Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1905

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
22-001422-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 311 SrArt. 423 lid 4 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inbraakzaken met bevestiging en strafherziening

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf maanden voor meerdere inbraken in garageboxen en een bedrijfspand. In hoger beroep werd het vonnis deels bestreden, waarbij het hof het vonnis bevestigde, maar de straf herziet tot acht maanden gevangenisstraf. Tevens werd een strafbepaling conform artikel 423 lid 4 Sv Pro vastgesteld voor een feit dat niet aan het oordeel van het hof was onderworpen.

De feiten betreffen inbraken in meerdere garageboxen in Cruquius en een bedrijfspand in Maassluis, waarbij diverse goederen zoals elektronica, wijn en gereedschap werden weggenomen. De verdachte toonde weinig respect voor eigendommen van anderen en veroorzaakte schade en gevoelens van onveiligheid. Het hof hield rekening met eerdere veroordelingen van de verdachte en achtte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.

Daarnaast werd de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf toegewezen, omdat de verdachte tijdens de proeftijd nieuwe strafbare feiten had gepleegd. De strafbepaling voor het feit dat niet aan het oordeel van het hof was onderworpen, werd vastgesteld op drie maanden gevangenisstraf. Het hof bepaalde dat de tijd van voorarrest in mindering wordt gebracht op de opgelegde straf.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis, wijzigt de straf tot acht maanden gevangenisstraf en wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001422-25
Parketnummers: 10-407045-24 en 22-002690-23 (TUL)
Datum uitspraak: 3 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1986,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is blijkens de akte partiële intrekking hoger beroep van 22 september 2025 niet (langer) gericht tegen het onder 4 door de rechtbank bewezenverklaarde feit.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 maart 2024 tot en met 21 maart 2024 te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer (telkens) in/uit een of meerdere garageboxen, te weten - uit garagebox met nummer [nummer 1] , Apple earpods, een laptop, een telefoon en/of een speaker, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) en/of - uit garagebox met nummer [nummer 2] , meerdere flessen wijn, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) (telkens) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 maart 2024 tot en met 21 maart 2024 te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer (telkens) in/uit een of meerdere garageboxen (met nummers [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] en/of [nummer 7] ) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) (telkens) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking - met een koevoet de roldeuren van voornoemde garageboxen heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op of omstreeks 5 december 2024 te Maassluis geld en/of een ipad en/of een boormachine en/of JBL Boxen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis waarvan beroep met overneming van gronden behoort te worden bevestigd. Wel zal het hof het vonnis vernietigen voor wat betreft de opgelegde straf, de vordering tot tenuitvoerlegging en de bij elk van beide behorende motiveringen, omdat partieel hoger beroep is ingesteld en de eerste rechter één hoofdstraf heeft opgelegd. In zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan. Ook zal het hof conform artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering een straf bepalen voor het door de eerste rechter bewezenverklaarde feit dat niet aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft ingebroken in twee garageboxen en daaruit elektronica en flessen wijn gestolen. In diezelfde nacht heeft hij geprobeerd in te breken in vijf andere garageboxen. Een aantal maanden later heeft de verdachte ingebroken in een bedrijfspand en daaruit geld, elektronica en elektrisch gereedschap gestolen. Uit dit handelen van de verdachte blijkt dat hij weinig respect heeft voor de eigendommen van anderen. Inbraken als deze brengen schade en overlast voor de benadeelden mee. Bovendien dragen dit soort feiten bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft daar geen rekening mee gehouden en heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Gelet op de ernst van de feiten kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

De vordering tot tenuitvoerlegging

Bij arrest van 3 december 2024 met rolnummer 22-002690-23 is de verdachte door dit hof veroordeeld tot (onder meer) een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren. Van die vier maanden is door de officier van justitie te Rotterdam op 21 februari 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd. Daartoe heeft de officier van justitie overwogen dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een of meer strafbare feiten, zoals tenlastegelegd in de dagvaarding met parketnummer 10-407045-24 (zijnde de dagvaarding die aan de orde was in eerste aanleg).
Het hof stelt vast dat van de vier feiten, tenlastegelegd in de dagvaarding met parketnummer 10-407045-24, er twee gepleegd zijn vóórdat het arrest van 3 december 2024 was gewezen, namelijk de feiten 1 en 2. Om die reden kunnen die feiten niet de door de vordering gewenste rol spelen. Voor de feiten 3 en 4 geldt dat zij zijn gepleegd na het wijzen van het arrest en vóór het einde van de proeftijd, zodat zij wél de grondslag voor de vordering kunnen vormen. Daaraan staat niet in de weg dat feit 4 als gevolg van de partiële intrekking van het hoger beroep niet langer aan het oordeel van het hof is onderworpen (vergelijk randnummer 14 van CAG 20 maart 2001 (mr. Fokkens), ECLI:NL:PHR:2001:AB0609).
Met genoemd feit 3, zoals bewezenverklaard door het hof, en genoemd feit 4, zoals bewezenverklaard door de rechtbank, heeft de verdachte de voorwaarde uit het arrest van 3 december 2024 overtreden dat hij voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zou plegen. Dat de mededeling bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering ten tijde van het plegen van die feiten mogelijk nog niet was gedaan, doet – anders dan de raadsman heeft betoogd – daaraan niet af (zie HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5752). Om die reden zal het hof de vordering tot tenuitvoerlegging toewijzen.
Strafbepaling conform artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering
Het hof dient te beslissen welk gedeelte van de door de rechtbank opgelegde straf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van het feit dat niet aan het oordeel van het hof is onderworpen. De rechtbank heeft een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden opgelegd voor – kort gezegd – drie diefstallen met braak in kelderboxen of bedrijfspanden een poging tot diefstal met braak in kelderboxen. Het onder 4 door de rechtbank bewezenverklaarde feit, dat niet aan het oordeel van het hof is onderworpen, betreft een diefstal met braak in een bedrijfspand. Het hof bepaalt de voor dit feit opgelegde straf op een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de vordering tot tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden.
Bepaaltde straf voor het door de rechtbank onder 4 bewezenverklaarde op
3 (drie)maanden
gevangenisstraf.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde en bepaalde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie bij het arrondissementsparket te Rotterdam van 21 februari 2025, strekkende tot de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 december 2024, rolnummer 22-002690-23, voorwaardelijk opgelegde
gevangenisstraf van 4 maanden.
Bevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. B.W. Mulder, als voorzitter, mr. G.C. Haverkate en mr. E.A. Poppe-Gielesen, leden, in bijzijn van de griffier mr. H.W. Scheepbouwer.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 juni 2026.
Mr. H.W. Scheepbouwer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.