Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1879

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
200.358.743/01 en 200.358.743/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging kinderalimentatie en draagkrachtberekening man in hoger beroep

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de man tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag waarin kinderalimentatie werd vastgesteld op €512 per maand met ingang van 1 januari 2025. De man verzocht om vernietiging van deze beschikking en een lagere alimentatie, terwijl de vrouw dit betwistte.

Het hof nam de feiten over zoals vastgesteld door de rechtbank en stelde vast dat de minderjarige bij de vrouw woont en dat de man gezamenlijk gezag heeft. De behoefte van de minderjarige werd vastgesteld op €949,25 per maand in 2026. Het bruto inkomen van de man werd vastgesteld op €4.670 per maand met een bonus van €16.181 in 2025, waarbij het hof rekening hield met een lagere bonus in 2026 van €9.893 en een indexering van 4%.

De man mocht leasekosten van €467 per maand in mindering brengen omdat het leasecontract tijdens de relatie is aangegaan en niet verwijtbaar is. Andere schulden van de man werden niet in aanmerking genomen wegens onvoldoende bewijs of omdat het voorschotten van ouders betrof. De draagkracht van de man werd berekend op €808 per maand in 2025 en €675 in 2026. De draagkracht van de vrouw werd vastgesteld op respectievelijk €117 en €116 per maand, zonder rekening te houden met haar schulden.

De kosten werden verdeeld naar draagkracht, met een zorgkorting van 25%. Het hof concludeerde dat de man voldoende draagkracht heeft om de alimentatie van €512 per maand te voldoen en bekrachtigde de beschikking. Het schorsingsverzoek van de man werd ingetrokken en niet-ontvankelijk verklaard. Proceskosten werden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de kinderalimentatie van €512 per maand en verklaart het schorsingsverzoek van de man niet-ontvankelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.358.743/01 en 200.358.743/02
rekestnummer rechtbank : FA RK 25-3731
zaaknummer rechtbank : C/09/685457
beschikking van de meervoudige kamer van 15 april 2026
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.J.H.M. Hopmans te Rotterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A.C.M. van Lieshout te Capelle aan den IJssel.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 5 augustus 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De man is op 5 september 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking (200.358.743.01). Hij heeft daarbij tevens schorsing van de werking van de bestreden beschikking verzocht (200.358.743.02).
2.2
De vrouw heeft op 18 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Voorts zijn bij het hof ingekomen:
van de zijde van de man:
- een journaalbericht van 7 oktober 2025, met bijlage, ingekomen op 8 oktober 2025;
- een e-mail van 7 januari 2026, met bijlagen;
- een e-mail van 14 januari 2026, met bijlagen,
van de zijde van de vrouw:
- een e-mail van 9 januari 2026, met bijlagen.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 20 januari 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
3.3
Uit hun relatie is geboren de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , hierna te noemen: de minderjarige. De minderjarige woont bij de vrouw. De man heeft de minderjarige erkend en partijen hebben het gezamenlijk gezag over de minderjarige.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2025 als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderalimentatie) een bedrag van € 512,- per maand dient te betalen aan de vrouw. De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
4.2
De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
I. Het beroep van de man ontvankelijk en gegrond is.
II. De bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, het hof begrijpt, op € 173,- per maand wordt gesteld, dan wel op een bijdrage door het hof in alle redelijkheid te bepalen in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, met ingang van 1 januari 2025, dan wel met ingang van een zodanige ingangsdatum als het hof juist acht.
III. De tenuitvoerlegging bij voorraad van de bestreden beschikking voor de duur van de procedure op grond van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt geschorst.
Kosten rechtens.
4.3
De vrouw verzoekt het hof om uitvoerbaar bij voorraad, zowel in het incident als in de hoofdzaak, de verzoeken van de man af te wijzen, dan wel hem daarin niet-ontvankelijk te verklaren. Kosten rechtens.

5.De motivering van de beslissing

Ten aanzien van het schorsingsverzoek (zaaknummer 200.358.743/02):
5.1
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking ingetrokken. Daarom zal de man niet-ontvankelijk worden verklaard in dit verzoek.
In de hoofdzaak in hoger beroep (zaaknummer 200.358.743/01):
Ingangsdatum
5.2
De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum is niet in geschil zodat het hof deze datum (1 januari 2025) als uitgangspunt neemt.
Hoogte behoefte van de minderjarige
5.3
Partijen zijn het op de zitting erover eens geworden dat de behoefte van de minderjarige kan worden vastgesteld op € 907,50 per maand en geïndexeerd naar 2026 € 949,25 per maand.
Draagkracht man
Inkomen
5.4
Het inkomen van de man van € 4.670,- bruto per maand (te vermeerderen met 8% vakantiegeld) is tussen partijen niet in geschil. Het hof zal dan ook van dit inkomen uitgaan. Verder is niet in geschil dat de man in 2025 een bonus heeft ontvangen van totaal € 16.181,- en dat daarmee in 2025 rekening dient te worden gehouden.
5.5
Tussen partijen is wel in geschil of bij het bepalen van de draagkracht van de man vanaf 2026 rekening gehouden moet worden met een bonus. Het hof is van oordeel dat de man aannemelijk heeft gemaakt dat zijn bonusuitkering vanaf 2026 naar beneden wordt bijgesteld. Het hof heeft in dit verband acht geslagen op de toelichting die de man op de zitting heeft gegeven op de ‘pilot die was gestart’ en de ‘targets’ die vervolgens zijn aangepast, welke hij heeft gestaafd met een e-mail van zijn werkgever van 7 januari 2026 (overgelegd als productie 10 bij zijn e-mail van 7 januari 2026). De man heeft op de zitting gesteld dat zijn bonus in 2026 waarschijnlijk van 17 procent naar 10 procent zal gaan. Het hof zal daarbij aansluiten. De man heeft op de zitting, desgevraagd, geen duidelijkheid kunnen geven over zijn loonindexering in 2026. Bij gebrek aan nadere gegevens, stelt het hof indexeringspercentage in 2026 in redelijkheid vast op 4 procent. Ook de door de man te betalen pensioenpremie zal het hof met dit percentage verhogen.
5.6
Het voorgaande betekent dat het hof voor de periode van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026 rekent met een inkomen van € 4.670,- bruto per maand (exclusief vakantiegeld) en een bonusuitkering van totaal € 16.818,-.
5.7
Voor de periode vanaf 1 januari 2026 rekent het hof met een inkomen van € 4.857,- bruto per maand (exclusief vakantiegeld) (€ 4.670,- + € 187,- indexering) en een bonusuitkering van € 9.893,-
5.8
Met inachtneming van het voorgaande volgt uit de aangehechte berekening dat het netto besteedbaar inkomen van de man in 2025 € 4.194,- per maand bedraagt en in 2026 € 4.059,- per maand.
woonlast
5.9
De werkelijke woonlast van de man bedraagt afgerond € 1.263,- per maand, zoals volgt uit productie 6 (door de man overgelegd bij zijn e-email van 7 januari 2026). Ook de vrouw heeft daarmee gerekend. Het hof sluit daarbij aan.
leasekosten
5.1
Tussen partijen is in geschil of aan de zijde van de man rekening gehouden dient te worden met de leasekosten van de privéauto van € 467,- per maand. De vrouw stelt dat de man deze lasten deels uit zijn vrije ruimte dient te betalen. Het hof zal rekening houden met deze lasten aan de zijde van de man, omdat er sprake is van een schuld die niet verwijtbaar en niet vermijdbaar is. Partijen hadden immers al tijdens de relatie het leasecontract gesloten en na verbreking van de relatie is de man bereid geweest dit leasecontract voor zijn rekening te nemen.
Overige schulden
5.11
Ook de overige door de man opgevoerde schulden zijn tussen partijen in geschil. Het hof houdt met geen van deze schulden rekening en overweegt daartoe als volgt. De man heeft geen enkele inzage gegeven in de omvang van de schuld die verband houdt met zijn ziektekostenverzekering; de man heeft dienaangaande slechts een enkel bewijs van betaling van € 50,- overgelegd. De door de man opgevoerde post gemeentelijke belastingen van € 36,51 per maand en de post regionale belastingen van € 22,28 per maand, betreffen de gebruikelijke lasten van zijn woning, zoals de man op de zitting heeft bevestigd, welke kosten reeds zijn begrepen in de in de draagkrachtberekening opgenomen post kosten van levensonderhoud. Ook houdt het hof geen rekening met de bedragen die de man opvoert als lening van zijn ouders om, naar eigen zeggen, zijn lasten te kunnen voldoen. Het hof overweegt daartoe dat de man op de zitting heeft aangegeven dat hij die geldbedragen direct terugbetaalt met de bonusuitkering die hij (in delen) uitbetaald krijgt, zodat het hof deze geldbedragen niet als lening kwalificeert, maar als het voorschieten door de ouders van de man van kosten van zijn levensonderhoud.
5.12
Uit de aangehechte berekening volgt dat de man met voormeld netto besteedbaar inkomen in 2025 een draagkracht heeft van € 808,- per maand en in 2026 van € 675,- per maand.
Draagkracht vrouw
Inkomen
5.13
De man betwist niet (langer) dat aan de zijde van de vrouw kan worden uitgegaan van de Ziektewetuitkering die zij met ingang van 1 januari 2025 ontvangt. Het hof zal voor wat betreft de hoogte van de uitkering van de vrouw, in navolging van de vrouw, aansluiten bij haar meest recente specificaties (van november en december 2025), waaruit een inkomen uit uitkering volgt van afgerond € 2.121,- bruto per maand (inclusief vakantiegeld). Op grond van de indexering per 1 januari 2026 van 2,16 % bedraagt het inkomen van de vrouw uit uitkering afgerond € 2.167,- bruto per maand (inclusief vakantiegeld).
5.14
Met inachtneming van het voorgaande volgt uit de aangehechte berekening dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2025 € 2.109,- per maand bedraagt en in 2026 € 2.152,- per maand. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouder kop.
Schulden
5.15
Tussen partijen is in geschil of aan de zijde van de vrouw rekening moet worden gehouden met schulden. Het hof houdt geen rekening met de schulden van de vrouw. Het hof overweegt daartoe dat de ingangsdatum tussen partijen niet in geschil is, wat betekent dat de vrouw met terugwerkende kracht, gezien de hiervoor berekende draagkracht van de man, een aanvullende bijdrage van de man zal ontvangen. Met deze bijdrage zal zij haar schulden grotendeels kunnen aflossen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de vrouw op de zitting heeft verklaard dat de schulden zijn ontstaan, omdat de man (slechts) met een bedrag van € 300,- per maand in de kosten van de minderjarige heeft voorzien waardoor de vrouw, gelet op de (hoge) behoefte van de minderjarige, elke maand tekort kwam.
5.16
Uit de aangehechte berekening volgt dat de vrouw met voormeld netto besteedbaar inkomen in 2025 een draagkracht heeft van € 117,- per maand en in 2026 van € 116,- per maand.
Verdeling van de kosten
5.17
Het hof heeft met deze uitkomst de verdeling van de kosten over beide ouders berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Het eigen aandeel van de man in 2025 bedraagt dan: € 793,- per maand en in 2026 € 675,- per maand.
Zorgkorting
5.18
De zorgkorting van 25% is tussen partijen niet in geschil. Voor het jaar 2025 bedraagt de zorgkorting (afgerond) € 227,- en voor het jaar 2026 € 238,-.
Conclusie
5.19
Uit de als bijlage gevoegde berekeningen blijkt dat de draagkracht van de man toereikend om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 512,- per maand te voldoen. Daarbij kan de man in het jaar 2025 zijn volledige zorgkorting uitwinnen en voor het jaar 2026 slechts deels, wegens een tekort aan gezamenlijke draagkracht, welk tekort wordt gedeeld. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.
Proceskosten
5.2
Het hof zal, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, de proceskosten compenseren, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen.
5.21
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn schorsingsverzoek;
bekrachtigt de bestreden beschikking;
compenseert de proceskosten aldus dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.S.F. de Nijs, H.J.M. Smid-Verhage en B. du Fossé, bijgestaan door mr. A. Wijtzes als griffier en is op 15 april 2026 uitgesproken door mr. A.A.F. Donders in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.