Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:182

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
BK-25/545
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:81 Wet IB 2001Art. 10 Wet LB 1964Art. 6.1 lid 1 Wet IB 2001Art. 6.17 Wet IB 2001Art. 37 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanslag inkomstenbelasting 2022 na afwijzing negatief loon en specifieke zorgkosten

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2022, waarbij hij onder meer een negatief loon en een hogere aftrek van specifieke zorgkosten claimde.

De Rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en het Gerechtshof bevestigt dit oordeel. Het Hof oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het opgegeven negatieve loon van € 2.078 in 2022 daadwerkelijk is terugbetaald of verrekend met de WIA-uitkering. Daarnaast is de aftrek van specifieke zorgkosten terecht beperkt tot het forfaitaire bedrag voor kleding en beddengoed, omdat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd van de aard, omvang en het tijdstip van de zorgkosten.

Het Hof wijst erop dat het verlies van bewijsstukken in 2023 voor rekening en risico van belanghebbende komt. Ook is geen aanleiding gevonden om de belastingrente te verminderen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de aanslag inkomstenbelasting 2022 zonder aftrek van negatief loon en met beperkte aftrek van specifieke zorgkosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/545

Uitspraak van 8 januari 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 28 mei 2025, nummer SGR 24/8027.

Procesverloop

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.619. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 130 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het tegen de aanslag gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2022 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.467. De in rekening gebrachte belastingrente is verminderd tot € 126.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is € 51 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is € 143 griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 18 juli 2025, 25 augustus 2025, 10 september 2025, 12 november 2025 en op 17 november 2025 nadere stukken ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 26 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.6.
Na de sluiting van de zitting is van belanghebbende bericht ontvangen op 22 december 2025. Dit bericht heeft het Hof geen aanleiding gegeven het onderzoek te heropenen en is buiten beschouwing gelaten.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2022 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.662. Zijn inkomen bestond in 2022 onder andere uit een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) en een [buitenlands] invaliditeitspensioen. Belanghebbende heeft naast zijn positieve inkomsten een negatief inkomen opgegeven van € 2.078 met als omschrijving ‘EEG 883, inkomstenbelasting, sociale premies’. Belanghebbende heeft in zijn aangifte ook de volgende specifieke zorgkosten opgevoerd:
Kosten medicijnen: € 80
Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte: € 340
Dieetkosten: € 39
Extra uitgaven kleding en beddengoed: € 620
Genees- en heelkundige hulp: € 230
Reiskosten ziekenbezoek:
€ 420 +
Subtotaal: € 1.729
Verhoging (€ 1.079 x 40%):
€ 432 +
Specifieke zorgkosten voor drempel: € 2.161
Drempel specifieke zorgkosten:
€ 282 -/-
Aftrekbaar bedrag: € 1.879
2.2.
De Inspecteur heeft een definitieve aanslag IB/PVV 2022 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.619. Hierbij heeft de Inspecteur onder meer het in de aangifte opgenomen negatieve inkomen en de opgevoerde specifieke zorgkosten niet geaccepteerd.
2.3.
Belanghebbende heeft in bezwaar verzocht rekening te houden met het forfaitaire bedrag voor kleding en beddengoed van € 310 als specifieke zorgkosten. De Inspecteur heeft het bezwaar gegrond verklaard en heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning conform het bezwaar vastgesteld op € 13.467.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Negatief loon
7. In artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is bepaald dat onder loon moet worden verstaan loon overeenkomstig de bepalingen in de loonbelasting. Volgens artikel 10, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is dat alles wat iemand uit een (vroegere) dienstbetrekking ontvangt, zoals een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Dat kan ook negatief zijn, bijvoorbeeld bij terugbetaling van eerder ontvangen loon. Zo’n terugbetaling kan, onder voorwaarden, in het jaar van terugbetaling als negatief loon meetellen.
8. Uit de tot de gedingstukken behorende brieven van het UWV, gedateerd 20 maart 2017, 11 mei 2017 en 2 juni 2018, volgt dat eiser in de jaren 2016 tot en met 2018 te veel uitkering ingevolge de WIA van het UWV heeft ontvangen. Hiermee heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat in het jaar 2022 een bedrag van € 2.078 als negatief loon kwalificeert. Alleen bedragen die in 2022 zijn terugbetaald of waarmee in dat jaar is verrekend, kwalificeren onder voorwaarden als negatief loon. Voor zover eiser minder WIA krijgt omdat hij een uitkering uit [buitenland] ontvangt, is geen sprake van negatief loon. Verweerder heeft de aftrek terecht niet toegelaten.
Persoonsgebonden aftrek (zorgkosten)
9. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, onder a, van de Wet IB 2001 zijn specifieke zorgkosten alleen aftrekbaar als deze op eiser hebben gedrukt en voldoen aan de voorwaarden van artikel 6.17 van die wet. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij recht heeft op aftrek.[1] Eiser is daar niet in geslaagd. De volgens de overgelegde huisartsverklaring door eiser gevolgde diëten komen niet voor op de in artikel 37 van Pro de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 opgenomen dieetlijst. De door eiser genoemde dieetkosten komen daarom niet voor aftrek in aanmerking. De rechtbank twijfelt voor het overige niet aan de door eiser geschetste gezondheidsklachten en zijn persoonlijke situatie, maar deze geven onvoldoende inzicht in de (hoogte van de) gemaakte kosten. Dat eiser stukken ter onderbouwing van de zorgkosten, zoals rekeningen en kwitanties, per ongeluk in 2023 met het oud papier heeft weggegooid, komt voor zijn rekening en risico.
(…)
[1] Gerechtshof Den Haag 28 februari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:308.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de aanslag IB/PVV 2022 naar het juiste bedrag is vastgesteld. In het bijzonder is in geschil of sprake is van negatief loon en of belanghebbende recht heeft op een hogere aftrek van specifieke zorgkosten dan de aftrek van € 310 die de Inspecteur in bezwaar voor kleding en beddengoed in aanmerking heeft genomen.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2022 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.662.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Negatief loon
5.1.
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2022 onder inkomen uit vroegere dienstbetrekking een WIA-uitkering van het UWV opgenomen van € 5.234. Belanghebbende stelt dat daarnaast rekening moet worden gehouden met een negatief loon tot een bedrag van € 2.078, omdat hij ongeveer € 173 per maand heeft terugbetaald (door verrekening) aan het UWV. De Inspecteur stelt dat geen sprake is van negatief loon, althans dat belanghebbende dit niet aannemelijk heeft gemaakt.
5.2.
In artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is bepaald dat onder loon moet worden verstaan loon overeenkomstig de bepalingen in de loonbelasting. Volgens artikel 10, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 is dat alles wat iemand uit een (vroegere) dienstbetrekking, zoals een WIA-uitkering, geniet. Dat kan ook negatief zijn.
5.3.
Voor dit geschil is dan specifiek van belang dat het loon (de WIA-uitkering) moet betreffen dat in eerste instantie is genoten, maar in tweede instantie wordt teruggegeven (in de vorm van terugbetaling of verrekening met een netto WIA-uitkering), omdat het ten onrechte is genoten. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in eerste instantie een WIA-uitkering heeft genoten, die hij in tweede instantie in 2022 (gedeeltelijk) heeft teruggegeven. Belanghebbende heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van negatief loon. Hieraan voegt het Hof toe dat van negatief loon geen sprake is in het geval dat het UWV in 2022 bij de berekening van de hoogte van de uitkering rekening heeft gehouden met het [buitenlands] invaliditeitspensioen van belanghebbende, en daarom zijn WIA-uitkering lager heeft vastgesteld.
Zorgkosten
5.4.
Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een hogere aftrek van specifieke zorgkosten dan de aftrek van € 310 die de Inspecteur in bezwaar voor kleding en beddengoed in aanmerking heeft genomen. De Inspecteur stelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrag aan aftrekbare specifieke zorgkosten naar een hoger bedrag dient te worden vastgesteld.
5.5.
Artikel 6.1, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 bepaalt dat de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag is van de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten. Blijkens artikel 6.1, lid 2, aanhef en onderdeel d, Wet IB 2001 zijn uitgaven voor specifieke zorgkosten een persoonsgebonden aftrekpost. Artikel 6.17 Wet IB 2001 bevat een limitatieve opsomming van uitgaven wegens ziekte of invaliditeit die kunnen worden aangemerkt als – aftrekbare – uitgaven voor specifieke zorgkosten. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Aan deze bewijslast kan worden voldaan indien bewijsstukken worden overgelegd waaruit afgeleid kan worden welke uitgaven zijn gedaan, wat de aard van deze uitgaven is, dat deze uitgaven op de belastingplichtige hebben gedrukt en dat ze zijn gedaan op voorschrift van een arts.
5.6.
De bewijsstukken die belanghebbende heeft overgelegd, zijn twee brieven van zijn huisarts uit 2024 en twee medicatieoverzichten (reisdocumenten) uit 2023 en 2024. Uit deze bewijsstukken blijkt niet wat de situatie van belanghebbende was in 2022, welke uitgaven in dat jaar zijn gedaan, dat ze op voorschrift van een arts zijn gedaan en dat ze op belanghebbende hebben gedrukt omdat zij niet voor vergoeding (door bijvoorbeeld een verzekeraar) in aanmerking komen. Met de overgelegde stukken heeft belanghebbende dus niet aan zijn bewijslast voldaan. Dat belanghebbende geen nadere bewijsstukken kan overleggen omdat hij deze in 2023 is kwijtgeraakt komt, hoe onfortuinlijk ook, voor zijn rekening en risico. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur de aftrek van de specifieke zorgkosten, behoudens het lage forfaitaire bedrag voor kleding en beddengoed, dus terecht geweigerd.
5.7.
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Conclusie
5.8.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, verklaart het Hof het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.C. van den Brink, Chr.Th.P.M. Zandhuis en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon P.C. van den Brink
De beslissing is op 8 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.