Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1884

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
200.282.783/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 798 RvArt. 288 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming bijzondere curator ter voorkoming definitief contactverlies tussen vader en kind

In deze zaak staat het contact en gezag over een minderjarige centraal, waarbij het hof het langdurige contactverlies tussen vader en kind constateert. De vader verzoekt om een bijzondere curator die de belangen van het kind kan behartigen en contactherstel kan bevorderen. De moeder verzet zich tegen dit verzoek, mede vanwege de wens van het kind zelf om voorlopig geen contact.

De raad voor de kinderbescherming adviseert het gezamenlijk gezag in stand te laten en contact onder begeleiding van een hulpverleningsinstantie te laten plaatsvinden. Echter, het hulpverleningstraject is nog niet gestart vanwege aanmeldingsproblemen en wachttijden. Het kind heeft aangegeven geen contact te willen en behoefte te hebben aan rust en veiligheid.

Het hof oordeelt dat de benoeming van een bijzondere curator noodzakelijk is om de belangen van het kind te beschermen en contactherstel te onderzoeken. De curator krijgt de opdracht om de wensen van het kind en de mogelijkheden voor contactherstel in kaart te brengen. De voorlopige zorgregeling en beslissing over het gezag worden aangehouden tot het onderzoek van de curator is afgerond.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hof verzoekt partijen en de curator om hun beschikbaarheid door te geven voor een vervolgzitting na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator.

Uitkomst: Het hof benoemt een bijzondere curator om het contactherstel tussen vader en kind te onderzoeken en houdt de beslissing over het gezag aan tot het rapport van de curator is ontvangen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.282.783/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 20-3582
zaaknummer rechtbank : C/09/593979
beschikking van de meervoudige kamer van 29 april 2026
inzake
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: oorspronkelijk mr. V.A.D. Enters te Den Haag, thans M.B. Brouwer te Den Haag,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. A.C.M. van Lieshout te Capelle aan den IJssel.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio [regio] ,
locatie: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.
De zaak heeft betrekking op de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).
1.2.
Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar de tussenbeschikkingen van
14 april 2021 en 5 februari 2025, de inhoud van beide beschikkingen moet hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
1.3.
Bij laatstgenoemde tussenbeschikking heeft het hof, voor zover thans van belang, een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld, waarbij de duur en de frequentie worden bepaald door [de hulpverleningsinstantie] (of een soortgelijke hulpverleningsinstantie) en de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Alvorens verder te beslissen is de raad verzocht nader onderzoek in te (doen) stellen over het verloop van het contact tussen de vader en [minderjarige] en daaromtrent aan het hof in een vervolgrapportage te adviseren. Iedere verdere beslissing, (te weten: de beslissing ten aanzien van het gezamenlijk gezag), is pro forma aangehouden tot 25 oktober 2025.
1.4.
De raad heeft bij e-mailbericht van 28 oktober 2025, ingekomen op diezelfde datum, het hof verzocht om de zaak pro forma aan te houden tot 1 november 2025. Het hof heeft hierop de zaak aangehouden tot 29 november 2025.
1.5.
Bij brief van 1 december 2025, ingekomen op 4 december 2025, heeft de raad (na aanvullend onderzoek), het raadsrapport van 27 november 2025 (hierna: het raadsrapport) ingediend.
1.6.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
- een journaalbericht van 9 december 2025, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van 12 december 2025, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van 19 maart 2026 met bijlage, betreffende een aanvullend/gewijzigd verzoek ingekomen op diezelfde datum;
van de zijde van de moeder:
- een journaalbericht van 13 januari 2026, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van 20 maart 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum.
1.7.
Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en het hof een e-mailbericht gestuurd dat als bijlage bij het journaalbericht van de moeder van 20 maart 2026 is overgelegd.
1.8.
De voortgezette mondelinge behandeling heeft op 24 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en [tolk] als tolk [taal] ;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.De verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1.
De raad geeft in het rapport van 27 november 2025 aan dat het in combinatie met het rapport van 1 oktober 2024 gelezen moet worden. Ten aanzien van het gezag handhaaft de raad het bij dit eerdere rapport gegeven advies. In dat advies staat (kortgezegd) dat met de inzet van hulpverlening de raad nog mogelijkheden voor ouders ziet om het gezag over [minderjarige] gezamenlijk te kunnen blijven uitoefenen. Die visie is onveranderd, aldus de raad. Het advies blijft om het gezamenlijk gezag in stand te laten.
Een zorg- en opvoedregeling wordt van belang geacht voor [minderjarige] zodat hij een band kan opbouwen met de vader en om te voorkomen dat hij zich later afgewezen zal voelen door vader. Het eerste contact dient zo snel mogelijk te worden opgestart onder begeleiding van hulpverlening of het sociale netwerk. Nu er gedurende de eerdere aanhouding niets is veranderd in de omgang tussen [minderjarige] en de vader omdat het gezin niet bleek te zijn aangemeld bij [de hulpverleningsinstantie] (voorheen [de hulpverleningsinstantie] ) waardoor begeleide omgang niet heeft kunnen opstarten en de ouders daar ook niet zelfstandig achteraan zijn gegaan, blijft ook het advies ten aanzien van de zorgregeling ongewijzigd. De raad zal met toestemming van de ouders alsnog de aanmelding bij [de hulpverleningsinstantie] verzorgen. Gelet daarop adviseert de raad om te bepalen dat [minderjarige] voorlopig onder begeleiding van [de hulpverleningsinstantie] contact heeft met de vader, waarbij de frequentie en duur wordt bepaald door die organisatie en de zaak voor de duur van een jaar aan te houden vanwege de wachttijden bij [de hulpverleningsinstantie] .
2.2.
De vader heeft zijn verzoek in hoger beroep bij journaalbericht van 19 maart 2026 aldus gewijzigd dat hij thans (aanvullend) verzoekt om:
- een voorlopige regeling vast te stellen, totdat het hulpverleningstraject bij [de hulpverleningsinstantie] start, waarbij er contactherstel plaatsvindt zulks onder begeleiding van de raad of een derde uit het sociale netwerk op een neutrale locatie, waarbij het hof de frequentie en de duur hiervan bepaalt;
- in het belang van [minderjarige] een bijzondere curator te benoemen die de mogelijkheden voor contactherstel op de korte termijn onderzoekt.
2.3.
De moeder voert verweer en concludeert tot afwijzing van de (aanvullende) verzoeken van de vader.
2.4.
De raad heeft op de zitting naar voren gebracht dat er al veel hulpverlening is geweest en dat de minderjarige inmiddels 12 is, zodat de vraag is wat er nog mogelijk is. De beste oplossing zou nog steeds zijn dat ouders toch om de tafel gaan zitten. Een bijzondere curator die de regie heeft en slagkracht, heeft misschien nog mogelijkheden om dat te bereiken.
Bijzondere curator
2.5.
Artikel 1:250 lid 1 van Pro het Burgerlijke Wetboek (BW) bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende. Wanneer in aangelegenheden over de verzorging en opvoeding van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen, in strijd zijn met die van de minderjarige, benoemt de rechter, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.
2.6.
Het hof stelt allereerst vast dat de vader als belanghebbende in de zin van artikel 798 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ontvankelijk is in zijn verzoek nu de zaak rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten of verplichtingen. Het hof zal overgaan tot inhoudelijke behandeling van het verzoek.
2.7.
Uit de stukken en wat ter zitting is besproken blijkt dat het hulpverleningstraject bij [de hulpverleningsinstantie] helaas nog niet van de grond is gekomen omdat partijen daar niet op tijd voor zijn aangemeld. Sinds de tussenbeschikking van dit hof van 5 februari 2025 is er dus geen (begeleid) contact geweest tussen [minderjarige] en de vader. Het laatste contact tussen hen dateert inmiddels uit mei 2023. [minderjarige] wil op dit moment ook nog steeds geen contact met zijn vader. In zijn e-mailbericht van 19 maart 2026 schrijft [minderjarige] , voor zover hier relevant, dat hij in verleden geen leuke dingen heeft meegemaakt met zijn vader en dat hij behoefte heeft aan rust en veiligheid. Hij wil later, als hij ouder is, zelf kijken of hij contact wil met zijn vader. Daar is hij nu nog niet klaar voor en hij ervaart spanning als het over contact met zijn vader gaat. Volgens de moeder moet rekening worden gehouden met wat [minderjarige] wenst. Zij vreest dat de positieve ontwikkeling die hij de afgelopen tijd heeft doorgemaakt teniet wordt gedaan als er contact komt met de vader. Ook de benoeming van een bijzondere curator zal volgens haar de ontwikkeling van [minderjarige] stagneren. De vader vreest definitief contactverlies en zegt zich niet te herkennen in wat [minderjarige] over hem schrijft. Hij mist [minderjarige] en wil het contact met hem herstellen. Volgens hem zijn er geen contra-indicaties voor contact. Dat hij om een bijzondere curator vraagt is een noodkreet. Op die manier hoopt hij de impasse te kunnen doorbreken.
2.8.
Het hof overweegt als volgt. In de langdurige afwezigheid van contact tussen [minderjarige] en zijn vader, de voortdurende strijd tussen ouders hierover en wat [minderjarige] inmiddels van het contact(herstel) vindt, ziet het hof zorgelijke signalen van dreigend definitief contactverlies met de vader. Het lukt de moeder ook niet (alleen) om [minderjarige] te stimuleren in het contact(herstel) met zijn vader. De moeder laat dat nu volledig bij [minderjarige] . Gelet op de aard van de belangenstrijd acht het hof het noodzakelijk dat een bijzondere curator de belangen van [minderjarige] , waar het gaat om het contact met zijn vader, zowel in als buiten rechte vertegenwoordigt. De benoeming van een bijzondere curator is in dit geval ook in het belang van [minderjarige] . Er is namelijk nog steeds geen zicht op contact(herstel) gezien de lange wachttijd bij [de hulpverleningsinstantie] en het hof acht het (herstel van) contact met de vader, mede gelet op het advies van de raad, nog altijd in het belang van [minderjarige] . De bijzondere curator kan hierin hopelijk met regievoering en slagkracht, zoals de raadsvertegenwoordigster ter zitting naar voren heeft gebracht, verandering brengen. Daarbij wordt de stem van [minderjarige] en die van zijn ouders extra gehoord. De bijzondere curator zal namelijk in gesprek gaan met [minderjarige] , de moeder en de vader.
2.9.
Alles afwegende zal het hof het aanvullend verzoek van de vader tot benoeming van een bijzondere curator toewijzen en de hierna te noemen persoon – die zich ook bereid heeft verklaard – benoemen tot bijzondere curator met als opdracht de belangen van [minderjarige] ter zake te behartigen en de wensen en behoeften van [minderjarige] over het contact(herstel) met zijn vader in beeld te brengen en daarbij te onderzoeken:
- waarin de weerstand tegen het contact met de vader is gelegen;
- of, en zo ja op welke wijze er op dit moment dan wel in de nabije toekomst mogelijkheden zijn voor contactherstel en duurzame contacten tussen [minderjarige] en de vader. Als dit mogelijk is, zou de bijzondere curator wellicht kunnen ondersteunen bij het hervatten van dit contact.
2.10.
Het staat de bijzondere curator vrij het onderzoek in te richten zoals haar dat in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt. Het hof verzoekt de bijzondere curator bij de uitvoering van haar opdracht acht te slaan op de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren op grond van artikel 1:250 BW Pro, als gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Voor het uitvoeren van de opdracht is het noodzakelijk dat ouders meewerken aan het onderzoek van de bijzondere curator. Als ouders daaraan niet meewerken, kan het hof daaruit de conclusies trekken die het geraden acht.
2.11.
Het hof zal de bijzondere curator verzoeken haar verslag vóór 1 juli 2026 aan het hof toe te sturen. Het verslag zal worden besproken op een nader te bepalen mondelinge behandeling kort na deze datum. Om de zaak zo snel mogelijk na dit verslag op zitting in te plannen, worden partijen en hun advocaten, alsemede de bijzondere curator verzocht om vóór 1 juli 2026 hun verhinderdata voor de maanden juli, augustus en september 2026 te verstrekken.
2.12.
Gelet op het lange procesverloop van de zaak in hoger beroep en de langdurige afwezigheid van contact tussen [minderjarige] en zijn vader verzoekt het hof de bijzondere curator om voortvarend uitvoering te geven aan haar opdracht.
2.13.
Het hof ziet in hetgeen hiervoor is overwogen aanleiding om op grond van artikel 288 Rv Pro de eindbeslissing over de benoeming van de bijzondere curator over [minderjarige] ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat het instellen van een eventueel beroep in cassatie de uitvoerbaarheid niet schorst.
2.14.
De benoeming van de bijzondere curator laat overigens onverlet dat van de ouders wordt verwacht dat zij zich actief blijven inzetten voor het hulpverleningstraject bij [de hulpverleningsinstantie] .
Voorlopige zorgregeling en beslissing omtrent het gezag
2.15.
Het hof zal gelet op het feit dat in deze procedure een bijzondere curator wordt benoemd die onderzoek zal doen naar, kort gezegd, contact(herstel) tussen [minderjarige] en de vader nu geen voorlopige zorgregeling vaststellen. Desgevraagd heeft de vader ter zitting ook aangegeven dat bij benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige] de beslissing over de voorlopige zorgregeling kan worden aangehouden. Nu de beslissing over het gezamenlijk gezag in dit geval samenhangt met de resultaten van het hulpverleningstraject bij [de hulpverleningsinstantie] en de bevindingen van de bijzondere curator naar mogelijk contactherstel, zal het hof die beslissing eveneens aanhouden. Het hof zal aldus beslissen.
2.16.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3.De verdere beslissing

Het hof, beschikkende in het hoger beroep:
benoemt tot bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] :
[de bijzondere curator] ,
kantoorhoudende aan de [adres] ,
te [postcode] ) [plaats] ,
telefoonnummer: [telefoonnummer] ,
e-mailadres: [e-mailadres] ;
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking en de processtukken aan de bijzondere curator zal toesturen;
verzoekt de advocaten van partijen om de bijzondere curator per omgaande de adres-, email- en/of telefoongegevens van partijen en die van de minderjarige te verstrekken;
bepaalt dat de bijzondere curator vóór 1 juli 2026 schriftelijk verslag doet van haar bevindingen over hetgeen beschreven onder ‎2.9 tot en met ‎2.10;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
verzoekt de bijzondere curator en de advocaten om het hof vóór 1 juli 2026 hun verhinderdata en die van partijen voor de maanden juli, augustus en september 2026 te verstrekken;
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator te bepalen datum, waarvoor partijen en de raad zullen worden opgeroepen;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken en het gezamenlijk gezag pro forma aan tot 1 juli 2026.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Wahedi, H.J.M. Smid-Verhage en C.M. van der Kleijn, bijgestaan door F.L. Lekahena als griffier en is op 29 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.