Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
€ 2.091,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
te ( [postcode] ) in [plaats](hierna: de woning of de echtelijke woning) en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening(en) en kapitaalverzekering:
- een overzicht van de banksaldi ten tijde van het overlijden van zijn vader;
- een taxatie van de huizen in [plaats] en [plaats] , genoemd in het verzoekschrift van 25 maart 2025;
- een kopie van de "dichiarazione successione dell'Agenzia del Entrate". Zoals aangeven in eerste instantie is dit het enige dat in Italië kan worden verkregen dat vergelijkbaar is met een verklaring van erfrecht die in Italië niet bestaat, althans een officieel overzicht van de goederen die hij geërfd heeft;
- een kopie van het testament van zijn vader;
- alle relevante informatie ten aanzien van zijn vermogen wegens zijn erfdeel;
- kopie van zijn aangifte IB 2023 en 2024. De laatste drie loonstroken 2025;
- een overzicht van de eigenaarslasten van de woning aan [locatie] , inclusief de gemeentelijke belastingen;
- een overzicht van de lasten die hij heeft betaald voor de woning in [plaats] ;
subsidiairhet Nederlandse recht.
5.De motivering van de beslissing
€ 500,- per maand, omdat hij zijn hypotheeklast met een deel van zijn erfenis kan aflossen. Volgens de man is de rechtbank hiermee niet alleen afgeweken van het woonbudget, maar zelfs van zijn werkelijke woonlasten. Daarnaast wijst de man erop dat rechtbank met twee maten meet, nu de rechtbank aan de zijde van de vrouw bij de vaststelling van haar behoefte rekening heeft gehouden met een woonlast, terwijl zij die niet heeft, en aan de zijde van de man rekening is gehouden met een veel lagere woonlast dan feitelijk het geval is. Voorts stelt de man dat de maandelijkse bijdrage aan zijn dochters van € 3.159, - per maand bij de bepaling van zijn draagkracht in het geheel moeten worden meegenomen, omdat dit de werkelijke kosten zijn.
€ 450.000,- verkregen door de verkoop van zijn privéwoning aan [locatie] in [plaats] en beschikt hij minimaal over een bedrag van € 250.000,- uit een nalatenschap. Ook is tijdens de zitting gebleken dat het appartement in [plaats] (één van de twee huizen uit de nalatenschap van de vader van de man en zijn broer) inmiddels is verkocht, waardoor dat vermogen niet langer “in steen vastzit”. De man kan uit zijn vermogen dan ook een deel van zijn hypothecaire lening voldoen, waardoor het hof het evenals de rechtbank redelijk acht om uit te gaan van een bedrag van € 500,- per maand aan woonlasten.
in totaal € 3.159, - per maand. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man niet alleen onderhoudsplichtig is jegens zijn jongmeerderjarige kinderen, maar ook jegens de vrouw. Het staat de man op zich vrij om een zeer aanzienlijke onderhoudsbijdrage aan de kinderen te blijven voldoen, die niet gestoeld is op de wettelijke maatstaven. Dit mag echter niet ten koste gaan van zijn verplichting om partneralimentatie te betalen aan de vrouw. Alleen als beide partijen het ermee eens zijn dat de verplichting van de man om partneralimentatie aan de vrouw vervalt om daarmee een deel van zijn onderhoudsbijdrage aan de kinderen te voldoen, is dat anders. Dat partijen hierover overeenstemming hebben bereikt is echter niet gebleken. Het hof acht het dan ook met de rechtbank redelijk om voor de kosten van [dochter 1] en [dochter 2] uit te gaan van een bedrag van € 781,- per maand per kind. De vrouw kan zich erin vinden dat deze bijdragen ten laste van de draagkracht van de man komen. Hetgeen de man verder wil bijdragen zal hij uit zijn vrije ruimte moeten voldoen. Het hof merkt daarbij nog op dat uit zijn eigen draagkrachtberekening blijkt dat zijn inkomen in 2025 aanzienlijk is verhoogd in vergelijking met 2024 (het jaar waarmee de rechtbank heeft gerekend). Zijn draagkracht en daarmee ook zijn vrije ruimte zijn dus verhoogd.