ECLI:NL:GHDHA:2026:1803

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
200.338.194/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 3 lid 1 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belangenafweging bij vervangende toestemming erkenning en omgang minderjarige

In deze civiele procedure in hoger beroep staat de vraag centraal of de man vervangende toestemming kan krijgen voor de erkenning van zijn minderjarige kind, ondanks het verzet van de moeder en de bijzondere curator. Het hof heeft de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd onderzoek te doen naar de gevolgen van erkenning en de mogelijkheden voor omgang en informatieregeling.

De Raad adviseerde om de verzoeken aan te houden in afwachting van integrale hulpverlening. De man stemde hiermee in, maar wenste toch spoedig erkenning en begeleide omgang. De vrouw verzette zich krachtig tegen erkenning en omgang, onder verwijzing naar trauma’s bij het kind en haarzelf, en internationale kinderrechtenverdragen. De bijzondere curator steunde het advies van de Raad.

Het hof overwoog dat de belangen van de moeder en de minderjarige zwaarder wegen dan het belang van de man bij erkenning, omdat erkenning de psychische toestand van de moeder en daarmee het stabiele opvoedingsklimaat voor het kind zou schaden. Ook de verzoeken om omgang en informatieregeling werden afgewezen. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof weigert vervangende toestemming voor erkenning en wijst verzoeken om omgang en informatieregeling af vanwege het belang van moeder en minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
Zaaknummer : 200.338.194/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 22-8339
zaaknummer rechtbank : C/10/648269
beschikking van de meervoudige kamer van 20 mei 2026
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.E. Hoogenraad te Maassluis,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. G.A.P. Avontuur te Oosterhout (NB).
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de bijzondere curator] ,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over:
de minderjarige [de minderjarige] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2022,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
locatie: Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 5 februari 2025 waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
1.2
Bij deze beschikking heeft het hof alvorens verder te beslissen de raad verzocht om onderzoek te doen om meer duidelijkheid te krijgen over de gevolgen van een eventuele erkenning door de man van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), en vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige en van een informatie/consultatieregeling. Het hof heeft de raad verzocht een onderzoek te verrichten, waarbij het hof de volgende vragen heeft voorgelegd aan de raad:
- in hoeverre zal de erkenning van de minderjarige door de man de ongestoorde verhouding tussen de vrouw en de minderjarige dan wel de belangen van de minderjarige zelf schaden?
- is omgang tussen de man de minderjarige mogelijk en, zo ja, op welke wijze dient daaraan
vorm te worden gegeven?
- is vaststelling van een informatieregeling in het belang van de minderjarige, en zo ja, op welke wijze dient daaraan vorm te worden gegeven?
Het hof heeft de raad verzocht een advies uit te brengen vóór zaterdag 26 juli 2025 en de behandeling van de zaak, voor zover nu nog aan het oordeel van het hof onderworpen, aangehouden tot 26 juli 2025 pro forma.
1.3
Nadien zijn de volgende stukken ingekomen:
- tweemaal een e-mailbericht van de zijde van de raad van 27 februari 2025 en 29 juli 2025 waarin zij aankondigen dat het raadsonderzoek niet binnen de door het hof genoemde termijn gereed zal zijn;
- een brief van de zijde van de raad van 19 november 2025, met bijlage, ingekomen op 26 november 2025;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 15 december 2025 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de bijzondere curator van 22 december 2025, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 23 december 2025 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van vrouw van 19 maart 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van vrouw van 20 maart 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 19 maart 2026 met bijlage, ingekomen op 20 maart 2026.
1.4
De pro forma datum in deze zaak is na de tussenbeschikking van dit hof van 5 februari 2025 nog eenmaal aangehouden in afwachting van het raadsrapport, tot 31 januari 2026.
1.5
Het raadsrapport is op 18 november 2025 gereed gekomen en aan het hof verstuurd bij voornoemde brief van 19 november 2025. Partijen en de bijzondere curator zijn door het hof in de gelegenheid gesteld om op dit rapport te reageren en hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.
1.6
Het hof heeft vervolgens een voortzetting van de mondelinge behandeling gelast en deze bepaald op 2 april 2026.
Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de bijzondere curator (ten aanzien van de erkenning).
De advocaat van de man heeft ter zitting van het hof een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

2.Verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1
De raad heeft in zijn op 18 november 2025 uitgebrachte rapport voor wat betreft de vervangende toestemming tot erkenning en de informatieregeling geadviseerd om de verzoeken van de man aan te houden voor de duur van negen maanden in afwachting van de integraal in te zetten hulpverlening. Ten aanzien van de omgang adviseert de raad het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling - alvorens definitief te beslissen - ook aan te houden voor een periode van negen maanden, onder verwijzing van de ouders naar de integraal in te zetten hulpverlening, en het wijkteam en in afwachting van de bevindingen over het verloop van (contacten bij) deze hulpverlening.
2.2
De man heeft bij voornoemd journaalbericht van 15 december 2025 aan het hof in reactie op het raadsrapport laten weten dat hij heel graag had gezien dat nu al de erkenning kon plaatsvinden en dat gestart zou worden met begeleide omgang. Echter, hij begrijpt dat er hele kleine stappen dienen te worden gezet in het belang van de minderjarige. Hij gaat daarom akkoord met het advies van de raad en heeft zich ook, conform dat advies, al aangemeld bij het wijkteam van de gemeente [gemeente] . Verder heeft hij zich aangemeld bij het wijkteam van zijn eigen gemeente, te weten [gemeente] . De man hoopt dat de vrouw zich ook zal gaan aanmelden. Daarnaast brengt de man naar voren dat hij nog steeds onder behandeling is van de POH-GGZ. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de man, onder meer, betoogd, dat hij de positieve ontwikkeling aan zijn zijde heeft voortgezet en dat er inmiddels gesproken kan worden over een bestendige situatie. Daarnaast heeft de man in het afgelopen jaar wederom geen contact opgenomen met de vrouw. De man heeft alleen - met toestemming van de vrouw - een kaart gestuurd voor de verjaardag van de minderjarige via de advocaten. Er is dus momenteel in ieder geval al gedurende een periode van drie jaar rust, aldus de man.
2.3
De vrouw kan zich gezien haar journaalbericht met bijlage van 23 december 2025, kort samengevat, niet verenigen met het raadsrapport en de adviezen van de raad ten aanzien van de erkenning en de omgang.
Zij betoogt, onder meer, dat de verzoeken van de man afgewezen moeten worden, daarbij - onder meer - verwijzend naar de rapportage van GREVIO (het toezichthoudend comité van het Verdrag van Istanbul) over Nederland van oktober 2025. Ook verwijst de vrouw naar artikel 3 lid 1 IVRK Pro, en de aanbeveling aan Nederland gedaan door het Kinderrechtencomité van de Verenigde Naties in 2022 (CRC/C/NLD/CO/5-5, 9 maart 2022) om het belang van kinderen altijd een eerste afweging te laten zijn bij het nemen van beslissingen en dat belang te implementeren in de Nederlandse wetgeving. Daarnaast betoogt de vrouw, onder meer, dat de raad ten onrechte geen consequenties verbindt aan het feit dat de man niet wenst te erkennen wat hij heeft veroorzaakt bij de vrouw en de minderjarige. Volgens de vrouw miskent de raad dat de vrouw uitgebreid bewijs heeft geleverd van haar stelling dat sprake is geweest van mishandeling van de minderjarige door de man en dat de minderjarige hierdoor een trauma heeft. De raad kent uitsluitend gewicht toe aan het bevorderen van de band met de ouders, en gaat voorbij aan veiligheid en de pedagogische belangen van de minderjarige. Daarnaast betwist de vrouw de stelling van de raad dat de bij de minderjarige gediagnosticeerde PTSS door de mishandelingen door de man enkel is gebaseerd op verhalen van de vrouw. Ook anderen ( [GZ-psycholoog] , de GZ-psycholoog van de minderjarige, van [het ziekenhuis] ) hebben dit geconstateerd. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vrouw in aanvulling hierop nog gesteld dat de minderjarigen last heeft van speciale kwetsbaarheden en dat hij hierdoor gemakkelijk uit zijn evenwicht raakt. De minderjarige is ernstig beschadigd in utero en vlak daarna. De situatie van de vrouw en de minderjarige is precair en het broze evenwicht zal door de erkenning verstoord worden.
2.4
De bijzondere curator is akkoord met het in het raadsrapport opgenomen advies ten aanzien van de verzochte vervangende toestemming voor de erkenning. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de bijzondere curator nogmaals gesteld dat het verzoek van de man om vervangende toestemming tot erkenning kan worden toegewezen, onder voorbehoud van integrale hulp.
2.5
Het hof overweegt als volgt.
Vervangende toestemming tot erkenning
Het wettelijk kader
2.6
Uit artikel 1:204 lid 3 Burgerlijk Pro Wetboek volgt dat de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon:
a. de verwekker van het kind is; of
b. de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Beoordeling
2.7
Niet in geschil is dat de man de verwekker is van de minderjarige. Het uitgangspunt is dat het kind en de man die de verwekker is, er in beginsel recht op hebben dat hun relatie rechtens als een familierechtelijke betrekking wordt erkend. Voor de vraag of het verzoek van de man in de onderhavige zaak moet worden toegewezen, dient zijn belang bij erkenning te worden afgewogen tegen de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige en de belangen van de minderjarige. Van schade aan de belangen van de minderjarige kan worden gesproken indien ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s ontstaan dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. [1] Dit zou het geval kunnen zijn wanneer de vrouw ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is om de minderjarige het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat hij nodig heeft.
2.8
Anders dan de man stelt in zijn pleitnota in hoger beroep, heeft de vrouw niet alleen bezwaar tegen de erkenning omdat hierdoor omgang en gezag mogelijk zouden worden, maar ook omdat de erkenning zijn weerslag zal hebben op haar en daarom ook op de minderjarige.
Het hof is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige worden geschaad of dat een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige in het gedrang komt als de man de minderjarige zou erkennen. Het hof concludeert op grond van de stukken, met name de in het raadsrapport van 18 november 2025 genoemde informatie verkregen van de psycholoog van [ggz-instelling] en de brief van de huisarts van de vrouw van 15 maart 2026, dat zowel de vrouw als de minderjarige getraumatiseerd zijn. Het hof is van oordeel dat de vrouw als gevolg van haar trauma, nog daargelaten wat daarvan de oorzaak is, ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is om deze toch al zeer kwetsbare minderjarige het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat hij nodig heeft. Het hof acht het van groot belang dat de opvoedsituatie van de minderjarige, waarin de vrouw alleen verantwoordelijk is voor de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarige, op dit moment niet verder verstoord wordt en dat de vrouw en de minderjarige de komende tijd voldoende rust krijgen om van hun behandelingen te kunnen profiteren. Aanhouden van het verzoek om de minderjarige te mogen erkennen zoals de raad adviseert, acht het hof dan ook niet in het belang van de minderjarige, ook omdat een aanhouding de voor de vrouw stressvolle situatie alleen maar zou verlengen. Hierbij merkt het hof op dat het ook nog maar de vraag is of hetgeen de raad adviseert over de samenwerking van de betrokken hulpverleners in de periode van aanhouding, uitvoerbaar is.
2.9
Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat de belangen van de vrouw en de minderjarige zich op dit moment verzetten tegen het verlenen van toestemming aan de man tot erkenning van de minderjarige en in de belangenafweging zwaarder dienen te wegen dan het belang dat de man heeft bij erkenning. Het hof zal daarom de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.
Omgangsregeling en informatie- consultatieregeling
2.1
Op basis van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling en op dezelfde gronden als hiervoor genoemd inzake de vervangende toestemming tot erkenning oordeelt het hof, dat in verband met de (zwaarwegende) belangen van de minderjarige, de verzoeken van de man ten aanzien van de omgangsregeling en de informatie-en consultatieregeling terecht zijn afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking ook ten aanzien van dit onderdeel bekrachtigen.
Proceskosten
2.11
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.
2.12
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

3.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 november 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.J. van Elden, A. Zonneveld en E.C. Punselie, bijgestaan door mr. M.A.J. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en is op 20 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Zie ook: HR 16 februari 2001, ECLI:HR:2001:AB0032 en HR 16 juni 2006, ECLI:HR:2006: