit, dat voorziet in een uitzondering op het verbod om met een hijs- of hefwerktuig voor goederenvervoer personen te vervoeren. Volgens VVT is de wijziging onrechtmatig en daarom onverbindend en heeft de Staat onder meer onrechtmatig gehandeld door hierover niet naar behoren overleg met haar te voeren. VVT vordert op grond hiervan diverse verklaringen voor recht en aanpassing of buitenwerkingstelling van artikel 7.23d Arbobesluit, schadevergoeding, en bij wege van incident, afschrift van bepaalde stukken.
1.2
De rechtbank heeft VVT niet ontvankelijk verklaard in haar vorderingen met betrekking tot de (on)rechtmatigheid en (on)verbindendheid van artikel 7.23d Arbobesluit en de overige vorderingen afgewezen. Het hof komt tot dezelfde beslissing.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 4 april 2024, waarmee VVT in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2022, 22 juni 2022 en 21 februari 2024;
  • de memorie van grieven van VVT, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van de Staat.
2.2
Op 24 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Voor zover VVT daarbij een separate bijlage met eindnoten heeft overgelegd die niet is uitgesproken zal het hof deze buiten beschouwing laten. Verder zou met het uitspreken van de bijlage de maximale (op verzoek van VVT reeds tot 45 minuten verlengde) spreektijd ruimschoots zijn overschreden. VVT heeft tevens voorafgaand aan de mondelinge behandeling producties overgelegd, over de toelaatbaarheid waarvan het hof hierna in rechtsoverweging 6.1 tot en met 6.5 zal oordelen. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

3.Feitelijke en juridische achtergrond

3.1
VVT is de grootste brancheorganisatie in Nederland voor de verhuur van materieel ten behoeve van verticaal transport. Verticaal transport houdt in hijsen, heffen en werken met hijswerktuigen, zoals een mobiele torenkraan, en hefwerktuigen, zoals een hoogwerker. VVT is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens artikel 2 van Pro haar statuten onder meer tot doel stelt “het bevorderen van de ontwikkeling van verticaal transport” en “het behartigen van de belangen van het verticaal transport in het algemeen en die van haar leden in het bijzonder”. In artikel 3 van Pro de statuten is, voor zover van belang, bepaald dat VVT dit doel tracht te bereiken door:
“a. de organen van de overheid van voorlichting en advies te dienen in zaken het verticaal transport betreffende;
(…)
d. zich te doen vertegenwoordigen zowel nationaal als internationaal waar de belangen van het verticaal transport zulks noodzakelijk of wenselijk maken;
(…)
f. medewerking te verlenen aan de bevordering en uitvoering van overheidsmaatregelen, voor zover de strekking van deze maatregelen is het doel van de vereniging te bevorderen;
(…)
i. het aangaan, wijzigingen of opzeggen van collectieve arbeidsovereenkomsten;
j. alle andere middelen, die het doel van de vereniging kunnen bevorderen.”
3.2
Op grond van (het sinds 1 januari 2007 geldende) artikel 7.18 lid 4 Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) mogen met een hijs- of hefwerktuig dat uitsluitend is bestemd en ingericht voor het vervoeren van goederen geen personen worden vervoerd. Hiervan mag alleen worden afgeweken indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7.23d van het Arbobesluit.
3.3
Op 9 maart 2017 heeft de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Inspectie) de brochure ‘Werken op hoogte vanuit een werkbak’ gepubliceerd. In de brochure wordt toegelicht dat bij de verwijdering van asbestgolfplaten ook hijskranen met open werkbakken worden ingezet, maar dat dit in de regel in strijd is met artikel 7:18 lid 4 Arbobesluit Pro en artikel 7.23d Arbobesluit (oud). Sinds deze publicatie heeft de Inspectie handhavend opgetreden, hetgeen gevolgen heeft gehad voor de wijze waarop deze werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. Over de naleving van genoemde artikelen is sindsdien overleg gevoerd tussen de Inspectie, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: het Ministerie) en branchevertegenwoordigers, waaronder VVT, met name over het tegengaan van oneigenlijk gebruik van werkbakken. Op enig moment is een mogelijke aanpassing van artikel 7.23d Arbobesluit (oud) aan de orde gekomen, onder meer naar aanleiding van het verbod op asbestdaken dat vanaf 2024 zou gaan gelden. Het Ministerie heeft in het najaar van 2017 in het overleg de wens geuit onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar het veilig saneren van asbestdaken en het onderzoeken van innovatieve oplossingen. De brancheorganisaties zijn uitgenodigd om onderzoekspartijen voor te stellen en input te geven voor onderzoeksvragen en criteria voor aanbesteding.
3.4
In opdracht van verschillende brancheorganisaties, waaronder VVT en VERAS (de branchevereniging voor sloopaannemers en asbestverwijderingsbedrijven), heeft Aboma in februari 2018 een rapport uitgebracht, met daarin een ‘beslissystematiek uitzonderingssituaties voor de inzet van hijskraan met werkbak bij de sanering van asbestdaken’. In de brief van de brancheorganisaties, waaronder VVT, van 28 februari 2018, waarbij het rapport van Aboma van 12 februari 2018 wordt aangeboden aan de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [de Staatssecretaris] (hierna: de Staatssecretaris), en waarin [naam] van VERAS staat vermeld als woordvoerder, wordt onder meer vermeld dat de werkmethode hijskraan-werkbak bij de sanering van asbestdaken in uitzonderingssituaties noodzakelijk en veilig is. In reactie hierop bericht de Staatssecretaris bij brief van 6 april 2018 aan VERAS, ter attentie van [naam] :
“Ik bied de partij die het onderzoek voor SZW gaat uitvoeren de rapportage van Aboma aan en wil u graag betrekken bij de uitvoering van het onderzoek”.
3.5
Het onderzoek is opgedragen aan en uitgevoerd door TNO. TNO heeft op 23 juli 2018 het onderzoeksrapport ‘Veilig asbest saneren op hoogte’ gepubliceerd, dat op 27 september 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd. TNO heeft onder meer alternatieve arbeidsmiddelen geïnventariseerd, alternatieve werkmethoden naast de werkmethode hijskraan-werkbak bezien en mogelijke aanpassing van omgevingsfactoren onderzocht.
3.6
In oktober 2018 zijn brancheorganisaties via internetconsultatie in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over aanpassing van artikel 7.23d Arbobesluit (oud). VVT heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Ook daarna heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden tussen de brancheorganisaties, waaronder VVT, en het Ministerie.
3.7
Bij besluit van 24 april 2020 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met nieuwe regels met betrekking tot het gebruik van werkbakken en werkplatforms aan hijswerktuigen (Stb. 2020, 135; hierna ook: het wijzigingsbesluit) is artikel 7.23d Arbobesluit per 1 juli 2020 gewijzigd. Kort gezegd bepaalt artikel 7.23d lid 2 Arbobesluit, nadrukkelijker dan het voorheen geldende artikel 7.23d Arbobesluit (oud), dat ontheffing van het verbod (alleen) mogelijk is wanneer geen andere meer geëigende arbeidsmiddelen of werkmethoden beschikbaar zijn om plaatsen die moeilijk bereikbaar zijn veilig te bereiken. Daarnaast zijn de volgende voorwaarden voor de ontheffing van het verbod uit artikel 7.18 lid 4 Arbobesluit opgenomen: (1) de werkgever moet een werkplan opstellen, (2) het werkplan moet worden getoetst door een veiligheidskundige, en (3) de werkgever is verplicht vooraf te melden als van het verbod wordt afgeweken.
3.8
Overleg tussen het Ministerie en de brancheorganisaties heeft geleid tot een Leidraad die op 29 juni 2020 is gepubliceerd op het Arboportaal. De Leidraad bevat een Stappenplan ter bepaling of de inzet van een hijswerktuig met werkbak of werkplatform gerechtvaardigd is. Daarin is vermeld, dat indien in voorkomende gevallen uit de risico-inventarisatie en -evaluatie blijkt, dat een oorspronkelijk beoogde werkmethode risico’s meebrengt en er een andere werkmethode mogelijk is waarbij de risico’s lager zijn, de werkmethode met de laagste risico’s dient te worden toegepast.
3.9
Begin juli 2020 heeft VVT een of meerdere Wob c.q. Woo verzoeken ingediend bij het Ministerie en bij TNO, waarin VVT onder meer heeft verzocht om, kort weergegeven, alle stukken die ten grondslag liggen aan het TNO-onderzoek en alle stukken van de Inspectie, die zien op ongevallen en incidenten waarbij een werkbak of werkplatform aan een hijskraan was betrokken vanaf 1998 tot 2020, en/of die verband houden met het wijzigingsbesluit, te verstrekken.
3.1
Vanaf 1 juli 2020 heeft diverse malen overleg plaatsgevonden tussen de brancheorganisaties, waaronder VVT, en het Ministerie over een verdere aanpassing van artikel 7.23d Arbobesluit. Ook is een tweede internetconsultatie gehouden met het oog op die aanpassing, in welk kader VVT ook een reactie heeft ingestuurd.
3.11
Bij besluit van 20 december 2021, houdende wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met enkele technische wijzigingen en klein beleid (Stb. 2021, 645) is artikel 7.23d Arbobesluit (oud) nader gewijzigd met ingang van 1 januari 2022. Zo geldt niet langer de verplichte toets van het werkplan door een veiligheidsdeskundige. Ook het voorschrift over de maximale windsnelheid en de hoogte waarop deze moet worden gemeten is aangepast.
3.12
Naar aanleiding van de Wob c.q. Woo verzoeken van VVT zijn bij beslissingen van 28 oktober 2021 (deelbesluit 1), 18 maart 2022 (deelbesluit 2), 8 december 2023 (deelbesluit 3) en 14 februari 2024 (deelbesluit 4) een grote hoeveelheid stukken openbaar gemaakt.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
VVT heeft de Staat gedagvaard en gevorderd, zakelijk weergegeven:
Primair:
I. een verklaring voor recht dat:
1) het wijzigingsbesluit een (deugdelijke) wettelijke grondslag ontbeert, onrechtmatig is en daarmee onverbindend is;
2) de op het wijzigingsbesluit in artikel 7.23d van het Arbobesluit doorgevoerde wijzigingen onrechtmatig zijn en daarmee die onrechtmatige delen zoals weergegeven in productie 61 bij inleidende dagvaarding (variant A) onverbindend zijn;
3) het vaststellen en handhaven van de onrechtmatige delen van artikel 7.23d Arbobesluit zoals weergegeven in productie 61 bij inleidende dagvaarding (variant A) jegens VVT (en allen voor wie zij opkomt) een onrechtmatige daad is;
4) de Staat onrechtmatig handelt zolang hij de onrechtmatige delen van artikel 7.23d Arbobesluit zoals weergegeven in productie 61 bij inleidende dagvaarding (variant A) niet door rechtmatige wetgeving (inclusief een Nota van Toelichting waarin onder meer de juiste interpretatie op de juiste wijze is geformuleerd) vervangt;
5) de Staat ten behoeve van VVT verplicht is om zich tegenover iedereen (althans haar aangeslotenen) van uitvoering en handhaving van de onrechtmatige delen van artikel 7.23d Arbobesluit zoals weergegeven in productie 61 bij inleidende dagvaarding (variant A) te onthouden en zodanige maatregelen te nemen om de inzet van de werkbak, hangende in een kraan, mogelijk te maken voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte;
6) de Staat uit dien hoofde aansprakelijk is voor de door VVT geleden en nog te lijden schade en wordt veroordeeld tot vergoeding daarvan aan VVT, zo nodig op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;
II. buitenwerkingstelling van het wijzigingsbesluit, ook indien de Staat alsnog tot volledige aanpassing van artikel 7.23d Arbobesluit mocht komen conform de wensen van VVT;
Subsidiair:
I. een verklaring voor recht dat:
1) de met het wijzigingsbesluit in artikel 7.23d Arbobesluit doorgevoerde wijzigingen onrechtmatig zijn en daarmee die onrechtmatige delen zoals weergegeven in productie 62 bij inleidende dagvaarding (variant B) onverbindend zijn;
2) het vaststellen en handhaven van de onrechtmatige delen van artikel 7.23d Arbobesluit zoals weergegeven in productie 62 bij inleidende dagvaarding (variant B) jegens VVT (en allen voor wie zij opkomt) een onrechtmatige daad is;
3) de Staat onrechtmatig handelt zolang hij de onrechtmatige delen van artikel 7.23d Arbobesluit zoals weergegeven in productie 62 bij inleidende dagvaarding (variant B) niet door rechtmatige wetgeving (inclusief een Nota van Toelichting waarin onder meer de juiste interpretatie op de juiste wijze is geformuleerd) vervangt;
4) de Staat ten behoeve van VVT verplicht is om zich tegenover iedereen (althans haar aangeslotenen) van uitvoering en handhaving van de onrechtmatige delen van artikel 7.23d Arbobesluit zoals weergegeven in productie 62 bij inleidende dagvaarding (variant B) te onthouden en zodanige maatregelen te nemen om de inzet van de werkbak, hangende in een kraan, mogelijk te maken voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte;
5) de Staat uit dien hoofde aansprakelijk is voor de door VVT geleden en nog te lijden schade en wordt veroordeeld tot vergoeding daarvan aan VVT, zo nodig op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;
II. buitenwerkingstelling:
1) indien en voor zover de rechtbank als gevolg van de gebrekkige motivering of onzorgvuldige voorbereiding door de Staat van het wijzigingsbesluit en het gewijzigde artikel 7.23d Arbobesluit onverhoopt van oordeel mocht zijn dat de rechtbank daardoor niet zou kunnen beoordelen of er strijd is met hogere regelgeving, de algemene rechtsbeginselen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, het wijzigingsbesluit buiten werking te stellen ook indien de Staat alsnog tot volledige aanpassing van artikel 7.23d Arbobesluit mocht komen conform de wensen van VVT;
2) de op het wijzigingsbesluit gebaseerde in artikel 7.23d Arbobesluit doorgevoerde wijzigingen en daarmee die delen – primair de in productie 61 bij inleidende dagvaarding onder variant A weergegeven delen en subsidiair de in productie 62 bij inleidende dagvaarding onder variant B weergegeven delen – buiten werking te stellen;
Meer subsidiair:
een zodanige uitspraak die de rechtbank in deze zaak in goede justitie zal vermenen te behoren, zo veel mogelijk in lijn met het in de dagvaarding uiteengezette en het hierin gevorderde;
Zowel primair als subsidiair:
de Staat te veroordelen in de proceskosten inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2
VVT heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat, samengevat, het wijzigingsbesluit en het op dat besluit gebaseerde artikel 7.23d Arbobesluit in strijd zijn met hogere (Europese en nationale) regelgeving en met geschreven en ongeschreven rechtsnormen en -beginselen en daarom onverbindend dienen te worden verklaard dan wel buiten werking of buiten toepassing te worden gesteld. Het uitvaardigen van wetgeving die in strijd is met hoger recht is onrechtmatig. De Staat heeft verder onrechtmatig gehandeld door in strijd te handelen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en door niet naar behoren overleg te voeren met VVT over het wijzigen van artikel 7.23d Arbobesluit, aldus VVT. De vorderingen van VVT zijn gebaseerd op artikel 7.23d Arbobesluit zoals dat gold ten tijde van de inleidende dagvaarding (17 september 2021).
4.3
De Staat heeft zich bij incidentele conclusie beroepen op de niet-ontvankelijkheid van VVT in haar vorderingen, op de grond dat, samengevat, voor de leden van VVT een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat waarin zij de verbindendheid van artikel 7.23d Arbobesluit aan de orde kunnen stellen, zodat zij niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen bij de burgerlijke rechter, hetgeen ook in de weg staat aan een collectieve actie van VVT op de voet van artikel 3:305a BW.
4.4
De rechtbank heeft bij (eind)vonnis in het incident van 22 juni 2022 [1] VVT wegens het ontbreken van een voldoende eigen belang niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen voor zover deze betrekking hebben op de (on)rechtmatigheid en (on)verbindendheid van artikel 7.23d Arbobesluit. De rechtbank heeft VVT wel ontvankelijk geacht voor zover haar vorderingen zien op het gestelde onrechtmatig feitelijk handelen van de Staat, te weten het niet op behoorlijke wijze voeren van overleg met VVT over de wijzigingen van artikel 7.23d Arbobesluit, op de grond dat VVT als overlegorgaan of -partner van de Staat bij die vorderingen wel een eigen voldoende belang heeft. De rechtbank heeft hierbij de vorderingen van VVT aldus verstaan dat de onderdelen 3 (het vaststellen en handhaven van de onrechtmatige delen van artikel 7.23d Arbobesluit jegens VVT) en 6 (te verklaren voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor de door VVT geleden en nog te lijden schade en wordt veroordeeld tot vergoeding daarvan, nader op te maken bij staat) van het primair gevorderde onder I respectievelijk de onderdelen 2 en 5 van het subsidiair onder I gevorderde, mede omvatten het gestelde onrechtmatig feitelijk handelen van de Staat. In de hoofdzaak heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord en iedere verdere beslissing aangehouden. Hierbij heeft de rechtbank bepaald dat de Staat bij conclusie van antwoord alleen hoeft in te gaan op de vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen van VVT voor zover deze betrekking hebben op het door VVT gestelde onrechtmatig feitelijk handelen van de Staat.
4.5
Bij akte eiswijziging van 17 augustus 2022 heeft VVT haar eis gewijzigd in die zin dat, zakelijk weergegeven, de verklaring voor recht wordt gevorderd dat de Staat onrechtmatig jegens VVT heeft gehandeld, onder andere door het niet op behoorlijke wijze overleg voeren met VVT als overlegpartner over het wijzigingsbesluit en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de schade die VVT heeft geleden en zal lijden, op te maken bij staat. VVT vordert ook een voorschot op die schadevergoeding, waarbij zij de schade voorlopig heeft begroot op € 51.825,81. In de akte heeft VVT tevens een incident op grond van artikel 843a Rv opgeworpen, waarin zij afgifte vordert van de stukken en correspondentie met betrekking tot het TNO-onderzoek.
4.6
Bij e-mail van mr. Reidinga van 6 januari 2023, met als bijlage een concept akte eiswijziging met een omvang van 85 pagina’s inclusief eindnoten, heeft VVT aangekondigd andermaal haar eis te willen wijzigen.
4.7
Bij beslissing van 13 januari 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat de concept akte ten dele een verkapte repliek betreft die vanwege de omvang en tijdstip in de procedure in strijd is met de goede procesorde en heeft zij VVT in staat gesteld de akte aan te passen tot een maximum van 10 pagina’s en producties.
4.8
Bij akte houdende eiswijziging/-vermeerdering en overlegging producties d.d. 1 februari 2023 heeft VVT hierop haar eis wederom gewijzigd en vermeerderd. VVT stelt hierbij de volgende vorderingen in, zakelijk en samengevat weergegeven:
A. vorderingen met betrekking tot het feitelijk handelen van de Staat (onder andere onbehoorlijk overleg), mede inhoudende de vordering om de Staat op grond van artikel 22 Rv Pro of artikel 843a Rv te bevelen de TNO-stukken over te leggen;
B. vorderingen die zien op (aanpassing of buitenwerkingstelling van) de tekst van het wijzigingsbesluit (het besluit van 24 april 2020, Stb. 2020, 135) en van artikel 7.23d Arbobesluit); en
C. vorderingen die zien op het (gestelde) misbruik van procesrecht van de Staat, waaronder de schending van de waarheids- en volledigheidsplicht.
4.9
Bij beslissing van 9 maart 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat voormelde akte eiswijziging in strijd is met de instructie van 13 januari 2023, voor zover VVT daarin verzoekt productie 72 (een naslagwerk van 83 pagina’s inclusief eindnoten, materieel overeenkomend met de inhoud van de eerder geweigerde conceptakte) als hier herhaald en ingelast te beschouwen, en dat deze productie niet in de beoordeling zal worden betrokken.
4.1
Bij eindvonnis van 21 februari 2024 [2] heeft de rechtbank VVT niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen onder B en de vorderingen onder A, de vordering in het incident ex artikel 843a Rv, en de vorderingen onder C afgewezen, met veroordeling van VVT in de proceskosten. De rechtbank heeft hiertoe geoordeeld, samengevat, dat zij geen aanleiding ziet terug te komen op de beslissing in het tussenvonnis van 22 juni 2022 dat VVT geen eigen belang heeft bij een oordeel over de rechtmatigheid van artikel 7.23d Arbobesluit zodat zij niet-ontvankelijk is in haar vorderingen voor zover deze betrekking hebben op de (on)rechtmatigheid en (on)verbindendheid van artikel 7.23d Arbobesluit. Met betrekking tot de vorderingen van VVT die zien op het gestelde onrechtmatige, op onbehoorlijke wijze voeren van overleg heeft de rechtbank geoordeeld, samengevat, dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens VVT omdat de Staat behoorlijk overleg heeft gevoerd en niet verplicht is een regeling met de door VVT gewenste inhoud tot stand te brengen.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
De VVT vordert in hoger beroep, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vernietiging van het (eind)vonnis van 21 februari 2024, en gedeeltelijke vernietiging van de (tussen)vonnissen van 22 juni 2022 en 23 februari 2022, voor die bij memorie van grieven te bestrijden delen waartoe het hoger beroep zich beperkt. VVT wil dat het hof haar vorderingen alsnog volledig toewijst en de vorderingen van de Staat alsnog geheel afwijst, met veroordeling van de Staat (tot terugbetaling aan VVT van hetgeen zij ter uitvoering van de bestreden vonnissen aan de Staat heeft voldaan en) in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

6.Beoordeling in hoger beroep

Toelaatbaarheid producties

6.1
VVT heeft op 13 november 2025 ten behoeve van de mondelinge behandeling in hoger beroep producties 96-2 tot en met 113 overgelegd. De Staat heeft hiertegen bezwaar gemaakt, op de grond dat onvoldoende duidelijk is op welke onderdelen van de producties met een omvang van, naar de Staat onweersproken heeft aangevoerd, 1.473 pagina’s VVT zich precies wil beroepen, waardoor hij wordt belemmerd in de mogelijkheid adequaat verweer te voeren, VVT tenminste al anderhalf jaar beschikt over de overgelegde Woo stukken, en de producties deels eigen analyses van VVT betreffen die in de memorie van grieven hadden moeten worden opgenomen. Volgens de Staat moeten de producties terzijde worden gesteld vanwege strijd met de eisen van een goede procesorde en het Landelijk Procesreglement.
6.2
Het hof honoreert dit bezwaar. Hoewel de producties tijdig, met inachtneming van de in artikel 87 lid 6 Rv Pro in verbinding met artikel 353 lid 1 Rv Pro en artikel 4.5 Landelijk Procesreglement voorgeschreven termijn van tien kalenderdagen voor de mondelinge behandeling, zijn ingediend, is de inhoud en omvang van de producties zodanig dat niet duidelijk is op welke (onderdelen van de) producties VVT zich precies wenst te beroepen en met welk doel. Hierdoor wordt de Staat onaanvaardbaar bemoeilijkt in de mogelijkheid hiertegen op deugdelijke wijze verweer te voeren. Dat VVT ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep alsnog heeft verwezen naar een deel van de producties maakt dat niet anders. Gezien de inhoud en omvang van de producties en het stadium van de procedure ziet het hof ook geen aanleiding de Staat in de gelegenheid te stellen alsnog bij akte nader op de producties te reageren.
6.3
Voor zover de producties stukken betreffen die VVT heeft verkregen in de Woo procedure – naar de Staat onweersproken heeft aangevoerd zijn dit productie 98, 99, 101, 102, 103, 104, 105, 106, 107a, 107b, 108, 109, 110 en 111 – geldt voorts dat VVT hierover reeds tenminste anderhalf jaar, in ieder geval sinds deelbesluit 4 van 14 februari 2024, beschikt. Niet valt redelijkerwijs in te zien dat VVT deze stukken niet eerder had kunnen overleggen en daarbij had kunnen toelichten op welke (onderdelen van de) producties zij zich ter onderbouwing van haar vorderingen en haar grieven precies beroept.
6.4
Verder betreft het deels stukken die, voor zover deze zelfstandig als grieven moeten worden beschouwd, in verband met de tweeconclusieregel in hoger beroep had dienen te geschieden in de memorie van grieven. Hierbij gaat het (in ieder geval) om productie 96-2 (Onderliggende stukken bij productie 96), 112 (Analyse verschillen concept en definitief rapport TNO Veilig asbest saneren op hoogte), en 113 (Analyse tekortkomingen uitvoering risicobeoordeling). Voor het aanvaarden van een uitzondering op voormelde in beginsel strakke regel ziet het hof in dit geval geen grond. De algemene stelling van VVT ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep dat bij de producties sprake is van een nadere toelichting op c.q. uitwerking van eerder door VVT ingenomen stellingen, standpunten en aangevoerde grieven, miskent dat het aldus voor de Staat (en de appelrechter) niet voldoende kenbaar is op welke (onderdelen van de) producties VVT zich ter onderbouwing van welke stellingen, gronden en grieven precies beroept. Aldus is deze wijze van procederen in strijd met de eisen van een goede procesorde.
6.5
Gelet op het voorgaande zal het hof producties 96-2 tot en met 113 buiten beschouwing laten wegens strijd met de eisen van een goede procesorde, respectievelijk strijd met de tweeconclusieregel in hoger beroep.
6.6
De Staat heeft voorts bij memorie van antwoord aangevoerd dat een deel van de door VVT bij memorie van grieven overgelegde producties wegens strijd met artikel 2.13.1 van het Landelijk procesreglement eveneens buiten beschouwing dient te blijven.
6.7
Het hof acht ook dit bezwaar gegrond. Voormelde producties betreffen het notenapparaat bij de memorie van grieven (productie 89 van acht pagina’s met deels uitgeschreven toelichtingen op de noten), een overzicht van de gedingstukken die de rechtbank volgens VVT had dienen te vermelden (productie 90 van twee pagina’s), en een groot gedeelte van de onderbouwing van de vorderingen (productie 92, 93 (gelijk aan de in eerste aanleg geweigerde productie 72), 94, en 96 van respectievelijk twee, drieëntachtig, vijf, en twaalf pagina’s). De inhoud van deze producties had dan ook moeten worden opgenomen in de memorie van grieven, in welk geval deze (nog los van lettergrootte, marges en regelafstand) een omvang zou hebben gehad van honderdzevenenveertig pagina’s. Volgens artikel 2.13.1 Landelijk procesreglement dient de memorie van grieven echter niet meer te beslaan dan vijfentwintig bladzijden, waartoe blijkens de inhoud van deze bepaling ook het notenapparaat behoort. VVT heeft niet op de voet van genoemd artikel verzocht, laat staan onderbouwd verzocht, een memorie van grieven van een grotere omvang te mogen indienen. Een verzoek daartoe zou overigens, mede gelet op de inhoud en omvang van het dossier, door het hof waarschijnlijk wel zijn toegewezen, maar waarschijnlijk niet tot een dergelijke omvang. VVT heeft evenmin verzocht een aanvullende akte te mogen nemen ter nadere toelichting van een of meer in de memorie van grieven reeds opgenomen grieven, omdat de maximumomvang van de memorie van grieven daartoe ontoereikend is gebleken.
6.8
Bij het voorgaande is van belang dat de gronden die de appellante aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, behoorlijk in het geding, in het onderhavige geval derhalve in de memorie van grieven, naar voren dienen te worden gebracht, zodat zij voldoende kenbaar zijn voor de rechter en de geïntimeerde, welke laatste immers moet kunnen weten waartegen hij zich in de procedure in hoger beroep dient te verweren. Hiervan is met het op deze wijze door VVT overleggen van voormelde producties geen sprake. Gelet hierop acht het hof het overleggen hiervan ook in zoverre in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal derhalve de producties 89, 90, 92, 93, 94, en 96 buiten beschouwing laten.
Ontvankelijkheid; grieven 1 sub a, 2 en 3 t/m 10
6.9
Grief 1 richt zich tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten. Aangezien het hof hiervoor in rechtsoverweging 3.1 tot en met 3.12 de feiten opnieuw heeft vastgesteld faalt deze grief reeds wegens gebrek aan belang.
6.1
Grief 2 richt zich tegen het tussenvonnis in het incident van 23 februari 2022, waarbij de rechtbank een mondelinge behandeling heeft bevolen. Aangezien tegen deze beslissing op grond van artikel 131 Rv Pro geen hogere voorziening openstaat, is VVT niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dat is gericht tegen dit vonnis.
6.11
De grieven 1 sub a en 3 tot en met 10, die zich lenen voor een gezamenlijke bespreking, hebben betrekking op de bij akte houdende eiswijziging/-vermeerdering en overlegging producties d.d. 1 februari 2023 geformuleerde vorderingen sub B ter zake van, samengevat, de (on)rechtmatigheid en (on)verbindendheid van het wijzigingsbesluit en artikel 7.23d Arbobesluit. Deze vorderingen betreffen kort gezegd verklaringen voor recht over respectievelijk buitenwerkingstelling van het wijzigingsbesluit en (delen van) artikel 7.23 Arbobesluit en zijn materieel grotendeels gelijkluidend aan de vorderingen die VVT heeft ingesteld bij inleidende dagvaarding.
6.12
De rechtbank heeft VVT bij vonnis van 22 juni 2022 wegens het ontbreken van een voldoende eigen belang niet-ontvankelijk verklaard in haar bij inleidende dagvaarding ingestelde vorderingen met betrekking tot de (on)rechtmatigheid en (on)verbindendheid van artikel 7.23d Arbobesluit. Waar de rechtbank in het dictum van het vonnis van 22 juni 2022 uitdrukkelijk een einde heeft gemaakt omtrent enig deel van de vorderingen van VVT, is dit in zoverre een eindvonnis. In het eindvonnis van 21 februari 2024 heeft de rechtbank VVT vervolgens niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen sub B op de grond dat zij geen aanleiding ziet terug te komen op het vonnis van 22 juni 2022.
6.13
Aangezien het vonnis van 22 juni 2022 een gedeeltelijk eindvonnis betreft had VVT hiertegen binnen de appeltermijn van drie maanden vanaf het vonnis als bedoeld in artikel 339 lid 1 Rv Pro hoger beroep dienen in te stellen. Dit heeft zij echter nagelaten. Het vonnis van 22 juni 2022 is derhalve in zoverre in kracht van gewijsde gegaan. VVT is gelet hierop niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring en de oordelen die daaraan ten grondslag liggen in het gedeeltelijk eindvonnis in het incident van 22 juni 2022, omdat dit hoger beroep te laat is ingesteld. Het processuele debat over de onderwerpen van de (on)rechtmatigheid en (on)verbindendheid van het wijzigingsbesluit en artikel 7.23d Arbobesluit is daarmee gesloten. Hetzelfde geldt voor zover het hoger beroep van VVT is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vorderingen sub B in het eindvonnis van 21 februari 2024. De rechtbank kon immers niet meer terugkomen op de niet-ontvankelijkverklaring van VVT in het dictum van het vonnis van 22 juni 2022.
6.14
Gegeven het voorgaande is VVT niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover het betreft de grieven 1 sub a, 2 en 3 tot en met 10.
6.15
Het hof verenigt zich verder met het oordeel van de rechtbank in het vonnis van 22 juni 2022 en het vonnis van 21 februari 2024 dat VVT niet-ontvankelijk is in haar vorderingen met betrekking tot de (on)rechtmatigheid en (on)verbindendheid van artikel 7.23 Arbobesluit (de vorderingen sub B) wegens gebrek aan voldoende eigen belang.
Misbruik procesrecht en schending waarheids- en volledigheidsplicht; grieven 11 t/m 13
6.16
Met de grieven 11 tot en met 13 komt VVT op tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van misbruik van procesrecht en schending van de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv Pro door de Staat. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
6.17
Voor zover VVT de grieven 11 tot en met 13 baseert op argumenten gericht tegen haar niet-ontvankelijk verklaring in haar vorderingen met betrekking tot de (on)rechtmatigheid en (on)verbindendheid van artikel 7.23d Arbobesluit, stuiten zij reeds af op de niet-ontvankelijkheid van VVT in haar hoger beroep gericht tegen het gedeeltelijke eindvonnis in het incident van 22 juni 2022 en het eindvonnis van 21 februari 2024.
6.18
VVT verwijst in de toelichting op haar grieven naar productie 93 en 94. Het hof heeft hiervoor in rechtsoverweging 6.7-6.8 geoordeeld dat onder meer deze producties buiten beschouwing worden gelaten wegens strijd met artikel 2.13.1 Landelijk procesreglement en de eisen van een goede procesorde. Voor zover de toelichting is gebaseerd op deze producties zal het hof daar dan ook geen acht op slaan.
6.19
Het hof acht voor het overige de stelling van VVT dat sprake is van misbruik van procesrecht en schending van de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv Pro onvoldoende onderbouwd.
6.2
VVT stelt dat sprake is van misbruik van procesrecht omdat de Staat haar stelling, dat het niet-ontvankelijkheidsverweer bestaat uit tegen beter weten in door de Staat ingenomen op voorhand kansloze stellingen, niet zou hebben weersproken. Hiermee miskent VVT dat het verweer van de Staat over haar niet-ontvankelijkheid, reeds getuige de beslissing van de rechtbank hieromtrent, niet op voorhand kansloos was. Het stond de Staat dan ook vrij om dit verweer bij wege van incident op te werpen. Daarnaast gaat VVT er aan voorbij dat de stelplicht en, bij gemotiveerde betwisting, bewijslast ter zake van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan haar vorderingen ingevolge de hoofdregel van artikel 149 Rv Pro rust op degene die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept, derhalve op VVT. De Staat was niet gehouden haar niet-ontvankelijkheidsverweer nader te onderbouwen.
6.21
Voorts heeft VVT gesteld dat de Staat de rechtbank op het verkeerde been heeft gezet omdat hij zijn niet ontvankelijkheidsverweer heeft gebaseerd op de op voorhand kansloze pijlers dat (i) VVT een collectieve actie heeft ingesteld en (ii) artikel 7.23d Arbobesluit indirecte werking heeft omdat de leden van VVT hierdoor pas geraakt worden na handhaving. Volgens VVT heeft zij onbestreden gesteld dat de grondslagen van het niet-ontvankelijkheidsverweer zo evident ongegrond waren dat het de Staat niet vrijstond het incident op te werpen. Dit betoog stuit af op de niet-ontvankelijkheid van VVT in haar hoger beroep tegen het gedeeltelijke eindvonnis in het incident van 22 juni 2022 en het eindvonnis van 21 februari 2024. Hetzelfde geldt voor de klacht dat de niet-ontvankelijkverklaring van VVT in de vorderingen sub B berust op onjuiste juridische en feitelijke grondslagen. Overigens heeft VVT niet voldoende onderbouwd dat de wijze van procederen door de Staat is ingegeven door het oogmerk VVT en de rechter op het verkeerde been te zetten of anderszins te misleiden.
6.22
VVT betoogt verder dat de Staat de brief van de Staatssecretaris aan VERAS van 6 april 2018 had moeten opnemen in de tijdlijn bij zijn conclusie van antwoord en dat de Staat door zulks na te laten heeft gehandeld in strijd met de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv Pro. Ook dit betoog faalt. VVT heeft deze brief zelf vermeld in het tijdlijnenoverzicht in haar inleidende dagvaarding en als productie 39 bij inleidende dagvaarding in het geding gebracht. Op de Staat rustte geen verplichting de brief alsnog op te nemen in (de tijdlijn bij) haar conclusie van antwoord. Van een schending van de waarheids- of volledigheidsplicht is geen sprake.
6.23
Hetgeen VVT voor het overige aanvoert in de toelichting op de grieven kan evenmin leiden tot het oordeel dat sprake is van misbruik van procesrecht en/of schending van de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv Pro. Voor zover VVT ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nieuwe voorbeelden van, naar haar zeggen, misbruik van procesrecht heeft genoemd, waaronder door de Staat achterhouden van informatie (de offerte van TNO van 1 maart 2018 en de overeenkomst van dienstverlening van 22 maart 2018), geen rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van VVT en stellen of ontkennen van feiten waarvan hij weet dat die onjuist respectievelijk juist zijn, en heeft betoogd dat zowel op de Staat als op de landsadvocaat terzake een (afgeleide) waarheidsplicht rust, wat daar ook van zij, komt dit in strijd met de tweeconclusieregel in hoger beroep. Van een nadere precisering van de bij memorie van grieven reeds geformuleerde grieven is geen sprake. Voorts beschikt VVT reeds sinds deelbesluit 4 van 14 februari 2024 op grond van de Woo over voormelde offerte en overeenkomst. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding voor het aannemen van een uitzondering op deze in beginsel strakke regel. Hierbij is van belang dat het niet gaat om nieuwe feitelijke gegevens waarmee VVT ten tijde van het opstellen van haar memorie van grieven d.d. 25 juni 2024 nog geen rekening kon houden.
6.24
De grieven falen.
Onbehoorlijk overleg; grieven 14 t/m 22
6.25
Met de grieven 14 tot en met 22 richt VVT zich tegen het oordeel van de rechtbank dat, samengevat, geen sprake is van onbehoorlijk overleg. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
6.26
Voor zover VVT de grieven 14 tot en met 22 baseert op argumenten met betrekking tot (de toetsing van) de (on)rechtmatigheid en (on)verbindendheid van artikel 7.23d Arbobesluit, stuiten zij reeds af op de niet-ontvankelijkheid van VVT in haar hoger beroep gericht tegen het gedeeltelijke eindvonnis in het incident van 22 juni 2022 en het eindvonnis van 21 februari 2024.
6.27
VVT verwijst in de toelichting op haar grieven naar productie 89, 92, 93, en 96 bij memorie van grieven. Verder verwijst VVT in de spreekaantekeningen van haar zijde ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep onder meer naar producties 96 en 98 tot en met 113. Ten aanzien hiervan heeft het hof in rechtsoverweging 6.2 tot en met 6.8 geoordeeld dat deze producties buiten beschouwing worden gelaten. Voor zover de toelichting is gebaseerd op deze producties zal het hof daar dan ook geen acht op slaan.
6.28
Naar het oordeel van het hof heeft VVT tegenover de gemotiveerde betwisting door de Staat ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd dat de Staat jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door op een onbehoorlijke wijze overleg te voeren over de totstandkoming van de wijziging van artikel 7.23d Arbobesluit.
6.29
Het hof stelt – met de rechtbank – voorop dat er voor de Staat geen rechtsplicht bestaat om voorafgaand aan het uitvaardigen van een regeling in overleg te treden met (organisaties van) belanghebbenden en/of met de door de regeling getroffenen. Uitgangspunt is dat de Staat bij het vaststellen van regelgeving een grote beslissingsruimte heeft om politieke en bestuurlijke afwegingen te maken. Het is aan de Staat om daarbij naar eigen inzicht het gewicht vast te stellen dat aan alle betrokken belangen moet worden toegekend. De Staat is voorts niet verplicht om, indien hij onverplicht een belangenorganisatie laat participeren bij de totstandkoming van een voorgenomen regeling, een regeling tot stand te brengen met een bepaalde door die belangenorganisatie gewenste inhoud. Het voorgaande brengt met zich dat de rechter bij de toetsing van (het overleg in het kader van) de totstandkoming van de desbetreffende regeling terughoudendheid dient te betrachten. Voor zover VVT klaagt dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste maatstaf, faalt deze klacht.
6.3
Anders dan VVT betoogt vloeit een verplichting tot overleg niet voort uit artikel 4 van Pro het ILO-Verdrag inzake veiligheid en gezondheid op het werk (1981, C155), welk artikel bepaalt dat elk der Verdragsstaten, in het licht van de nationale omstandigheden en praktijk, en in overleg met de meest representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, een coherent nationaal beleid formuleert inzake veiligheid op het werk, de gezondheid op het werk en het arbeidsmilieu. Deze bepaling voorziet in het in overleg met deze organisaties formuleren van nationaal beleid op de genoemde terreinen en bevat geen verplichting voor de Staat om in een geval als het onderhavige overleg te voeren met VVT.
6.31
Een dergelijke verplichting volgt evenmin uit de Nederlandse code voor goed openbaar bestuur (2009) en de door VVT overgelegde publicatie “Participatie: beleid begint met luisteren”. De Staat heeft onweersproken aangevoerd dat voormelde code geen juridisch afdwingbare normen inhoudt. Hetzelfde geldt voor genoemde publicatie, die slechts een uitleg bevat wat participatie inhoudt. VVT heeft voorts onvoldoende onderbouwd dat de redelijkheid en billijkheid een algemene verplichting voor de Staat jegens VVT met zich brengen om overleg te voeren in de door VVT voorgestane zin.
6.32
In hoger beroep staat als niet, althans niet voldoende, bestreden vast dat voorafgaand aan de totstandkoming van het wijzigingsbesluit een uitvoerige uitwisseling van standpunten heeft plaatsgevonden tussen de betrokken brancheorganisaties, waaronder VVT, en het Ministerie. Hierbij is VVT meermalen in de gelegenheid gesteld haar opvattingen, zowel schriftelijk als via internetconsultatie en in verschillende overleggen, kenbaar te maken. Derhalve staat vast dat de Staat VVT (onverplicht) voldoende gelegenheid heeft gegeven voor overleg. Zoals hiervoor geoordeeld is de Staat niet verplicht de hierbij de standpunten van VVT te volgen en een regeling met de door de VVT gewenste inhoud tot stand te brengen.
6.33
VVT beroept zich op de brief van de Staatssecretaris van 6 april 2018. Deze brief is een reactie op de brief van verschillende brancheorganisaties, waaronder VVT, van 28 februari 2018, waarbij het rapport van Aboma van 12 februari 2018 wordt aangeboden aan de Staatssecretaris en waarin [naam] van VERAS staat vermeld als woordvoerder. In reactie hierop bericht de Staatssecretaris VERAS, ter attentie van [naam] , dat zij de rapportage van Aboma zal aanbieden aan de partij die het onderzoek voor het Ministerie zal gaan uitvoeren en dat zij “u graag [wil] betrekken bij de uitvoering van het onderzoek”. Voor zover de brief van 6 april 2018 reeds als toezegging aan VVT moet worden aangemerkt, geldt dat de Staat deze toezegging ook is nagekomen. Het rapport van Aboma is immers gedeeld met TNO, die blijkens haar rapport van 23 juli 2018 de bevindingen van Aboma in aanmerking heeft genomen. Dat blijkt ook uit de Kamerbrief van 27 september 2018 (Kamerstukken II 2018/19, nr. 336, p. 2), waarin de Staatssecretaris mededeelt dat de resultaten van het Aboma-onderzoek zijn meegenomen in het TNO rapport. VVT is vervolgens ook betrokken bij het onderzoek van TNO, hetgeen blijkt uit de als productie 41 en 42 in eerste aanleg door VVT overgelegde e-mail correspondentie met betrekking tot een overleg tussen onder meer VVT en TNO in mei 2018 en e-mail correspondentie over “afstemmen scenario’s moeilijke daken voor risicoanalyse” in juni 2018.
6.34
De toezegging van de Staatssecretaris houdt echter niet in dat door TNO en/of de Staat op de door VVT gewenste wijze overleg met haar zou worden gevoerd, dat VVT gelegenheid zou krijgen te reageren op het conceptrapport van TNO, en dat hierbij de inhoudelijke standpunten van VVT over de wijziging van artikel 7.23d Arbobesluit zouden worden gevolgd. De Staat is, mede gelet op de hiervoor in rechtsoverweging 6.29 vermelde maatstaf, jegens VVT ook niet verantwoordelijk voor de wijze waarop TNO in het kader van haar onafhankelijk onderzoek overleg heeft gevoerd met VVT en in haar rapport heeft gerespondeerd op en rekening heeft gehouden met haar opvattingen.
6.35
Anders dan VVT verder betoogt betekent de latere wijziging van artikel 7.23d Arbobesluit bij besluit van 20 december 2021, Stb. 2021, 645, waarbij de verplichte toets door een veiligheidskundige is vervallen en het voorschrift over de maximale windsnelheid en hoogte waarop deze wordt gemeten is aangepast, niet dat sprake zou zijn van onbehoorlijk overleg. Uit de Nota van Toelichting bij dit besluit blijkt dat bij de wijzigingen mede zijn ingegeven door ervaringen in de praktijk en dat daarbij de reacties vanuit de branche, waaronder VVT, in aanmerking zijn genomen. Het staat de Staat voorts vrij op basis van voortschrijdend inzicht over te gaan tot wijziging van een regeling. Van het op deze grond voeren van onbehoorlijk overleg is dan ook geen sprake.
6.36
Voor zover VVT in de toelichting op haar grieven zonder voldoende precies aangeduide vindplaatsen verwijst naar haar uitvoerige beschrijving van de Wob kwestie waaruit zou volgen dat zij daardoor op onredelijke wijze onder druk is gezet, hetgeen zou getuigen van onbehoorlijk overleg, geldt dat zij hiermee onvoldoende duidelijk heeft onderbouwd dat en waarom het oordeel van de rechtbank dat ook hierom geen sprake is van onbehoorlijk overleg onjuist zou zijn. Een deugdelijke en te volgen redenering op dit punt ontbreekt. Voor de, door de Staat gemotiveerd betwiste, stelling van VVT dat de Staat informatie voor VVT heeft achtergehouden tot na het eindvonnis van de rechtbank van 21 februari 2024 ziet het hof geen aanknopingspunten. De omstandigheid dat een deel van de verlangde stukken eerst openbaar is gemaakt bij deelbesluit 4 van 14 februari 2024, maakt niet dat sprake is van onbehoorlijk overleg door de Staat.
6.37
VVT beroept zich ter onderbouwing van de grieven 14 tot en met 22 in de spreekaantekeningen van haar zijde ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep voorts uitvoerig op de bij deelbesluit 4 van 14 februari 2024 verkregen TNO-stukken, waaronder de offerte van TNO van 1 maart 2018 en de overeenkomst van dienstverlening van 22 maart 2018. Dit betoog vormt een nieuwe grief en is daarom in strijd met de tweeconclusieregel. Ook hier bestaat geen grond voor het aannemen van een uitzondering op deze in beginsel strakke regel. Daarbij neemt het hof in overweging dat VVT reeds tenminste anderhalf jaar beschikt over de desbetreffende stukken.
6.38
Voor zover in de spreekaantekeningen van de zijde van VVT ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nog nieuwe verwijten en voorbeelden van het door VVT gestelde onbehoorlijk overleg worden geformuleerd – zoals het achterhouden van informatie, het verzwijgen dat VVT in vijf uitvoeringsfasen had moeten worden betrokken bij het TNO onderzoek, het niet (behoorlijk) nakomen van onder andere uitvoeringsfase drie, en vijf, het hanteren van een verborgen agenda, en geen rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van VVT – geldt dat deze verwijten en voorbeelden eveneens grieven zijn die wegens strijd met de tweeconclusieregel buiten beschouwing worden gelaten. Van de Staat en het hof kan niet worden verlangd dat zij, bij gebreke van een voldoende duidelijke aanduiding door VVT, moeten nagaan welke van de in de spreekaantekeningen genoemde verwijten en voorbeelden mogelijk een nadere precisering vormen van de vele in de memorie van grieven geformuleerde grieven, mede in aanmerking genomen dat een groot gedeelte van de producties waarnaar in de memorie van grieven en de spreekaantekeningen ter onderbouwing van de grieven wordt verwezen door het hof buiten beschouwing zijn gelaten wegens strijd met de twee conclusie regel, respectievelijk de eisen van een goede procesorde.
6.39
De slotsom is dat deze grieven falen.
Incidentele vordering ex artikel 843a Rv; grief 23
6.4
VVT heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gesteld dat zij uiteindelijk beschikt over de in het kader van de Woo procedure bij deelbesluit 4 (van 14 februari 2024) verstrekte TNO-stukken. VVT heeft niet gesteld dat en zo ja, welke van de door haar verlangde stukken nog ontbreken. Gelet hierop heeft VVT geen belang meer bij haar incidentele vordering op de voet van artikel 843a Rv. De grief faalt derhalve eveneens wegens gebrek aan belang.
Schadevergoeding; grieven 24 en 25
6.41
Aangezien blijkens het voorgaande geen sprake is van het door de Staat jegens VVT onrechtmatig handelen door het op onbehoorlijke wijze voeren van overleg, bestaat geen grond voor schadevergoeding. Verder heeft te gelden dat, indien zou moeten worden geoordeeld dat sprake is van onbehoorlijk overleg door de Staat dat jegens VVT onrechtmatig is te achten, VVT tegenover de gemotiveerde betwisting door de Staat onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de Staat en de door haar gestelde schade, en dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure bestaat derhalve ook om deze reden geen grond.
6.42
De Staat heeft voorts ter gelegenheid van de eerste termijn van de mondelinge behandeling onweersproken aangevoerd dat ruim vijf jaar na de wijziging van artikel 7.23d Arbobesluit op 1 juli 2020 geen signalen uit de sector bekend zijn die er op duiden dat het gewijzigde artikel tot problemen leidt. Ook hierom acht het hof de mogelijkheid van schade niet aannemelijk.
6.43
Deze grieven falen derhalve eveneens.
6.44
Hetgeen VVT voor het overige heeft aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel. Het – ongespecificeerde – bewijsaanbod van VVT dient derhalve tot slot te worden gepasseerd.
Conclusie en proceskosten
6.45
De conclusie is dat het hoger beroep van VVT niet slaagt. Het hof zal VVT niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep voor zover dit ziet op de vonnissen van 23 februari 2022 en 22 juni 2022. Het hof zal het vonnis van 21 februari 2024 bekrachtigen. Het hof zal VVT als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.46
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de Staat op:
griffierecht € 2.175,-
salaris advocaat € 3.642,- (3 punten × tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 6.703,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.

7.Beslissing

Het hof:
  • verklaart VVT niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2022 en 22 juni 2022;
  • bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 februari 2024;
  • veroordeelt VVT Staat in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 6.703,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als VVT deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als VVT niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, VVT de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als VVT deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart dit arrest voor zover het betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. D. Stoutjesdijk, R.S. van Coevorden en R.J.J. Aerts en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.