Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1744

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
200.358.828/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:305a BWArt. 96 GrondwetArt. 2 lid 4 Handvest Verenigde Naties
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid collectieve actie tegen Nederlandse steun aan Oekraïne wegens onvoldoende statutaire doelomschrijving en representativiteit

De Nationale Bond Overheidszaken (NBO) vorderde in kort geding dat de Staat der Nederlanden wordt verboden militaire en financiële steun te verlenen aan Oekraïne in de strijd tegen Rusland. De voorzieningenrechter verklaarde NBO niet-ontvankelijk, een oordeel dat het hof bekrachtigt.

Het hof oordeelt dat de statutaire doelomschrijving van NBO te vaag en ideëel is, waardoor niet kan worden vastgesteld welke concrete belangen zij behartigt. Dit voldoet niet aan de eisen van artikel 3:305a BW voor collectieve acties. Daarnaast voldoet NBO niet aan het representativiteitsvereiste, zowel kwantitatief als kwalitatief, mede vanwege het geringe ledenaantal en het ontbreken van relevante ervaring en expertise.

Ook de interne organisatie en besluitvorming van NBO zijn onvoldoende, met een beperkte actieve achterban en een dominante rol van één persoon. Het hof concludeert dat NBO niet als voldoende representatieve belangenorganisatie kan worden aangemerkt en verklaart haar daarom niet-ontvankelijk.

Ten overvloede overweegt het hof dat de vordering inhoudelijk niet toewijsbaar is vanwege de algemene formulering die geen ruimte laat voor rechtmatige steun. Het hoger beroep wordt afgewezen en NBO wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: NBO wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar collectieve actie tegen de Nederlandse steun aan Oekraïne en het vonnis van de voorzieningenrechter wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.358.828/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/685924 / KG ZA 25-490
Arrest van 19 mei 2026 in kort geding
in de zaak van
de vereniging
Nationale Bond Overheidszaken,
gevestigd in Den Haag,
appellante,
advocaat: mr. P. Salim, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Algemene Zaken),
waarvan de zetel is gevestigd in Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.W. Veldhuis, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna NBO en de Staat.

1.De zaak in het kort

1.1
NBO wil dat het de Staat wordt verboden (direct of indirect) militaire en/of financiële steun te verlenen aan Oekraïne ten behoeve van de gewapende strijd tegen Rusland.
1.2
De voorzieningenrechter heeft NBO niet-ontvankelijk verklaard. Het hof komt tot dezelfde conclusie.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 27 augustus 2025, waarmee NBO in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 30 juli 2025, en waarin de grieven tegen dat vonnis zijn opgenomen;
  • de memorie van antwoord van de Staat;
  • de bijlagen 11-14 die NBO ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op 3 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

NBO

3.1
NBO, opgericht bij akte van 27 december 2019, is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid. Volgens haar statuten is het doel van de vereniging
“het streven naar een werkelijk rechtvaardig en werkelijk democratisch Nederland, het bewerkstelligen dat de belangen van de Nederlandse bevolking vanuit het mensenrecht en het burgerrecht alsmede vanuit de politieke besluitvorming weer centraal komen te staan.”Volgens de statuten tracht NBO dit doel onder meer te bereiken door voor de deelnemende leden massa- of individuele claimacties en gerechtelijke procedures te voeren.
3.2
Het bestuur van NBO werd ten tijde van de inleidende dagvaarding gevormd door de heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) en de Stichting Act 4 Freedom Foundation (hierna: de Stichting). [betrokkene 1] is enig bestuurder van de Stichting. [betrokkene 1] is voorzitter van NBO en de Stichting was secretaris/penningmeester. Met ingang van 1 september 2025 is [betrokkene 2] als secretaris/penningmeester toegetreden tot het bestuur van NBO.
3.3
Vanaf enig moment heeft NBO (onder meer) via haar website een oproep gedaan om dit kort geding te steunen. Hiertoe konden personen (zowel leden als niet-leden) zich via de website aanmelden door het invullen van persoonsgegevens, het ondertekenen van een ondersteuningsverklaring en het verrichten van een betaling van € 29,-. Volgens NBO hebben ruim 1.200 mensen zich op deze wijze aangemeld.
3.4
Op 26 augustus 2025, dus nadat het vonnis in eerste aanleg in deze zaak was gewezen, heeft een algemene ledenvergadering van NBO plaatsgevonden. Volgens de notulen van die vergadering zijn 16 van de 123 leden van NBO verschenen. Tijdens die vergadering is door 15 leden “mandaat verleend” voor (het hoger beroep in) deze procedure.
De oorlog in Oekraïne
3.5
In de nacht van 23 op 24 februari 2022 is de Russische Federatie (hierna: Rusland) een aanvalsoorlog begonnen tegen Oekraïne. Deze invasie is op 2 maart 2022 veroordeeld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Tot op de dag van vandaag verdedigt Oekraïne zich tegen de Russische agressie.
3.6
Nederland steunt Oekraïne in zijn verdediging tegen de Russische invasie en levert daartoe onder meer militaire goederen en humanitaire hulp aan Oekraïne.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
NBO heeft de Staat gedagvaard en gevorderd:
a) een verbod aan de Staat om, hetzij rechtstreeks, hetzij via internationale organisaties, op enigerlei wijze militaire en/of financiële steun te verlenen aan Oekraïne ten behoeve van de gewapende strijd tegen Rusland;
b) een verbod aan de Staat om het Nederlandse grondgebied, dan wel enige faciliteiten onder Nederlands gezag, beschikbaar te stellen voor militaire en/of financiële steun aan andere staten of internationale organisaties, voor zover die steun ten goede komt aan de gewapende strijd;
c) een gebod aan de Staat om zich er actief voor in te spannen dat financiële bijdragen van Nederland aan internationale organisaties niet worden aangewend voor militaire steun aan Oekraïne.
4.2
NBO legt aan haar vordering – samengevat weergegeven – ten grondslag dat het de Staat op grond van het bepaalde in artikel 96 Grondwet Pro niet is toegestaan om zonder voorafgaande toestemming van het parlement militaire steun te verlenen aan Oekraïne. Het optreden van de Staat komt voorts in strijd met het bepaalde in artikel 2, lid 4 van het Handvest van de Verenigde Naties en is ook overigens onrechtmatig.
4.3
De voorzieningenrechter heeft NBO niet-ontvankelijk verklaard en haar veroordeeld in de kosten van het geding. Daartoe oordeelde de voorzieningenrechter dat NBO geen beroep toekomt op artikel 3:305a lid 6 BW. Daarom moet zij voldoen aan de eisen die uit artikel 3:305a lid 2 subonderdelen a tot en met e en lid 5 BW volgen. Dat zij aan die eisen voldoet heeft NBO echter niet aannemelijk gemaakt.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
NBO vordert, naast vernietiging van het vonnis, hetzelfde als bij de voorzieningenrechter.
5.2
Kort gezegd zien de bezwaren van NBO op het volgende: Het doel dat NBO nastreeft, is ideëel van karakter. Daarom komt haar in principe een beroep toe op de uitzondering van artikel 3:305a lid 6 BW. De strengere ontvankelijkheidseisen uit de leden 2 tot en met 5 zijn niet bedoeld voor ideële organisaties zoals NBO, zodat de voorzieningenrechter ten onrechte aan die eisen heeft getoetst. Ten aanzien van de
good governancebij NBO heeft te gelden dat zij inmiddels maatregelen heeft genomen om die te waarborgen.

6.Beoordeling in hoger beroep

Inleidende opmerking

6.1
De grieven van NBO richten zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat NBO geen beroep toekomt op de uitzondering van artikel 3:305a lid 6 BW. Indien een van haar grieven slaagt, brengt de devolutieve werking van het hoger beroep mee dat het hof de overige door de Staat gevoerde, maar in eerste aanleg onbesproken gebleven of verworpen verweren, moet beoordelen. De Staat heeft in eerste aanleg onder meer betwist dat de doelomschrijving in de statuten van NBO geschikt is voor het voeren van een collectieve actie. De Staat heeft verder betwist dat NBO voldoet aan het representativiteitsvereiste. Het hof kiest ervoor deze onderwerpen eerst te bespreken.
Ontvankelijkheid van NBO in deze collectieve actie
6.2
Artikel 3:305a lid 1 BW bepaalt dat een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt en deze belangen voldoende zijn gewaarborgd. Uit lid 2 volgt dat die belangen voldoende zijn gewaarborgd indien de belangenorganisatie voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen. Onder a tot en met e zijn nadere eisen opgesomd waaraan zo’n belangenorganisatie ook moet voldoen. Lid 6 biedt de rechter de mogelijkheid om een belangenorganisatie ontvankelijk te verklaren zonder dat aan de (extra) eisen van lid 2 onder a tot en met e en lid 5 behoeft te zijn voldaan, wanneer de rechtsvordering wordt ingesteld met een ideëel doel en een zeer beperkt financieel belang of wanneer de aard van de vordering van de rechtspersoon of de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, daartoe aanleiding geeft.
6.3
Uit artikel 3:305a lid 1 BW volgt met andere woorden dat een stichting of een vereniging slechts ontvankelijk is indien zij opkomt ter bescherming van de belangen die zij volgens haar statuten behartigt. Dat betekent dat die belangen met een zekere concreetheid in de statuten moeten zijn aangewezen. Aan die eis voldoen de statuten van NBO niet.
6.4
De doelomschrijving van NBO (
“het streven naar een werkelijk rechtvaardig en werkelijk democratisch Nederland, het bewerkstelligen dat de belangen van de Nederlandse bevolking vanuit het mensenrecht en het burgerrecht alsmede vanuit de politieke besluitvorming weer centraal komen te staan.”)voldoet niet aan de eisen die art. 3:305a BW stelt aan de omschrijving van de te behartigen belangen. De statuten moeten voldoende duidelijk maken welke concrete belangen de rechtspersoon beoogt te behartigen, zodat kan worden getoetst of de ingestelde vordering binnen die doelstelling valt en of sprake is van bundelbare, gelijksoortige belangen. De formulering is daarvoor te algemeen en te abstract. Begrippen als “een werkelijk rechtvaardig en werkelijk democratisch Nederland” en “de belangen van de Nederlandse bevolking” missen een afgebakende, juridisch hanteerbare inhoud en laten in het midden om welke specifieke rechten, belangen of groepen het gaat. Nu de doelomschrijving zo ruim is geformuleerd dat in feite iedere denkbare maatschappelijke kwestie daaronder kan worden gebracht, ontbreekt een zinvolle begrenzing van de processuele bevoegdheid. Dit maakt het voor de rechter onmogelijk om te beoordelen of een specifieke vordering daadwerkelijk binnen het statutaire doel valt.
6.5
Daar komt bij dat de doelomschrijving sterk ideëel en politiek van aard is, in die zin dat zij mede ziet op het beïnvloeden van “politieke besluitvorming”. Art. 3:305a BW is echter niet bedoeld als vehikel voor het in rechte nastreven van algemeen-politieke doelstellingen, maar voor de civielrechtelijke bescherming van voldoende bepaalbare, gelijksoortige belangen van derden.
6.6
Dat NBO zich eerder of op enige andere wijze dan met het voeren van dit kort geding ervoor heeft ingezet dat de Nederlandse steun aan Oekraïne wordt beëindigd, heeft zij niet gesteld. Er zijn dus geen eerdere activiteiten waaruit kan worden afgeleid dat het beëindigen van die steun daadwerkelijk tot haar statutaire doelstelling behoort of bedoeld is te behoren.
6.7
Dat de Nederlandse rechtstaat (waartoe het hof de Nederlandse democratie rekent) daadwerkelijk wordt gediend door het beëindigen van die steun aan Oekraïne is niet onderbouwd en overigens niet goed in te zien, zodat in zoverre ook niet kan worden geoordeeld dat de belangen die NBO in dit geding nastreeft behoren tot de belangen die zij ingevolge haar statuten behartigt. Een reële band tussen de ingestelde vordering en de statutaire doelomschrijving ontbreekt dan ook. Reeds hierom dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vorderingen.
6.8
Daar komt het volgende bij. Ook wanneer zou moeten worden aangenomen dat NBO een beroep zou toekomen op de uitzondering van artikel 3:305a lid 6 BW, moet zij aan het representativiteitsvereiste voldoen. Het representativiteitsvereiste heeft een (relatief en) kwantitatief karakter enerzijds en een kwalitatief karakter anderzijds. Om te bepalen of een belangenorganisatie representatief is moet daarom enerzijds worden gelet op de omvang van haar achterban, waarbij de belangenorganisatie “kwantitatief gezien voor een voldoende groot deel van de groep getroffen gedupeerden opkomt.” [1] Anderzijds is van belang of de organisatie, gelet op haar feitelijke werkzaamheden, ervaring en deskundigheid, kan worden aangemerkt als een geschikte en geloofwaardige belangenbehartiger op het terrein waarop zij in rechte optreedt.
6.9
Het hof is van oordeel dat het (relatief) kwantitatieve karakter van het representativiteitsvereiste in zaken als deze als zelfstandig criterium niet goed hanteerbaar is. NBO zegt immers op te komen voor de hele Nederlandse bevolking. Haar ledenaantal van 123 is afgezet daartegen te verwaarlozen en ook het aantal steunbetuigingen dat zij zegt te hebben ontvangen is afgezet tegen de hele Nederlandse bevolking te verwaarlozen. Toch kan het hof niet uitsluiten dat een vereniging met een beperkt aantal leden onder omstandigheden aan het representativiteitsvereiste voldoet. Dat vereist uiteindelijk een beoordeling van alle omstandigheden van het geval.
6.1
In dit geval is het hof van oordeel dat NBO niet voldoet aan het representativiteitsvereiste. Niet alleen is haar gebleken achterban gering ten opzichte van de groep voor wie zij zegt op te komen, maar zij voldoet ook niet aan het kwalitatieve aspect van het representativiteitsvereiste. Zo blijkt uit de notulen van de laatste ledenvergadering dat zij actief is of wil zijn op zeer uiteenlopende terreinen. Er worden procedures gepland tegen de Staat over asielzoekers, het “WHO pandemie-Verdrag”, en 5G-netwerken. Dat NBO daadwerkelijk ervaring heeft met het voeren van collectieve procedures, heeft zij niet gesteld. Evenmin heeft zij gesteld dat zij eerder activiteiten heeft verricht die ertoe strekken de naleving van de Grondwet of het Handvest van de Verenigde Naties (of zelfs maar in algemene zin: fundamentele rechten) te verzekeren, laat staan waar het betreft activiteiten met betrekking tot de Nederlandse steun aan Oekraïne. Ook blijkt uit haar stellingen niet dat zij enige expertise op dit gebied heeft.
6.11
Bij beoordeling van de vraag of NBO voldoet aan het representativiteitsvereiste kan ook acht worden geslagen op haar interne organisatie en de vertegenwoordiging van haar leden. In dit geval heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat NBO feitelijk een organisatie is met [betrokkene 1] als enige natuurlijk persoon die aan de touwtjes trekt. Inmiddels is een ander natuurlijk persoon benoemd tot secretaris/penningmeester, maar dat NBO daadwerkelijk als vereniging functioneert en méér is dan een vehikel van [betrokkene 1] voor dit soort procedures, blijkt nog steeds niet uit haar stellingen. Weliswaar is op 25 augustus 2025 kennelijk een algemene ledenvergadering gehouden, maar de goedkeuring voor het beginnen en voortzetten van deze procedure door de leden vond aldus achteraf plaats, en niet vooraf. De overgrote meerderheid van (het gering te achten aantal van) de 123 leden heeft het bovendien laten afweten. Dat daarnaast de donateurs voor deze procedure zijn betrokken bij de besluitvorming over (de voortgang van) deze procedure, is evenmin gebleken.
6.12
Alle omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat NBO niet kan worden aangemerkt als een voldoende representatieve belangenorganisatie voor de groep namens wie zij optreedt. Ook hierom dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard.
6.13
Het hof komt daarmee ook tot de conclusie dat NBO niet-ontvankelijk is, zij het op andere gronden dan de voorzieningenrechter. De grieven van NBO kunnen daarom onbesproken blijven.
6.14
Volstrekt ten overvloede overweegt het hof dat de vordering van NBO ook inhoudelijk niet had kunnen slagen. Daarvoor zijn verschillende redenen. De meest in het oog springende is dat de vordering in zeer algemene bewoordingen is opgesteld, en iedere vorm van steun aan Oekraïne uitsluit. Het hof ziet niet in dat, zelfs als de enigszins summiere onderbouwing van deze verstrekkende vordering juist zou zijn, zo’n algemene vordering kan worden toegewezen, zonder ruimte te laten voor die gevallen waarin die steun ondanks de stellingen van NBO toch rechtmatig is.
Conclusie en proceskosten
6.15
De conclusie is dat het hoger beroep van NBO niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal NBO als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.16
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de Staat op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.596,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 30 juli 2025;
  • veroordeelt NBO in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 3.596,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als NBO deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als NBO niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, NBO de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als NBO deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. J.J. van der Helm, mr. A.E.A.M. van Waesberghe en mr. E. Bauw en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 19. Zie ook