ECLI:NL:GHDHA:2026:189

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
200.360.034/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 283 RvArt. 130 RvArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over zorgregeling en eenhoofdig gezag na echtscheiding

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin een zorgregeling was vastgesteld voor de minderjarige kinderen na de echtscheiding van de ouders. De moeder verzocht om een ruimere zorgregeling waarbij de kinderen om de week van vrijdag tot zondag bij de vader verblijven, met een gedetailleerde verdeling van vakanties en feestdagen. Tevens verzocht zij voorwaardelijk om eenhoofdig gezag.

De vader voerde aan dat uitbreiding van de zorgregeling niet haalbaar is vanwege zijn medische situatie, waaronder een laesie frontaal met gedragsveranderingen, angstgevoelens en depressie. Het hof heeft de feiten en omstandigheden, waaronder de huidige zorgregeling die goed verloopt, zorgvuldig afgewogen.

Het hof oordeelt dat het niet in het belang van de minderjarigen is om de zorgregeling uit te breiden. De vader voldoet aan de huidige zorgregeling, ondanks zijn beperkingen. Het verzoek tot eenhoofdig gezag wordt afgewezen wegens strijd met de eisen van een goede procesorde, omdat dit verzoek te veel afwijkt van het oorspronkelijke geschil in eerste aanleg.

Het hof wijzigt de zorgregeling licht door het ophaal- en terugbrengmoment op zondag aan te passen en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de zorgregeling met een kleine aanpassing en verklaart het verzoek tot eenhoofdig gezag niet-ontvankelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.360.034/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 25-4201
zaaknummer rechtbank : C/10/700664
beschikking van de meervoudige kamer van 11 februari 2026
inzake
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. A.J. Waaijers-de Graaf te Dordrecht,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. A.C. van 't Hek te Dordrecht.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, te Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De moeder is op 7 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vader heeft op 27 november 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof is voorts een journaalbericht van de zijde van de moeder van 17 november 2025, met bijlage, ingekomen op diezelfde datum.
2.4
De raad heeft bij brief van 4 december 2025 aan het hof laten weten niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn.
2.5
De hierna te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben schriftelijk hun mening kenbaar gemaakt.
2.6
De mondelinge behandeling heeft op 7 januari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat (via een digitale verbinding);
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
Voor de moeder is [tolk 1] opgetreden als tolk in de Arabisch - Syrisch - Libanese taal en voor de vader is [tolk 2] opgetreden als tolk in de Arabisch - Syrisch - Libanese taal.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2012 tot [datum 2] 2023.
3.3
Partijen zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ),
hierna tezamen: de minderjarigen.
3.4
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarigen.
3.5
Bij beschikking van 18 september 2023 van de rechtbank Rotterdam is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat het door partijen ondertekende ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking. Een afschrift hiervan is aan de beschikking gehecht.
3.6
In het ouderschapsplan zijn partijen, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overeengekomen:

1. Gezamenlijk gezag
1.1
De ouders achten het in het belang van de kinderen dat zij na de scheiding gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen. Zij vinden het ook belangrijk dat het contact met de andere ouder zo min mogelijk door de scheiding wordt beïnvloed. (…)
(…)
3. Verzorging en Opvoeding
3.1
De ouders hebben afgesproken dat vader altijd contact met de kinderen kan hebben na contact hierover tussen beiden
- met betrekking tot de feest en vakantiedagen hebben de ouders afgesproken dat zij de deling in onderling overleg samen afspreken
(…).”

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 september 2023 en het daaraan gehechte ouderschapsplan, bepaald dat vanaf de datum van de bestreden beschikking, zijnde 1 september 2025, de volgende regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken geldt:
de minderjarigen verblijven wekelijks op zondag bij de vader, waarbij de vader ze na Arabische les bij de moskee in [plaats] ophaalt, in de zomer om 12.00 uur en in de winter om 13.00 uur, en ze in de avond om 19.00 uur weer terugbrengt naar de moeder.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De proceskosten zijn gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
4.2
De moeder verzoekt het hof, bij beschikking, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, met wijziging van de beschikking van 18 september 2023 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 18 augustus 2023, opnieuw rechtdoende: de volgende zorgregeling te bepalen:
- de minderjarigen verblijven om de week van vrijdag 15.00 uur, dan wel 19.00 uur, tot zondag 19.00 uur bij de vader, waarbij de vader de minderjarigen bij de moeder ophaalt en terugbrengt;
- de vakanties worden als volgt bij helfte verdeeld:
- de minderjarigen verblijven in de zomervakantie in week 1, 2 en 3 bij de vader en in week 4, 5 en 6 bij de moeder. De minderjarigen zijn vanaf vrijdag voorafgaand aan de zomervakantie bij de vader en komen 3 weken later op vrijdag om 19.00 uur weer terug bij de moeder. De minderjarigen zijn het laatste weekend van de zomervakantie bij de moeder;
- de minderjarigen verblijven tijdens de herfstvakantie en de krokusvakantie (dus de vakanties van 1 week) van vrijdag uit school tot woensdag 19.00 uur bij de vader en van woensdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de moeder;
- de minderjarigen verblijven tijdens de kerstvakantie in de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. De vakantie loopt van vrijdag uit school tot de week daarop vrijdag. De minderjarigen worden dan om 19.00 uur bij de moeder gebracht;
- de minderjarigen verblijven in de meivakantie de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. De vakantie loopt van vrijdag uit school tot de week daarop vrijdag. De minderjarigen worden dan om 19.00 uur bij de moeder gebracht;
- de feestdagen worden als volgt verdeeld:
- de minderjarigen verblijven de eerste dag van het Offerfeest bij de moeder en de tweede dag bij de vader vanaf 14.15 uur (einde schooltijd) tot de volgende dag 19.00 uur. Indien de tweede dag op een schooldag valt, brengt de vader de minderjarigen dezelfde dag nog terug bij de moeder om 19.00 uur;
- de minderjarigen verblijven de eerste dag van het Suikerfeest bij de moeder en de tweede dag bij de vader vanaf 14.15 uur (einde schooltijd) tot de volgende dag 19.00 uur. Indien de tweede dag op een schooldag valt, brengt de vader de minderjarigen dezelfde dag nog terug bij de moeder om 19.00 uur.
Alsmede te bepalen dat de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen indien de bestreden beschikking wordt bekrachtigd, dan wel een regeling wordt vastgesteld waarbij voor de vader een regeling geldt die minder is dan de door de moeder vastgestelde zorgregeling.
4.3
De vader verzoekt het hof (zoals ter zitting toegelicht), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen, de verzoeken van de moeder af te wijzen en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen.

5.De motivering van de beslissing

Zorgregeling
Standpunten partijen
5.1
De moeder voert, samengevat, het navolgende aan. Het is de wens van de minderjarigen om meer tijd met de vader door te brengen. Ieder kind heeft op grond van de wet recht op omgang met zijn ouders. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden. De moeder betwist dat de vader niet voor de minderjarigen kan zorgen. Mocht er sprake zijn van gezondheidsklachten aan de zijde van de vader, dan staat dit niet in de weg aan de zorg voor de minderjarigen.
5.2
De vader voert, samengevat, het navolgende aan. Een uitbreiding van de zorgregeling waarbij de minderjarigen een heel weekend bij de vader verblijven, is voor de vader niet haalbaar. Op dit moment is er aan de zijde van de vader geen stabiele beschikbaarheid door zijn medische situatie. Bij de vader is sprake van ‘laesie frontaal’ waarvan een van de kenmerken gedragsveranderingen is. De vader wil niet dat de minderjarigen daar last van krijgen.
Juridisch kader
5.3
Op grond van artikel 1:253a, lid 1 en lid 4, in samenhang met artikel 1:377e Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van (één van) de ouders een beslissing inzake de zorgregeling wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter neemt in een dergelijk geval een beslissing die hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Oordeel van het hof
5.4
Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof maakt deze gronden – na eigen afweging – tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten en/of omstandigheden die leiden tot een ander oordeel. Het hof neemt hiertoe nog het volgende in aanmerking. De uitspraak door de rechtbank is in overeenstemming met de zorgregeling waar de ouders al langere tijd uitvoering aan geven en die naar omstandigheden goed verloopt. Hoewel ook op de vader de plicht rust om zijn minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden, acht het hof het niet in het belang van de minderjarigen om de thans geldende zorgregeling uit te breiden. De vader komt de huidige zorgregeling wel na, zij het dat hem dat veel moeite kost, maar het is weinig zinvol de vader tot een uitbreiding te dwingen. De vader heeft ook in hoger beroep verklaard dat hij niet in staat is een (grotere) vaderrol te vervullen. Zo heeft de vader aangevoerd dat hij angstgevoelens en een depressie heeft, waarvoor hij inmiddels medicatie voorgeschreven heeft gekregen. De vader wordt begeleid door een psychiater en is inmiddels ziek gemeld bij zijn werkgever. De vader geeft aan dat hij niet in de behoeften van de minderjarigen kan voorzien, omdat hij zijn angst, stressgevoelens en boosheid onderdrukt wanneer de minderjarigen bij hem verblijven. Nadat de minderjarigen weer weg zijn komt deze boosheid eruit, waarna de vader op de muren slaat. De vader zou liever minder omgang met de minderjarigen willen dan meer. In het licht van het voorgaande acht het hof het niet in het belang van de minderjarigen om de zorgregeling uit te breiden.
5.5
Het hof ziet wel aanleiding om het halen en het aanvangsmoment van de zorgregeling op de zondag iets te wijzigen, in die zin dat de vader de minderjarigen om 12.00 uur bij de moeder ophaalt, tenzij de minderjarigen Arabische les hebben in de moskee. In dat geval haalt de vader de minderjarigen na de Arabische les bij de moskee in [plaats] op en brengt de vader de minderjarigen in de avond om 19.00 uur weer terug bij de moeder.
5.6
Omdat het hof de zorgregeling op een onderdeel aanpast zal het hof voor de overzichtelijkheid de bestreden beschikking voor wat betreft de zorgregeling vernietigen en als volgt beslissen.
Gezag
Ontvankelijkheid
5.7
De moeder heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan met betrekking tot het eenhoofdig gezag, in die zin dat zij wenst te worden belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen indien het hof de bestreden beschikking bekrachtigt of een zorgregeling bepaalt die in frequentie minder is dan een weekend per twee weken. Nu het hof de bestreden beschikking bekrachtigt, komt het hof toe aan het voorwaardelijk verzoek van de moeder.
5.8
Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 283 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in samenhang met artikel 130 Rv Pro, heeft de moeder in beginsel het recht (de gronden van) haar verzoek in hoger beroep te vermeerderen. Nu de moeder de oorspronkelijk verzoekster in eerste aanleg was, is bovendien geen sprake van een zelfstandig verzoek van de moeder in de zin van artikel 362 Rv Pro, dat niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. De verzoeken en de onderwerpen waarop zij betrekking hebben mogen echter niet zozeer van het onderwerp van geschil in eerste aanleg verschillen dat deze wijziging strijdig is met de eisen van een goede procesorde. Het hof is van oordeel dat het (voorwaardelijk) verzoek tot het verkrijgen van eenhoofdig gezag door de moeder in hoger beroep zozeer van de rechtsstrijd in eerste aanleg afwijkt, dat er sprake van is dat deze vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal de moeder om die reden niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot het verkrijgen van eenhoofdig gezag.
Proceskosten
5.9
Gelet op de aard van de procedure bepaalt het hof dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek om haar alleen te belasten met het ouderlijk gezag;
vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 september 2025 voor wat betreft de zorgregeling en, in zoverre opnieuw beschikkende;
bepaalt – onder wijziging van de beschikking van 18 september 2023 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 18 augustus 2023 – dat de volgende regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken geldt:
de minderjarigen verblijven wekelijks op zondag bij de vader, waarbij de vader de minderjarigen om 12.00 uur bij de moeder ophaalt en om 19.00 uur weer bij de moeder terugbrengt, tenzij de minderjarigen Arabische les hebben. In dat geval haalt de vader de minderjarigen na de Arabische les bij de moskee in [plaats] op en brengt de minderjarigen in de avond om 19.00 uur weer terug bij de moeder:
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Reijngoud, M.L.C.C. Lückers en D.E. Valle Robles-Roomer, bijgestaan door mr. F. van Wijk-Spieker als griffier en is op 11 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.