Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1878

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
200.362.104/01 en 02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdverblijf bij moeder en aanhouding zorgregeling in belang kinderen

In deze zaak staat het geschil centraal over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van twee minderjarige kinderen na de scheiding van hun ouders. De rechtbank had eerder het hoofdverblijf bij de moeder vastgesteld, mede om haar kans op een urgentieverklaring voor een woning te vergroten. De vader kwam hiertegen in hoger beroep en verzocht om het hoofdverblijf bij hem te plaatsen en een aangepaste zorgregeling.

Het hof bevestigt het belang van het hoofdverblijf bij de moeder, ondanks dat zij nog geen eigen woning heeft, omdat dit de kans op een geschikte woning vergroot. De moeder verblijft momenteel bij haar moeder met haar jong-meerderjarige zoon, en de kinderen verblijven feitelijk bij de vader. De zorgregeling zoals vastgesteld door de rechtbank, waarbij de moeder tweemaal per maand een nacht in het huis van de vader verblijft (bird nesting), verloopt moeizaam door gebrek aan vertrouwen en communicatieproblemen.

Beide ouders zijn doorverwezen naar een ouderschapsbemiddelingstraject om hun communicatie en verstandhouding te verbeteren. Het hof houdt daarom de beslissing over de zorg- en vakantieregeling aan tot na afloop van dit traject, met een pro forma aanhouding tot 31 oktober 2026. Tevens is een kindbrief opgesteld om de minderjarige [minderjarige 2] te informeren over de beslissing en het traject.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten zijn door de rechtbank verdeeld. Het hof beveelt de hulpverleningsinstantie om te rapporteren over het verloop van de omgangsbegeleiding en houdt verdere beslissingen aan in afwachting van de uitkomsten van de hulpverlening.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het hoofdverblijf bij de moeder en houdt verdere beslissingen over zorg- en vakantieregeling aan in afwachting van ouderschapsbemiddeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.362.104/01 (hoofdzaak) en 200.362.104/02 (schorsing)
rekestnummer rechtbank : FA RK 24-2446
zaaknummer rechtbank : C/09/664180
beschikking van de meervoudige kamer van 15 april 2026
inzake
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.H. de Jong te Rotterdam
tegen
[de moeder] ,
verblijvende te [verblijfplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.H. Remmelink te Zoetermeer.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming [regio] ,
locatie: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de (eind)beschikking van de rechtbank Den Haag van 2 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De vader is op 28 november 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Dit hoger beroep is ingeschreven bij het hof onder zaaknummer 200.362.104/01 (hierna: de hoofdzaak). De vader heeft tevens een incidenteel verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van de bestreden beschikking ingediend (hierna: het schorsingsverzoek). Dit schorsingsverzoek is ingeschreven bij het hof onder zaaknummer 200.362.104/02.
2.2
De moeder heeft op 5 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een mailbericht van de zijde van de vader van 2 december 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vader van 15 december 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vader van 23 februari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 26 februari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met de minderjarige [minderjarige 2] gesproken. De minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken, en heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen hebben een affectieve relatie gehad tot [datum] .
3.3
Partijen zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ), (hierna gezamenlijk: de kinderen).
3.4
De moeder is ook de moeder van de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .
3.5
De moeder verbleef van [datum] 2024 tot en met [datum] 2024 bij [GGZ] , locatie [vestigingslocatie] . Vanaf [datum] 2024 verblijft de moeder samen met haar zoon [jongmeerderjarige] bij haar moeder in [plaats] , bij gebreke van een eigen woning.
3.6
De kinderen verblijven feitelijk bij de vader.
3.7
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 25 juni 2024 is, voor zover hier van belang:
- bepaald dat de vader gezamenlijk met de moeder belast is met het gezag over de kinderen;
- bepaald dat de kinderen
voorlopigbij de moeder zullen zijn in de echtelijke woning zonder aanwezigheid van de vader: op woensdag en op zaterdag van 13.00 uur tot 16.00 uur, waarbij het de moeder vrij staat om met de kinderen naar buiten te gaan voor bijvoorbeeld een wandeling of om naar de speeltuin te gaan;
- is de raad verzocht om een onderzoek te doen;
- zijn partijen doorverwezen naar de voor hen bekende mediator;
- is iedere verder beslissing ten aanzien van hoofdverblijfplaats, zorgregeling en de proceskosten pro forma aangehouden.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover in deze procedure van belang,
- bepaald dat de kinderen de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;
- bepaald dat ten aanzien van de kinderen de volgende zorgregeling geldt:
Tot het moment dat de moeder een eigen woning heeft:
- in week 1:
- woensdag van 11.30 uur tot 15.30 uur, in de voormalig echtelijke woning zonder aanwezigheid van de vader in de woning;
- vrijdag van 11.00 uur tot zaterdag 16.00 uur, in de voormalig echtelijke woning zonder aanwezigheid van de vader in de woning;
- in week 2:
- woensdag van 11.30 uur tot 15.30 uur, in de voormalig echtelijke woning zonder aanwezigheid van de vader in de woning;
- zaterdag van 11.00 uur tot 16.00 uur, in de voormalig echtelijke woning zonder aanwezigheid van de vader in de woning;
- waarbij de moeder op vrijdag [minderjarige 2] uit school haalt en meeneemt naar [plaats] en haar op zaterdag meeneemt naar de echtelijke woning;
Vanaf het moment dat de moeder een eigen woning heeft:
- in week 1:
- maandag en dinsdag bij de moeder;
- woensdag en donderdag bij de vader;
- vrijdag, zaterdag en zondag bij de moeder;
- in week 2:
- maandag en dinsdag bij de moeder;
- woensdag tot en met zondag bij de vader;
Vanaf het moment dat beide ouders een eigen woning hebben, in de vakanties en de feestdagen:
- zomervakantie: in de even jaren de eerste drie weken bij de vader, de laatste drie weken bij de moeder, in de oneven jaren de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader;
- kerstvakantie: in de even jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader, in de oneven jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder;
- Vaderdag: vanaf 10.00 uur bij de vader;
- Moederdag: vanaf 10.00 uur bij de moeder;
- Verjaardag vader: vanaf 10.00 uur bij de vader;
- Verjaardag bonuszus vader: vanaf 10.00 uur bij de vader;
- Verjaardag moeder: vanaf 10.00 uur bij de moeder;
- Verjaardag [jongmeerderjarige] : vanaf 10.00 uur bij de moeder;
- waarbij geldt dat de vakantie aanvangt op vrijdag om 17.00 uur en het wisselmoment eveneens op vrijdag om 17.00 uur is.
Voorts is aan de moeder toestemming verleend – welke de toestemming van de vader vervangt – om [minderjarige 2] aan te melden bij de praktijkondersteuner van de huisarts.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank heeft bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en het meer of anders verzochte is afgewezen.
4.2
De vader is het niet eens met deze beslissing voor zover die ziet op de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling.
De vader verzoekt het hof in de schorsingszaak de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking te schorsen voor de duur van dit geding.
In de hoofdzaak verzoekt de vader de bestreden beschikking, voor zover bestreden, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
Primair:
A. te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vader zullen hebben;
B. te bepalen dat de volgende zorgregeling voor de kinderen geldt tot het moment dat de moeder een eigen woning heeft:
- Woensdag: moeder haalt [minderjarige 2] op van school om 11.30 uur en daarna gaan ze samen naar de voormalig echtelijke woning, en verblijft daar samen met de kinderen tot 15.30 uur, zonder aanwezigheid van de vader;
- Zaterdag: 11.00 uur-16.00 uur, eveneens in de voormalige echtelijke woning, zonder aanwezigheid van de vader;
- Eénmaal per maand: de moeder komt vrijdag om 13.00 uur naar de voormalig echtelijke woning en om 14.45 uur/15.00 uur haalt ze beide kinderen van school. Daarna verblijft ze met hen in de woning van de vader tot zaterdag 16.00 uur, zonder aanwezigheid van de vader;
- Daarnaast, specifiek voor dochter [minderjarige 2] : éénmaal per maand een overnachting bij de moeder, vanaf vrijdag na school tot en met zaterdag en om 11.00 uur komen ze terug naar de voormalig echtelijke woning. Daarna verblijft ze met de kinderen in de woning van de vader tot 16.00 uur, zonder aanwezigheid van de vader;
C. te bepalen dat de volgende zorgregeling voor de kinderen geldt vanaf het moment dat de moeder een eigen woning heeft:
-
Eerste twee maanden:
tweemaal per maand verblijven de kinderen van vrijdag om 13.00 uur tot zaterdag om 16.00 uur bij de moeder;
-
De daaropvolgende maanden, bij goed verloop van de eerste twee maanden:
tweemaal per maand verblijven de kinderen van vrijdag om 13.00 uur tot en met zondag 16.00 uur bij de moeder.
Subsidiair:
D. te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben totdat zij een eigen woning heeft gevonden, waarna de hoofdverblijfplaats bij de vader zal worden bepaald.
4.3
Het verweer van de moeder in zowel de schorsingszaak als de hoofdzaak strekt tot afwijzing van de verzoeken van de vader dan wel deze aan hem te ontzeggen.

5.De motivering van de beslissing

Schorsingsverzoek
5.1
Ter zitting heeft de vader zijn schorsingsverzoek ingetrokken zodat dit verzoek geen verdere behandeling meer behoeft en het hof hierop niet meer dient te beslissen.
Hoofdverblijfplaats
Juridisch kader
5.2
Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Overweging van het hof
5.3
De rechtbank heeft het hoofdverblijf bij de moeder bepaald. De rechtbank sprak daarbij de hoop uit dat, door het hoofdverblijf bij de moeder te bepalen, de moeder een urgentieverklaring zou kunnen ontvangen waardoor zij sneller in aanmerking zou komen voor een (grotere) woning. Het is moeder tot op heden nog niet gelukt om daadwerkelijk een woning te vinden, omdat haar verzoek aan de gemeente tot het verkrijgen van een urgentieverklaring om procedurele redenen is afgewezen. De moeder is tegen die beslissing in beroep gegaan; op dit moment is nog onduidelijk of zij de urgentieverklaring alsnog zal ontvangen. Gelet op deze huidige stand van zaken waarin niet bekend is wanneer de moeder daadwerkelijk een eigen woning zal verkrijgen, acht het hof het van belang voor de moeder en in het belang van de kinderen dat het hoofdverblijf bij de moeder zal zijn, zodat zij kans houdt op een woning die groot genoeg is voor haar en de kinderen tezamen in dezelfde regio als de voormalige echtelijke woning waarvan het huurrecht aan de vader is toegekend. Ter zitting heeft de vader aangegeven dat hij, voor de periode dat de moeder nog geen eigen woning heeft, akkoord kan gaan met het bepalen van het hoofdverblijf bij de moeder. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen.
Zorgregeling en vakantieregeling
5.4
De moeder heeft in verband met psychische klachten enige tijd in een GGZ-instelling verbleven. Na haar ontslag had zij geen woning, waardoor zij sindsdien samen met haar zoon [jongmeerderjarige] bij haar moeder in [plaats] verblijft. Ook de broer van de moeder woont daar. De woning is te klein om daar met vier personen te verblijven, maar de moeder is tot op heden nog niet in aanmerking gekomen voor eigen woonruimte. De rechtbank heeft daarom voor de periode dat de vrouw nog geen eigen woning heeft een zorgregeling vastgesteld volgens het zogenaamde ‘bird nesting’-principe. De moeder verblijft tweemaal per maand een nacht in het huis van de vader. De vader verblijft op die momenten elders.
Gebleken is echter dat de uitvoering van de door de rechtbank vastgestelde regeling moeizaam verloopt. De vader geeft aan de huidige regeling in strijd te achten met zijn privacy nu de moeder met de kinderen in zijn huis verblijft en hij de woning telkens moet verlaten. De moeder geeft aan de huidige regeling marginaal te vinden en vindt de opstelling van de vader, op het moment dat zij een keer een nacht extra met de kinderen wil doorbrengen, weinig flexibel. Daarnaast mag de moeder een deel van de woning van de vader niet gebruiken, waardoor zij op een luchtbed in de woonkamer moet slapen. Tussen partijen is voorts een verschil van inzicht ontstaan over de aanwezigheid van [jongmeerderjarige] , de zoon van de moeder en de halfbroer van de kinderen, bij de omgangsmomenten tussen de moeder en de kinderen.
5.5
Gebleken is dat partijen weinig vertrouwen in elkaar hebben en dat de gebeurtenissen die hebben geleid tot de opname van de moeder in de GGZ-instelling tot onzekerheid hebben geleid bij de vader. Het lukt de vader niet om de kinderen emotionele toestemming te geven om omgang met de moeder te hebben. Het voorgaande staat een goede communicatie tussen de ouders in de weg. Inmiddels is er hulpverlening ingezet in het kader van het verbeteren van het contact tussen [minderjarige 2] en de moeder. De praktijkondersteuner van de huisarts (POH) is betrokken geraakt, welke hulpverlening binnenkort stopt. Daarnaast volgt [minderjarige 2] een [training] die nog even zal voortduren. Hoewel de raad aangaf dat opvoedondersteuning voor de vader helpend zou kunnen zijn, is hij daarmee nog niet gestart.
Ter zitting hebben beide ouders te kennen gegeven doorverwezen te willen worden naar een Ouderschapsbemiddelingstraject (zoals Ouderschap Blijft) met als doel zich in te zetten om tot een verbetering van hun onderlinge communicatie en verstandhouding te komen. Inmiddels zijn de ouders middels een proces-verbaal van doorverwijzing door het hof doorverwezen naar [hulpverleningsinstantie] voor deelname aan dit traject. Het hof zal deze beschikking eveneens doorzenden aan [hulpverleningsinstantie] .
5.6
Gelet op het feit dat de ouders op korte termijn met elkaar dit traject zullen ingaan en omdat de moeder momenteel nog geen eigen vaste woonruimte heeft, ziet het hof geen aanleiding om, vooruitlopend op de uitkomst van dit traject, op dit moment een wijziging aan te brengen in de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling die is bepaald “
tot het moment dat de moeder een eigen woning heeft”. De ouders kunnen samen met behulp van de in te zetten hulpverlening nadere afspraken maken over de invulling van zowel de tijdelijke regeling als de regeling die zal gelden wanneer de moeder een eigen woning zal verkrijgen. Het hof acht voor de uitvoering van de huidige regeling voorts van belang te vermelden dat de vader ter zitting heeft aangegeven ruimte te geven aan [jongmeerderjarige] om met de moeder mee te komen wanneer zij in de woning van de vader verblijft. In dat geval zal de moeder de vader vooraf op de hoogte te stellen.
Hoewel een vakantieregeling voor de tijdelijke situatie dat de moeder nog geen woning heeft verkregen op dit moment ontbreekt, ziet het hof vooralsnog geen aanleiding om voor deze periode een aparte vakantieregeling vast te stellen. Het hof gaat ervan uit dat de huidige zorgregeling in de vakanties zal doorlopen. Daarnaast staat het de ouders vrij om, al dan niet in overleg met de hulpverlening binnen het ouderschapsbemiddelingstraject, hieraan nadere invulling te geven.
5.7
Het hof zal iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling en de vakantieregeling aanhouden in afwachting van het verloop van het hulpverleningstraject. Het hof zal de behandeling van de zaak tot 31 oktober 2026 pro forma aanhouden.
Brief aan [minderjarige 2]
5.8
[minderjarige 2] heeft op [datum] een kindgesprek gehad bij het hof. Ter zitting is de mogelijkheid besproken de beslissing van het hof terug te koppelen via een kindbrief. Het hof zal [minderjarige 2] een brief sturen waarvan de tekst als volgt luidt:
“Beste [minderjarige 2] ,
Op [datum] ben jij bij het hof geweest voor een gesprek. Jij hebt toen gepraat met de rechter en met de griffier. Jij hebt aan hen verteld hoe het met jou en met jouw broer gaat en hoe jij het vindt op school. Ook heb jij aan de rechter verteld hoe jij het vindt om op vrijdag bij jouw moeder te slapen en dat je het huis in [plaats] , waar jij soms met haar logeert, een beetje eng vindt.
Deze brief schrijven wij jou omdat we willen laten weten wat de beslissing van de rechter is.
Op dit moment heeft jouw moeder nog geen eigen huis waar jij samen met jouw broer [minderjarige 1] heen kan gaan en kan logeren en waar [jongmeerderjarige] ook is. Jouw moeder hoopt heel gauw een huis te vinden dat groot genoeg is voor jullie allemaal. Jouw ouders zullen binnenkort met elkaar gaan praten over hoe zij beter met elkaar kunnen omgaan en beter afspraken met elkaar kunnen maken. Dit doen jouw ouders samen met iemand die hen daarbij helpt. Het hof hoopt dat het jouw ouders zal lukken om samen een regeling af te spreken die het best bij jou en bij [minderjarige 1] past over wanneer jullie bij papa zijn en wanneer jullie bij mama zijn. De vorige rechter heeft al beslist over waar en wanneer jij en [minderjarige 1] bij jouw moeder zullen zijn. Het hof vindt dat voor nu een goede regeling en vindt dat jouw ouders deze regeling moeten uitvoeren. Het hof vindt het heel belangrijk dat jij en [minderjarige 1] jullie moeder vaak zien, zodat jullie met haar een hechte band kunnen blijven opbouwen.. Het hof zal later, als de hulpverlening klaar is, een definitieve beslissing nemen over wanneer jullie bij de ene ouder en wanneer bij de andere ouder zullen zijn. We hopen natuurlijk dat jouw moeder dan inmiddels een eigen huis heeft waar jullie je heel fijn zullen voelen.
We willen jou bedanken voor het leuke gesprek en we wensen jou en [minderjarige 1] het allerbeste toe.”
5.9
Het voorgaande leidt tot navolgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het hoger beroep:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover die ziet op de hoofdverblijfplaats,
wijst het meer of anders verzochte over de hoofdverblijfplaats af, en,
alvorens verder te beslissen over de zorg- en vakantieregeling:
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] (de vader),
wonende te [woonplaats] ,
en
[de moeder] (de moeder),
verblijvende te [verblijfplaats] ,
bij (eerder verzonden) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar [hulpverleningsinstantie] voor deelname aan de hulpverleningstrajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:
[hulpverleningsinstantie]
[adres]
[postcode] [plaats]
[telefoonnummer]
email: [e-mailadres]
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie het hof vóór na te melden pro forma datum rapporteert omtrent het verloop van de omgangsbegeleiding met kopie aan de vader, de moeder en hun advocaten;
houdt de behandeling van de zaak aan tot zaterdag 31 oktober 2026 pro forma;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.A.F. Donders, I. Reijngoud en A.J.I. Mullenders, bijgestaan door mr. A.M. Sipkes-Kerkman als griffier en is op 15 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.