Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1799

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
200.363.162/01, 200.363.162/02 en 200.363.162/03
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 1:265f BWArt. 26 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing minderjarige bij vader ondanks verzoek moeder tot plaatsing bij grootmoeder

De gecertificeerde instelling verzocht aanvankelijk om verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarige bij de grootmoeder moederszijde, maar wijzigde dit verzoek later in plaatsing bij de vader. De moeder kwam in hoger beroep tegen deze wijziging en verzocht om plaatsing bij de grootmoeder voort te zetten en terugplaatsing bij haar te onderzoeken.

Het hof oordeelde dat de moeder ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat zowel plaatsing bij de grootmoeder als bij de vader binnen het netwerk vallen en de rechter bevoegd is om over de locatie te beslissen. De moeder stelde dat de rechtbank onzorgvuldig had gehandeld door verzoeken van de vader mee te nemen zonder voeging, maar het hof vond dat eventuele fouten in eerste aanleg in hoger beroep waren hersteld.

De moeder klaagde ook dat de rechtbank niet had beslist op haar zelfstandig verzoek op grond van artikel 1:265f BW, maar het hof stelde vast dat dit verzoek terecht als een verzoek op grond van artikel 1:253a lid 2 BW was beoordeeld. De moeder deed een nieuw verzoek tot vaststelling van een zorgregeling, maar dit was niet-ontvankelijk omdat hierover al was beslist.

Het hof bevestigde dat de uithuisplaatsing een tijdelijke maatregel is en dat de gecertificeerde instelling in het belang van de minderjarige moet onderzoeken welke ouder het beste perspectief biedt. Gezien de situatie en het verleden van de moeder achtte het hof plaatsing bij de vader passend en bekrachtigde de bestreden beschikking. Verzoeken tot schorsing en voorlopige voorziening werden afgewezen wegens gebrek aan belang.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader en verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot contactregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team familie
zaaknummers : 200.363.162/01, 200.363.162/02 en 200.363.162/03
zaaknummer rechtbank : C/09/679703 / JE RK 25-216
beschikking van de meervoudige kamer van 25 maart 2026
inzake
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M. Erkens te Den Haag,
tegen
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West regio Haaglanden,
gevestigd te Den Haag,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
- [de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. A. Hayaty te Den Haag;
- [de grootmoeder moederszijde] ,
hierna te noemen: de grootmoeder moederszijde,
wonende te [woonplaats] .
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming Haaglanden,
locatie: Den Haag,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 2 oktober 2025 en 18 december 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De moeder is op 30 december 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking). Dit hoger beroep (hierna ook te noemen: de hoofdzaak) is bij het hof ingeschreven onder het zaaknummer: 200.363.162/01. Daarbij heeft de moeder een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ingediend. Dit verzoek is ingeschreven bij het hof onder zaaknummer: 200.363.162/02. De moeder heeft ook een verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking ingediend. Dit verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer: 200.363.162/03 (hierna: het schorsingsverzoek).
2.2
De gecertificeerde instelling heeft op 16 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
De vader heeft op 17 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 15 januari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 23 februari 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de gecertificeerde instelling van 23 februari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 24 februari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 25 februari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en bijgestaan door [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de grootmoeder moederszijde.
Aan zowel [partner van de grootmoeder moederszijde] , de partner van de grootmoeder moederszijde, als de stagiair van de gecertificeerde instelling is met instemming van partijen, door het hof bijzondere toegang verleend tot het bijwonen van de mondelinge behandeling.
De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Uit de (inmiddels verbroken) relatie van de moeder en de vader is geboren:
- [minderjarige] (hierna te noemen: de minderjarige), op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .
3.3
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige.
3.4
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 17 april 2024 is de minderjarige onder toezicht gesteld van 17 april 2024 tot 17 april 2025. Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 4 maart 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 17 april 2026.
3.5
Bij dezelfde beschikking van 17 april 2024 is de minderjarige vanaf 17 april 2024 gedurende dag en nacht uit huis geplaatst bij de grootmoeder moederszijde. Bij tussenbeschikking van de rechtbank Den Haag van 2 oktober 2025 is de machtiging uithuisplaatsing verlengd tot 17 januari 2026.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank een machtiging verleend om de minderjarige uit huis te plaatsen bij de vader met ingang van 29 december 2025 tot 17 april 2026. De beschikking is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De moeder is het niet eens met deze beslissing. Zij verzoekt:
In incident en bij wijze van voorlopige voorziening:
- de uitvoerbaarheid van de bestreden beschikking te schorsen;
- een machtiging uithuisplaatsing af te geven voor een plaatsing bij de grootmoeder moederszijde.
In de hoofdzaak:
om de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:
- de machtiging uithuisplaatsing bij de grootmoeder moederszijde wordt verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling;
- met de opdracht, het hof begrijpt, aan de gecertificeerde instelling om terugplaatsing bij de moeder te onderzoeken.
Aanvullend verzoekt de moeder om opnieuw rechtdoende, zowel in de hoofdzaak als in de procedure voorlopige voorziening:
- de afwijzing van de gecertificeerde instelling om een besluit inzake de beperking van het contact tussen de moeder en de minderjarige te nemen vervallen te verklaren;
- te bepalen dat de moeder voor de minderjarige zorgt als volgt:
  • vanaf februari 2026: de moeder haalt de minderjarige op uit school en brengt hem naar de grootmoeder moederszijde na het eten;
  • vanaf 15 februari 2026: de minderjarige blijft om het weekend bij de moeder slapen;
  • vanaf 1 maart 2026: de minderjarige blijft ook de dagen aansluitend aan moeders weekend bij de moeder slapen tot en met woensdag;
  • vanaf 15 februari 2026: de minderjarige woont weer bij de moeder en er is een weekendregeling met de vader (conform de vigerende beschikking);
  • of een andere beslissing in goede justitie te nemen.
4.3
De gecertificeerde instelling verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien de verzoeken van de moeder in hoger beroep, zowel in het schorsingsverzoek, in de hoofdzaak als in de procedure voorlopige voorziening, af te wijzen.
4.4
De vader verzoekt het hof de moeder in haar beroepschrift niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken ongegrond te verklaren, en – zo nodig onder verbetering van gronden – de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid moeder
Standpunten van partijen
5.3
De gecertificeerde instelling stelt zich op het standpunt dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep. De gecertificeerde instelling had immers bij briefrapportage van 10 december 2025 verzocht het aangehouden deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing te wijzigen in een verzoek tot uithuisplaatsing bij de vader. Door de wijziging van het verzoek ligt er geen verzoek meer tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootmoeder moederszijde, zodat toewijzing van het verzoek van de moeder in hoger beroep niet mogelijk is.
5.4
De vader betwist het standpunt van de gecertificeerde instelling en stelt, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad, dat de rechter bevoegd is af te wijken van de door de verzoeker voorgestelde locatie voor de uitvoering van de uithuisplaatsing.
Oordeel van het hof
5.5
Het hof overweegt als volgt. Op 17 april 2024 heeft de kinderrechter in de rechtbank Den Haag een machtiging uithuisplaatsing verleend om de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de grootmoeder moederszijde. Deze machtiging is op verzoek van de gecertificeerde instelling bij tussenbeschikking van 2 oktober 2025 van de rechtbank Den Haag verlengd tot 17 januari 2026, waarbij het verzoek voor het resterende deel van de termijn is aangehouden. De gecertificeerde instelling heeft vervolgens haar verzoek gewijzigd in die zin, dat zij heeft verzocht de machtiging voor het aangehouden deel van de termijn voor een uithuisplaatsing bij de vader te verlenen. Het hof stelt vast dat zowel het verzoek tot plaatsing bij grootmoeder moederszijde als het verzoek tot plaatsing bij vader kunnen worden aangemerkt als verzoeken tot plaatsing in het netwerk. Beide verzoeken vallen binnen de voorziening die bij een uithuisplaatsing de voorkeur van de wetgever heeft en op grond van internationale verdragen als eerst aangewezen voorziening geldt. Binnen dit kader komt de rechter de bevoegdheid toe om het verzoek van de moeder voor een specifieke netwerkplaatsing bij de oma te kunnen beoordelen.
De moeder is gelet op het voorgaande ontvankelijk in haar hoger beroep.
In de hoofzaak
Strijd met de goede procesorde
5.7
De rechtbank heeft het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de gecertificeerde instelling en het verzoek van de vader tot wijziging van het gezag en het hoofdverblijf van de minderjarige gelijktijdig behandeld op de zitting van 18 december 2025. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank daarbij ten onrechte het verzoekschrift van de vader heeft aangemerkt als onderdeel van het procesdossier in deze zaak. Met verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad merkt de moeder op dat een gezamenlijke behandeling niet betekent dat processtukken ook over en weer onderdeel uitmaken van de procedure. Van een voeging ex artikel 285 Rv Pro was geen sprake. De procedure is daarmee onzorgvuldig en in strijd met de goede procesorde. Het verzoekschrift van de vader had geen deel mogen uitmaken van de beoordeling.
Oordeel van het hof
5.8
Het hof is van oordeel dat, zo er al sprake is geweest van fouten of omissies in eerste aanleg, deze fouten of omissies in hoger beroep zijn hersteld, nu de bedoelde stukken onderdeel uitmaken van het procesdossier in hoger beroep en de moeder voldoende in de gelegenheid is gesteld haar standpunten ook betreffende dit verzoekschrift kenbaar te maken. Het hof zal daarom voorbij gaan aan de stelling van de moeder dat de eisen van de goede procesorde in eerste aanleg zijn geschonden.
Artikel 26 Rv Pro
5.9
De moeder grieft dat de rechtbank heeft verzuimd een beslissing te nemen op het zelfstandig verzoek ex artikel 1:265f van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van de moeder, hetgeen in strijd is met artikel 26 Rv Pro. De gecertificeerde instelling en de vader betwisten het standpunt van de moeder gemotiveerd.
5.1
Het hof overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft de kinderrechter de twee verzoekschriften, zoals hiervoor weergegeven, gelijktijdig behandeld. De moeder heeft in haar verweerschrift in eerste aanleg, dat in beide procedures is ingebracht, een zelfstandig verzoek ingediend betreffende het vaststellen van een contactregeling. Daarbij heeft de moeder slechts een enkele verwijzing geplaatst naar artikel 1:265f BW en daarbij opgemerkt dat de gecertificeerde instelling onterecht het contact tussen de moeder en de minderjarige feitelijk beperkt.
Het hof stelt vast dat het zelfstandig verzoek van de moeder door de kinderrechter in de beschikking van 15 januari 2026 van de rechtbank Den Haag is beoordeeld als een verzoek op grond van artikel 1:253a lid 2 onder a BW. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank dat terecht en op goede gronden gedaan, nu de moeder in beide procedures een gelijkluidend verzoek tot vaststelling van een opbouwende zorgregeling heeft ingediend. Van de gecertificeerde instelling lag er geen aanwijzing op grond van artikel 1:265f BW. De kinderrechter heeft in de beschikking van 15 januari 2026 dan ook terecht een beslissing gegeven op het verzoek van de moeder tot vaststelling van een zorgregeling.
Er is dus geen strijd met artikel 26 Rv Pro. Deze grief van de moeder faalt.
5. De moeder doet in hoger beroep – opnieuw – een verzoek tot vaststelling van een opbouwende zorgregeling. Afgezien van de onduidelijkheden in dit verzoek, is dit verzoek niet-ontvankelijk. Op dit verzoek is immers beslist in de beschikking van de kinderrechter van 15 januari 2026. Voor zover de moeder het hiermee niet eens is dient zij hoger beroep in te stellen tegen deze beschikking.
Uithuisplaatsing
Standpunten van partijen
5.1
De moeder stelt, onder verwijzing naar artikel 8 Europees Pro Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat de rechtbank had moeten sanctioneren dat de gecertificeerde instelling de mogelijkheid tot plaatsing van de minderjarige bij de moeder niet heeft onderzocht. De moeder voert aan dat haar verblijf in [plaats] slechts tijdelijk is geweest en dat zij in die periode wel contact heeft gehad met de minderjarige.
De moeder stelt zich daarnaast op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte een machtiging voor plaatsing van de minderjarige bij de vader heeft afgegeven. Het is in het belang van de minderjarige dat hij primair wordt verzorgd en opgevoed door de moeder en een gezin kan vormen met zijn halfbroer en halfzus. Daarnaast is de vader kwetsbaar en niet volledig beschikbaar, in tegenstelling tot de moeder. Ook zou een wisseling van school en woonomgeving niet in het belang zijn van de minderjarige. Volgens de moeder had de plaatsing bij de grootmoeder moederszijde moeten worden voortgezet, en had er op deze wijze ingezet moeten worden op terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder. De moeder stelt zich daarnaast op het standpunt dat het uitbreiden van de omgang van de vader met de minderjarige op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. De moeder is hieromtrent niet geïnformeerd of om toestemming gevraagd. De rechtbank heeft deze handelswijze ten onrechte niet meegewogen in de beslissing.
5.11
De gecertificeerde instelling merkt op het belangrijk te vinden dat de minderjarige contact heeft met zijn moeder. Het is echter niet in het belang van de minderjarige, nadat hij in een periode van ruim twee jaar beperkt tot geen contact met zijn moeder heeft gehad, hem abrupt bij de moeder te plaatsen. De uitbreiding van het contact met de moeder dient zorgvuldig te verlopen. Een thuisplaatsing van de minderjarige bij de moeder wordt op dit moment en in deze fase van het contactherstel niet in zijn belang geacht. De samenwerking tussen de gecertificeerde instelling en de vader verloopt goed; hij stelt zich coöperatief op, zowel naar de jeugdbeschermer als naar andere betrokken professionals rond de minderjarige. De gecertificeerde instelling merkt op dat er een zorgvuldig traject is voorafgegaan voordat door de rechtbank is besloten om het zwaartepunt van de zorg bij de vader te bepalen. De ondertoezichtstelling is er op gericht om de ouders zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en de verzorging van de minderjarige weer te laten dragen. De gecertificeerde instelling heeft zich daarbij niet op de moeder gericht, omdat zij in de periode van half april tot medio december 2025, met uitzondering van vier weken, in het buitenland verbleef.
5.12
De vader stelt dat de moeder haar eigen belangen boven die van de minderjarige stelt. Zij heeft de minderjarige, zonder acute noodzaak, bij de grootmoeder moederszijde geplaatst in november 2023. Vervolgens is zij in april 2025 naar [plaats] vertrokken. De vader betwist dat de gecertificeerde instelling niets heeft gedaan aan terugplaatsing bij de moeder. De moeder was niet of slechts zeer beperkt beschikbaar in de periode dat zij in [plaats] zat en heeft daarnaast expliciet aangegeven zich van het ouderlijk gezag te willen ontdoen en geen contact meer met de minderjarige te wensen. Onder deze omstandigheden kon de gecertificeerde instelling terugplaatsing bij de moeder niet onderzoeken. Sinds de terugkeer van de moeder naar Nederland zijn wel concrete stappen ondernomen voor contactherstel. Zo is er een observatietraject gestart en er zijn contactmomenten ingepland. De vader kan de minderjarige stabiliteit en voorspelbaarheid bieden. De moeder moet eerst aantonen dat zij deze stabiliteit eveneens kan bieden. Het observatietraject kan hierbij helpen. Het standpunt van de moeder dat de minderjarige een gezin moet vormen met zijn halfbroer en halfzus is niet doorslaggevend. De vraag is waar de minderjarige op dit moment het beste kan worden opgevoed. Dat is op dit moment bij de vader.
Juridisch kader
5.13
Artikel 1:265b lid 1 BW bepaalt dat de rechter de gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek kan machtigen om de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. De rechter kan de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen op grond van het bepaalde in artikel 1:265c lid 2 BW.
Oordeel van het hof
5.14
Het hof overweegt als volgt. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de kinderrechter in de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals hij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze - na eigen afweging - tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing leiden. Het hof overweegt in aanvulling daarop nog het volgende. Het hof benadrukt dat een uithuisplaatsing een maatregel is die naar zijn aard tijdelijk is. Het doel van deze maatregel is om ervoor te zorgen dat de ouder(s) de verzorging en opvoeding voor de minderjarige op termijn weer zelf kan/kunnen dragen. Zolang er sprake is van een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing, is het uitgangspunt dan ook dat er door de gecertificeerde instelling moet worden gewerkt aan thuisplaatsing bij één van de gezaghebbende ouders. Voor zover de moeder stelt dat dit onderzoek zich alleen op haar zou moeten richten omdat de minderjarige vóór de plaatsing bij grootmoeder moederszijde bij haar verbleef, is het hof van oordeel dat deze stelling in dit geval niet opgaat. De gecertificeerde instelling moet in het belang van de minderjarige onderzoeken welke ouder het beste perspectief biedt. Naar het oordeel van het hof heeft de gecertificeerde instelling zich daarbij terecht op de vader gericht, nu de moeder in die periode zelf heeft aangegeven het verleden achter zich te willen laten en zich van het ouderlijkgezag te willen onttrekken en zij voor de gecertificeerde instelling buiten beeld en niet bereikbaar was. Daarbij komt dat nu onduidelijk is of de moeder de minderjarige een stabiele opvoedingssituatie kan bieden.
5.15
Dit alles maakt dat de kinderrechter naar het oordeel van het hof een juiste beslissing heeft gegeven. Het hof zal de beslissing daarom bekrachtigen.
Schorsingsverzoek en verzoek voorlopige voorziening
5.16
Het verzoek van de moeder tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zullen worden afgewezen, nu de moeder bij haar verzoek geen belang meer heeft. Het hof heeft bij deze beschikking reeds een inhoudelijk beslissing afgegeven over het hoger beroep van de moeder. Dit geldt tevens voor het verzoek van de moeder tot het treffen van een voorlopige voorziening. Ook dit verzoek zal worden afgewezen op de grond dat er reeds in de hoofdzaak wordt beslist.

6.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek met betrekking tot de contactregeling;
bekrachtigt de bestreden beschikking;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Koper, C.M. Warnaar en D.E. Valle Robles-Roomer, bijgestaan door mr. C.R. Genee als griffier, en is op 25 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.