Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerde 3],
1.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaardingen van 6 november 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 26 juni 2024 (hierna: het tussenvonnis) en 23 oktober 2024 (hierna: het eindvonnis);
- de memorie van grieven van [appellant] ;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerden]
2.Feitelijke achtergrond
“Bindende verkoopbelofte met optie tot aankoop”(hierna: de optieovereenkomst) ondertekend, waarin zij het volgende zijn overeengekomen:
In geval van artikel zeven goed voor honderdvijftigduizend US dollar”, met daaronder handgeschreven met handtekening van [appellant] de tekst “
goed voor één honderd en vijftig duizend US Dollars”.
[geïntimeerden] :
3.Procedure bij de rechtbank
4.Vorderingen in hoger beroep
5.Beoordeling in hoger beroep
grieven 1 tot en met 3leidt niet tot een ander oordeel. De redenen daarvoor zijn de volgende.
“optredende in eigen naam”). De vorderingen richten zich niet tegen de rechtspersonen waarvoor [appellant] volgens de Considerans ook optreedt. De rechter hoeft niet meer te beoordelen dan de vraag of deze vordering op [appellant] persoonlijk toewijsbaar is.
grieven 1 en 2wordt betoogd dat de kenmerkende prestatie van de optieovereenkomst de belofte is om 75% van de eigendom van een aantal onroerende zaken in Suriname te verkopen. Daartoe dienen allerlei zaken in Suriname plaats te vinden. Op alle ter zake gerichte rechtshandelingen is Surinaams recht van toepassing. Het is onjuist om de garantstelling van [appellant] daar uit te lichten en daarop Nederlands recht van toepassing te verklaren. In de Considerans van de overeenkomst staan namelijk meer kenmerkende prestaties, ook die van twee rechtspersonen. Die prestaties kunnen niet los worden gezien van die van [appellant] . De Rome I-Verordening mist daarom toepassing, aldus nog steeds [appellant] .
grieven 4 en 5komt [appellant] op tegen deze oordelen. Deze grieven zijn een herhaling van zetten en falen. Het hof is het eens met de rechtbank en komt op dezelfde gronden tot hetzelfde oordeel. Het is buiten twijfel dat [appellant] in de optieovereenkomst is overeengekomen dat bij niet-nakoming van de overeenkomst door hem en/of de overige omschreven partijen
“als Partij 1”een schadevergoeding wordt betaald van USD 150.000,-- (art. 7), en bovendien dat [appellant] persoonlijk garant staat voor de nakoming van deze verbintenis (immers, art. 9 spreekt Pro van
alleverbintenissen). [appellant] heeft bovendien onder de optieovereenkomst een handgeschreven goedschrift geplaatst met een verwijzing naar de contractuele boete van art. 7 (zie r.o. 2.2 hiervoor).
grief 6betoogt [appellant] dat het beroep op de klachtplicht ten onrechte is verworpen. Volgens [appellant] heeft hij wel degelijk stappen gezet om afgifte van de toestemmingen en vergunningen te verkrijgen. Dat het niet is gekomen tot de gewenste afgifte kan hooguit als een gebrekkige prestatie worden gekenmerkt.
grief 7betoogt [appellant] dat hij niet schadeplichtig is omdat hij niet meer dan een inspanningsverbintenis heeft. Verder betwist [appellant] dat [geïntimeerden] schade hebben geleden. [appellant] stelt dat hij zijn beroep op overmacht handhaaft.
grief 8betoogt [appellant] dat hij ten onrechte is veroordeeld tot betaling van een bedrag van USD 150.000,--, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten. Dit is een veeggrief zonder zelfstandige betekenis. Deze is niet nader onderbouwd zodat het hof daar niet verder op in zal gaan.
6.Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2024;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 6.039,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.
- verklaart de proceskostenveroordeling in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd;