ECLI:NL:GHDHA:2026:1909

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
22-001911-22
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 AWR (oud)Art. 69 AWRArt. 255 SvArt. 243 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens niet-strafbaarheid opzettelijke onjuiste aangifte omzetbelasting

In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam is verdachte vervolgd voor het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte omzetbelasting door zijn bedrijf in het tweede kwartaal van 2017 en voor het onttrekken van goederen aan de boedel voorafgaand aan het faillissement.

Het hof oordeelt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van het eerste feit, ondanks eerdere boetes en een vaststellingsovereenkomst, omdat verdachte als natuurlijk persoon wordt vervolgd en niet als rechtspersoon. Het tweede feit, faillissementsfraude door onttrekking van auto's, is niet wettig en overtuigend bewezen.

Hoewel het eerste feit bewezen is, kwalificeert het niet als strafbaar feit omdat de tenlastelegging gebaseerd is op een oude wetsbepaling die ten tijde van het feit niet meer van toepassing was. Daarom wordt verdachte vrijgesproken en ontslagen van alle rechtsvervolging.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van faillissementsfraude en ontslagen van rechtsvervolging wegens niet-strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001911-22
Parketnummer: 10-751100-20
Datum uitspraak: 9 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Pakistan) op [geboortedatum] 1984,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
(Zaak BTW auto's)
[bedrijf 1]
op of omstreeks 4 juli 2017 te Rotterdam en/of Schiedam en/of elders in Nederland,
een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2017,
onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,
immers heeft [bedrijf 1] opzettelijk op het bij de inspecteur der belastingen te Rotterdam ingeleverde aangiftebiljet over het tweede kwartaal van 2017,
(telkens) een onjuist bedrag aan (af te dragen) omzetbelasting vermeld,
terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven,
aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
2.
hij in of omstreeks de maand mei 2017 te Rotterdam en/of Schiedam en/of elders in Nederland
als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 april 2018 in staat van faillissement is verklaard,
wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld,
enig goed aan de boedel heeft onttrokken en/of buitensporig middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt en/of uitgegeven en/of vervreemd dan wel hieraan zijn medewerking heeft verleend of daarvoor zijn toestemming heeft gegeven,
immers heeft [bedrijf 1] toen aldaar
  • een personenwagen MERCEDES-BENZ type A 200CDI AMG met chassisnummer [chassisnummer 1] verworven en/of vervreemd en/of
  • een personenwagen BMW X5 met chassisnumer [chassisnummer 2] verworven en/of vervreemd.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Standpunt verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de Belastingdienst aan [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) een vergrijpboete heeft opgelegd voor de BTW-fraude bedoeld onder 1 op de tenlastelegging, welke in de vereffening van het faillissement is betrokken. [bedrijf 1] mag nu niet meer worden vervolgd voor belastingfraude. Omdat de verdachte met [bedrijf 1] dient te worden vereenzelvigd, mag ook hij niet meer worden vervolgd en is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van het eerste feit. Diezelfde conclusie volgt ook uit het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van Douane en toeslagen (Protocol AAFD) nu het nadeelbedrag onder de grens van €100.000,00 ligt en er geen aanvullende wegingscriteria van toepassing zijn, aldus de raadsman.
Beoordeling
Het hof zal de verdachte hierna ook aanduiden als: [verdachte] .
Niet-ontvankelijkheid wegens vereenzelviging
De raadsman heeft op de zitting in eerste aanleg stukken overgelegd waaruit blijkt dat aan [bedrijf 1] een naheffingsaanslag van € 67.323,- en een vergrijpboete van € 67.323,- zijn opgelegd. Hierin is begrepen het niet afdragen van omzetbelasting over de verkoop van de BMW X5 en – anders dan de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen: ook – de Mercedes Benz A200CDI die op de tenlastelegging onder het tweede feit is vermeld. [verdachte] is in het faillissement van [bedrijf 1] persoonlijk aansprakelijk gesteld en heeft met de curator van [bedrijf 1] een vaststellingsovereenkomst gesloten die inhoudt dat [verdachte] ter finale kwijting een geldsom zal voldoen, welke hij heeft betaald.
Anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal is het hof van oordeel het voorgaande niet maakt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van [verdachte] ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit. Weliswaar staat artikel 255 jo Pro. artikel 243, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) eraan in de weg dat na oplegging van een bestuurlijke boete
dezelfde persoonvoor
hetzelfde feitopnieuw in rechte wordt betrokken, maar als hoofdregel geldt dat rechtspersonen en natuurlijke personen juridisch van elkaar te onderscheiden zijn. [verdachte] wordt thans vervolgd als natuurlijke persoon in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggever aan de verboden gedraging van de rechtspersoon [bedrijf 1] . Dit terwijl de boete is opgelegd aan de rechtspersoon.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:364) blijkt dat de enkele omstandigheid dat een verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit enig aandeelhouder en bestuurder is van de beboete rechtspersoon niet maakt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden geacht in de vervolging van [verdachte] .
Ook de overige omstandigheden die de raadsman heeft aangevoerd leiden niet tot het oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van [verdachte] op de grond dat hij met de rechtspersoon dient te worden vereenzelvigd. [verdachte] heeft op 15 december 2020 met de curator in het faillissement van [bedrijf 1] een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin hij zich heeft verbonden om voor 31 januari 2022 € 94.000,00 te voldoen aan de boedel, in mindering op het faillissementstekort, waarna hij tegenover de curator finaal zal zijn gekweten. Gelet op de hoogte van het tevens uit de vaststellingsovereenkomst blijkende faillissementstekort, dat het schikkingsbedrag aanzienlijk te boven gaat en waarop de betaling in mindering strekt, kan niet worden gezegd dat [verdachte] met deze betaling als natuurlijk persoon de vordering van de Belastingdienst op [bedrijf 1] uit hoofde van de vergrijpboete heeft voldaan.
Dat [verdachte] met de curator is overeengekomen dat hij na tijdige betaling van het schikkingsbedrag tegenover de curator finaal zal zijn gekweten is een afspraak die het openbaar ministerie niet bindt en het recht op strafvervolging niet kan inperken. Daar komt nog bij dat de vervolging van [verdachte] op de door hem met de curator overeengekomen datum van kwijting reeds was aangevangen.
Dat de aan de rechtspersoon opgelegde boete in dit geval, anders dan in het arrest van de Hoge Raad, een vergrijpboete betreft en geen verzuimboete, maakt dit niet anders. Dergelijke factoren kunnen in geval van een bewezenverklaring wel worden betrokken bij de straftoemeting.
Het verweer van de verdediging wordt in zoverre verworpen.
Niet-ontvankelijkheid wegens schending Protocol AAFD?
Op vervolging van belastingfraude zoals deze in feit 1 ten laste is gelegd, is van toepassing het Protocol AAFD, gepubliceerd in de Staatscourant van 25 juni 2015, nr. 17271. Op basis hiervan komt een zaak voor aanmelding voor mogelijke strafrechtelijke afdoening in aanmerking indien het nadeel ten minste het drempelbedrag van € 100.000,00 overschrijdt. Als het nadeel minder dan € 100.000,00 bedraagt, kan de zaak toch voor strafrechtelijke afhandeling worden aangemeld als sprake is van een vermoeden van opzet én als een of meer van de aanvullende wegingscriteria daartoe aanleiding geeft/geven.
In casu is sprake van een nadeelbedrag van € 67.323,00 afgaande op de naheffingsaanslag zoals als productie 9 overgelegd door de verdediging in eerste aanleg.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat in het geval van [verdachte] niet alleen sprake was van een vermoeden van opzettelijk handelen, maar er daarnaast ook aanvullende wegingscriteria aan de orde waren die aanleiding konden vormen tot afdoening middels het strafrecht. Dit betreft de wegingsciteria genoemd onder d. (verhaal is onmogelijk), e. (combinatie van delicten), f. (medewerking van adviseur) en i. (waarheidsvinding).
Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie in redelijkheid tot een strafrechtelijke afdoening van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft kunnen besluiten, reeds nu de hiervoor onder e. en f. genoemde wegingscriteria daartoe voldoende gewicht in de schaal leggen.
Bij het wegingscriterium onder e. is in het Protocol AAFD als toelichting opgenomen:
“De rechtsorde zal meer geschokt zijn als de verdachte meerdere soorten delicten pleegt. Daarom moet bij de beslissing of een zaak strafrechtelijk wordt afgedaan de combinatie van alle, vermoedelijk door de verdachte begane, delicten meewegen.” Het gaat blijkens het Protocol met name om delicten die in enige mate samenhangen met de delicten waarop het Protocol AAFD ziet, maar met een voldoende eigenstandig karakter. Daarvan is in het onderhavige geval naar het oordeel van het hof evident sprake. Het openbaar ministerie verwijt [verdachte] in feit 1 dat [bedrijf 1] opzettelijk de fiscus heeft benadeeld door de handelwijze met betrekking tot de BMW X5 en de Mercedes Benz A200CDI, waaraan hij feitelijke leiding heeft gegeven. Feit 2 ziet op benadeling van de schuldeisers van [bedrijf 1] in hun verhaalsmogelijkheden na faillissement als gevolg van de handelwijze met betrekking tot de auto’s, welke feit [verdachte] als feitelijke leidinggever wordt verweten.
Bij het wegingscriterium onder f. vermeldt het Protocol AAFD:
“Dit criterium is van groot belang, omdat het gaat om een situatie waarin het vertrouwen van de overheid wordt misbruikt. Een reden te meer om dit misbruik aan te pakken is dat de Belastingdienst adviseurs en douane-expediteurs (vergaande) faciliteiten toekent of met hen afspraken maakt over horizontaal toezicht.”
De advocaat-generaal heeft erop gewezen dat medeverdachte [medeverdachte 1] , de eigenaar van [bedrijf 2] , geldt als adviseur van [verdachte] in de zin van dit wegingscriterium. Ook hij wordt strafrechtelijk vervolgd, onder andere voor het plegen van belastingfraude ten aanzien van de omzetbelasting van [bedrijf 1] en het witwassen van een van de twee betrokken personenauto’s.
Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat het openbaar ministerie, de ernst van het feit afwegend tegen het belang van [verdachte] bij bestuurlijke afdoening, in redelijkheid niet voor strafvervolging van het onder 1 tenlastegelegde had mogen kiezen.
De slotsom luidt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging van het onder 1 tenlastegelegde feit. Het verweer wordt verworpen.

Vrijspraak feit 2

[bedrijf 1] is op 24 april 2018 in staat van faillissement verklaard. Onder feit 2 wordt [verdachte] verweten dat hij in of omstreeks de maand mei 2017, voorafgaand aan het faillissement, tezamen en in vereniging met een of meer anderen enig goed aan de boedel van die rechtspersoon heeft onttrokken door de in de tenlastelegging genoemde BMW X5 en Mercedes-Benz A200CDI te verwerven en vervreemden, waardoor schuldeisers van de failliete onderneming in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld.
Het hof houdt het er met de rechtbank voor, en mede nu op dit punt door het openbaar ministerie geen andersluidend standpunt is ingenomen en door de verdediging geen verweer is gevoerd, dat de opsteller van de tenlastelegging hiermee voor ogen heeft gehad dat de schuldenlast van [bedrijf 1] is vergroot doordat als gevolg van de transacties met deze auto’s een BTW-schuld is ontstaan, die ten tijde van het faillissement nog bestond.
Voor een veroordeling wegens het onder 2 ten laste gelegde dient in dit geval wettig en overtuigend bewezen te worden dat [verdachte] ten tijde van het vervreemden van de auto’s, omstreeks de maand mei 2017, al wist:
  • dat [bedrijf 1] failliet zou gaan, dan wel dat het faillissement van [bedrijf 1] op dat moment voorzienbaar was
  • dat als gevolg van de bewuste transacties de schuldeisers in het faillissement van [bedrijf 1] zouden worden benadeeld.
Het hof overweegt dat de aandelen van [bedrijf 1] op 9 augustus 2017 zijn overgedragen aan [naam stichting]
,waarvan het bestuur werd gevormd door een [bestuurder] , een katvanger. Hoewel er aanwijzingen zijn dat het faillissement op dat moment voor [verdachte] voorzienbaar is geweest, kan op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting naar het oordeel van het hof niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat dit ook in of omstreeks de maand mei 2017 al het geval is geweest.
Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan [verdachte] onder 2 is tenlastegelegd, zodat [verdachte] daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging feit 1

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van opzet. Het tapgesprek van 8 september 2017 vormt daartoe geen bewijs. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat niet hij, maar [bedrijf 2] de verkoopfacturen van de auto’s heeft opgemaakt en dat deze nog niet in zijn fysieke administratie zaten. Hij ging ervan uit dat zijn boekhouder de verkoopfacturen mee zou nemen in de aangifte.
Het hof overweegt als volgt.
[verdachte] was bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] , handelend onder de naam [bedrijf 3] . De onderneming voerde winkels in dameskleding. [verdachte] was klant bij [bedrijf 2] , die voor [bedrijf 1] de administratie en de aangifte omzetbelasting verzorgde.
Ter zitting in hoger beroep heeft [verdachte] verklaard dat [medeverdachte 1] hem in 2017 heeft getipt dat hij winst kon maken met de aan- en verkoop van auto’s in Duitsland. [medeverdachte 1] wees hem in dat verband op een BMW X5 die te koop stond en vroeg of hij deze wilde aankopen en met winst weer doorverkopen.
In april 2017 heeft [bedrijf 1] vervolgens in Duitsland een BMW X5 gekocht, waarvoor in totaal € 45.568,00 is betaald. Het betreft een intracommunautaire verwerving, zodat hierover geen BTW was verschuldigd. [bedrijf 1] heeft de BMW X5 op 6 juni 2017 verkocht aan [bedrijf 4] voor een bedrag van € 56.265,00, inclusief € 9.765 BTW. De auto is vervolgens verkocht aan [bedrijf 5] en daarna aan [bedrijf 2] . Vanaf 25 juli 2017 heeft de auto op naam gestaan van [medeverdachte 1] , die heeft bevestigd daarvan de gebruiker te zijn geweest.
Op 18 mei 2017 heeft [bedrijf 1] een Mercedes Benz A200CDI aangekocht in Duitsland voor € 19.000,00, zonder BTW. De auto is op 23 mei 2017 verkocht aan [bedrijf 5] voor € 21.500,00 exclusief BTW en € 26.015,00 inclusief BTW. [bedrijf 5] is een vennootschap van [medeverdachte 2] , een medewerker van [bedrijf 2] . [verdachte] heeft verklaard dat [bedrijf 1] de Mercedes Benz A200CDI heeft gekocht omdat Naeem hem dat had gevraagd. Hij wilde winst maken met de aan- en verkoop.
De aangifte omzetbelasting van [bedrijf 1] over het tweede kwartaal van 2017 is door [bedrijf 2] gedaan op 4 juli 2017. Hierin is geen BTW-aangifte gedaan met betrekking tot de verkoop van de BMW X5 en van de Mercedes A200CDI. Op 8 september 2017 heeft [verdachte] hierover een gesprek gehad met de Belastingdienst. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de Belastingdienst een naheffingsaanslag en een boete opgelegd. Deze waren nog niet betaald op 24 april 2018, toen het faillissement van [bedrijf 1] werd uitgesproken.
[verdachte] heeft verklaard dat hij de activiteiten met betrekking tot de auto’s naast zijn werkzaamheden in de damesmodezaken heeft gedaan. Terwijl hij in april 2017 reeds van plan was om [bedrijf 1] te verkopen is hij desondanks tot aankoop van beide auto’s overgegaan “omdat hij niet wist hoe lang het zou duren om de juiste kandidaat te vinden”.
De aankoopsom van de Mercedes Benz was voorgefinancierd door [bedrijf 5] , maar voor de aankoop van de BMW X5 heeft [verdachte] verklaard meerdere leningen te hebben afgesloten, onder andere bij familieleden, terwijl hij op dat moment nog niet wist hoeveel winst hij zou behalen. Uit onderzoek is gebleken dat het geld waarmee de BMW X5 is betaald aan de verkoper in Duitsland daaraan voorafgaand in vier bedragen is overgeboekt van een privé-bankrekening van [verdachte] naar de rekening van [bedrijf 1] . De privé-rekening van [verdachte] is op zijn beurt gevoed met een contante storting, een overboeking vanaf een bankrekening van [bedrijf 6] en twee overboekingen van familieleden van [verdachte] onder de vermelding van ‘lening’. Uit onderzoek naar de bankrekeningen van [bedrijf 6] en van de familieleden is gebleken dat deze op hun beurt met vier contante stortingen waren gevoed. Aldus is de BMW X5 gefinancierd met contant geld, dat via diverse overboekingen bij [bedrijf 1] terecht is gekomen. Deze handelwijze duidt er volgens het hof op dat van aankopen in het kader van een normale bedrijfsvoering geen sprake was.
Gelet op het voorgaande acht het hof de verklaringen van [verdachte] over de aan- en verkoop van de beide auto’s door [bedrijf 1] ongeloofwaardig en stelt het hof deze ter zijde. Onder andere hecht het hof geen geloof aan de verklaring dat [verdachte] niet zou hebben geweten dat de BMW X5, ondanks tussenschakels zoals [bedrijf 4] , voor [medeverdachte 1] bestemd was. [medeverdachte 1] heeft ook zelf verklaard dat hij de BMW X5 via [bedrijf 1] heeft gekocht. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de handelwijze met betrekking tot de aankoop en (door)verkoop van de beide auto’s, kan het niet anders zijn dan dat het opzet van [verdachte] erop was gericht om de auto’s in te voeren zonder belasting te betalen. Dit vindt bevestiging in een telefoongesprek van [verdachte] met [medeverdachte 1] van 8 september 2017, de datum van waarop [verdachte] een gesprek had met de Belastingdienst, welk telefoongesprek is opgenomen. Hierin vroeg [medeverdachte 1] of [verdachte] zijn gesprek al had gehad, waarop [verdachte] bevestigend heeft geantwoord. Vervolgens hebben zij het volgende besproken:
[medeverdachte 1] : niet zo goed gesprek gehad?
[verdachte] : nee, ze waren achter alleen die twee dingen, verder was er geen probleem.
[medeverdachte 1] : dat is geen probleem. De boekhouder heeft twee brieven gestuurd. Dat is geen probleem.
[verdachte] : ze zeiden over dat, het is niet gedaan.
[medeverdachte 1] : die zijn verkocht, dat kunnen we laten zien (…) Ik ga aankoop en verkoop beide laten zien.
Dit gesprek had naar het oordeel van het hof betrekking op de BMW X5 en de Mercedes A200CDI en maakt duidelijk dat [verdachte] wist dat deze niet in de aangifte omzetbelasting van zijn vennootschap [bedrijf 1] waren opgenomen. In het kader van de wetenschap wijst het hof tot slot op het verslag van het gesprek met de Belastingdienst op 8 september 2017 waarin [verdachte] aangeeft dat hij beschikt over de in-en verkoopfacturen met betrekking tot de ingekochte auto’s in Duitsland en dat zijn adviseur, waarmee hij doelt op [bedrijf 2] , niet op de hoogte is gesteld van deze transactie.
Gelet op het voorgaande heeft [bedrijf 1] naar het oordeel van het hof opzettelijk de aangifte voor de omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2017 onjuist en/of onvolledig gedaan, terwijl de verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. Het gevolg van deze handelwijze zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven. Feit 1 is wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
(Zaak BTW auto's)
[bedrijf 1]
op
of omstreeks4 juli 2017 te Rotterdam en/of Schiedam en/of elders in Nederland,
een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2017,
onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,
immers heeft [bedrijf 1] opzettelijk op het bij de inspecteur der belastingen te Rotterdam ingeleverde aangiftebiljet over het tweede kwartaal van 2017,
(telkens)een onjuist bedrag aan (af te dragen) omzetbelasting vermeld,
terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven,
aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. [verdachte] moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert evenwel geen strafbaar feit op, nu de tenlastelegging is gebaseerd op de tekst van artikel 68, eerste lid (oud) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) zoals deze tekst gold tot 1 januari 1998, ruimschoots voorafgaand aan de tenlastegelegde periode. Op 1 januari 1998 is het zogenoemde gevolgbestanddeel, dat luidde “indien daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven” vervangen door het zogenoemde strekkingsvereiste, dat thans is opgenomen in artikel 69, tweede lid, AWR. Dit luidt: “indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.”
Zowel het gevolgbestanddeel als het strekkingsvereiste zijn geobjectiveerd, maar uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het strekkingsvereiste - in verhouding tot de oude formulering - werd beoogd de grens van de strafbaarheid enger te maken. De gedragingen dienen niet alleen ten gevolg te hebben dat de mogelijkheid van benadeling bestaat, maar moeten die benadeling naar redelijke, uit de objectieve omstandigheden af te leiden, verwachting waarschijnlijk maken.
Nu de delictsomschrijving ten tijde van het bewezenverklaarde niet meer gold, kan het bewezenverklaarde feit niet worden gekwalificeerd. De verdachte dient ter zake daarvan te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Dit arrest is gewezen door mr. K. Versteeg, als voorzitter,
mr. R. van der Hoeven en mr. M.S. Lamboo, leden,
in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 juni 2026.