ECLI:NL:GHDHA:2026:1910

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
22-001830-22
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 47 SrArt. 51 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: feitelijke leiding witwassen vastgoed en belastingfraude door Surinaamse directeur

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor feitelijke leiding geven aan witwassen van crimineel vermogen door investeringen in vastgoed via twee Surinaamse vennootschappen en het niet tijdig doen van vennootschapsbelastingaangiften over 2018 en 2019. De rechtbank Rotterdam veroordeelde verdachte tot 18 maanden gevangenisstraf, maar het hof vernietigde dit vonnis en deed opnieuw recht.

Het hof oordeelde dat verdachte als directeur van de vennootschappen feitelijke leiding gaf aan het witwassen van geld dat afkomstig was uit enig misdrijf, onder meer door aankoop van appartementen in Rotterdam met gelden afkomstig van rechtspersonen uit de Verenigde Arabische Emiraten. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte feitelijke leiding gaf aan het niet doen van de vennootschapsbelastingaangiften, waardoor te weinig belasting werd geheven.

De verdediging voerde onder meer aan dat de betalingen niet duidden op witwassen en dat de aangifteplicht niet bestond, maar het hof verwierp deze verweren. Het hof nam het late en onvoldoende onderbouwde rapport van de verdediging niet mee in haar oordeel. Gelet op de ernst van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep legde het hof een gevangenisstraf van 12 maanden op. Tevens werd verbeurdverklaring van de betrokken onroerende goederen uitgesproken.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf voor feitelijke leiding geven aan witwassen en belastingfraude, met verbeurdverklaring van twee onroerende goederen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001830-22
Parketnummer: 10-751101-20
Datum uitspraak: 9 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( Suriname ) op [geboortedatum] 1974,
adres: [woonadres] , [woonplaats] ( Suriname ).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Tevens is beslist op het beslag, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
(Zaak [zaaksnaam 1] )
[bedrijf 1]
in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 3 juli 2020 te Rotterdam en/of elders in Nederland en/of te Paramaribo en/of elders in Suriname
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
het appartement aan de [adres 1] Rotterdam (en - twee - stallingsplaatsen, gelegen aan de [adres 2] ) heeft verworven en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden, dat dit vastgoed - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - uit enig misdrijf afkomstig was,
aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 3 juli 2020
te Rotterdam en/of elders in Nederland en/of te Paramaribo en/of elders in Suriname tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de verplaatsing van zijn inkomsten en/of vermogen heeft verborgen en/of verhuld
door deze inkomsten en/of dit vermogen (gedeeltelijk, middellijk) onder te brengen in [bedrijf 1] en/of (hiermee) te investeren in het appartement aan de [adres 1] Rotterdam (en - twee -stallingsplaatsen, gelegen aan de [adres 2] ),
en/of
genoemde inkomsten en/of vermogen heeft omgezet in betalingen door [rechtspersoon uit de VAE 1] en/of [rechtspersoon uit de VAE 2] (te Dubai) aan [notariskantoor 1] (te Breda) en/of in een (back to back) lening van [rechtspersoon uit de VAE 1] aan [bedrijf 1] ,
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die inkomsten en/of dat vermogen - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
3.
(Zaak [zaaksnaam 2] )
[bedrijf 2]
in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 3 juli 2020
te Rotterdam en/of elders in Nederland en/of te Paramaribo en/of elders in Suriname tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
het appartement aan de [adres 3] Rotterdam (en - twee - stallingsplaatsen, gelegen aan de [adres 2] ) heeft verworven en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden, dat dit vastgoed - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - uit enig misdrijf afkomstig was,
aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;
4.
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 3 juli 2020
te Rotterdam en/of elders in Nederland en/of te Paramaribo en/of elders in Suriname tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de verplaatsing van zijn inkomsten en/of vermogen heeft verborgen en/of verhuld
door deze inkomsten en/of dit vermogen (gedeeltelijk, middellijk) onder te brengen in [bedrijf 2] en/of (hiermee) te investeren in het appartement aan de [adres 3] Rotterdam (en - twee - stallingsplaatsen, gelegen aan de [adres 2] ),
en/of
genoemde inkomsten en/of vermogen heeft omgezet in betalingen (voor de aankoopsom van het appartement) door [bedrijf 3] / [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] aan [notariskantoor 2] (te Rotterdam) en/of in betalingen (voor de rente op de hypothecaire lening) door [bedrijf 6] en/of [bedrijf 7] aan [particuliere geldverstrekker] ,
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die inkomsten en/of dat vermogen - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
5.
[bedrijf 2]
in of omstreeks de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 januari 2021
te Heerlen en/of elders in Nederland en/of te Paramaribo en/of elders in Suriname
(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
te weten (een) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting over de/het jaar/jaren 2018 en/of 2019,
niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen te Heerlen gestelde termijn heeft gedaan,
terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
6.
[bedrijf 1]
in of omstreeks de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 januari 2021 te Heerlen en/of elders in Nederland en/of te Paramaribo en/of elders in Suriname
(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
te weten (een) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting over de/het jaar/jaren 2018 en/of 2019,
niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen te Heerlen gestelde termijn heeft gedaan,
terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met aanvulling van gronden, en behoudens ten aanzien van de opgelegde straf, zodat de verdachte - te dien aanzien opnieuw rechtdoende - zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de verbeurdverklaring van de onroerende registergoederen [adres 1] en [adres 3] te Rotterdam gevorderd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Het hof zal de verdachte hierna ook aanduiden als: [verdachte]

Overwegingen van het hof

[verdachte] wordt verweten zich te hebben schuldig gemaakt aan het feitelijke leiding geven aan witwassen van vastgoed door [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) (feit 1), het medeplegen van witwassen van zijn inkomsten en/of vermogen door deze inkomsten en/of vermogen onder te brengen in [bedrijf 1] (feit 2), het feitelijke leiding geven aan witwassen van vastgoed door [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) (feit 3) en aan het medeplegen van witwassen van zijn inkomsten en/of vermogen door deze inkomsten en/of vermogen onder te brengen in [bedrijf 2] (feit 4).
[verdachte] wordt voorts verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijke leiding geven aan belastingfraude doordat zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 1] aangiften vennootschapsbelasting niet of niet binnen de daartoe gestelde termijn hebben gedaan, waardoor er te weinig belasting werd geheven (feiten 5 en 6).
Bewijsoverweging feiten 1 tot en met 4 - witwassen
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen en dat het vonnis van de rechtbank kan worden bevestigd. Het door de verdediging ingebrachte rapport van de [juridische en financiële adviesgroep] heeft geen waarde; het witwasvermoeden wordt niet weerlegd. Indien het hof van oordeel is dat de ingebrachte stukken hadden moeten leiden tot nader onderzoek, dan verzoekt de advocaat-generaal om aanhouding om het openbaar ministerie de gelegenheid te geven zulks te doen.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich – kort en goed – primair op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten niet kunnen worden bewezen. Voor wat betreft de feiten 1 en 2 (m.b.t. [bedrijf 1] ) heeft de verdediging gewezen op contra-indicaties voor witwassen. Zo is geen sprake van contante betalingen, is de koper een geregistreerde Surinaamse N.V. en de financier een geregistreerde Dubai LLC, is sprake van een leenovereenkomst en genereert het pand na verkoop inkomsten uit verhuur. Voor wat betreft de feiten 3 en 4 ( [bedrijf 2] ) is volgens de verdediging evenmin sprake van contante betalingen. Naar [bedrijf 3] is geen onderzoek gedaan door de politie. [verdachte] genereerde via zijn bedrijf [bedrijf 8] inkomsten in Suriname waardoor het bedrag van € 184.190,- kon worden betaald aan/verrekend met [bedrijf 3] . Naar [bedrijf 8] heeft het openbaar ministerie evenmin onderzoek gedaan. De overgelegde stukken van de [juridische en financiële adviesgroep] dienen te worden gezien als verklaring van [verdachte] . Zonder nader onderzoek naar deze verklaring zal vrijspraak dienen te volgen.
Subsidiair heeft de verdediging verzocht om het doen verrichten van nader onderzoek door het openbaar ministerie in de vorm van een verhoor van [verdachte] , het horen van [getuige] als getuige, het doen uitgaan van rechtshulpverzoeken naar de VS (in verband met het witwasverleden van [getuige] ) en naar Dubai (teneinde het betalingsverkeer van [rechtspersoon uit de VAE 1] nader te onderzoeken en voor het horen van vader en zoon [achternaam vader en zoon] ) en het horen van de bestuurder van [rechtspersoon uit de VAE 2] omtrent de transacties van dat bedrijf.
Juridisch kader witwassen
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder a en b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf', niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring (HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:20l8:2352). Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Feiten en omstandigheden
Het hof leidt uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen het volgende af.
[verdachte] is op 23 december 2016 als directeur van [bedrijf 1] ingeschreven in het handelsregister in Suriname. Op 17 mei 2017 heeft [bedrijf 1] met bemiddeling van makelaar [makelaar] het appartement aan de [adres 1] te Rotterdam inclusief twee stallingsplaatsen gekocht voor een bedrag van € 450.000,-. Op het pand is geen hypotheek gevestigd. De koopsom is voldaan door middel van acht stortingen op de derdenrekening van de notaris [notariskantoor 1] vanaf vier verschillende bankrekeningen van twee verschillende rechtspersonen uit de Verenigde Arabische Emiraten (VAE): [rechtspersoon uit de VAE 1] en [rechtspersoon uit de VAE 2] . De stortingen vonden plaats in de periode 29 november 2016 tot en met 25 april 2017. De koopsom is als volgt op de bankrekening van de notaris gekomen:
Bedrag
Datum
Afkomstig van
Bankrekeningnummer
€ 33.097,19
29 november 2016
rechtspersoon uit de VAE 1
bankrekeningnummer 1
€ 12.711,19
29 november 2016
rechtspersoon uit de VAE 1
bankrekeningnummer 1
€ 99.873,40
25 januari 2017
rechtspersoon uit de VAE 1
bankrekeningnummer 2
€ 99.924,00
27 januari 2017
rechtspersoon uit de VAE 1
bankrekeningnummer 3
€ 49.915,40
29 maart 2017
rechtspersoon uit de VAE 1
bankrekeningnummer 2
€ 54.650,00
4 april 2017
rechtspersoon uit de VAE 2
bankrekeningnummer 4
€ 49.903,37
5 april 2017
rechtspersoon uit de VAE 1
bankrekeningnummer 2
€ 64.903,37
25 april 2017
rechtspersoon uit de VAE 1
bankrekeningnummer 2
€ 464.977,92
Uit het dossier volgt dat medeverdachte [medeverdachte] actief bij deze vastgoedtransactie betrokken was. Uit een bij een e-mail van [medeverdachte] aan [persoon 1] gevoegde e-mail van 28 maart 2017 volgt dat de bank in de VAE vragen heeft gesteld over een betaling van € 100.000,- naar de derdenrekening van notaris [notariskantoor 1] . De bank heeft [rechtspersoon uit de VAE 1] herhaaldelijk verzocht om documentatie met betrekking tot de transacties en laat weten dat transacties worden geblokkeerd als de documenten uitblijven. De bankmedewerker heeft [persoon 1] geadviseerd om de betalingen klein en langzaam te laten plaatsvinden.
[verdachte] is op 22 december 2016 als directeur van [bedrijf 2] ingeschreven in het handelsregister van Suriname. Op 30 januari 2018 heeft [bedrijf 2] , opnieuw met bemiddeling van [makelaar] , het appartement aan de [adres 3] inclusief twee stallingsplaatsen gekocht voor een bedrag van € 530.000,-. De koopsom is voldaan door de volgende stortingen met bijbehorende omschrijvingen:
Rechtspersoon
Aard
Bedrag
[bedrijf 5]
Lening ten behoeve van waarborgsom
€ 50.500
[bedrijf 3]
€ 184.190
[notariskantoor 3]
Hypothecaire lening
€ 308.095,29
[bedrijf 6]
Namens [verdachte]
€ 1.096,38
€ 543.882
[bedrijf 5] is een vennootschap die blijkens de gegevens van de Kamer van Koophandel is ingeschreven op het kantooradres van [medeverdachte] , met het e-mailadres [e-mailadres] . Enig aandeelhouder en bestuurder is [persoon 2] , met een adres in Dubai. Uit onderzoek is gebleken dat de activiteiten van [bedrijf 5] bestaan uit het verrichten en ontvangen van betalingen op haar bankrekening van de [naam bank] , welk geldverkeer deels afkomstig is uit de VAE en voornamelijk betrekking heeft op een viertal projecten waar [medeverdachte] bij betrokken is. Uit een telefoongesprek tussen [medeverdachte] en makelaar [makelaar] van 17 januari 2018 kan worden opgemaakt dat [medeverdachte] degene is die, onder vermelding van ‘lening ten behoeve van waarborgsom’, het geld voor de waarborgsom heeft gestort vanuit [bedrijf 5] en dat hij ten behoeve van die storting eerst € 65.000,- van [verdachte] heeft ontvangen. De relatie tussen enerzijds [verdachte] en [bedrijf 2] en anderzijds [bedrijf 3] / [bedrijf 4] . is niet duidelijk geworden. De betaling van [notariskantoor 3] ziet op een hypothecaire lening die aan [verdachte] is verstrekt door de particuliere geldverstrekker [particuliere geldverstrekker] , met een looptijd van slechts enkele maanden en een rentepercentage van 10% per jaar.
Op 21 januari 2018 om 13:10 uur voert [medeverdachte] een telefoongesprek met een onbekende man met een Surinaams/Antilliaansaccent. [medeverdachte] zegt: “
Ik moet het op [bedrijf 1] , waarschijnlijk, zetten toch?” De onbekende man antwoordt dan “
Nee, nee, nee, nee je moet het op [bedrijf 2]”. Vervolgens zegt [medeverdachte] dat hij de volledige KvK moet hebben want “
dat bedrijf waar ik op zet die moet wel betalen. Hoeft niet gelijk. Maar die moeten het wel in delen betalen. Dan krijg jij natuu .... wij regelen dan onderling wel weer terug, dat is niet probleem. (…) Elke keer als je dat doet, van verrekenen we. Dat kunnen we altijd op twee (2) manieren doen. (…) Maar dat is persoonlijk als ik je zie, bespreken we dat wel. (…) Dus je moet wel een bedrijf hebben, waarvan je weet dat je het via de bank kan overmaken”.
[medeverdachte] dringt er in het gesprek op aan dat het een bedrijf moet zijn dat via de bank kan betalen en lijkt te suggereren dat de persoon aan de andere kant van de lijn de bedragen op een andere wijze weer terug krijgt (‘verrekenen’), maar dat is iets om persoonlijk te bespreken.
Gezien de aard van het gesprek kan deze onbekende man naar het oordeel van het hof niemand anders zijn dan [verdachte] . Zo wordt de onbekende man eerder in het gesprek door [medeverdachte] ‘directeur’ genoemd en gaat het in het gesprek over [bedrijf 2] en [bedrijf 1] , de beide ondernemingen waarvan de verdachte directeur is, waarbij de onbekende man [medeverdachte] opdraagt om het “op [bedrijf 2] ” te “zetten”. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn geen andere personen naar voren gekomen die zelfstandig konden optreden namens deze vennootschappen.
[verdachte] is bij vonnis van de rechtbank Antwerpen van 9 februari 2012 veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van 5 jaar waarvan 3 jaar voorwaardelijk terzake onder andere misdrijven met betrekking tot verdovende middelen, gepleegd in 2010. Ook werd wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen tot een bedrag van € 278.850,23.
[verdachte] staat sinds 5 september 2014 niet meer ingeschreven in Nederland. Nadien stond hij in België ingeschreven. [verdachte] heeft in de periode van 2015-2017 geen inkomen of vermogen in Nederland gehad. In België heeft [verdachte] voor het jaar 2015 een bedrag van € 34.532,- als belastbaar inkomen aangegeven en voor de jaren 2016 en 2017 geen inkomen.
De vennootschappen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben over de jaren 2018 tot en met 2020 geen aangiften vennootschapsbelasting in Nederland gedaan.
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden het vermoeden dat de twee appartementen met stallingsplaatsen aan de [adres 1] ( [bedrijf 1] ) en [adres 3] ( [bedrijf 2] ) zijn verworven met geld dat uit misdrijf afkomstig is en dat tevens sprake is van verbergen en verhullen van uit misdrijf afkomstig geld in de zin van de witwasbepalingen. Sprake is van diverse witwastypologieën of indicatoren. Zo staan de transacties niet in verhouding tot de (bekende) inkomsten (in privé van [verdachte] en van de beide vennootschappen) en zijn van de twee vennootschappen geen activiteiten bekend in de landen van waaruit de gelden afkomstig zijn. Wel heeft [verdachte] antecedenten met betrekking tot de Opiumwet. In het dossier [bedrijf 2] is verder sprake van een hypothecaire lening door een niet-financiële instelling ( [particuliere geldverstrekker] ) terwijl deze lening is verstrekt met een korte looptijd en een hoog rentepercentage (10%) en er is sprake van buitenlandse rechtspersonen met vastgoedbezit die niet voldoen aan hun verplichting tot belastingaangifte.
Bij die stand van zaken mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft omtrent de herkomst van het geld.
De politie heeft [verdachte] niet als verdachte kunnen horen. In eerste aanleg is [verdachte] niet ter terechtzitting verschenen, en evenmin ter terechtzitting in hoger beroep.
Op 23 september 2024, één dag voor de regiezitting in hoger beroep, heeft de verdediging een rapportage ‘Administratie en Jaarrekeningen 01/01/2017 – 31/12/2020’ overgelegd van de [juridische en financiële adviesgroep] (hierna: rapport 1). In deze rapportage wordt melding gemaakt van rekening-courant leningen met het kennelijk eveneens aan de verdachte gelieerde bedrijf [bedrijf 8] , waarmee de onroerend goed aankopen van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] (deels) werden bekostigd. Uit rapport 1 volgt dat de administratie niet op orde is en op verzoek van [verdachte] ‘thans’ op de juiste wijze wordt opgemaakt. Op vragen van de advocaat-generaal en de voorzitter (o.a. wie [juridische en financiële adviesgroep] is), zou door de verdediging worden teruggekomen. Dit is eerst gebeurd bij e-mail van 4 maart 2026 (document: Wie is [juridische en financiële adviesgroep] ?).
In de vroege ochtend van 2 maart 2026, de dag waarop de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep aanving, heeft de verdediging een ‘Rapport – Administratieve Toelichting & Feitenrelaas 2013-2024 [bedrijf 1] & [bedrijf 2] ’, opgesteld door [juridische en financiële adviesgroep] en voorzien van tientallen bijlagen (hierna: rapport 2) ingediend. De verdediging is bij pleidooi niet nader inhoudelijk op dit rapport ingegaan, behalve dat zij heeft gesteld dat uit de bankrekeningen van de verdachte zou volgen dat de twee vastgoedbedrijven van de verdachte geld genereerden waaruit de verdachte in privé inkomsten genoot. Daarnaast zou ook de NV [bedrijf 8] handelsactiviteiten verrichten en daarmee geld verdienen.
Met betrekking tot de vraag of hiermee sprake is van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn, overweegt het hof als volgt.
Het hof merkt in de eerste plaats op dat rapport 1 nauwelijks informatie bevat en dat rapport 2 op een zeer laat moment in de strafrechtelijke procedure is overgelegd en zonder dat de verdediging dit rapport nader heeft toegelicht. In rapport 2 staat dat de vastgoedtransacties van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] gefinancierd zouden zijn via rekening-courantleningen met [bedrijf 8] . De betalingen via [rechtspersoon uit de VAE 1] en [rechtspersoon uit de VAE 2] ( [bedrijf 1] ) en [bedrijf 3] ( [bedrijf 2] ) zijn volgens de opsteller van rapport 2 herleidbaar tot verrekeningen met [bedrijf 8] . De betalingen door [rechtspersoon uit de VAE 1] en [rechtspersoon uit de VAE 2] betreffen verrekeningen via [bedrijf 3] . In rapport 2 is een balansrapport van [bedrijf 8] opgenomen. Dit is een beschrijving/samenvatting van een balansrapport tot en met 31 december 2020, opgesteld op 27 februari 2026. Daarop zijn ultimo 31 december 2020 twee rekening courant-vorderingen opgenomen, te weten een rekening courant-vordering [bedrijf 2] van € 367.635,- en een rekening courant-vordering [bedrijf 1] van € 450.000,- De daadwerkelijke balans is niet als bijlage bij het rapport gevoegd. Het valt op dat er geen omzet van [bedrijf 8] is in de verslagperiode en dat er wel betalingen zouden zijn verricht via [rechtspersoon uit de VAE 1] , [rechtspersoon uit de VAE 2] en [bedrijf 3] . Deze betalingen zijn niet nader gedocumenteerd. Zij volgen niet uit de bij rapport 2 overgelegde bankafschriften. Evenmin zijn de verrekeningen via [bedrijf 3] nader gedocumenteerd. Overigens heeft de verdediging bij pleidooi aangegeven dat tussen [rechtspersoon uit de VAE 1] en [bedrijf 1] een leenovereenkomst zou bestaan. Daarvan bevinden zich ook stukken in het dossier. Met betrekking tot de vraag hoe dit zich verhoudt met de eveneens gestelde rekening-courant overeenkomst met [bedrijf 8] met betrekking tot [rechtspersoon uit de VAE 1] heeft de verdediging zich niet uitgelaten.
Bij de door de verdediging overgelegde stukken bevindt zich een tweetal rekening-courantovereenkomsten gedateerd 3 april 2017 ( [bedrijf 1] ) en 4 december 2017 ( [bedrijf 2] ). De overeenkomsten hebben exact dezelfde opmaak. Het valt op dat de nummering doorloopt van het ene naar het andere document. Dit doet vermoeden dat de overeenkomsten feitelijk één brondocument hebben en op vrijwel hetzelfde moment zijn opgemaakt. De overeenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 8] is bovendien gedateerd op een moment dat vijf van de zeven betalingen door [rechtspersoon uit de VAE 1] al hadden plaatsgevonden. Een en ander doet vermoeden dat de overeenkomsten in strijd met de waarheid zijn opgemaakt.
Naar aanleiding van rapport 2 is door het Team Financieel-economische Criminaliteit van de politie een proces-verbaal van bevindingen opgesteld ( [nummer proces-verbaal 1] d.d. 3 maart 2026), en ter terechtzitting in hoger beroep overgelegd door de advocaat-generaal als bijlage bij het requisitoir. In het proces-verbaal wordt onder andere opgemerkt dat de balansposten niet nader zijn gespecificeerd. Ook wordt opgemerkt dat betalingen worden verwerkt als rekening courant-verhoudingen met [bedrijf 8] :

Gelet op het feit dat de drie ondernemingen geen onderlinge verwantschap hebben (er is geen sprake van een moeder/dochter holdingstructuur) is de benaming RC (het hof begrijpt: rekening-courant) feitelijk onjuist. Een samensteller van een jaarrekening, die werkt volgens ISRS standaard 4110, zou hiervan op de hoogte moeten zijn. Daarnaast blijft deze “RC-verhouding” ongewijzigd. [bedrijf 8] Import & Export zou actief zijn in import/export en handelsfinanciering (pagina 4), maar heeft geen omzet verantwoord in de jaarrekeningen over de periode 2016-2020. Er zijn geen handelsactiviteiten als omzet of kosten gerapporteerd, ook zijn er geen geldstromen verantwoord in de balans die te relateren zijn aan handelsactiviteiten. Het is daarom niet duidelijk en niet transparant welke prestatie tegenover de gelden staat die o.a. [rechtspersoon uit de VAE 1] heeft betaald aan de notaris. (…) De afwezigheid van handelsactiviteiten ondersteunen de witwas verdenking zoals beschreven in het zaakdossier [rechtspersoon uit de VAE 1].”
Naar aanleiding van rapport 1 is door het Team Financieel-economische Criminaliteit van de politie een proces-verbaal van bevindingen opgesteld ( [nummer proces-verbaal 2] d.d. 13 december 2024) en ter terechtzitting in hoger beroep overgelegd door de advocaat-generaal. De conclusie van dit proces-verbaal is dat [opsteller van rapport] (de opsteller van rapport 1) en daarmee [juridische en financiële adviesgroep] niet kwalificeren als respectievelijk accountant en accountantsorganisatie.
In de kern komt de – in een zeer laat stadium overgelegde – rapportage, die volgens de verdediging heeft te gelden als de verklaring van [verdachte] , er op neer dat de betalingen via [rechtspersoon uit de VAE 1] , [rechtspersoon uit de VAE 2] en [bedrijf 3] administratief herleidbaar zijn tot verrekeningen met [bedrijf 8] . Met deze verklaring wordt evenwel op geen enkele wijze onderbouwd of er überhaupt gelden zijn gegenereerd door [bedrijf 8] , bedragen zijn overgemaakt vanuit [bedrijf 8] dan wel is geen enkel inzicht gegeven in de herkomst van de betalingen door [bedrijf 8] , mede gelet op het feit dat in de jaarrekeningen van [bedrijf 8] over de periode 2016-2020 kennelijk geen handelsactiviteiten als omzet of kosten zijn gerapporteerd.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [verdachte] weliswaar een verklaring heeft gegeven, maar op geen enkele wijze
concreetheeft aangevoerd wat de herkomst van de geldbedragen is waarmee de panden aan de [straatnaam] (deels) zijn gefinancierd. Het openbaar ministerie heeft naar aanleiding van het rapport al enig onderzoek verricht; het ligt gelet op het voorgaande en mede gelet op de resultaten van genoemd onderzoek naar het oordeel van het hof niet op de weg van het openbaar ministerie om nu nogmaals nader onderzoek te doen naar de verklaring, zoals door de verdediging verzocht.
Naar het oordeel van het hof kan het niet anders zijn dat dat de gelden waarmee de panden aan de Binnenrotte zijn aangekocht door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk afkomstig waren uit enig misdrijf en dat [verdachte] dit wist. Nu [verdachte] directeur was van zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 2] , hij als vertegenwoordiger van [bedrijf 1] in het dossier wordt aangeduid alsmede als koper van de panden [adres 1] en [adres 3] terwijl niet is gebleken dat deze vennootschappen werknemers in dienst hadden, is bij de feiten 1 en 3 sprake van feitelijke leiding geven door [verdachte] .
Voor wat betreft feit 4 merkt het hof tot slot op dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de huurinkomsten van het pand aan de [adres 3] tot en met juli 2018 via [bedrijf 6] werden aangewend voor rentebetalingen aan [particuliere geldverstrekker] in verband met de door hem verstrekte lening. Nadat [makelaar] de beheersovereenkomst had beëindigd, kreeg zij van [bedrijf 9] , een ander beheerkantoor, het verzoek de nota’s door te sturen naar [bedrijf 7] . Vanaf september 2018 werden deze betalingen gedaan door [bedrijf 7] . Hieruit leidt het hof af dat inkomsten uit het pand aan de [straatnaam] , dat met investering van crimineel vermogen is aangekocht, werden omgezet in betalingen ten behoeve van de rente op de door [particuliere geldverstrekker] verstrekte hypothecaire lening. Aldus is sprake van witwassen.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft verzocht om, in het geval het OVC-gesprek van 21 januari 2018 voor het bewijs wordt gebruikt, [medeverdachte] als getuige te horen. Het hof zal dit verzoek afwijzen. [medeverdachte] is reeds in eerste aanleg op verzoek en in aanwezigheid van de verdediging bij de rechter-commissaris als getuige gehoord. Mede gelet op hetgeen de verdediging aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd, acht het hof geen noodzaak aanwezig voor het (opnieuw) horen van de getuige [medeverdachte] .
Bewijsoverweging feiten 5 en 6 - overtreding AWR
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier niet volgt dat de rechtspersonen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] belastbare Nederlandse voordelen hebben genoten zodat niet kan worden gesteld dat er een aangifteplicht bestond. Evenmin is gecontroleerd of de NV’s belasting hebben afgedragen in Suriname.
Ook heeft de verdediging aangevoerd dat van voorwaardelijk opzet geen sprake is nu [verdachte] geen fiscale expertise heeft en hij de uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen niet tijdig heeft ontvangen of begrepen. Het openbaar ministerie, tot slot, heeft niet aangetoond dat de uitnodigingen tot aangifte en de ambtshalve aanslagen rechtsgeldig zijn bekend gemaakt aan [bedrijf 2] en [bedrijf 1] waardoor de aangiftetermijnen nooit zijn aangevangen en de materieelrechtelijke grondslag van de strafvervolging niet kan worden vastgesteld.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 69 lid 1 van Pro de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) stelt onder andere strafbaar ‘degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doet’. Als pleger van het niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte moet worden aangemerkt degene die tot het doen van aangifte gehouden is. De verplichting tot het doen van aangifte vloeit niet rechtstreeks voort uit de belastingwet; zij ontstaat pas door uitreiking van een aangiftebiljet aan de belastingplichtige. Deze aangifteplicht kan aldus slechts worden vastgesteld bij degene die tot het doen van aangifte is uitgenodigd als voorzien in artikel 8 lid 1 AWR Pro. (ECLI:NL:HR:2026:424, vgl., in enigszins andere bewoordingen, HR 23 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6161 en, over artikel 69 lid 2 AWR Pro, HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:121) Het uitnodigen tot het doen van aangifte geschiedt door het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief (art. 4a Uitvoeringswet Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994).
Het hof leidt uit het dossier het volgende af.
In het dossier bevinden zich de volgende brieven gericht aan [bedrijf 2] te SME Paramaribo Suriname:
met betrekking tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting over het boekjaar 30 januari 2018 – 31 december 2018:
  • een brief d.d. 1 oktober 2019 inhoudende de uitnodiging voor het doen van aangifte vennootschapsbelasting (‘Vennootschapsbelasting buitenlands belastingplichtige’) met mededeling dat de aangifte vóór 1 november 2019 binnen moet zijn;
  • een brief van 29 november 2019 inhoudende een herinnering met betrekking tot de aangifte over 2018 met mededeling dat de aangifte uiterlijk 20 december 2019 binnen moet zijn;
  • een brief van 28 januari 2020 inhoudende een aanmaning met betrekking tot de aangifte 2018 met mededeling dat de aangifte uiterlijk 18 februari 2020 binnen moet zijn; en
  • een brief van 21 maart 2020 inhoudende een ambtshalve aanslag inclusief verzuimboete.
met betrekking tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting over het boekjaar 1 januari 2019 – 31 december 2019:
  • een brief d.d. 1 maart 2020 inhoudende de uitnodiging voor het doen van aangifte vennootschapsbelasting met mededeling dat de aangifte vóór 1 juni 2020 binnen moet zijn;
  • een brief van 12 oktober 2020 inhoudende een herinnering met betrekking tot de aangifte 2019 met mededeling dat de aangifte vóór 2 november 2020 binnen moet zijn;
  • een brief van 13 januari 2021 inhoudende aan aanmaning met betrekking tot de aangifte 2019 met mededeling dat de aangifte vóór 3 februari 2021 binnen moet zijn;
  • een brief van 27 februari 2021 inhoudende aan ambtshalve aanslag inclusief verzuimboete.
In het dossier bevinden zich gelijkluidende brieven van dezelfde data gericht aan [bedrijf 1] te SME Paramaribo Suriname.
De op de brieven vermelde adressen van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] betreffen de adressen zoals deze zijn vermeld op de akte van levering van de [adres 3] te Rotterdam van 30 januari 2018. Het adres van [bedrijf 1] aan de [adres 4] is tevens vermeld in de akte van levering van de [adres 1] te Rotterdam van dezelfde datum en wordt ook door de verdediging genoemd in de pleitnota. Het adres van [bedrijf 2] komt in het dossier naar voren als het adres van de moeder van [verdachte] .
In het dossier bevindt zich tot slot een ambtsedige verklaring van de Belastingdienst van 21 april 2021 inhoudende dat op de uitnodigings-, herinnerings-, en aanmaningsbrieven niet is gereageerd waarna ambtshalve aanslagen zijn uitgegaan.
Het hof overweegt als volgt.
[bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn wegens de toezending van aangiftebrieven aangifteplichtig geworden voor de vennootschapsbelasting over de jaren 2018 en 2019. Of dit er toe leidt dat bij hen daadwerkelijk belasting zal worden geheven in Nederland, bijvoorbeeld omdat zij in dit geval in Nederland belastingplichtig zijn, is een vraag die daarna aan de orde komt. Daarnaast geldt dat het zogenaamde strekkingsvereiste een objectief criterium is. De verweten gedraging dient naar haar aard in het algemeen geschikt te zijn om een te lage belastingheffing teweeg te brengen. Het niet doen van belastingaangifte is daartoe in het algemeen geschikt.
De opvatting van de verdediging dat het dossier bewijs dient te bevatten dat [verdachte] , als vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersonen, de uitnodigingen daadwerkelijk heeft ontvangen en gelezen en dat hij desondanks bewust heeft besloten niet te reageren alvorens sprake kan zijn van het opzettelijk niet doen van aangifte in de zin van art. 69 lid 1 AWR Pro vindt geen steun in het recht.
In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, te weten dat [verdachte] de uitnodigingsbrieven
niet tijdig heeft ontvangen of begrepen, leest het hof bovendien geen betwisting van de ontvangst en daarmee van de verzending van de bedoelde brieven.
Op basis van het dossier staat vast dat namens de verdachte rechtspersonen op geen enkel moment is gereageerd op bedoelde brieven.
[verdachte] was als directeur van de beide NV’s verantwoordelijk voor het namens de NV’s indienen van de aangiften vennootschapsbelasting. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat [verdachte] de voor de NV’s bestemde brieven niet heeft begrepen, heeft te gelden dat deze brieven naar de inhoud daarvan niets aan duidelijkheid te wensen overlaten. Immers staat in deze brieven dat aangifte moet worden gedaan, dat eventueel uitstel kan worden gevraagd en dat ook via een belastingconsulent om uitstel kan worden verzocht. Het had op de weg van [verdachte] gelegen om – als hij de inhoud van de brieven niet begreep – deskundig advies in te winnen. Door evenwel in het geheel niet te reageren, wist hij dat geen aangifte zou worden gedaan.
Nu [verdachte] van beide rechtspersonen de directeur was en van andere bij de rechtspersonen betrokken personen niet is gebleken, heeft hij aan de tenlastegelegde gedragingen feitelijke leiding gegeven.
Het hof verwerpt de verweren van de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
[bedrijf 1]
in
of omstreeksde periode van 1 oktober 2016 tot en met 3 juli 2020 te Rotterdam en/of elders in Nederland en/of te Paramaribo en/of elders in Suriname
tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
althans alleen,
het appartement aan de [adres 1] Rotterdam (en - twee - stallingsplaatsen, gelegen aan de [adres 2] ) heeft verworven en
/ofdaarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij wist
, althans redelijkerwijze moest vermoeden,dat dit vastgoed - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - uit enig misdrijf afkomstig was,
aan welke verboden gedraging
(en
)hij, verdachte, feitelijk
eleiding heeft gegeven;
2.
hij in
of omstreeksde periode van 1 oktober 2016 tot en met 3 juli 2020
te Rotterdam en/of elders in Nederland en/of te Paramaribo en/of elders in Suriname tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
althans alleen,
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de verplaatsing van zijn inkomsten en/of vermogen heeft
verborgen en/ofverhuld
door deze inkomsten en/of dit vermogen (gedeeltelijk, middellijk) onder te brengen in [bedrijf 1] en
/of(hiermee) te investeren in het appartement aan de [adres 1] Rotterdam (en - twee -stallingsplaatsen, gelegen aan de [adres 2] ),
en
/of
genoemde inkomsten en/of vermogen heeft omgezet in betalingen door [rechtspersoon uit de VAE 1] en
/of[rechtspersoon uit de VAE 2] (te Dubai) aan [notariskantoor 1] (te Breda) en/of in een (back to back) lening van [rechtspersoon uit de VAE 1] aan [bedrijf 1] ,
terwijl hij wist,
althans redelijkerwijs moest vermoeden,dat die inkomsten en/of dat vermogen - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
3.
[bedrijf 2]
in
of omstreeksde periode van 1 juni 2017 tot en met 3 juli 2020
te Rotterdam en/of elders in Nederland en/of te Paramaribo en/of elders in Suriname tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
althans alleen,
het appartement aan de [adres 3] Rotterdam (en - twee - stallingsplaatsen, gelegen aan de [adres 2] ) heeft verworven en
/ofdaarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij wist,
althans redelijkerwijze moest vermoeden,dat dit vastgoed - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - uit enig misdrijf afkomstig was,
aan welke verboden gedraging
(en
)hij, verdachte, feitelijk
eleiding heeft gegeven;
4.
hij in
of omstreeksde periode van 1 juni 2017 tot en met 3 juli 2020
te Rotterdam en/of elders in Nederland en/of te Paramaribo en/of elders in Suriname tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
althans alleen,
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de verplaatsing van zijn inkomsten en/of vermogen heeft
verborgen en/ofverhuld
door deze inkomsten en/of dit vermogen (gedeeltelijk, middellijk) onder te brengen in [bedrijf 2] en
/of(hiermee) te investeren in het appartement aan de [adres 3] Rotterdam (en - twee - stallingsplaatsen, gelegen aan de [adres 2] ),
en/of
genoemde inkomsten en/of vermogen heeft omgezet in betalingen (voor de aankoopsom van het appartement) door [bedrijf 3] / [bedrijf 4] en
/of[bedrijf 5] aan [notariskantoor 2] (te Rotterdam) en
/ofin betalingen (voor de rente op de hypothecaire lening) door [bedrijf 6] en
/of[bedrijf 7] aan [particuliere geldverstrekker] ,
terwijl hij wist,
althans redelijkerwijs moest vermoeden,dat die inkomsten en/of dat vermogen - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
5.
[bedrijf 2]
in
of omstreeksde periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 januari 2021
te Heerlen en/of elders in Nederland en/of te Paramaribo en/of elders in Suriname
(telkens
)opzettelijk
(een
)bij de Belastingwet voorziene aangifte
(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
te weten
(een)aangifte
(n
)voor de vennootschapsbelasting over de
/het jaar/jaren 2018 en
/of2019,
niet
of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen te Heerlen gestelde termijnheeft gedaan,
terwijl dat feit
(telkens
)ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan welaan welke bovenomschreven verboden gedraging
(en
)verdachte
(telkens
)feitelijke leiding heeft gegeven;
6.
[bedrijf 1]
in
of omstreeksde periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 januari 2021 te Heerlen en/of elders in Nederland en/of te Paramaribo en/of elders in Suriname
(telkens
)opzettelijk
(een
)bij de Belastingwet voorziene aangifte
(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
te weten
(een)aangifte
(n)voor de vennootschapsbelasting over de
/het jaar/jaren 2018 en
/of2019,
niet
of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen te Heerlen gestelde termijnheeft gedaan,
terwijl dat feit
(telkens
)ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan welaan welke bovenomschreven verboden gedraging
(en
)verdachte
(telkens
)feitelijke leiding heeft gegeven.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 en 3 bewezenverklaarde levert op, telkens:
feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van witwassen.
Het onder 2 en 4 bewezenverklaarde levert op, telkens:
medeplegen van witwassen.
Het onder 5 en 6 bewezenverklaarde levert op, telkens:
feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. de verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van zijn inkomsten en/of vermogen, door hiermee in twee appartementen te investeren. Hij heeft daarbij gebruik gemaakt van twee aan hem gelieerde ondernemingen. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belastingfraude, door het niet doen van aangiften voor de vennootschapsbelasting voor de genoemde ondernemingen.
Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit, waarbij
grote sommen geld kunnen omgaan, gefaciliteerd. Witwasconstructies tasten de integriteit
van de legale economie aan en zijn, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het
reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving. Met de belastingdelicten heeft [verdachte] het door de fiscus gehanteerde systeem, dat erop berust dat aangiften als de onderhavige worden gedaan, ondergraven. Hierdoor is de overheid en daarmee de gehele samenleving benadeeld en is de algemene belastingmoraal ondermijnd.
Mede gelet op omvang van de geïnvesteerde bedragen ten behoeve van de aankoop van de woningen en de gehanteerde constructies, is het hof van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt. Het hof stelt evenwel vast dat de behandeling van het op
30 juni 2022 ingestelde hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, maar dat deze in hoger beroep met ongeveer 2 jaar is overschreden. Gelet op deze overschrijding zal het hof de verdachte – in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf – een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden opleggen.
Vermeld wordt dat tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf, indien en voor zover nog aan de orde, volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, in voorkomend geval tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Beslag

Blijkens de door de officier van justitie in eerste aanleg overgelegde beslaglijst zijn de [adres 1] en de [adres 3] onder de medeverdachte [medeverdachte] in beslag genomen. Blijkens het algemeen dossier zijn beide appartementen onder [bedrijf 1] respectievelijk [bedrijf 2] in beslag genomen. In onderhavig arrest tegen
[verdachte] zal het hof de verbeurdverklaring uitspreken van het onroerende
registergoed [adres 1] Rotterdam en het onroerende registergoed
[adres 3] Rotterdam . De [adres 1] Rotterdam behoort blijkens de inhoud van wettige bewijsmiddelen toe aan [bedrijf 1] , de [adres 3] Rotterdam aan [bedrijf 2] . Dit zijn de voorwerpen met betrekking tot welke de bewezenverklaarde feiten onder 1 en 3 zijn begaan. Beide rechtspersonen zijn bekend geweest met de verkrijging door witwassen als bedoeld in artikel 33, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 47, 51, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- het onroerende registergoed [adres 1] Rotterdam
- het onroerende registergoed [adres 3] Rotterdam .
Dit arrest is gewezen door mr. K. Versteeg, als voorzitter,
mr. R. van der Hoeven en mr. M.S. Lamboo, leden,
in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 juni 2026.