ECLI:NL:GHDHA:2026:1914

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
22-001958-22
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WwftArt. 16 WwftArt. 33 WwftArt. 33a WwftArt. 47 Wwft
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens overtreding Wwft, Wtt en witwassen met onvoorwaardelijke gevangenisstraf

De verdachte werd in eerste aanleg deels veroordeeld en deels vrijgesproken voor overtredingen van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), de Wet toezicht trustkantoren (Wtt), ondergronds bankieren en witwassen. In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis en deed opnieuw recht.

Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen vrijspraken die niet aan hoger beroep onderhevig waren. Vervolgens sprak het hof de verdachte vrij van enkele tenlastegelegde feiten, waaronder bepaalde belastingfraude en valsheid in geschrift, wegens onvoldoende bewijs.

De verdachte werd veroordeeld voor het niet naleven van onderzoek- en meldplichten onder de Wwft, het zonder vergunning als trustkantoor en betaaldienstverlener opereren, en witwassen van grote contante bedragen en vastgoedtransacties. Het hof oordeelde dat de verdachte een onmisbare schakel was in witwasconstructies, medeplegend met anderen, waaronder een advocaat. De straf werd vastgesteld op 36 maanden gevangenisstraf, rekening houdend met overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werden diverse geldbedragen verbeurd verklaard en teruggegeven waar passend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf wegens overtreding Wwft, Wtt en witwassen met verbeurdverklaring van geldbedragen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001958-22
Parketnummers: 10-750341-16 (dagvaarding I)
10-125231-22 (dagvaarding II)
Datum uitspraak: 9 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( Pakistan ) op [geboortedatum] 1971,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding I onder 6 primair, 7, 8, 14 en 16, en het bij dagvaarding II tenlastegelegde vrijgesproken. Ter zake van het bij dagvaarding II onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 subsidiair, 9, 10, 11, 12, 13 en 15 tenlastegelegde is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Tevens is beslist op het beslag, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Hoger beroep officier van justitie
Uit de akte rechtsmiddel van de officier van justitie volgt dat het bij dagvaarding I onder 14 en 16 en het bij dagvaarding II tenlastegelegde van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zijn uitgesloten.
Hoger beroep verdachte
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem bij dagvaarding I onder 7, 8, 14 en 16 en bij dagvaarding II is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door [verdachte] evenwel onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.
De zaak in hoger beroep
Waar hierna over ‘de zaak’ wordt gesproken dan is dit met inachtneming van de hiervoor weergegeven beperkingen van het geding in hoger beroep.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Dagvaarding I:
1.
(Zaak Wwft)
hij
in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2018
te Rotterdam
als zelfstandig en/of onafhankelijk handelend boekhouder en/of belastingconsulent en/of exploitant van een boekhoud- en administratiekantoor, handelende onder de naam [bedrijf 1] , opzettelijk in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 3 van Pro de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan betreffende navolgende cliënten, althans onvoldoende cliëntenonderzoek heeft gedaan naar navolgende cliënten en/of van dat onderzoek niet de gegevens bewaard en/of actueel gehouden,
immers heeft hij toen aldaar opzettelijk geen customer due dilligence/cliëntenonderzoek uitgevoerd en/of vastgelegd en/of bewaard (in de administratie van zijn kantoor) betreffende zijn cliënten
[Cliënt 1] en/of
[Cliënt 2] en/of
[Cliënt 3] en/of
[Cliënt 4] en/of
[Cliënt 5] en/of
[Cliënt 6 hierna bedrijf 3] en/of
[Cliënt 7] en/of
[Cliënt 8] en/of
[Cliënt 9] en/of
[Cliënt 10]
en/of
heeft hij niet de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende (UBO) vastgesteld en/of geverifieerd en/of vastgelegd en/of bewaard (in de administratie van zijn kantoor) van zijn cliënten
[Cliënt 11] en/of
[Cliënt 12] en/of
[Cliënt 13] en/of
[Cliënt 14] en/of
[Cliënt 15] . en/of
[Cliënt 16] en/of
[Cliënt 17] en/of
[Cliënt 18] en/of
[Cliënt 19]
en/of
hij heeft hij niet de identiteit van de gerechtigden geverifieerd en/of vastgelegd en/of bewaard (in de administratie van zijn kantoor) van de onderneming(en)
[Cliënt 20] en/of
[Cliënt 21] ,
terwijl hij, verdachte, van het plegen van bovenomschreven misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;
2.
(Zaak Wwft)
hij
in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2018
te Rotterdam
als zelfstandig en/of onafhankelijk handelend boekhouder en/of belastingconsulent en/of exploitant van een boekhoud- en administratiekantoor, handelende onder de naam [bedrijf 1] , meermalen, telkens opzettelijk in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 16 van Pro de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, een verrichte ongebruikelijke transactie niet (onverwijld) nadat het ongebruikelijke karakter van deze transactie bekend is geworden heeft gemeld aan de Financiële inlichtingen eenheid, immers heeft hij telkens opzettelijk geen melding gedaan van,
-de financiering van de verwerving van het appartement aan de [adres 1] te Rotterdam door [bedrijf 2] , waarbij hij, verdachte, (mede) handelde op verzoek van zijn cliënt [medeverdachte 1] ( in de periode april-juni 2017; zaaksdossier [zaaksnaam 1] ) en/of
-de financiering van de verwerving van het appartement aan de [adres 2] te Rotterdam door [bedrijf 3] , waarbij zijn cliënten [medeverdachte 1] en [bedrijf 4] zijn betrokken, (zaaksdossier [zaaksnaam 2] ) en/of
-de financiering van de verwerving van het appartement aan de [adres 3] te Rotterdam door [bedrijf 5] (zaaksdossier [zaaksnaam 3] ) en/of
-de financiering van de verwerving van het pand [adres 4] te Rotterdam door [bedrijf 6] (in de periode januari-april 2018) en/of
-de financiering en/of de verwerving door [bedrijf 7] van personenauto's, te weten een BMW (kenteken [kenteken 1] ) en/of een Mercedes Benz C300 (kenteken [kenteken 2] ) en/of een Mercedes Benz C220 (kenteken [kenteken 3] ), en/of
-de financiering en/of de verwerving door [bedrijf 8] van personenauto's, te weten een BMW (kenteken [kenteken 4] ) en een Mercedes (kenteken [kenteken 5] ), en/of
-de storting in contanten van een bedrag van EUR 70.000,-- in de kas van ( [persoon 2] handelende onder de naam) [bedrijf 9] (zoals geregistreerd met boekingsdatum 2 januari 2015) en/of de betaling in contanten door een debiteur genaamd ' [debiteur 1] ' van een bedrag van EUR 52.500,-- met boekingsdatum 22 mei 2015 en/of de betaling in contanten/kasstorting door een debiteur genaamd ' [debiteur 2] 'met boekingsdatum 5 oktober 2017 in de kas en/of de boekhouding van [bedrijf 9] en/of een aantal (23) stortingen en opnamen van bedragen van EUR 15.000,-- of hoger in of uit de kas van [bedrijf 9] en/of
-een kasopname van EUR 40.000,-- met boekingsdatum 7 oktober 2016 en/of de ontvangst per kas van drie bedragen in contanten tot een totaal van EUR 29.500 met omschrijving 'Return Loan agreement 2016-1-9' en tegenrekening ' [omschrijving 1] ' en boekingsdatum 7 oktober 2016 in de boekhouding van [bedrijf 11] en/of
-een kasopname van EUR 17.000,-- met omschrijving ' [omschrijving 2] ' en boekingsdatum 18 februari 2015 en/of een kasopname van EUR 15.200,-- met omschrijving 'Opname kasgeld via Bank' in de boekhouding van [Cliënt 13] ,
terwijl hij, verdachte, van het plegen van bovenomschreven misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;
3.
(Zaak trustkantoren)
hij
in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2018
te Rotterdam en/of elders in Nederland,
zonder vergunning van de toezichthouder, De Nederlandsche Bank N.V., vanuit een vestiging in Nederland, handelende onder de naam [bedrijf 1] , opzettelijk als trustkantoor werkzaam is geweest,
immers heeft hij toen aldaar opzettelijk beroeps- of bedrijfsmatig diensten verleend (aan derden, opdrachtgevers) bestaand uit het ter beschikking stellen van een postadres en/of een bezoekadres en/of het verzorgen van belastingaangiften en/of het voeren van de administratie ten behoeve en/of in opdracht van:
- [Cliënt 22] en/of
- [bedrijf 5] en/of
- [bedrijf 4] en/of
- [Cliënt 23] en/of
- [Cliënt 24] en/of
- [Cliënt 25] en/of
- [Cliënt 26] en/of
- [Cliënt 27] en/of
- [Cliënt 28] en/of
- [Cliënt 29] en/of
- [Cliënt 13]
terwijl hij, verdachte, van het plegen van bovenomschreven misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;
4.
(Zaak ondergronds bankieren; zaak [rechtspersoon uit de VAE 1] )
hij
op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2018,
te Rotterdam en/of elders in Nederland,
(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk zonder vergunning van De Nederlandsche Bank N.V. het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het Financieel Toezicht, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders de zetel (voor het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener) in Nederland hadden,
althans (telkens) opzettelijk als betaaldienstverlener de werkzaamheden vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door tussenkomst van een in Nederland werkzaam zijnde betaaldienstagent, dan wel door middel van het verrichten van diensten naar Nederland verrichtten, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders de zetel in een andere lidstaat hadden en handelden zonder een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat daartoe verleende vergunning,
althans (telkens) opzettelijk in Nederland het bedrijf van betaaldienstverlener uitoefenden, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders de zetel in een staat die (toentertijd) geen lidstaat was, hadden,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) op verzoek van (een) (onbekend gebleven) betaler(s) en/of ten behoeve van (een)(onbekend gebleven) begunstigde(n)
betalingsdiensten , te weten geldtransfers, uitgevoerd en/of
van een of meer van de voornoemde betalers geldmiddelen ontvangen en/of
ten behoeve van voornoemde begunstigde(n) geldmiddelen overgedragen en/of geldmiddelen opgeslagen en/of in voorraad gehouden en/of
aantekeningen gemaakt en/of een boekhouding gevoerd van de door hem, verdachte, uitgevoerde betalingsdiensten en/of
tokens verstuurd en/of ontvangen, terwijl hij, verdachte, van het plegen van bovenomschreven misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;
5.
(BTW auto's)
hij op of omstreeks 4 juli 2017 te Rotterdam en/of Schiedam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen
een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
te weten een aangifte voor de omzetbelasting op naam van [bedrijf 8] over het tweede kwartaal van 2017,
onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) en [bedrijf 8] opzettelijk op het bij de inspecteur der belastingen te Rotterdam ingeleverde aangiftebiljet over het tweede kwartaal van 2017, een onjuist bedrag aan omzetbelasting vermeld,
terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven,
terwijl hij, verdachte, voornoemd feit in de uitoefening van zijn beroep (van boekhouder, accountant of financieel adviseur h.o.d.n. [bedrijf 1] ) heeft begaan;
6.
hij in of omstreeks de maand augustus 2017 te Rotterdam en/of elders in Nederland
een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
te weten een aangifte voor de omzetbelasting op naam van zijn eenmanszaak [bedrijf 1] over juli 2017,
onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,
immers heeft hij, verdachte. opzettelijk op het bij de inspecteur der belastingen te Rotterdam ingeleverde aangiftebiljet over juli 2017, een onjuist bedrag aan omzetbelasting vermeld door vooraftrek te claimen over de factuur van [Cliënt 23] (d.d. 13 juli 2017; nr. [factuurnummer 1] ) betreffende de aankoop van BMW X5 M50d [kenteken 4] meldcode [meldcode 1] Km-stand: 34290 (EUR 81.873,00 incl. EUR 12.600,00 BTW), terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;
subsidiair althans, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 26 juni 2017 tot en met juni 2018 te Rotterdam en/of elders in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een BMW X5 (met kenteken [kenteken 4] ) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of van een BMW X5 (met kenteken [kenteken 4] ) gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist dat die BMW X5- middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was uit enig misdrijf (immers was deze auto mede gefinancierd door belasting- en/of faillissementsfraude);
7.
hij op of omstreeks 27 januari 2015, althans in of omstreeks de maand januari 2015, te Rotterdam en/of elders in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
[bedrijf 7] (met BTW-nummer [BTW-nummer] ) heeft doen plegen het opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten de kwartaalaangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2014 onjuist en/of onvolledig doen
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk op het bij de inspecteur der belastingen te Rotterdam ingeleverde aangiftebiljet over het vierde kwartaal van 2014, een onjuist bedrag aan omzetbelasting vermeld,
terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven,
terwijl hij, verdachte, voornoemd feit in de uitoefening van zijn beroep (van boekhouder, accountant of financieel adviseur h.o.d.n. [bedrijf 1] ) heeft begaan;
8.
hij in of omstreeks de maand oktober 2015 te Rotterdam en/of elders in Nederland
een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
te weten een aangifte voor de omzetbelasting op naam van zijn eenmanszaak [bedrijf 1] over september 2015,
onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,
immers heeft hij, verdachte. opzettelijk op het bij de inspecteur der belastingen te Rotterdam ingeleverde aangiftebiljet over september 2015, een onjuist bedrag aan omzetbelasting vermeld door vooraftrek te claimen over de factuur van [bedrijf 12] (d.d. 29 september 2015; nr. [factuurnummer 2] ) betreffende de aankoop van BMW X5 M50D [kenteken 1] [meldcode 2] (EUR 116.265,00 inclusief EUR 18.060,00 BTW),
terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;
subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2015 tot en met 18 juli 2017 te Rotterdam en/of elders in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een BMW X5 (met kenteken [kenteken 1] ) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of van een BMW X5 (met kenteken [kenteken 1] ) gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist dat die BMW X5- middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was uit enig misdrijf (immers was deze auto mede gefinancierd door belasting- en/of faillissementsfraude);
9.
(Zaak [zaaksnaam 5])
hij op of omstreeks 20 juni 2018 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
in een safeloket met nummer [nummer 1] in het filiaal van de [bank] aan de [adres 5] te Rotterdam een (grote) hoeveelheid contant geld (EUR 316.500), te weten een plastic boodschappentas van de supermarkt Plus met EUR 99.000 en/of een zwarte zak (met opschrift Dolce en Gabana) met EUR 210.000 en/of een roze zakje met EUR 7.500, voorhanden heeft gehad,
terwijl hij wist dat dat geld - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
10.
(Zaak 201.500)
hij op of omstreeks 8 maart 2018 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een (grote) hoeveelheid contant geld (EUR 201.500 in een rode tas)
voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen aan [medeverdachte 3] ,
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat geld - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
11.
(Zaak [adres 4] )
hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 30 april 2018 te Rotterdam en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de verplaatsing van inkomsten en/of vermogen van [persoon 1] heeft verborgen en/of verhuld
door deze inkomsten en/of dit vermogen (gedeeltelijk, middellijk) te investeren in het appartement met berging en 2 parkeerplaatsen behorende bij [adres 4]
en/of
inkomsten en/of vermogen van [persoon 1] heeft omgezet in de verwerving van het appartement met berging en 2 parkeerplaatsen behorende bij [adres 4] ,
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die inkomsten en/of dat vermogen - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
12.
(Zaak [zaaksnaam 1] )
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 31 mei 2017 te Rotterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de verplaatsing van inkomsten en/of vermogen van [medeverdachte 1] heeft verborgen en/of verhuld
door deze inkomsten en/of dit vermogen (gedeeltelijk, middellijk) onder te brengen in [bedrijf 2] en/of (hiermee) te investeren in het appartement aan de [adres 1] Rotterdam (en twee stallingsplaatsen gelegen aan de [adres 6] )
en/of
inkomsten en/of vermogen van [medeverdachte 1] heeft omgezet in de verwerving van het appartementrecht [adres 1] Rotterdam (en twee stallingsplaatsen gelegen aan de [adres 6] ),
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die inkomsten en/of dat vermogen - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
13.
(Zaak [bedrijf 3] )
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 28 februari 2018 te Rotterdam en/of elders in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de verplaatsing van inkomsten en/of vermogen van [medeverdachte 1] heeft verborgen en/of verhuld
door deze inkomsten en/of dit vermogen (gedeeltelijk, middellijk) onder te brengen in [bedrijf 3] en/of (hiermee) te investeren in het appartement aan de [adres 2] Rotterdam (en twee stallingsplaatsen gelegen aan de [adres 6] )
en/of
inkomsten en/of vermogen van [medeverdachte 1] heeft omgezet in de verwerving van het appartementrecht [adres 2] Rotterdam (en twee stallingsplaatsen gelegen aan de [adres 6] ),
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die inkomsten en/of dat vermogen - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
15.
(Zaak [zaaksnaam 4] )
hij op of omstreeks 12 april 2018, althans in april 2018, te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,
te weten een inkomensverklaring ten naam van [persoon 2] ,
valselijk heeft opgemaakt door in strijd met de waarheid in dat geschrift op te nemen de woorden: " [persoon 2] heeft de volgende resultaten uit zijn onderneming genoten: Januari 2018, EUR 3.354 Februari 2018, EUR 2.373 Maart 2018, EUR 1.713"
met het oogmerk om dit als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte van het bij dagvaarding I onder 6 primair zal worden vrijgesproken, en dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 subsidiair, 7, 8 primair, 9, 10, 11, 12, 13 en 15 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, alsmede tot ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van boekhouder, accountant en belastingadviseur, voor de duur van 5 jaar. Daarnaast vordert de advocaat-generaal verbeurdverklaring van het in beslaggenomen geldbedrag van € 309.000,- en van de onroerende registergoederen [adres 1] en [adres 2] te Rotterdam, alsmede teruggave aan de verdachte van het in beslaggenomen geldbedrag van € 7.500,-..

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Het hof zal de verdachte hierna ook aanduiden als: [verdachte] .
Inleidende opmerkingen
[verdachte] wordt verweten dat hij, als eigenaar van (de eenmanszaak) [bedrijf 1] , een boekhoud- en administratiekantoor, niet aan zijn onderzoeksplicht ten aanzien van cliënten heeft voldaan en in die hoedanigheid ongebruikelijke transacties niet aan de Financiële Inlichtingen Eenheid heeft gemeld (feiten 1 en 2) en dat hij in die hoedanigheid zonder vergunning van De Nederlandse Bank N.V. opzettelijk als trustkantoor werkzaam is geweest (feit 3).
Vervolgens wordt [verdachte] verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ondergronds
bankieren door wederom zonder vergunning van De Nederlandse Bank N.V. opzettelijk het
bedrijf van betaaldienstverlener uit te oefenen (feit 4).
Ook wordt [verdachte] het plegen van belastingfraude verweten, hierin bestaande dat hij een
kwartaalaangifte omzetbelasting van [bedrijf 8] (hierna: [bedrijf 8] ) (een
klant van [bedrijf 1] ) en twee aangiften omzetbelasting van [bedrijf 1] onjuist of
onvolledig heeft gedaan (feiten 5 en 6 primair, 8 primair), dan wel dat hij zich schuldig heeft
gemaakt aan het witwassen van twee luxe personenauto’s (feiten 6 subsidiair en 8
subsidiair). Een derde verwijt van belastingfraude houdt in dat de verdachte dit feit heeft
doen plegen met betrekking tot een kwartaalaangifte omzetbelasting van een klant van [bedrijf 1]
(feit 7).
Daarnaast wordt [verdachte] witwassen verweten met betrekking tot verschillende grote
contante geldbedragen en met betrekking tot inkomsten en/of vermogen van anderen door
deze inkomsten en/of dit vermogen in vastgoed te investeren (feiten 9 tot en met 13).
Tot slot wordt hem verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in
geschrift, hierin bestaande dat hij twee inkomensverklaringen op naam van
medeverdachten valselijk heeft opgemaakt (feit 15).

Vrijspraken

Feit 5 (zaak BTW-auto’s)
Gelet op de inhoud van het dossier overweegt het hof voor wat betreft dit feit als volgt.
De aangifte omzetbelasting voor [bedrijf 8] is ingediend door [bedrijf 1] op verzoek van de medeverdachte [medeverdachte 2] , die ook verantwoordelijk was voor het indienen van de facturen. In het dossier bevindt zich weliswaar een OVC-gesprek van 18 september 2017 tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] , maar hieruit kan niet worden afgeleid dat [verdachte] op of omstreeks 4 juli 2017 wetenschap had van de onjuistheid van de ingediende aangifte. Hieruit volgt dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] de aangifte al dan niet tezamen en in vereniging opzettelijk onjuist en/of onvolledig heeft ingediend. [verdachte] behoort derhalve te worden vrijgesproken van dit feit.
Feit 6 (zaak BTW-auto’s)
Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen primair aan [verdachte] is tenlastegelegd, zodat [verdachte] daarvan – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – dient te worden vrijgesproken.
Het hof is voorts van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het dossier niet kan worden geoordeeld dat de BMW X5 geheel of gedeeltelijk is gefinancierd met uit enig misdrijf afkomstig geld. Dit betekent dat niet is bewezen dat [verdachte] deze auto – al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen - heeft witgewassen, zodat hij ook van het subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
Feit 7 (zaak BTW-auto’s)
Op de server van [bedrijf 1] werd een map aangetroffen van [bedrijf 7] . [verdachte] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat [bedrijf 7] tot eind 2014 een klant van [bedrijf 1] is geweest en dat de laatste handeling voor deze klant op 27 januari 2015 de BTW aangifte is geweest over het vierde kwartaal 2014. Nu uit het dossier slechts kan blijken dat [bedrijf 7] hooguit tot april 2014 een klant is geweest, zal het hof evenals de rechtbank van deze verklaring uitgaan.
Er is geen bewijs dat [verdachte] wetenschap heeft gehad van frauduleuze handelingen met de op de tenlastelegging vermelde Mercedes. Daar komt bij dat [verdachte] ter zitting heeft verklaard dat het feit dat zijn naam op het formulier staat waarmee de BTW-aangifte is gedaan nog niet betekent dat hij ook zelf de aangifte heeft gedaan. Dat zijn naam op het formulier staat is het gevolg van een instelling in het geautomatiseerde systeem waarmee [bedrijf 1] de belastingaangifte gebruikelijk deed.
Nu het hof dit niet kan uitsluiten en er ook overigens geen bewijs is dat [verdachte]
op de hoogte is geweest van het doen van onjuiste en/of onvolledige aangifte, zal
het hof hem van dit feit vrijspreken.
Feit 8 (zaak BTW-auto’s)
Hoewel zou kunnen worden bewezen dat de medeverdachte [medeverdachte 4] bij de aankoop van de op de tenlastelegging vermelde BMW X5 fraude heeft gepleegd met behulp van [bedrijf 7] , ontbreekt naar het oordeel van het hof het bewijs dat [verdachte] daaraan heeft deelgenomen of dat hij daarvan wetenschap had. [verdachte] zal dan ook worden vrijgesproken van het opzettelijk doen van een onjuiste en/of onvolledige aangifte omzetbelasting van [bedrijf 7] .
Subsidiair is ten laste gelegd dat [verdachte] de BMW X5 heeft witgewassen. Het hof is te dien aanzien van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het dossier niet kan worden geoordeeld dat de BMW X5 afkomstig was uit enig misdrijf. Dit betekent dat niet is bewezen dat [verdachte] deze auto – al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen - heeft witgewassen, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.
Feit 15 (zaak [zaaksnaam 4] )
Het hof zal [verdachte] ook van dit feit vrijspreken. Hoewel uit de tekst van de tenlastegelegde inkomensverklaring, in combinatie met het OVC-gesprek van 12 april 2018, volgt dat de inkomensverklaring in strijd met de waarheid door een van de medewerkers van [verdachte] is opgemaakt (immers staat daarin dat resultaten uit onderneming “zijn genoten”, terwijl de cijfers een prognose betroffen), kan het hof op basis van het dossier niet vaststellen dat [verdachte] op de hoogte was van de uiteindelijke inhoud van de inkomensverklaring en dus evenmin van de cruciale, hiervoor weergegeven passage (“zijn genoten”). Dat kennelijk op aangeven van [verdachte] door de medewerker gebruik is gemaakt van een standaardbrief, maakt het voorgaande niet anders, nu uit het dossier niet blijkt hoe de exacte tekst van deze standaardbrief luidt.
Conclusie
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan [verdachte] bij dagvaarding I onder 5, 6 primair en subsidiair, 7, 8 primair en subsidiair en 15 is tenlastegelegd, zodat [verdachte] daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

Bewijsoverweging feit 1 (Zaak Wwft)
Onder feit 1 wordt [verdachte] verweten dat hij bij tien van de cliënten van [bedrijf 1]
opzettelijk geen (volledig) cliëntonderzoek heeft uitgevoerd en/of dat niet heeft
geadministreerd; niet de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende (hierna: UBO) van
tien andere cliënten heeft vastgesteld en/of dat niet heeft geadministreerd; en van weer twee
andere cliënten niet de identiteit van de gerechtigden van een eenmanszaak heeft
geverifieerd en/of dat niet heeft geadministreerd. Dat zou in strijd zijn met de Wet ter
voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft).
Standpunt verdediging
De verdediging heeft met betrekking tot feit 1 betoogd dat het enkele ontbreken van administratieve stukken nog niet leidt tot de conclusie dat in het geheel geen cliëntenonderzoek is verricht. Binnen [bedrijf 1] werd wél cliëntenonderzoek verricht, zij het beperkt, hetgeen zou blijken uit de in eerste aanleg door de verdediging overgelegde stukken. Opzet kan niet bewezen worden want voor opzet is nodig dat de verdachte willens en wetens heeft nagelaten om het vereiste cliëntenonderzoek te (laten) verrichten of vast te leggen, aldus de verdediging.
Feiten en omstandigheden
[verdachte] dreef een eenmanszaak, genaamd [bedrijf 1] . Op de toenmalige website van [bedrijf 1] stond onder meer het volgende te lezen:

Gevestigde ondernemers kunnen wij bijstaan door het doen van de administratie of het opstellen van de jaarrekeningen. Ook geven wij belastingadvies op het gebied van inkomsten-, omzet- en vennootschapsbelasting of loonheffingen.” en: “
" [bedrijf 1] is een team van ervaren en gedegen specialisten die tezamen alle competenties bevatten om de boekhouding, fiscale aspecten en loonadministratie van ondernemingen te verzorgen".
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [bedrijf 1] verschillende werknemers in dienst had die genoemde werkzaamheden voor [verdachte] uitvoerden. Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat [bedrijf 1] enkele honderden cliënten had voor wie zij genoemde werkzaamheden uitoefende. Die cliënten betaalden [verdachte] / [bedrijf 1] voor deze diensten. [verdachte] heeft verklaard dat hij zelf die werkzaamheden niet of nauwelijks verrichtte (en het dus overliet aan zijn werknemers). Hij heeft ter zitting verklaard dat de medewerkers van zijn kantoor gebruikelijk niet het (volledige) cliëntonderzoek als bedoeld in de Wwft hebben gedaan. Gesteld noch gebleken is dat binnen [bedrijf 1] richtlijnen of anderszins beleid aanwezig was gericht op naleving van de Wwft.
Het oordeel van het hof
Uit genoemde feiten en omstandigheden en uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] , handelend onder de naam [bedrijf 1] , kwalificeert als “instelling” als bedoeld in artikel 1a lid 4 aanhef en sub a Wwft: hij verrichtte, zelfstandig en in hoofdzaak, diensten als belastingadviseur voor natuurlijke of rechtspersonen met wie hij een zakelijke relatie aanging en/of voor wie hij een transactie uitvoerde. De Wwft was dus op hem van toepassing.
De tenlastelegging is toegespitst op een aantal met name genoemde cliënten ten aanzien waarvan [verdachte] / [bedrijf 1] onvoldoende cliëntenonderzoek heeft gedaan. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het cliëntenonderzoek bij [verdachte] / [bedrijf 1] inderdaad niet volledig voldoet aan de door de Wwft gestelde eisen en derhalve onvoldoende was.
Dat namens de verdachte in eerste aanleg, dus ná de tenlastegelegde periode, alsnog een aantal identificatie stukken zijn overgelegd doet aan het bovenstaande niet af nu niet alle customer due dilligence-stukken van de in de tenlastelegging genoemde cliënten zijn overgelegd en evenmin aannemelijk is gemaakt dat die stukken in de tenlastegelegde periode al waren verzameld en bewaard.
De Wwft maakt niet de uitzondering dat met betrekking tot familie, vrienden en bekenden geen verplichtingen gelden met betrekking tot het uitvoeren van een cliëntenonderzoek.
Gesteld noch gebleken is dat binnen de onderneming van [verdachte] / [bedrijf 1] richtlijnen aanwezig waren of beleid werd gevoerd ter naleving van de Wwft. Een risicoprofiel van de door [verdachte] / [bedrijf 1] aangeboden diensten en van hun cliënten ontbreekt geheel. Van enige opleiding in het kader van de Wwft was geen sprake, terwijl op [verdachte] als ondernemer de zorgplicht rustte dat hij en zijn werknemers de Wwft naleefden. Het op deze wijze (niet) voeren van beleid aangaande de Wwft-verplichtingen levert ten minste de aanmerkelijke kans op dat die verplichtingen niet volledig worden nageleefd. Het hof acht daarom opzet, ten minste in voorwaardelijke vorm, bewezen.
Voor zover de verdediging nog heeft willen betogen dat [verdachte] / [bedrijf 1] de Wwft-verplichtingen niet kende, geldt nog dat van een ondernemer verwacht wordt dat hij zo nodig zelf nagaat welke wettelijke verplichtingen op hem rusten dan wel daarvoor te rade gaat bij een deskundige.
Gelet op het feit dat [verdachte] dit meerdere jaren deed, het feit dat hij honderden cliënten had en het feit dat hij niet of nauwelijks beleid voerde met betrekking tot de naleving van de Wwft is het hof van oordeel dat hij van het niet naleven van de in de tenlastelegging genoemde verplichtingen een gewoonte maakte.
De verweren worden verworpen.
Bewijsoverweging feit 2 (zaak Wwft)
Onder feit 2 wordt [verdachte] verweten dat hij niet, zoals voorgeschreven in artikel 16 Wwft Pro, een aantal in de tenlastelegging nader omschreven contante stortingen of betalingen als een ongebruikelijke transactie onverwijld zodra het ongebruikelijke karakter van de betreffende transactie bekend was, heeft gemeld.
Standpunt van de verdediging
Met betrekking tot feit 2 wordt betoogd dat de verdachte, gelet op hetgeen hij met betrekking tot de betalingen bij [bedrijf 9] (hierna: [bedrijf 9] ) is nagegaan, het standpunt inneemt dat géén sprake was van “ongebruikelijke” transacties. Met betrekking tot de transacties bij [bedrijf 11] is naar voren gebracht dat [verdachte] zelf niets afwist van deze betalingen. Ten aanzien van [Cliënt 13] is bepleit dat de verdachte niets van deze kasmutaties afwist omdat deze door de klant zelf werden uitgevoerd.
Het oordeel van het hof
De indicatoren aan de hand waarvan dient te worden vastgesteld of sprake is van een “ongebruikelijke transactie” worden per instelling genoemd in het Uitvoeringsbesluit Wwft. Als subjectieve indicator wordt daarin voor belastingadviseurs genoemd:
“Een transactie waarbij de instelling aanleiding heeft om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of financieren van terrorisme.”
De reikwijdte van deze indicator is zeer ruim. Niet behoeft te worden vastgesteld dát sprake is van witwassen. Een melding is al vereist indien de transactie verband kán houden met witwassen. Evenmin behoeft te worden vastgesteld dat sprake is van een strafrechtelijke verdenking van witwassen: dat de transactie “ongebruikelijk” is, is al voldoende.
In januari 2015 werd geconstateerd dat een contant bedrag van € 70.000,00 in de kas van [bedrijf 9] was gestort met als omschrijving “privé lening”. [verdachte] heeft hierover verklaard:
“Door [bedrijf 9] werden regelmatig stortingen gedaan. In opdracht van cliënten uit Irak koopt [persoon 2] landbouwmachines. Die bedragen konden niet per bank worden overgemaakt, dat werkt niet en daarom ging het contant.”
Contante betalingen, zeker in grote bedragen, kunnen een aanwijzing vormen voor betrokkenheid bij witwassen. [verdachte] verklaarde dat dit bij [bedrijf 9] vaker gebeurde, hetgeen genoemde aanwijzing eerder sterker dan zwakker maakt. Het bedrag zou, aldus [verdachte] gebruikt zijn om landbouwmachines te kopen. Dat komt niet overeen met de omschrijving (“privé lening”) en maakt die omschrijving eerder méér dan minder bijzonder. Bovendien gaat het erom (zo veel mogelijk) vast te stellen wat de herkomst van het contante bedrag is. Daarover zegt [verdachte] niets en is ook uit het dossier niet af te leiden. Het ontvangen van contante bedragen past niet binnen het economisch profiel van [bedrijf 9] .
Op 22 mei 2015 betaalde een debiteur van [bedrijf 9] een contant bedrag van € 52.500,00 aan [bedrijf 9] met als omschrijving “Fiat geen export documenten aanwezig”. Kennelijk ging het hier om de betaling van een auto die naar/uit het buitenland werd geëxporteerd dan wel geïmporteerd. Er is (noch door [bedrijf 9] noch door [verdachte] / [bedrijf 1] ) geen nader onderzoek naar de debiteur en de herkomst van dit bedrag gedaan.
Op 5 oktober 2017 werd door een debiteur een contant bedrag van € 37.550,00 bij [bedrijf 9] gestort met als omschrijving “3 tractors”, kennelijk een contante betaling voor een of meerdere tractoren. Ook hier ontbreekt elk onderzoek naar de debiteur en naar de herkomst van het contant gestorte bedrag.
Het ontvangen van contante geldbedragen behoort niet tot de gebruikelijke werkzaamheden van [bedrijf 9] . Bovendien hebben de transacties een link met Irak, een land dat volgens de Financial Action Task Force (FATF) niet voldoet en voldeed aan de vereiste anti-witwas regelgeving.
Het hof is van oordeel dat deze transacties ongebruikelijke transacties betreffen die [verdachte] / [bedrijf 1] had moeten melden. De verweren worden verworpen.
Dat [verdachte] zelf niet van de transacties bij de [bedrijf 11] heeft geweten, brengt niet mee dat binnen [bedrijf 11] verrichte ongebruikelijke transacties niet zouden moeten worden gemeld. Zoals hierboven uiteengezet liet [verdachte] zijn werkzaamheden uitvoeren door zijn werknemers. Op [bedrijf 1] en haar werknemers rustte de verplichting de Wwft na te leven en dus ook naar aanleiding van deze transacties, die de werknemers hebben gezien, na te gaan of deze ongebruikelijk waren en zo ja, deze te melden. De wetenschap omtrent de transacties kan redelijkerwijze aan [verdachte] / [bedrijf 1] worden toegerekend.
Door [bedrijf 1] is geregistreerd dat er € 17.000,00 uit de kas van klant [Cliënt 13] was opgenomen met de omschrijving ' [omschrijving 2] ', met als tegenrekening is '1600 Crediteuren'. Dat bedrag is kennelijk gebruikt als (deel)betaling voor een factuur/boot. Naast (mede)eigenaar van [Cliënt 13] was [medeverdachte 4] ook werknemer van [bedrijf 1] . Als zodanig rustte op hem de verplichting deze contante transactie te melden. Dat hij dat niet heeft gedaan kan redelijkerwijs aan [verdachte] / [bedrijf 1] worden toegerekend.
De verweren worden verworpen.
Bewijsoverweging feit 3 (zaak trustkantoren)
Standpunt verdediging
De verdachte heeft erkend dat klanten zich van zijn post-kantooradres bedienden, maar dit geschiedde niet om trustconstructies te verhullen, maar om redenen van service en efficiëntie. Veel klanten leverden hun financiële administratie slecht of te laat aan, zodat het praktischer was als de stukken rechtstreeks naar [bedrijf 1] werden gestuurd. Derhalve ontbreekt het opzet om zonder vergunning trustwerkzaamheden te verrichten.
Daarnaast is geen sprake van “gewoonte” omdat de verdachte niet bewust, wetende dat deze constructie niet was toegestaan, daarmee is doorgegaan.
Oordeel van het hof
Onder feit 3 wordt de verdachte verweten dat hij zonder vergunning opzettelijk aan elf cliënten een postadres ter beschikking heeft gesteld, terwijl hij hun belastingaangiften en administratie heeft gedaan, hetgeen in strijd is met de Wet toezicht trustkantoren (hierna: Wtt). [verdachte] heeft hij bij de politie verklaard dat hij wist dat cliënten op het adres van [bedrijf 1] waren ingeschreven.
Uit genoemde feiten en omstandigheden en uit de bewijsmiddelen vloeit voort dat [verdachte] handelend onder de naam [bedrijf 1] het bedrijf van trustkantoor als bedoeld in de Wtt (oud) heeft uitgeoefend nu hij, naast het voeren van administratie en het verzorgen van belastingaangiften, zijn cliënten ook gelegenheid gaf zijn kantooradres te gebruiken als postadres.
[verdachte] / [bedrijf 1] was ervan op de hoogte dat zijn werknemers de Wwft-verplichtingen niet (voldoende) naleefden. Die werkzaamheden waren [bedrijf 1] dienstig en werden uitgevoerd door natuurlijke personen die in dienst waren van [bedrijf 1] . Zij kunnen derhalve redelijkerwijs aan [verdachte] / [bedrijf 1] worden toegerekend. De werkzaamheden binnen [bedrijf 1] werden beroepsmatig uitgeoefend. Opzet op de gedragingen, zoals hier het ter beschikking stellen van het postadres en het geven van belastingadvies en het voeren van de administratie, is voldoende. De bedoeling waarmee deze werkzaamheden werden uitgevoerd is hiervoor niet relevant. Het hof is dan ook van oordeel dat sprake is van opzet, minstens in voorwaardelijke vorm, welk opzet eveneens aan [verdachte] / [bedrijf 1] kan worden toegerekend.
Gedurende drie-en-een-half jaar heeft [verdachte] veel meer dan incidenteel zijn cliënten de mogelijkheid gegeven zijn kantooradres te gebruiken als postadres. Dit gebeurde kennelijk elke keer dat een cliënt erom vroeg of elke keer dat het gebruik van het kantooradres voor de betreffende cliënt praktisch was om te voorkomen dat stukken te laat werden ingeleverd. Het hof is daarom van oordeel dat [verdachte] hiervan een gewoonte heeft gemaakt. Anders dan door de verdediging is betoogd, is voor “gewoonte” niet nodig dat de gedraging steeds bewust, wetende dat deze constructie niet was toegestaan, werd verricht.
Feit 4 (zaak ondergronds bankieren)
De verdediging heeft ten aanzien van dit feit geen inhoudelijk verweer gevoerd. Het hof zal dit feit zonder nadere motvering bewezen verklaren.
Bewijsoverweging feit 9 (zaak [zaaksnaam 5])
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat van het in de kluis aan de [adres 5] aangetroffen bedrag een gedeelte van € 20.000,- van [verdachte] was en dat [verdachte] een bedrag van € 43.000,- in de kluis in bewaring hield voor de heer [persoon 3] . Voor wat betreft het resterende deel van het in de kluis aangetroffen bedrag heeft [verdachte] niet meer willen verklaren dan dat de gelden niet van hem waren, hij deze voor bekenden in bewaring had en het geen crimineel geld was.
Juridisch kader witwassen
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf', niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring (HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:20l8:2352). Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Het hof overweegt als volgt.
Op 20 juni 2018 zijn door de politie twee kluizen bij de [bank] aan de [adres 5] te Rotterdam doorzocht. De ene kluis (met nummer [nummer 1] ) stond op naam van [bedrijf 1] , de kluis met nummer [nummer 2] op naam van [verdachte] . In de laatstgenoemde kluis werd geen geld aangetroffen. In de kluis met nummer [nummer 1] is een bedrag van in totaal € 316.500,- aangetroffen in diverse coupures. € 210.000,- zat in een zwarte Dolce en Gabbana zak, € 7.500,- in een roze zakje en € 99.000,- in een plastic boodschappentas van supermarkt Plus. [verdachte] heeft verklaard dat alleen hij gebruik maakte van de safes. In 2017 heeft [verdachte] in zijn belastingaangifte als Box 3 bezittingen een bedrag van € 25.000,- als ‘overige bezittingen’ opgegeven. De politie concludeert na onderzoek op basis van gegevens van de Kamer van Koophandel en administraties van het boekhoudprogramma Exact dat het contant in de kluis aangetroffen bedrag redelijkerwijs niet afkomstig kan zijn uit de kas van de onderneming.
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de hiervoor weergegeven omstandigheden een vermoeden dat het niet anders kan zijn het bedrag in de kluis afkomstig is uit enig misdrijf.
Bij deze stand van zaken mag van [verdachte] worden verlangd dat hij een verklaring geeft dat geen sprake is van uit misdrijf afkomstig geld. [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard zoals hiervoor weergegeven; in eerste aanleg had hij verklaard dat het bedrag van € 7.500,- spaargeld betrof; van dat bedrag is hij door de rechtbank vrijgesproken. Daarnaast is op verzoek van de verdediging in hoger beroep op 10 oktober 2025 in aanwezigheid van een advocaat-generaal de getuige [persoon 3] gehoord bij de raadsheer-commissaris. Getuige [persoon 3] heeft – kort gezegd – verklaard dat hij een bedrag van € 43.000,-, zijnde contante omzet van zijn restaurants in Roosendaal, aan [verdachte] heeft gegeven zodat deze dat bedrag voor hem kon bewaren dan wel meegeven aan mensen die het geld konden meenemen naar Pakistan.
Naar het oordeel van het hof heeft [verdachte] voor wat betreft de bedragen van € 7.500,-,
€ 20.000,- en € 43.000,- een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven dat deze geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Uit het namens het openbaar ministerie gedane onderzoek volgt dat een bedrag van
€ 25.000,- in de Belastingaangifte van 2017 is terug te vinden. De verklaring van getuige [persoon 3] heeft het openbaar ministerie, hoewel daartoe gelegenheid was, kennelijk niet genoopt tot het verrichten van nader onderzoek. Voor wat betreft deze twee bedragen kan naar het oordeel van het hof niet worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat deze bedragen uit misdrijf afkomstig zijn. Dit betekent dat [verdachte] ten aanzien van deze bedragen moet worden vrijgesproken.
Dit is anders voor wat betreft het resterende bedrag van € 246.000,-. [verdachte] heeft daarover niet meer willen verklaren dan dat hij deze bedragen voor anderen in bewaring had, die hij desgevraagd niet bij naam heeft willen noemen. Deze verklaring is naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet en verifieerbaar. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders zijn dan dat dit bedrag uit enig misdrijf afkomstig is, en dat [verdachte] dit wist. [verdachte] wordt veroordeeld voor witwassen ter zake dit bedrag.
Bewijsoverweging feiten 10 en 11 (zaken € 201.500 en [adres 4] )
Standpunt verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep – samengevat weergegeven - betoogd dat [verdachte] van deze feiten dient te worden vrijgesproken. [verdachte] vervulde een ondergeschikte rol; deze rol was namelijk beperkt tot het aannemen en doorgeven van de contante gelden en het tot stand brengen van contacten. Van medeplegen is geen sprake. Daarnaast had hij geen wetenschap van de herkomst van de gelden, waarbij een rol speelt dat hij handelde in een setting waarin ook andere professionele partijen als een notaris en advocaat betrokken waren.
Het hof verwijst voor het juridisch kader van witwassen naar hetgeen hiervoor onder feit 9 is uiteengezet.
Feiten en omstandigheden
Het hof leidt, in lijn met de rechtbank, uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 24 augustus 2017 is een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot het pand [adres 4] te Rotterdam. De koper is [de koper] , een in Servië woonachtige lerares. Het pand is bij akte, gepasseerd bij notaris [notariskantoor 1] , geleverd op 26 april 2018 tegen een koopprijs van € 590.000,-.
De woning werd ten tijde van de (ver)koop gehuurd door een persoon met de Servische nationaliteit genaamd [de huurder] , onder de naam [naam] . [de huurder] is de broer van [de koper] .
[de huurder] is in november 2019 aangehouden in Spanje nadat hij door Servië internationaal was gesignaleerd ter fine van uitlevering op verdenking van afpersing en drugsdelicten. In Servië heeft [de huurder] in de periode 2016-2018 geen bij de autoriteiten bekende inkomsten of onroerende goederen op zijn naam gehad. In diezelfde periode heeft [de huurder] onder verschillende namen en met gebruikmaking van verschillende vervalste paspoorten enkele panden in Rotterdam gehuurd, waaronder [adres 1] . Tijdens een doorzoeking in 2016 werd in dat pand een vuurwapen aangetroffen. Deze doorzoeking volgde na een doorzoeking in een drietal andere appartementen waar o.a. vuurwapens, drugs en grote geldbedragen werden gevonden. Ook werd een mobiele telefoon aangetroffen van de gebruiker “ [gebruikersnaam] ”, waarin foto’s werden aangetroffen van [de huurder] , drugs en geld en berichtenverkeer dat duidt op internationale drugshandel via diverse Nederlandse en buitenlandse havens. Na vertrek van de [adres 1] , werd door [de huurder] het pand aan de [adres 4] gehuurd via een persoon genaamd [persoon 5] .
Gedurende enkele maanden in 2018 zijn diverse telefoonnummers, gesprekken in zijn auto en het kantoorpand van [verdachte] door de politie afgeluisterd en opgenomen. In een gesprek dat [verdachte] op 10 maart 2018 in zijn auto voert met een persoon genaamd [persoon 4] legt hij uit “hoe we onze hypotheken regelen”. Dat doet hij in een team van drie personen, waarvan hij zelf lid is, zodat het risico dat het fout gaat ook door drie personen gedragen wordt. Een van de twee andere personen in zijn team is een advocaat met de naam [medeverdachte 5] .
In een mobiele telefoon die te verbinden is aan [de huurder] , is berichtenverkeer aangetroffen tussen [persoon 5] en “ [gebruikersnaam] ”. Hierin schrijft [persoon 5] op 20 februari 2018: “You can give [voornaam verdachte] all the money so the notaris can transfer the house into your sisters name”.
[voornaam verdachte] is de voornaam van [verdachte] .
Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat op 21 februari 2018 door [medeverdachte 3] een geldbedrag is opgehaald bij [verdachte] en dat laatstgenoemde dat bedrag heeft afgegeven bij “de meester”. [medeverdachte 3] komt er “drie van 500” te kort.
In een telefoongesprek van 2 maart 2018 zegt [medeverdachte 3] tegen [verdachte] dat alles kant en klaar bij de notaris ligt en de gelden nu (vandaag) worden gestort bij de notaris.
Op 8 maart 2018 wordt [medeverdachte 3] aangehouden op de ’ [adres 7] te Rotterdam (de straat waarin het kantoorpand van [medeverdachte 5] is gevestigd) terwijl hij een geldbedrag van € 201.500,- in gebundelde biljetten onder de bodemplaat van de kofferbak van zijn auto vervoert. Hij had kort daarvoor met een rode plastic tas in zijn handen de woning van [verdachte] verlaten.
Diezelfde dag voert [verdachte] een gesprek in zijn auto met [medeverdachte 6] waarin hij aangeeft dat het slecht met hem gaat omdat zijn man is aangehouden. Hij zegt dat het de persoon van [medeverdachte 5] was, dat deze van [verdachte] iets had meegenomen, naar [medeverdachte 5] was gegaan en daar is aangehouden. In het eerder genoemde gesprek met [persoon 4] op 10 maart 2018, waarin [verdachte] spreekt over zijn team van drie personen, zegt hij ook dat iemand van zijn team is gepakt met een “klein beetje kutbedrag” tijdens het vervoeren naar een derde. Op 12 maart 2018 vindt een overleg plaats op het kantoor van [verdachte] tussen [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] . Besproken wordt hoe het probleem van het in beslag genomen geldbedrag wordt opgelost. [verdachte] zegt dat zij ieder een derde moeten bijdragen.
Op 3 april 2018 vindt een overleg plaats op het kantoor van [verdachte] . Naast [verdachte] nemen daaraan deel [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] , [persoon 5] en [de huurder] . De twee laatstgenoemden worden op de hoogte gesteld van de inbeslagname van het bedrag van € 201.500,- door de politie. [medeverdachte 5] zegt tijdens dat gesprek dat het geld dat eerder bij hem is gegeven al bij de notaris ligt, maar niet het volledige bedrag. Hij kan het nu niet afronden, want hij mist een bedrag. [verdachte] zegt dat er “iets van driehonderdvijftig ofzo” bij de notaris ligt. [verdachte] zegt ook “bedrijfsmatig hebben we alles goed geregeld hè, het is niet zo dat alles niet compleet is qua leningen en alles…” [medeverdachte 3] zegt “we zijn zo goed op weg om dit zo mooi af te ronden. Heb een bedrijf opgericht in uuhh.. richting buitenland.” [de huurder] vraagt of zijn zus al is gebeld en zegt dat het niet zijn probleem is en dat zij het samen moeten oplossen. Hij heeft geld betaald en gaat niet nog een keer betalen.
Op 24 april 2018 ontvangt notaris [notariskantoor 1] een bedrag van € 261.563,- van [bedrijf 13] . Via de derdenrekening van notaris [notariskantoor 2] ontvangt notaris [notariskantoor 1] op 26 april 2018 een bedrag van € 342.738,82. Dit betreft een hypothecaire lening verstrekt door [particuliere geldverstrekker] met een looptijd van zes maanden tegen een rentepercentage van 10%. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [persoon 6] , bestuurder van [bedrijf 13] , contact had met [medeverdachte 5] . De lening van [bedrijf 13] wordt op 4 en 8 oktober 2018 terugbetaald. De aflossing geschiedt door middel van overmaking vanaf een Slowaakse bankrekening op naam van [bedrijf 14] . Omdat [particuliere geldverstrekker] geen rentebetalingen meer ontvangt op de door hem verstrekte lening, wordt het pand aan de [adres 4] uiteindelijk in juni 2019 geveild.
Beoordeling
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden een vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat het door [medeverdachte 3] op 21 februari 2018 bij [verdachte] opgehaalde en bij [medeverdachte 5] afgeleverde geldbedrag en het op 8 maart 2018 in beslag genomen geldbedrag, dat onderweg was naar [medeverdachte 5] , uit misdrijf afkomstig zijn en dat in de tenlastegelegde periode tevens sprake was van verbergen, verhullen en omzetten van uit misdrijf afkomstig geld in de zin van de witwasbepalingen. Diverse witwas typologieën of indicatoren zijn hierbij aan de orde. Zo staan de transacties niet in verhouding tot de (bekende) inkomsten van [de huurder] terwijl er sterke aanwijzingen zijn dat [de huurder] zijn geld verdiende in de internationale drugshandel. Daarnaast worden grote bedragen in contanten fysiek vervoerd, hetgeen een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich brengt. Bij de aankoop van de [adres 4] was voorts sprake van een hypothecaire lening door niet-financiële instellingen ( [particuliere geldverstrekker] en [bedrijf 13] ). De door [particuliere geldverstrekker] verstrekte lening had daarnaast een korte looptijd en een hoog rentepercentage (10%).
Bij deze stand van zaken mag van [verdachte] worden verlangd dat hij een verklaring geeft dat geen sprake is van uit misdrijf afkomstig geld.
[verdachte] heeft verklaard dat hij [gebruikersnaam] [de huurder] kent via mevrouw [persoon 5] , dat hij eerstgenoemde in contact heeft gebracht met [medeverdachte 5] en dat hij achteraf begreep dat het om de koop van het pand [adres 4] ging. Hij heeft tweemaal een contant bedrag in ontvangst genomen – hij was daarover gebeld door [medeverdachte 5] - en heeft dat afgegeven aan iemand die het bij hem thuis kwam ophalen. Omdat hij [de huurder] had voorgesteld aan [medeverdachte 5] zou hij een bedrag krijgen. [medeverdachte 5] zou geld krijgen voor het regelen van de hypotheek.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [verdachte] heeft verklaard over de gang van zaken rondom de contante geldbedragen, maar geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat deze geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Het witwasvermoeden is hiermee dan ook niet ontzenuwd. De financiering van de woning aan de [adres 4] via [particuliere geldverstrekker] en [bedrijf 13] betreft naar het oordeel van het hof een constructie om te verhullen dat de woning in werkelijkheid met contante gelden, afkomstig van [de huurder] , is bekostigd. Het op 21 februari 2018 overgebrachte contante geldbedrag en het op 8 maart 2018 onderschepte contante geldbedrag van € 201.500,- waren bestemd voor de aankoop van de woning, die op 26 april 2018 aan de zus van [de huurder] is geleverd.
Met betrekking tot de vraag in hoeverre [verdachte] daarbij als (mede)pleger betrokken was, overweegt het hof als volgt.
In het OVC-gesprek op 3 april 2018 geeft [verdachte] aan dat “we” op dat moment “bedrijfsmatig” alles goed geregeld hebben, “qua leningen en alles”. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat met “we” in ieder geval [verdachte] en [medeverdachte 5] worden bedoeld. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat [verdachte] in de hele constructie een strafrechtelijk relevante rol heeft gespeeld. Hij hoorde immers bij het ‘team’ en de contante geldbedragen moesten via hem terechtkomen - en zijn ook deels terechtgekomen - bij [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] zegt in genoemd gesprek dat het geld dat bij hem is gegeven, is getransporteerd en bij de notaris ligt. Tijdens het gesprek op 3 april 2018 voert [verdachte] veelvuldig het woord (“we zijn bij elkaar met het hele team”) waarbij hij het ook heeft over aktes die gepasseerd zijn. Ook in een gesprek op zijn kantoor van 12 maart 2018, waar [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] de consequenties bespreken van de inbeslagname van het tweede contante geldbedrag van
€ 201.500, en in het gesprek van 3 april 2018, waar [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] aan [persoon 5] en [de huurder] tekst en uitleg geven over de inbeslagname van dat bedrag, vervult [verdachte] een volwaardige rol van de persoon die zich verantwoordelijk voelt voor de verdwijning van het geldbedrag en voor de wijze waarop dit bedrag door hemzelf, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] moet worden gecompenseerd. Uit de context van de gesprekken leidt het hof af dat de rol van de [verdachte] veel groter was dan het enkel fungeren als ‘doorgeefluik’ van contante gelden, zoals hij het heeft willen doen voorkomen. Gelet op de betrokkenheid van [verdachte] in de gehele constructie, waarbij tevens sprake is van het transport van grote contante geldbedragen, kan het niet anders zijn dan dat hij wist, minst genomen in de zin van voorwaardelijk opzet, dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.
Het hof verwerpt de door de verdediging gevoerde verweren.
Bewijsoverweging feiten 12 en 13 (zaken [zaaksnaam 1] en [zaaksnaam 2] )
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [verdachte] van de tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] wist dat de inkomsten en/of het vermogen van [medeverdachte 1] uit enig misdrijf afkomstig waren. Daarnaast was de rol van [verdachte] bij de transacties van onvoldoende gewicht om te kunnen speken van een nauwe en bewuste samenwerking, zodat hij niet als medepleger kan worden aangemerkt. Subsidiair, indien het hof zou komen tot een bewezenverklaring, heeft de verdediging verzocht om in de strafmaat rekening te houden met de beperkte rol die [verdachte] heeft gespeeld.
Het hof verwijst voor het juridisch kader van witwassen naar hetgeen hiervoor, onder feit 9 is uiteengezet.
Het hof leidt uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen het volgende af.
Op 17 mei 2017 heeft [bedrijf 2] , een Surinaamse vennootschap waarvan [medeverdachte 1] directeur is, met bemiddeling van makelaar [persoon 5] het appartement aan de [adres 1] te Rotterdam inclusief twee stallingsplaatsen gekocht voor een bedrag van
€ 450.000,-. Op het pand is geen hypotheek gevestigd. De koopsom is voldaan door middel van acht stortingen op de derdenrekening van notaris [notariskantoor 3] vanaf vier verschillende bankrekeningen van twee verschillende rechtspersonen uit de Verenigde Arabische Emiraten (VAE): [rechtspersoon uit de VAE 1] en [rechtspersoon uit de VAE 2] . De stortingen vonden plaats in de periode 29 november 2016 tot en met 25 april 2017. De koopsom is als volgt op de bankrekening van de notaris gekomen:
Bedrag
Datum
Afkomstig van
Bankrekeningnummer
€ 33.097,19
29 november 2016
rechtspersoon uit de VAE 1
bankrekeningnummer 1
€ 12.711,19
29 november 2016
rechtspersoon uit de VAE 1
bankrekeningnummer 1
€ 99.873,40
25 januari 2017
rechtspersoon uit de VAE 1
bankrekeningnummer 2
€ 99.924,00
27 januari 2017
rechtspersoon uit de VAE 1
bankrekeningnummer 3
€ 49.915,40
29 maart 2017
rechtspersoon uit de VAE 1
bankrekeningnummer 2
€ 54.650,00
4 april 2017
rechtspersoon uit de VAE 2
bankrekeningnummer 4
€ 49.903,37
5 april 2017
rechtspersoon uit de VAE 1
bankrekeningnummer 2
€ 64.903,37
25 april 2017
rechtspersoon uit de VAE 1
bankrekeningnummer 2
€ 464.977,92
[verdachte] heeft verklaard dat hij via makelaar [persoon 5] in contact is gekomen met [medeverdachte 1] , die onroerend goed in Nederland wilde verwerven en een financiering nodig had. Hij heeft [medeverdachte 1] vervolgens in contact gebracht met [persoon 7] , verbonden aan [rechtspersoon uit de VAE 1] , omdat hij dacht dat zij wellicht zaken zouden kunnen doen. Waarom hij [medeverdachte 1] voor het verkrijgen van een financiering voor Nederlands onroerend goed in contact bracht met een partij in de Verenigde Arabische Emiraten heeft [verdachte] desgevraagd niet verduidelijkt.
Uit het dossier volgt dat [verdachte] vervolgens actief bij de vastgoedtransactie betrokken is geweest. [verdachte] heeft verklaard dat [persoon 7] de leningsovereenkomst met [bedrijf 2] aan hem heeft verzonden ter goedkeuring, waarna [verdachte] deze aan de notaris heeft gestuurd. Hij zou voor zijn bemoeienis 3% van het hypotheekbedrag aan provisie ontvangen. Op 28 maart 2017 heeft [verdachte] per email aan [persoon 7] gevraagd of er reeds betaling heeft plaatsgevonden (“is it done now??”). Uit bij deze e-mail gevoegde berichten volgt dat de bank in de VAE vragen heeft gesteld over een betaling van
€ 100.000,- naar de derdenrekening van notaris [notariskantoor 3] . De bank heeft [rechtspersoon uit de VAE 1] herhaaldelijk verzocht om documentatie met betrekking tot de transacties en laten weten dat transacties zouden worden geblokkeerd als de documenten uitblijven. De bankmedewerker heeft [rechtspersoon uit de VAE 1] geadviseerd om de betalingen klein en langzaam te laten plaatsvinden.
Op 30 januari 2018 heeft [bedrijf 3] , een andere Surinaamse vennootschap waarvan [medeverdachte 1] directeur is, opnieuw met bemiddeling van [persoon 5] , het appartement aan de [adres 2] te Rotterdam inclusief twee stallingsplaatsen gekocht voor een bedrag van € 530.000,-. De koopsom is voldaan door de volgende stortingen met bijbehorende omschrijvingen:
Rechtspersoon
Aard
Bedrag
[bedrijf 4]
Lening ten behoeve van waarborgsom
€ 50.500
[bedrijf 15]
€ 184.190
[notariskantoor 2] notarissen
Hypothecaire lening
€ 308.095,29
[bedrijf 16]
Namens [medeverdachte 1]
€ 1.096,38
€ 543.882
[bedrijf 4] is een vennootschap die blijkens de gegevens van de Kamer van Koophandel is ingeschreven op het kantooradres van [verdachte] , met het e-mailadres [e-mailadres] . Enig aandeelhouder en bestuurder is [persoon 8] , met een adres in Dubai. Uit onderzoek is gebleken dat de activiteiten van [bedrijf 4] bestaan uit het verrichten en ontvangen van betalingen op haar bankrekening van de ABN AMRO bank, welk geldverkeer deels afkomstig is uit de VAE en voornamelijk betrekking heeft op een viertal projecten waar [verdachte] bij betrokken is. Uit een telefoongesprek tussen [verdachte] en makelaar [persoon 5] van 17 januari 2018 kan worden opgemaakt dat [verdachte] degene is die, onder vermelding van ‘lening ten behoeve van waarborgsom’, het geld voor de waarborgsom voor de aankoop van de [adres 2] heeft gestort vanuit [bedrijf 4] en dat hij - anders dan uit de aanduiding van de transactie met ‘lening’ lijkt te volgen - ten behoeve van die storting eerst € 65.000,- van [medeverdachte 1] heeft ontvangen.
De relatie tussen enerzijds [medeverdachte 1] en [bedrijf 3] en anderzijds [bedrijf 15] . is niet duidelijk geworden. De betaling van [notariskantoor 2] notarissen ziet op een hypothecaire lening die aan [medeverdachte 1] is verstrekt door de particuliere geldverstrekker [particuliere geldverstrekker] , met een looptijd van slechts enkele maanden en een rentepercentage van 10% per jaar.
Op 21 januari 2018 om 13:10 uur heeft [verdachte] een telefoongesprek gevoerd met een onbekende man met een Surinaams/Antilliaans accent. [verdachte] zegt: “
Ik moet het op [bedrijf 2] vastgoed , waarschijnlijk, zetten toch?” De onbekende man antwoordt dan “
Nee, nee, nee, nee je moet het op [bedrijf 3]”. Vervolgens zegt [verdachte] dat hij de volledige KvK moet hebben want “
dat bedrijf waar ik op zet die moet wel betalen. Hoeft niet gelijk. Maar die moeten het wel in delen betalen. Dan krijg jij natuu ....
wij regelen dan onderling wel weer terug, dat is niet probleem. (…) Elke keer als je dat doet, van verrekenen we. Dat kunnen we altijd op twee (2) manieren doen. (…) Maar dat is persoonlijk als ik je zie, bespreken we dat wel. (…) Dus je moet wel een bedrijf hebben, waarvan je weet dat je het via de bank kan overmaken”.
[verdachte] lijkt er in het gesprek op aan te dringen dat het een bedrijf moet zijn dat via de bank kan betalen en lijkt te suggereren dat de persoon aan de andere kant van de lijn de bedragen op een andere wijze weer terug krijgt (‘verrekenen’), maar dat is iets om persoonlijk te bespreken. Daarnaar gevraagd ter terechtzitting in hoger beroep heeft [verdachte] aangegeven dat hij dit telefoongesprek met [medeverdachte 1] kan hebben gevoerd, maar dat hij zich de inhoud niet kan herinneren. Hij heeft dan ook geen andere uitleg gegeven aan de gebruikte bewoordingen.
Gezien de aard van het gesprek kan deze onbekende man naar het oordeel van het hof niemand anders zijn dan [medeverdachte 1] . Zo wordt de onbekende man eerder in het gesprek door [verdachte] ‘directeur’ genoemd en gaat het in het gesprek over [bedrijf 3] en [bedrijf 2] , de beide ondernemingen waarvan de [medeverdachte 1] directeur is, waarbij de onbekende man [verdachte] opdraagt om het “op [bedrijf 3] ” te “zetten”. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn geen andere personen naar voren gekomen die zelfstandig konden optreden namens deze vennootschappen.
[medeverdachte 1] is bij vonnis van de rechtbank Antwerpen van 9 februari 2012 veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van 5 jaar waarvan 3 jaar voorwaardelijk terzake onder andere misdrijven met betrekking tot verdovende middelen, gepleegd in 2010. Ook werd wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen tot een bedrag van € 278.850,23.
[medeverdachte 1] staat sinds 5 september 2014 niet meer ingeschreven in Nederland. Nadien stond hij in België ingeschreven. [medeverdachte 1] heeft in de periode van 2015-2017 geen inkomen of vermogen in Nederland gehad. In België heeft [medeverdachte 1] voor het jaar 2015 een bedrag van € 34.532,- als belastbaar inkomen aangegeven en voor de jaren 2016 en 2017 geen inkomen. [verdachte] heeft niet verklaard over de inkomstenbron(nen) of vermogensstatus van [medeverdachte 1] , of wat hem daarover bekend was.
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden het vermoeden dat de twee appartementen met stallingsplaatsen aan de [adres 1] ( [bedrijf 2] ) en [adres 2] ( [bedrijf 3] ) te Rotterdam zijn verworven met geld dat uit misdrijf afkomstig is en dat tevens sprake is van verbergen en verhullen van uit misdrijf afkomstig geld in de zin van de witwasbepalingen. Sprake is van diverse witwastypologieën of indicatoren. Zo staan de transacties niet in verhouding tot de (bekende) inkomsten (in privé van [medeverdachte 1] en van de beide vennootschappen) en zijn van de twee vennootschappen geen activiteiten bekend in de landen van waaruit de gelden afkomstig zijn. In het dossier [bedrijf 3] is verder sprake van een hypothecaire lening door een niet-financiële instelling ( [particuliere geldverstrekker] ) terwijl deze lening is verstrekt met een korte looptijd en een hoog rentepercentage (10%) .
Bij deze stand van zaken kan van [verdachte] worden verlangd dat hij een verklaring geeft omtrent de herkomst van het geld dat met de in de tenlastelegging genoemde transacties gemoeid was. In eerste aanleg heeft [verdachte] zich grotendeels op zijn zwijgrecht beroepen en enkel aangegeven dat [medeverdachte 1] geen klant van hem was. In hoger beroep heeft hij over zijn rol bij de tenlastegelegde transacties verklaard dat hij weliswaar betrokken was bij de totstandkoming van de financiering van het onroerend goed van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , maar dat hij niet meer heeft gedaan dan [medeverdachte 1] in contact te brengen met [rechtspersoon uit de VAE 1] en het doorsturen van stukken naar de notaris. Het hof stelt vast dat [verdachte] geen verklaring heeft gegeven omtrent de herkomst van de gelden. Gelet hierop kan het niet anders dan dat de gelden waarmee de panden aan de [straat] zijn aangekocht door [bedrijf 2] en [bedrijf 3] middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk afkomstig waren uit enig misdrijf.
Met betrekking tot de wetenschap van de verdachte en diens rol merkt het hof inzake [bedrijf 3] op dat uit de weergegeven tapgesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] en tussen [verdachte] en [persoon 5] , in combinatie met de overige stukken in het dossier, volgt dat het ging om een constructie met fictieve leningen waarbij [verdachte] bewuste en nauwe betrokkenheid had. Ten aanzien van [bedrijf 2] acht het hof het voorts zonder verklaring onbegrijpelijk waarom een vennootschap uit Suriname die investeert in vastgoed in Nederland met tussenkomst van [verdachte] een bedrijf in Dubai inschakelt om betalingen te verrichten, terwijl die betalingen vervolgens moeten worden verdeeld in kleine delen. [verdachte] heeft onder de vastgestelde omstandigheden minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het inkomen/vermogen van [medeverdachte 1] van enig misdrijf afkomstig was. Gelet op de nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] en/of [persoon 5] is sprake van medeplegen.
De raadsman heeft in hoger beroep verzocht terughoudend te zijn met de conclusie dat het “niet anders kan zijn” dan dat het vermogen uit misdrijf afkomstig was en dat [verdachte] dit wist omdat de verdediging [medeverdachte 1] niet heeft kunnen bevragen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het uitblijven van dit verhoor de ‘fairness van de bewijsvoering’ raakt.
Het hof overweegt als volgt. In hoger beroep heeft de verdediging verzocht [medeverdachte 1] te horen over – kort gezegd – de herkomst van zijn geld. Daarbij geldt dat [medeverdachte 1] op geen enkel moment in het onderzoek een verklaring heeft afgelegd – belastend noch ontlastend voor de verdachte. Het verzoek [medeverdachte 1] te horen is toegewezen, maar het verhoor heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden. De verblijfplaats van [medeverdachte 1] is niet bekend geworden en hij staat sinds juli 2022 gesignaleerd. Daarom is onaannemelijk geacht dat de getuige alsnog binnen een aanvaardbare termijn zou verschijnen.
Bij het ontbreken van de mogelijkheid om de getuige te (doen) ondervragen, moet de rechter beoordelen of de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat daarvan geen sprake is, geldt het volgende.
Het hof begrijpt de stellingen van de verdediging in dit geval aldus, dat [verdachte] meent dat het horen van [medeverdachte 1] een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring zou kunnen opleveren over een legale herkomst van zijn ( [medeverdachte 1] ) inkomen/vermogen. Welke verklaring dat zou zijn, uit welke legale bron de gelden zouden komen, is door [verdachte] niet toegelicht en evenmin met enig schriftelijk stuk onderbouwd. Het heeft er alle schijn van dat [verdachte] met het horen van [medeverdachte 1] een verklaring hoopt te krijgen (namelijk dat het legaal geld betreft) waarvan hij niet weet dat deze bestaat. Het uitblijven daarvan, in dit geval: omdat [medeverdachte 1] niet traceerbaar was, maakt niet dat geen sprake is van een eerlijk proces.
De feiten 12 en 13 zijn wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 1, 2, 3, 4, 9, 10, 11, 12 en 13 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Dagvaarding I:
1.
hij
in
of omstreeksde periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2018
te Rotterdam
als zelfstandig en/of onafhankelijk handelend boekhouder en/of belastingconsulent
en/of exploitant van een boekhoud- en administratiekantoor,handelende onder de naam [bedrijf 1] , opzettelijk in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 3 van Pro de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan betreffende navolgende cliënten, althans onvoldoende cliëntenonderzoek heeft gedaan naar navolgende cliënten en/of van dat onderzoek niet de gegevens bewaard en/of actueel gehouden,
immers heeft hij toen aldaar opzettelijk geen customer due dilligence/cliëntenonderzoek uitgevoerd en/of vastgelegd en/of bewaard (in de administratie van zijn kantoor) betreffende zijn cliënten
[Cliënt 1] en
/of
[Cliënt 2] en
/of
[Cliënt 3] en
/of
[Cliënt 4] en
/of
[Cliënt 5] en
/of
[bedrijf 3] en/of
[Cliënt 7] en
/of
[Cliënt 8] en
/of
[Cliënt 9] en
/of
[Cliënt 10]
en
/of
heeft hij niet de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende (UBO) vastgesteld en/of geverifieerd en/of vastgelegd en/of bewaard (in de administratie van zijn kantoor) van zijn cliënten
[Cliënt 11] en
/of
[Cliënt 12] en
/of
[Cliënt 13] en
/of
[Cliënt 14] en
/of
[Cliënt 15] . en
/of
[Cliënt 16] en
/of
[Cliënt 17] en
/of
[Cliënt 18] en
/of
[Cliënt 19]
en
/of
hij heeft hij niet de identiteit van de gerechtigden geverifieerd en/of vastgelegd en/of bewaard (in de administratie van zijn kantoor) van de onderneming(en)
[Cliënt 20] en
/of
[Cliënt 21] ,
terwijl hij, verdachte, van het plegen van bovenomschreven misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;
2.
hij
in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2018
te Rotterdam
als zelfstandig en/of onafhankelijk handelend boekhouder en/of belastingconsulent
en/of exploitant van een boekhoud- en administratiekantoor,handelende onder de naam [bedrijf 1] , meermalen, telkens opzettelijk in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 16 van Pro de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, een verrichte ongebruikelijke transactie niet (onverwijld) nadat het ongebruikelijke karakter van deze transactie bekend is geworden heeft gemeld aan de Financiële inlichtingen eenheid, immers heeft hij telkens opzettelijk geen melding gedaan van,
-de financiering van de verwerving van het appartement aan de [adres 1] te Rotterdam door [bedrijf 2] , waarbij hij, verdachte, (mede) handelde op verzoek van zijn cliënt [medeverdachte 1] ( in de periode april-juni 2017; zaaksdossier [zaaksnaam 1] ) en/of
-de financiering van de verwerving van het appartement aan de [adres 2] te Rotterdam door [bedrijf 3] , waarbij zijn cliënten [medeverdachte 1] en [bedrijf 4] zijn betrokken, (zaaksdossier [bedrijf 3] ) en/of
-de financiering van de verwerving van het appartement aan de [adres 3] te Rotterdam door [bedrijf 5] (zaaksdossier [zaaksnaam 3] ) en/of
-de financiering van de verwerving van het pand [adres 4] te Rotterdam door [bedrijf 6] (in de periode januari-april 2018) en/of
-de financiering en/of de verwerving door [bedrijf 7] van personenauto's, te weten een BMW (kenteken [kenteken 1] ) en/of een Mercedes Benz C300 (kenteken [kenteken 2] ) en/of een Mercedes Benz C220 (kenteken [kenteken 3] ), en/of
-de financiering en/of de verwerving door [bedrijf 8] van personenauto's, te weten een BMW (kenteken [kenteken 4] ) en een Mercedes (kenteken [kenteken 5] ), en/of
-de storting in contanten van een bedrag van EUR 70.000,-- in de kas van ( [persoon 2] handelende onder de naam) [bedrijf 9] (zoals geregistreerd met boekingsdatum 2 januari 2015) en/of de betaling in contanten door een debiteur genaamd ' [debiteur 1] ' van een bedrag van EUR 52.500,-- met boekingsdatum 22 mei 2015 en
/ofde betaling in contanten/kasstorting door een debiteur genaamd ' [debiteur 2] 'met boekingsdatum 5 oktober 2017 in de kas en/of de boekhouding van [bedrijf 9] en/of een aantal (23) stortingen en opnamen van bedragen van EUR 15.000,-- of hoger in of uit de kas van [bedrijf 9] en
/of
-een kasopname van EUR 40.000,-- met boekingsdatum 7 oktober 2016 en
/ofde ontvangst per kas van drie bedragen in contanten tot een totaal van EUR 29.500 met omschrijving 'Return Loan agreement 2016-1-9' en tegenrekening ' [omschrijving 1] ' en boekingsdatum 7 oktober 2016 in de boekhouding van [bedrijf 11] en
/of
-een kasopname van EUR 17.000,-- met omschrijving ' [omschrijving 2] ' en boekingsdatum 18 februari 2015 en
/ofeen kasopname van EUR 15.200,-- met omschrijving 'Opname kasgeld via Bank' in de boekhouding van [Cliënt 13] ,
terwijl hij, verdachte, van het plegen van bovenomschreven misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;
3.
hij
in
of omstreeksde periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2018
te Rotterdam en/of elders in Nederland,
zonder vergunning van de toezichthouder, De Nederlandsche Bank N.V., vanuit een vestiging in Nederland, handelende onder de naam [bedrijf 1] , opzettelijk als trustkantoor werkzaam is geweest,
immers heeft hij toen aldaar opzettelijk beroeps- of bedrijfsmatig diensten verleend (aan derden, opdrachtgevers) bestaand uit het ter beschikking stellen van een postadres en/of een bezoekadres en/of het verzorgen van belastingaangiften en/of het voeren van de administratie ten behoeve en/of in opdracht van:
- [Cliënt 22] en
/of
- [bedrijf 5] en
/of
- [bedrijf 4] en
/of
- [Cliënt 23] en
/of
- [Cliënt 24] en
/of
- [Cliënt 25] en
/of
- [Cliënt 26] en
/of
- [Cliënt 27] en
/of
- [Cliënt 28] en
/of
- [Cliënt 29] en
/of
- [Cliënt 13]
terwijl hij, verdachte, van het plegen van bovenomschreven misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;
4.
hij
op één of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2018,
te Rotterdam en/of elders in Nederland,
(telkens)tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen,
(telkens)opzettelijk zonder vergunning van De Nederlandsche Bank N.V. het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het Financieel Toezicht, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders de zetel (voor het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener) in Nederland hadden,
althans (telkens) opzettelijk als betaaldienstverlener de werkzaamheden vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door tussenkomst van een in Nederland werkzaam zijnde betaaldienstagent, dan wel door middel van het verrichten van diensten naar Nederland verrichtten, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders de zetel in een andere lidstaat hadden en handelden zonder een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat daartoe verleende vergunning,
althans (telkens) opzettelijk in Nederland het bedrijf van betaaldienstverlener uitoefenden, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders de zetel in een staat die (toentertijd) geen lidstaat was, hadden,
immers
heeft/hebben hij, verdachte, en
/ofzijn mededader
(s
)op verzoek van
(een)(onbekend gebleven) betaler
(s
)en/of ten behoeve van
(een)(onbekend gebleven) begunstigde
(n
)
betalingsdiensten , te weten geldtransfers, uitgevoerd en/of
van een of meer van de voornoemde betalers geldmiddelen ontvangen en/of
ten behoeve van voornoemde begunstigde(n) geldmiddelen overgedragen en/of geldmiddelen opgeslagen en/of in voorraad gehouden en/of
aantekeningen gemaakt en/of een boekhouding gevoerd van de door hem, verdachte, uitgevoerde betalingsdiensten en/of
tokens verstuurd en/of ontvangen,
terwijl hij, verdachte, van het plegen van bovenomschreven misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;
9.
hij op
of omstreeks20 juni 2018 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
althans alleen,
in een safeloket met nummer [nummer 1] in het filiaal van de [bank] aan de [adres 5] te Rotterdam een
(grote
)hoeveelheid contant geld (EUR
316.5246),
te weten een plastic boodschappentas van de supermarkt Plus met EUR 99.000 en/of een zwarte zak (met opschrift Dolce en Gabana) met EUR 210.000 en/of een roze zakje met EUR 7.500,voorhanden heeft gehad,
terwijl hij wist dat dat geld - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
10.
hij op
of omstreeks8 maart 2018 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen,
een
(grote
)hoeveelheid contant geld (EUR 201.500
in een rode tas)
voorhanden heeft gehad en
/ofheeft overgedragen aan [medeverdachte 3] ,
terwijl hij wist
, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat geld - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
11.
hij in
of omstreeksde periode van 1 augustus 2017 tot en met 30 april 2018 te Rotterdam en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen
de werkelijke aard en
/ofde herkomst en
/ofde verplaatsing van inkomsten en/of vermogen van [persoon 1] heeft
verborgen en/ofverhuld
door deze inkomsten en/of dit vermogen (gedeeltelijk, middellijk) te investeren in het appartement met berging en 2 parkeerplaatsen behorende bij [adres 4]
en/of
inkomsten en/of vermogen van [persoon 1] heeft omgezet in de verwerving van het appartement met berging en 2 parkeerplaatsen behorende bij [adres 4] ,
terwijl hij wist,
althans redelijkerwijs moest vermoeden,dat die inkomsten en/of dat vermogen - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
12.
hij in
of omstreeksde periode van 1 oktober 2016 tot en met 31 mei 2017 te Rotterdam en/of elders in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de verplaatsing van inkomsten en/of vermogen van [medeverdachte 1] heeft
verborgen en/ofverhuld
door deze inkomsten en/of dit vermogen (gedeeltelijk, middellijk) onder te brengen in [bedrijf 2] en
/of(hiermee) te investeren in het appartement aan de [adres 1] Rotterdam (en twee stallingsplaatsen gelegen aan de [adres 6] )
en
/of
inkomsten en/of vermogen van [medeverdachte 1] heeft omgezet in de verwerving van het appartementrecht [adres 1] Rotterdam (en twee stallingsplaatsen gelegen aan de [adres 6] ),
terwijl hij wist,
althans redelijkerwijs moest vermoeden,dat die inkomsten en/of dat vermogen - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
13.
hij in
of omstreeksde periode van 1 juni 2017 tot en met 28 februari 2018 te Rotterdam en/of elders in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de verplaatsing van inkomsten en/of vermogen van [medeverdachte 1] heeft
verborgen en/ofverhuld
door deze inkomsten en/of dit vermogen (gedeeltelijk, middellijk) onder te brengen in [bedrijf 3] en/of (hiermee) te investeren in het appartement aan de [adres 2] Rotterdam (en twee stallingsplaatsen gelegen aan de [adres 6] )
en
/of
inkomsten en/of vermogen van [medeverdachte 1] heeft omgezet in de verwerving van het appartementrecht [adres 2] Rotterdam (en twee stallingsplaatsen gelegen aan de [adres 6] ),
terwijl hij wist,
althans redelijkerwijs moest vermoeden,dat die inkomsten en/of dat vermogen - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. [verdachte] moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is [verdachte] daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, terwijl van het plegen van het misdrijf een gewoonte wordt gemaakt
en
opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 33, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, terwijl van het plegen van het misdrijf een gewoonte wordt gemaakt.
Het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van Pro de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, terwijl van het plegen van het misdrijf een gewoonte wordt gemaakt.
Het bij dagvaarding I onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2, derde lid, van de Wet toezicht trustkantoren, terwijl van het plegen van het misdrijf een gewoonte wordt gemaakt.
Het bij dagvaarding I onder 4 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht.
Het bij dagvaarding I onder 9 bewezenverklaarde levert op:
witwassen
Het bij dagvaarding I onder 10, 11, 12 en 13 bewezenverklaarde levert op, telkens:
medeplegen van witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft – in zijn hoedanigheid van zelfstandig boekhouder en/of belastingconsulent – niet voldaan aan de op hem rustende onderzoeks- en meldplicht als bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en terrorisme. Daarnaast is de verdachte werkzaam geweest als trustkantoor, zonder dat hem daar een vergunning voor was verleend door de Nederlandse Bank. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan ondergronds bankieren. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op financiële toezichtwetgeving; wetgeving waarmee de overheid beoogt een kwalitatief hoogwaardig en integer financieel stelsel te waarborgen. Door het niet naleven van deze voorschriften heeft de verdachte niet alleen de kwaliteit van financiële dienstverlening aan consumenten ondergraven, maar heeft hij ook bijgedragen aan het kwetsbaar maken van de financiële sector voor misbruik, bijvoorbeeld voor witwassen.
Daarnaast heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan het witwassen van (grote) contante geldbedragen en vastgoedobjecten. Dit deed hij veelal samen met anderen, waarbij zijn positie valt te duiden als ‘spin in het web’. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst aan criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn. De verdachte heeft hier een essentiële rol in gespeeld. Hij was naar het oordeel van het hof een onmisbare schakel, bijvoorbeeld als het gaat om de constructies met het vastgoed, zoals bewezenverklaard onder de feiten 10 tot en met 13. Dat zijn handelen ondermijnend was, volgt niet alleen uit het feit dat zijn handelen nauw verweven was met de werkzaamheden die hij als administratiekantoor verrichtte, maar ook uit zijn samenwerking met een advocaat. Het hof neemt dit de verdachte zeer kwalijk.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 februari 2026, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Het hof ziet anders dan de advocaat-generaal geen aanleiding voor het opleggen van een beroepsverbod, aangezien er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte na zijn aanhouding is doorgegaan met het plegen van feiten als thans bewezenverklaard. Het opleggen van een beroepsverbod wordt, mede gelet op het tijdverloop derhalve niet opportuun geacht.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van
40 maanden in beginsel passend en geboden is.
Het hof neemt evenwel in aanmerking dat de behandeling van dat de behandeling van het op
5 juli 2022 ingestelde hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, maar dat deze met ongeveer 2 jaar is overschreden. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat ook in eerste aanleg de redelijke termijn al met ongeveer 1 jaar is overschreden.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden een passende en geboden reactie vormt.
Vermeld wordt dat tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf, indien en voor zover nog aan de orde, volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, in voorkomend geval tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Beslag

Het overzicht van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen is als bijlage bij dit arrest gevoegd.
Het hof beslist als volgt.
Het in beslag genomen geldbedrag van € 210.000,- (nummer 4 op de beslaglijst) zal worden verbeurd verklaard.
Van het geldbedrag van € 99.000,- (nummer 6 op de beslaglijst) zal het hof, gelet op de partiële vrijspraken ter zake van feit 9, de teruggave gelasten van een bedrag van € 20.000,- aan de verdachte. Daarnaast gelast het hof de teruggave van een bedrag van € 43.000,- aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, te weten de heer [persoon 3] , geboren 2 maart 1979. Het onder nummer 6 op de beslaglijst resterende bedrag van € 36.000,- zal worden verbeurd verklaard. Het bewezenverklaarde feit 9 is (behoudens de genoemde partiële vrijspraken) met betrekking tot dit geldbedrag, dat de verdachte toebehoort, begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Ten aanzien van het geldbedrag van € 7.500,- (nummer 5 op de beslaglijst) zal een last tot teruggave worden gegeven aan de verdachte. Datzelfde geldt voor het geldbedrag van € 20.000,- (nummer 7 op de beslaglijst). Indien en voor zover dit bedrag nog is beslagen, gelast het hof de teruggave daarvan aan de verdachte.
Blijkens de genoemde beslaglijst zijn onder de verdachte tot slot in beslag genomen de [adres 1] Rotterdam (nummer 1 op de beslaglijst); de [adres 2] Rotterdam (nummer 2 op de beslaglijst) en de [adres 3] Rotterdam (nummer 3 op de beslaglijst). Blijkens het algemeen dossier (p. 1436) zijn deze appartementen evenwel niet onder de verdachte in beslag genomen. Bij arresten van heden zal het hof bovendien de verbeurdverklaring van deze appartementen uitspreken in de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] respectievelijk [medeverdachte 7] . Gelet op hierop zal het hof op de goederen met nummers 1 tot en met 3 in de onderhavige zaak niet (meer behoeven te) beslissen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, artikel 2 van Pro de Wet toezicht trustkantoren, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 3, 16 en 33 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het bij dagvaarding I onder 14 en 16 en het bij dagvaarding II tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 5, 6 primair en subsidiair, 7, 8 primair en subsidiair en 15 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 1, 2, 3, 4, 9, 10, 11, 12 en 13 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een geldbedrag van € 210.000,- (nummer 4 op de beslaglijst)
- een geldbedrag van € 36.000,-, (zijnde een deel van het onder nummer 6 van de beslaglijst genoemde geldbedrag)
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een geldbedrag van € 7.500,- (nummer 5 op de beslaglijst)
- een geldbedrag van € 20.000,-. (zijnde een deel van het onder nummer 6 van de beslaglijst genoemde geldbedrag)
- een geldbedrag van € 20.000,- (nummer 7 op de beslaglijst)
Gelast de
bewaringten behoeve van de rechthebbende (te weten [persoon 3] , geboren 2 maart 1979) van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een geldbedrag van € 43.000,- (zijnde een deel van het onder nummer 6 van de beslaglijst genoemde geldbedrag).
Dit arrest is gewezen door mr. K. Versteeg, als voorzitter,
mr. R. van der Hoeven en mr. M.S. Lamboo, leden,
in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 juni 2026.