De gecertificeerde instelling verzocht aanvankelijk om verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarige bij de grootmoeder moederszijde, maar wijzigde dit verzoek later in plaatsing bij de vader. De moeder kwam in hoger beroep tegen deze wijziging en verzocht om plaatsing bij de grootmoeder voort te zetten en terugplaatsing bij haar te onderzoeken.
Het hof oordeelde dat de moeder ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat zowel plaatsing bij de grootmoeder als bij de vader binnen het netwerk vallen en de rechter bevoegd is om over de locatie te beslissen. De moeder stelde dat de rechtbank onzorgvuldig had gehandeld door verzoeken van de vader mee te nemen zonder voeging, maar het hof vond dat eventuele fouten in eerste aanleg in hoger beroep waren hersteld.
De moeder klaagde ook dat de rechtbank niet had beslist op haar zelfstandig verzoek op grond van artikel 1:265f BW, maar het hof stelde vast dat dit verzoek terecht als een verzoek op grond van artikel 1:253a lid 2 BW was beoordeeld. De moeder deed een nieuw verzoek tot vaststelling van een zorgregeling, maar dit was niet-ontvankelijk omdat hierover al was beslist.
Het hof bevestigde dat de uithuisplaatsing een tijdelijke maatregel is en dat de gecertificeerde instelling in het belang van de minderjarige moet onderzoeken welke ouder het beste perspectief biedt. Gezien de situatie en het verleden van de moeder achtte het hof plaatsing bij de vader passend en bekrachtigde de bestreden beschikking. Verzoeken tot schorsing en voorlopige voorziening werden afgewezen wegens gebrek aan belang.