ECLI:NL:GHDHA:2026:1911

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
22-001984-22
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:3a WftArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor ondergronds bankieren, witwassen en valsheid in geschrift met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf voor ondergronds bankieren, witwassen en valsheid in geschrift. In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk voor enkele vrijspraken en de officier van justitie niet-ontvankelijk voor een tenlastelegging. Het hof achtte bewezen dat de verdachte zonder vergunning het bedrijf van betaaldienstverlener uitoefende, grote contante geldbedragen beheerde die vermoedelijk uit misdrijf afkomstig waren, en in nauwe samenwerking met een medeverdachte valse salarisstroken en jaaropgaven liet opmaken.

De verdachte voerde aan daadwerkelijk als schoonmaker te hebben gewerkt, maar het hof oordeelde dat het dienstverband fictief was en de salarisstroken valselijk waren vervaardigd. Uit telecomgegevens en observaties bleek dat het werkrooster niet uitvoerbaar was en de verdachte vaak afwezig was tijdens vermeende werktijden. Het hof concludeerde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan gewoontewitwassen en valsheid in geschrift.

Gezien de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden, waaronder een ernstige chronische longziekte met zuurstofsuppletie, legde het hof een taakstraf van 180 uur op gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. Tevens werd een geldbedrag van € 75.420,- verbeurd verklaard. De behandeling van het hoger beroep had een redelijke termijn overschreden, wat in de strafoplegging werd meegewogen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 uur taakstraf en 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wegens ondergronds bankieren, witwassen en valsheid in geschrift.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001984-22
Parketnummer: 10-750163-17
Datum uitspraak: 9 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Pakistan) op [geboortedatum] 1959,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 4 primair en subsidiair, 5 en 6 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Tevens is beslist op het beslag, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens [verdachte] en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van [verdachte] in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 4 primair en subsidiair, 5 en 6 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep

Het hoger beroep is door de officier van justitie onbeperkt ingesteld. Tegen de beslissing van de rechtbank ter zake van het onder 5 tenlastegelegde zijn evenwel bij appelschriftuur geen bezwaren opgegeven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal bovendien aangegeven geen grieven te hebben tegen de vrijspraak ter zake feit 5. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van het onder 5 tenlastegelegde in hoger beroep. Daarom zal de officier van justitie, gelet op het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep ter zake van het onder 5 tenlastegelegde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – met inachtneming van het voorgaande – in hoger beroep tenlastegelegd dat:
1.
(Zaak ondergronds bankieren)
hij
op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2018,
te Rotterdam en/of elders in Nederland,
(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk zonder vergunning van De Nederlandsche Bank N.V. het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het Financieel Toezicht (al dan niet onder de naam of dekmantel [bedrijf 1] ), terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders de zetel (voor het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener) in Nederland hadden,
althans (telkens) opzettelijk als betaaldienstverlener de werkzaamheden vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door tussenkomst van een in Nederland werkzaam zijnde betaaldienstagent, dan wel door middel van het verrichten van diensten naar Nederland verrichtte, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders de zetel in een andere lidstaat hadden en handelden zonder een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat daartoe verleende vergunning,
althans (telkens) opzettelijk in Nederland het bedrijf van betaaldienstverlener uitoefende, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders de zetel in een staat die (toentertijd) geen lidstaat was, hadden,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):
- op verzoek van (een) (onbekend gebleven) betaler(s) en/of ten behoeve van (een) (onbekend gebleven) begunstigde(n) betalingsdiensten , te weten geldtransfers, uitgevoerd en/of
- van een of meer van de voornoemde betalers geldmiddelen ontvangen en/of - ten behoeve van voornoemde begunstigde(n) geldmiddelen overgedragen en/of
- geldmiddelen opgeslagen en/of in voorraad gehouden en/of
- aantekeningen gemaakt en/of een boekhouding gevoerd van de door hem, verdachte, uitgevoerde betalingsdiensten en/of ontvangen gelden en/of tegoeden en/of
- tokens verstuurd en/of ontvangen,
terwijl hij, verdachte, van het plegen van bovenomschreven misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;
2.
(Zaak 45.000)
hij op of omstreeks 24 januari 2018 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een (grote) hoeveelheid contant geld (EUR 45.000,00) voorhanden heeft gehad (in zijn kantoor met de naam [bedrijf 1] ) en/of heeft overgedragen aan [persoon 1] , terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat geld - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
3.
(Zaak [zaaksnaam 1] )
hij op of omstreeks 20 juni 2018 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een (grote) hoeveelheid contant geld (EUR 80.420,00, althans EUR 75.420)) voorhanden heeft gehad (in de woning aan de [adres] ), terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat geld - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
4.
(Zaak [zaaksnaam 2] )
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 2 april 2019 te Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel en/of Lekkerkerk, gemeente Krimpenerwaard, en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
meermalen
een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een salarisstrook en/of een jaaropgaaf van zijn eenmanszaak [bedrijf 2] op naam van [verdachte] ,
althans
-de jaaropgaaf 2018 (blz. 117) en/of
-de salarisstrook februari 2019 (blz. 118 en blz. 316) en/of
-de salarisstroken januari 2016 tot en met december 2016 (blz. 213 tot en met 235) en/of
-de salarisstroken januari 2017 tot en met december 2017 (blz. 244 tot en met 266) en/of
-de salarisstroken januari 2018 tot en met december 2018 (blz. 281 tot en met 302) en/of
-de salarisstrook januari 2019 (blz. 314) en/of
-de jaaropgaaf 2015 (blz. 333)
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst door daarop te vermelden dat hij, verdachte, - zakelijk weergegeven - loon uit dienstbetrekking van ( [medeverdachte 1] h.o.d.n.) [bedrijf 2] genoot (in de betrokken maand en/of het betrokken jaar)
met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,
Subsidiair,
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 2 april 2019 te Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel en/of Lekkerkerk, gemeente Krimpenerwaard, en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
meermalen ( [persoon 2] en/of [persoon 3] handelende onder de naam) [bedrijf 3] heeft doen plegen
het toen aldaar meermalen valselijk opmaken en/of vervalsen van
een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een salarisstrook en/of een jaaropgaaf van de (werkgever) eenmanszaak [bedrijf 2] op naam van (werknemer) [verdachte] ,
althans
- de jaaropgaaf 2018 (blz. 117) en/of - de salarisstrook februari 2019 (blz. 118 en blz. 316) en/of
- de salarisstroken januari 2016 tot en met december 2016 (blz. 213 tot en met 235) en/of
- de salarisstroken januari 2017 tot en met december 2017 (blz. 244 tot en met 266) en/of - de salarisstroken januari 2018 tot en met december 2018 (blz. 281 tot en met 302) en/of
- de salarisstrook januari 2019 (blz. 314) en/of
- de jaaropgaaf 2015 (blz. 333),
door daarop te vermelden dat hij, verdachte -zakelijk weergegeven - loon uit dienstbetrekking van ( [medeverdachte 1] h.o.d.n.) [bedrijf 2] genoot (in de betrokken maand en/of het betrokken jaar)
met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
6.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 2 april 2019 te Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
van voorwerpen (girale betalingen - ten titel van loon/salaris - aan hem, verdachte,) de werkelijke aard, de herkomst, de verplaatsing heeft verborgen en/of
deze voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden gekregen
te weten
- ( telkens) (maandelijks en/of giraal) geldbedragen (ten titel van loon uit [bedrijf 2] ) aan hem, verdachte, namelijk:
- girale betalingen tot een totaal van EUR 15.067,72 in het jaar 2015 en/of
- girale betalingen tot een totaal van EUR 16.166,51 in het jaar 2016 en/of
- girale betalingen tot een totaal van EUR 20.358,96 in het jaar 2017 en/of
- girale betalingen tot een totaal van EUR 11.562,94 in het jaar 2018 en/of
- girale betalingen van EUR 1.200,00 en EUR 1.300,00 in het jaar 2019 terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk, -onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf en hij, verdachte, van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 4 primair tenlastegelegde, en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 subsidiair en 6 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal de verbeurdverklaring van het in beslaggenomen geldbedrag van € 75.420,00 gevorderd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverwegingen

Bewijsoverwegingen feiten 1 tot en met 3
Namens de verdachte is bepleit – op gronden zoals vermeld in de pleitnotities van de raadsman – dat de verdachte van de aan hem tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.
Het hof neemt uit het vonnis waarvan beroep over de onder 6.2.3 weergegeven bewijsoverwegingen, behoudens de laatste zin van de op pagina 6 opgenomen alinea ‘Boekhouding’, te weten “Daarnaast … geldtransfers”.
Daarnaast vult het hof de overwegingen van de rechtbank als volgt aan waarbij het hof de verdachte ook zal aanduiden als: [verdachte] :
Rugzak met 45.000 euro
In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van dit geldbedrag overweegt het hof dat uit het in hoger beroep opgemaakte aanvullend proces-verbaal d.d.
9 oktober 2024 met proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal] blijkt dat de verbalisant (het hof begrijpt: op 24 januari 2018) tussen 17:42 en 17:50 uur voortdurend zicht heeft gehad op de zwarte BMW (met Belgisch kenteken [kenteken] ) en tussen 18:00 en 22:39 uur voortdurend zicht heeft gehad op de zwarte rugtas.
Kluis met ruim 75.000 euro in verstevigde woning
In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank overweegt het hof dat [verdachte] op
20 juni 2018 niet alleen beschikte over de sleutel van de woning aan de [adres] te Rotterdam, maar ook over de sleutel van de kluis die zich in deze woning bevond en waarin een contant geldbedrag van € 75.420,00 is aangetroffen. [verdachte] heeft verklaard dat hij wist van het bestaan van de kluis in de woning. Uit observaties is gebleken dat [verdachte] en zijn belwinkelmedewerker [belwinkelmedewerker] – van de belwinkel waar [verdachte] zich bezig hield met ondergronds bankieren - veelvuldig de woning in en uit gaan. [verdachte] heeft verklaard dat hij geregeld naar de woning ging omdat hij uit vriendschap voor de post zorgde wanneer de bewoner, [de bewoner] , in het buitenland was en omdat hij op bezoek ging bij [de bewoner] wanneer deze in Nederland was. Deze verklaring strookt niet met camerabeelden van de toegang tot de woning tussen 27 februari en 23 maart 2018, waarop is gezien dat [verdachte] vaak dagelijks bij de woning kwam. Ook betrad hij de woning wanneer [de bewoner] net weg was, of verliet hij de woning wanneer [de bewoner] daar bijna aankwam.
Conclusies met betrekking tot de bewezenverklaring feiten 1 tot en met 3
Conclusie t.a.v. feit 1 (Zaak ondergronds bankieren)
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang bezien, kunnen de gedragingen van [verdachte] in de tenlastegelegde periode naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden uitgelegd dan dat hij hiermee opzettelijk zonder vergunning het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend terwijl hij daar een gewoonte van heeft gemaakt, waarbij hij [bedrijf 1] als dekmantel heeft gebruikt.
Het kasboek dat op 20 juni 2018 in de woning van [verdachte] is aangetroffen bestrijkt een periode van ruim een half jaar en bevat zeer veel notities met betrekking tot transacties. Het hof is daarom van oordeel is dat [verdachte] zich gedurende een langere periode frequent schuldig heeft gemaakt aan ondergronds bankieren, op grond waarvan het hof van oordeel is dat [verdachte] hiervan een gewoonte heeft gemaakt.
Conclusie ten aanzien van feiten 2 en 3
Gelet op de weergegeven gang van zaken, waarbij het gaat om grote contante geldbedragen die op ongebruikelijke wijze worden overgedragen, alsmede in het bijzonder de selectie van gesprekken, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van traditioneel hawala bankieren, waarbij het gaat om legaal contant geld, maar van ondergronds bankieren ten behoeve van de (georganiseerde) misdaad. Derhalve is het hof van oordeel dat ten aanzien van het geld in de rugzak en het geldbedrag in de woning aan de [zaaksnaam 1] een vermoeden van witwassen gerechtvaardigd is. Dit betekent dat van [verdachte] een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het geld mag worden verlangd. Ook in hoger beroep heeft [verdachte] deze niet gegeven, zodat geen andere conclusie mogelijk is dan dat de voorwerpen (geldbedragen) onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en [verdachte] daarvan wist.
Net als de rechtbank zal het hof de verdachte vrijspreken van het geld dat in het nachtkastje in de woning aan de [adres] is aangetroffen.
De feiten 1 tot en met 3 zijn wettig en overtuigend bewezen.
Bewijsoverwegingen feiten 4 en 6 (zaak [zaaksnaam 2] )
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte nooit werkzaam is geweest als schoonmaker bij [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ), de onderneming van [medeverdachte 1] . De in de tenlastelegging genoemde salarisstroken en jaaropgaven zijn valselijk opgemaakt door [bedrijf 3] op instructie van [medeverdachte 1] , conform de afspraken tussen [medeverdachte 1] en de verdachte. Feit 4 subsidiair kan worden bewezen. Nu er geen daadwerkelijk dienstverband aan de salarisbetalingen aan de verdachte ten grondslag ligt en de werkelijke financieringsbron is afgeschermd, kan het niet anders zijn dan dat de betalingen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Ook feit 6 kan daarom worden bewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte vrijgesproken dient te worden. De verdachte heeft in de gehele tenlastegelegde periode schoonmaakwerk verricht binnen het bedrijf van [medeverdachte 1] . De maandelijkse betalingen betroffen salaris en waren niet uit misdrijf afkomstig.
Feiten en omstandigheden
Tijdens doorzoekingen in het onderzoek Spaniel zijn in de woning van [medeverdachte 1] en in het kantoor van [bedrijf 3] salarisstroken en jaaropgaven op naam van [verdachte] gevonden. Blijkens deze documenten is [verdachte] van 1 augustus 2014 tot en met februari 2019 als schoonmaakmedewerker in dienst geweest bij [bedrijf 2] .
Voorts is in het kantoor van [bedrijf 3] een ‘arbeidsovereenkomst onbepaalde tijd’ aangetroffen, waarin is vermeld dat [verdachte] op 1 augustus 2017 tegen een uurloon van € 16,50 per uur in dienst treedt van [bedrijf 2] . [verdachte] heeft verklaard dit stuk te hebben ondertekend.
Op de zitting in eerste aanleg heeft [verdachte] verklaard, en in hoger beroep bevestigd, dat hij als schoonmaker voor het bedrijf van [medeverdachte 1] werkzaam was en hij gedurende de gehele tenlastegelegde periode ‘s nachts na sluitingstijd heeft gewerkt in drie verschillende filialen van [restaurant] in Rotterdam. Hij had een vast contract, maar werkte op wisselende aantallen uren en dagen per maand. [verdachte] heeft verklaard dat hij dit werk vier tot zes nachten per week deed, na sluitingstijd van de filialen tot ongeveer 05.00 uur. Naast dit werk werkte hij overdag in zijn belwinkel, die om 21.00 uur sloot.
Analyse van de bankrekeningen van [bedrijf 2] en [verdachte] laat zien dat onder vermelding van ‘salaris’ per jaar de volgende totaalbedragen aan [verdachte] zijn overgemaakt:
2015: € 15.067,12
2016: €16.166,51
2017: € 20.358,96
2018: € 11.562,94
2019: € 2.500,00
Op de aangetroffen salarisstroken is het huisadres van [verdachte] vermeld. [verdachte] heeft verklaard dat hij de salarisstroken en jaaropgaven per post van [medeverdachte 1] heeft ontvangen. Hij verstrekte deze vervolgens aan zijn boekhouder [medeverdachte 2] van [bedrijf 4] . Ook gaf hij aan hem jaarlijks “zijn inkomstenbelasting” door.
Uit de salarisstroken blijkt dat [verdachte] tussen de 20 en 23 dagen per maand, 4 tot 7 uur per werkdag, heeft gewerkt. In geen enkele maand in de gehele tenlastegelegde periode zijn opgenomen vakantiedagen vermeld.
In door de politie (in de periode van 30 maart 2017 tot 12 maart 2018) afgeluisterde
telefoongesprekken geeft [verdachte] aan dat hij in de maanden april en november 2017 het
grootste deel van de maand in Pakistan verbleef, namelijk van 9 april tot 2 mei 2017 en van
7 tot 23 november 2017. Volgens de salarisstroken van april en november 2017 heeft hij in
die maanden respectievelijk 119 uur in twintig dagen en 142,8 uren in tweeëntwintig dagen
gewerkt. In geen van de opgenomen telefoongesprekken gevoerd tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] wordt
gesproken over het werk.
[verdachte] heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat zijn loon volledig werd doorbetaald in de maanden dat hij op vakantie was en dat hij de in die periode niet gewerkte uren in volgende maanden moest inhalen door extra te werken.
[medeverdachte 1] is door de rechtbank onherroepelijk veroordeeld wegens (kort gezegd) het medeplegen van valsheid in geschrift met betrekking tot de jaaropgaven en salarisstroken van [verdachte] en het medeplegen van het gebruik maken van deze valse geschriften.
Beoordeling
Op grond van de verklaring van [verdachte] ter zitting in eerste aanleg, waaruit volgt dat niet-gewerkte uren in zijn vakantiemaanden als gewerkte uren op de salarisstroken werden opgenomen, staat vast dat in ieder geval de salarisstroken van de maanden april en november 2017 niet conform de waarheid zijn opgemaakt.
Het hof is verder van oordeel dat het fysiek niet mogelijk is geweest, dat [verdachte] de op
de salarisstroken en jaaropgaven opgegeven gewerkte uren ook daadwerkelijk gewerkt
heeft. Dit zou namelijk betekenen dat hij over een periode van ruim drie jaren, naast de belwinkel waarin hij tot 21.00 uur werkte, ‘s nachts nog een vrijwel fulltime baan had met fysiek zwaar schoonmaakwerk. In de maanden nadat hij langdurig op vakantie was, zou hij bovendien enige tijd bovenop twee vrijwel fulltime banen zoveel “gemiste” uren hebben
ingehaald, dat hij bijna de klok rond had moeten werken.
Het beeld van een redelijkerwijs niet uitvoerbaar werkrooster wordt versterkt door het
ongebruikelijke patroon van gewerkte uren en dagen per maand dat in de salarisstroken is vermeld: telkens wordt in een aaneengesloten periode van meerdere maanden hetzelfde aantal uren per maand gewerkt, maar het aantal gewerkte dagen is wisselend. Zo zou [verdachte] in de eerste 10 maanden van 2016 iedere maand 86,6 uren gewerkt hebben, maar wisselend in 21, 22 of 23 dagen. In de volgende twee maanden werkt hij 100,88 uur in 22 dagen, waarna een periode aanbreekt van 5 opeenvolgende maanden van 119 gewerkte uren per maand, variërend in 20 tot 23 dagen. Dergelijke ongeloofwaardige patronen herhalen zich vervolgens door de hele ten laste gelegde periode.
In het dossier bevindt zich een analyse van de historische telecomgegevens van het
afgeluisterde telefoonnummer op naam van [verdachte] over de periode van 30 maart 2017 tot 20 juni 2018 en de gegevens van het in de periode van 4 januari tot 29 april 2018 onder de auto van [verdachte] bevestigde baken. De telefoon blijkt zich in die periode slechts 11 maal tussen 0:00 uur en 6:00 uur te hebben bevonden in het stralingsgebied van één van de [restaurant]
vestigingen waar [verdachte] zou hebben gewerkt. Het baken van de auto is slechts enkele malen
in de directe omgeving van de filialen geweest, maar altijd rijdend.
[verdachte] heeft hierover verklaard dat hij zijn telefoon geregeld thuis liet omdat hij ’s nachts niet bereikbaar hoefde te zijn. Ook reed hij volgens zijn eigen verklaring niet alleen in zijn eigen auto maar ook regelmatig in die van zijn zoons, terwijl alleen in zijn eigen auto een baken was geplaatst.
Naar het oordeel van het hof is het niet aannemelijk dat iemand een substantieel deel
van zijn (werk)tijd vrijwel permanent niet of op wisselende nummers telefonisch bereikbaar
is, zeker niet als diegene zelfstandig ondernemer is en uit de afgeluisterde
telefoongesprekken blijkt dat in ieder geval [medeverdachte 1] hem regelmatig op hetzelfde, afgeluisterde,
nummer belt. Uit de observaties van de politie op [verdachte] , waarvan verslagen over de periode
van 6 juli 2017 tot 25 januari 2018 in het dossier zijn gevoegd, blijkt [verdachte] voortdurend in
slechts één en dezelfde auto te rijden. Dit is ook de auto waarin het baken geplaatst is
geweest.
De verklaring van [verdachte] wordt als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Het hof is van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 1] samen een schijnconstructie hebben opgezet, waarin een fictief dienstverband van [verdachte] als schoonmaker binnen het bedrijf van [medeverdachte 1] en de salarisbetalingen een onderdeel waren. De salarisstroken en jaaropgaven zijn door [bedrijf 3] valselijk opgemaakt op grond van de loongegevens die door [medeverdachte 1] werden aangeleverd en zijn aan [verdachte] verzonden. Nu niet is gebleken dat [bedrijf 3] ervan op de hoogte was dat het dienstverband van [verdachte] fictief was en dat de door [medeverdachte 1] aangeleverde gegevens niet overeenstemden met de werkelijkheid, is geen sprake van medeplegen, zoals tenlastegelegd onder feit 4 primair, en waarvan dientengevolge vrijspraak dient te volgen, maar van het doen plegen van valsheid in geschrift.
Middellijke daders van dit delict zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] . Ten aanzien van [medeverdachte 1] geldt dat hij opzettelijk de valse gegevens over het dienstverband en maandelijks per email het te betalen loon van [verdachte] heeft aangeleverd ter verwerking in de loonadministratie door [bedrijf 3] , het administratiekantoor van zijn schoonmaakbedrijf.
Ten aanzien van [verdachte] geldt dat hij samen met [medeverdachte 1] een valse arbeidsovereenkomst heeft opgemaakt en ondertekend als ware hij werknemer en [medeverdachte 1] werkgever. Nu zij elk bewust een wezenlijke intellectuele en materiële bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van de valse arbeidsovereenkomst, is het hof van oordeel dat [verdachte] de arbeidsovereenkomst valselijk heeft opgemaakt in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] .
[verdachte] heeft de valse salarisspecificaties en jaaropgaven per post ontvangen, gedurende meerdere jaren. Terwijl hij er tijdens de gehele periode mee bekend was dat de inhoud van deze stukken onjuist was, gelet op het niet daadwerkelijk bestaan van het dienstverband, heeft hij hiervan geen melding gemaakt. Hij heeft de valse stukken daarentegen steeds na ontvangst aan zijn boekhouder ( [bedrijf 4] ) verstrekt ter verwerking in zijn administratie, onder andere ten behoeve van zijn aangiften inkomstenbelasting, om daarmee voor te wenden dat hij door middel van schoonmaakwerkzaamheden een (legaal) inkomen verdiende. Daarnaast zijn mede op basis van de hiervoor weergegeven valse arbeidsovereenkomst in ieder geval een deel van de in de tenlastelegging opgenomen valse salarisspecificaties en jaaropgaven opgemaakt. Het hof acht hem daarom als medepleger strafrechtelijk aansprakelijk voor die valsheden, ondanks dat uit het dossier niet volgt dat hij bij de opstelling van deze valse stukken door de administrateur van [medeverdachte 1] fysiek betrokken is geweest.
[verdachte] heeft zich in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan het doen plegen van valsheid in geschrift door [bedrijf 3] de valse salarisstroken en jaaropgaven te laten opmaken. Feit 4 subsidiair is wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 6 overweegt het hof als volgt.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat de betalingen aan [verdachte] in werkelijkheid geen salarisbetalingen voor schoonmaakwerk betroffen, terwijl met het fictieve dienstverband wel werd voorgewend dat [verdachte] een legaal inkomen genereerde. Enige andere grondslag voor de jarenlange maandelijkse betalingen van [bedrijf 2] aan [verdachte] is niet gegeven of gebleken. Hiermee is reeds het vermoeden gerechtvaardigd dat het niet anders kan zijn dan dat de overgemaakte bedragen van enig misdrijf afkomstig zijn, zeker in het licht van de bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde. Daaruit blijkt immers dat [verdachte] zich langdurig op grote schaal heeft beziggehouden met ondergronds bankieren en tevens de beschikking had over grote contante geldbedragen die van misdrijf afkomstig waren. [verdachte] heeft weliswaar betwist dat het dienstverband met [bedrijf 2] fictief was, maar gelet op de bewezenverklaring van feit 4 acht het hof deze verklaring hoogst onwaarschijnlijk. Het hof gaat daaraan voorbij. Nu ook overigens een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van [verdachte] is uitgebleven, is het openbaar ministerie niet tot nader onderzoek gehouden. Het hof komt tot een bewezenverklaring van feit 6.
Ook dit feit heeft [verdachte] gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] , zodat het aan [verdachte] tenlastegelegde medeplegen wettig en overtuigend is bewezen.
Gewoontewitwassen
Gelet op het grote aantal witwashandelingen en de lange periode komt het hof tevens tot het oordeel dat sprake is van gewoontewitwassen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 subsidiair en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij
op één of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van
1 januari 20161 maart 2017tot en met 30 juni 2018,
te Rotterdam en/of elders in Nederland,
(telkens)tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen,
(telkens)opzettelijk zonder vergunning van De Nederlandsche Bank N.V. het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het Financieel Toezicht (al dan niet onder de naam of dekmantel [bedrijf 1] ), terwijl hij, verdachte, en
/ofzijn mededaders de zetel (voor het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener) in Nederland hadden,
althans (telkens) opzettelijk als betaaldienstverlener de werkzaamheden vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door tussenkomst van een in Nederland werkzaam zijnde betaaldienstagent, dan wel door middel van het verrichten van diensten naar Nederland verrichtte, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders de zetel in een andere lidstaat hadden en handelden zonder een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat daartoe verleende vergunning,
althans (telkens) opzettelijk in Nederland het bedrijf van betaaldienstverlener uitoefende, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders de zetel in een staat die (toentertijd) geen lidstaat was, hadden,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader
(s
):
- op verzoek van (een) (onbekend gebleven) betaler
(s
)en/of ten behoeve van
(een)(onbekend gebleven) begunstigde
(n
)betalingsdiensten, te weten geldtransfers, uitgevoerd en/of
- van een of meer van de voornoemde betalers geldmiddelen ontvangen en/of - ten behoeve van voornoemde begunstigde(n) geldmiddelen overgedragen en/of
-
geldmiddelen opgeslagen en/of in voorraad gehouden en/of
- aantekeningen gemaakt en/of een boekhouding gevoerd van de door hem, verdachte, uitgevoerde betalingsdiensten en/of ontvangen gelden en/of tegoeden en/of
- tokens verstuurd en/of ontvangen,
terwijl hij, verdachte, van het plegen van bovenomschreven misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;
2.
hij op
of omstreeks24 januari 2018 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
althans alleen,
een
(grote
)hoeveelheid contant geld (EUR 45.000,00) voorhanden heeft gehad (in zijn kantoor met de naam [bedrijf 1] ) en
/ofheeft overgedragen aan [persoon 1] , terwijl hij wist,
althans redelijkerwijs moest vermoeden,dat dat geld - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
3.
hij op
of omstreeks20 juni 2018 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen,
een
(grote
)hoeveelheid contant geld (
EUR 80.420,00, althansEUR 75.420)
)voorhanden heeft gehad (in de woning aan de [adres] ), terwijl hij wist,
althans redelijkerwijs moest vermoeden,dat dat geld - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
4.
subsidiair
hij in
of omstreeksde periode van 1 januari
20152016tot en met
2 april1 maart2019 te Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel en/of Lekkerkerk, gemeente Krimpenerwaard, en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander
of anderen, althans alleen,
meermalen
( [persoon 2] en/of [persoon 3] handelende onder de naam) [bedrijf 3] heeft doen plegen het toen aldaar
meermalen
valselijk opmaken
en/of vervalsenvan een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een salarisstrook en/of een jaaropgaaf van de (werkgever) eenmanszaak [bedrijf 2] op naam van (werknemer) [verdachte] ,
althanste weten
- de jaaropgaaf 2018
(blz. 117)en
/of
- de salarisstrook februari 2019
(blz. 118 en blz. 316)en
/of
- de salarisstroken januari 2016 tot en met december 2016
(blz. 213 tot en met 235)en
/of
- de salarisstroken januari 2017 tot en met december 2017
(blz. 244 tot en met 266)en
/of
- de salarisstroken januari 2018 tot en met december 2018
(blz. 281 tot en met 302)en
/of
- de salarisstrook januari 2019
(blz. 314)en
/of
- de jaaropgaaf 2015
(blz. 333),door daarop te vermelden dat hij, verdachte, zakelijk weergegeven, loon uit dienstbetrekking van ( [medeverdachte 1] h.o.d.n.) [bedrijf 2] genoot
(in de betrokken maand en/of het betrokken jaar
)
met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
6.
hij in
of omstreeksde periode van 1 januari 2015 tot en met
2 april1 maart2019 te Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander
of anderen, althans alleen,meermalen,
althans eenmaal, vanvoorwerpen (girale betalingen - ten titel van loon/salaris - aan hem, verdachte,)
de werkelijke aardende herkomst, de verplaatsing heeft verborgen en/of deze voorwerpenheeft verworven en/of voorhanden
gekregengehad,
te weten -
(telkens)(maandelijks en
/ofgiraal) geldbedragen (ten titel van loon uit [bedrijf 2] ) aan hem, verdachte, namelijk:
- girale betalingen tot een totaal van EUR 15.067,72 in het jaar 2015 en
/of
- girale betalingen tot een totaal van EUR 16.166,51 in het jaar 2016 en
/of
- girale betalingen tot een totaal van EUR 20.358,96 in het jaar 2017 en
/of
- girale betalingen tot een totaal van EUR 11.562,94 in het jaar 2018 en
/of
- girale betalingen van EUR 1.200,00 en EUR 1.300,00 in het jaar 2019
terwijl hij wist,
althans redelijkerwijs moest vermoeden,dat die voorwerpen
geheel of gedeeltelijk, -onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf
en hij, verdachte, van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. [verdachte] moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan, terwijl van het plegen van het misdrijf een gewoonte wordt gemaakt.
Het onder 2 en 3 bewezenverklaarde levert op, telkens:
medeplegen van witwassen.
Het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van doen plegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Het onder 6 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan ondergronds bankieren en aan het witwassen van contante bedragen van aanzienlijke omvang. Ondergronds bankieren kenmerkt zich door het bedrijfsmatig als betaaldienstverlener, zonder vergunning daartoe door de Nederlandse Bank N.V. dan wel een door die instelling geregelde vrijstelling, ontvangen, verplaatsen en overdragen van (vaak grote) geldbedragen. Met de Wet op het financieel toezicht beoogt de overheid een kwalitatief hoogwaardig en integer financieel stelsel te waarborgen. Met zijn handelen heeft de verdachte zich onttrokken aan de regels van het financiële toezichtsrecht. Daarbij komt dat het geld veelal van misdaad
afkomstig is, dat aldus wordt witgewassen. Door het witwassen van crimineel vermogen
wordt de onderliggende criminaliteit, waarbij grote sommen geld kunnen omgaan,
gefaciliteerd. Witwasconstructies tasten de integriteit van de legale economie aan en zijn,
mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een
bedreiging voor de samenleving.
Daarnaast heeft de verdachte zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Aldus heeft hij inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in schriftelijke bescheiden als salarisstroken en jaaropgaven gesteld mag worden. Vervolgens heeft de verdachte er een gewoonte van gemaakt het aldus aan hem uitbetaalde loon wit te wassen.
Het hof weegt ten nadele van de verdachte mee dat deze blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 februari 2026 eerder is veroordeeld ter zake van witwassen.
Gelet op het vorenstaande is de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zich de enige aangewezen straf. Bij het bepalen van de op te leggen straf zal het hof evenwel rekening houden met de slechte gezondheidstoestand van de verdachte, waarover in hoger beroep diverse stukken zijn aangeleverd. Hieruit volgt dat de verdachte een ernstige chronische longziekte heeft, waarvoor hij continue zuurstof suppletie krijgt. De huisarts heeft gesteld dat hij vermoed dat er sprake zou kunnen zijn van een pre-terminale toestand, de longarts heeft aangegeven dat er geen genezing van de ziekte mogelijk is en dat medicatie de ziekte alleen maar kan afremmen. Hoewel uit een door de Dienst Justitiële Inrichtingen d.d. 2 april 2026 opgemaakt rapport volgt dat de verdachte strikt genomen detentiegeschikt is, acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelet op de gebleken gezondheidstoestand van de verdachte niet aangewezen. Bij de uitvoering van een taakstraf zal naar het oordeel van het hof beter rekening gehouden kunnen worden met de bij de verdachte aanwezige beperkingen waarbij tevens de strafdoelen als speciale preventie en leedtoevoeging voldoende worden gediend.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van 200 uren, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden een passende en geboden reactie vormen.
Ten slotte constateert het hof dat de behandeling van het op 6 juli 2022 ingestelde hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, maar dat deze met ongeveer 2 jaar is overschreden. Gelet op deze overschrijding zal het hof aan de verdachte – in plaats van de hiervoor overwogen taakstraf – een taakstraf van
180 uren opleggen.

Verbeurdverklaring

Het aan de verdachte toebehorende in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 75.420,-, , is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het onder 3 bewezenverklaarde met betrekking tot dit geldbedrag is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 47, 57, 225, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 4 primair en subsidiair, 5 en 6 tenlastegelegde.
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5 tenlastegelegde.
Vernietigthet vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart
niet bewezendat de verdachte het
onder 4 primairtenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen
bewezendat de verdachte het
onder 1, 2 , 3, 4 subsidiair en 6tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
90 (negentig) dagen hechtenis.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
een geldbedrag van € 75.420,-.
Dit arrest is gewezen door mr. K. Versteeg, als voorzitter,
mr. R. van der Hoeven en mr. M.S. Lamboo, leden,
in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 juni 2026.