Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1915

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.340.940/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 lid 1 BWArt. 3:310 lid 4 BWArt. 6:96 lid 2 BWArt. 6:109 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring civielrechtelijke verhaalsactie na onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling medeplegen opzetheling wijn

In deze civiele procedure vordert Achmea Schadeverzekering N.V. schadevergoeding van [appellant], die onherroepelijk is veroordeeld voor medeplegen van opzetheling van een grote partij exclusieve wijn. Achmea heeft de schade aan haar verzekerde vergoed en verhaalt deze nu op [appellant]. De kern van het geschil betreft de toepasselijke verjaringstermijn voor de civielrechtelijke vordering, waarbij [appellant] stelt dat art. 3:310 lid 1 BW Pro van toepassing is, terwijl het hof art. 3:310 lid 4 BW Pro toepast.

Het hof bevestigt dat de verjaringstermijn verlengd wordt zolang het recht tot strafvordering niet is vervallen door verjaring of overlijden van de aansprakelijke persoon, en dat het onherroepelijk worden van de strafrechtelijke veroordeling niet leidt tot verval van het recht tot strafvordering in de zin van dit artikel. Verder oordeelt het hof dat de omvang van de schade voldoende is onderbouwd met deskundigenrapporten en dat de betaling aan de verzekerde door Achmea voldoende is aangetoond.

Daarnaast wijst het hof de grief van [appellant] af dat de schade hem niet volledig kan worden toegerekend, omdat hij hoofdelijk aansprakelijk is op grond van art. 6:166 BW Pro. Ook het beroep op matiging wegens financiële omstandigheden wordt verworpen vanwege de aard van de aansprakelijkheid. De gevorderde expertisekosten, buitengerechtelijke kosten, kosten voor beloningsadvertentie en tipgeld en wettelijke rente worden eveneens toegewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt [appellant] tot betaling van €146.608,60 schadevergoeding met kosten en wettelijke rente.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.340.940/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/653708 / HA ZA 23-218
Arrest van 16 juni 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
Achmea Schadeverzekering N.V.,
gevestigd in Apeldoorn,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.E.G. Joosten, kantoorhoudend in 's-Hertogenbosch.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en Achmea.

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant] is onherroepelijk veroordeeld door de strafrechter voor het medeplegen van opzetheling van een grote partij (dure) wijn. Achmea heeft als verzekeraar de schade van de diefstal van de wijn vergoed aan haar verzekerde en verhaalt haar schade nu op [appellant] . Volgens [appellant] is de vordering van Achmea verjaard. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van € 146.608,60 (met kosten).
1.2
In hoger beroep gaat het met name om de vraag welke verjaringsregel moet worden toegepast als de (civielrechtelijke) verhaalsactie wordt gestart nadat de aansprakelijke persoon strafrechtelijk (onherroepelijk) is veroordeeld voor het feit waardoor de schade is veroorzaakt. Moet de verjaring van de civielrechtelijke vordering tot schadevergoeding worden beoordeeld aan de hand van art. 3:310 lid 4 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) of aan de hand van art. 3:310 lid 1 BW Pro?
1.3
Het hof oordeelt dat de verjaring moet worden beoordeeld aan de hand van art. 3:310 lid 4 BW Pro en dat de voorliggende vorderingen niet zijn verjaard. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank ook voor het overige.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 29 april 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2024;
  • de memorie van grieven van [appellant] ;
  • de memorie van antwoord van Achmea, met bijlagen;
  • de bijlage (productie 35) die Achmea ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • de bijlage (productie J) die [appellant] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op 5 maart 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht en vragen beantwoord van het hof.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Poot Agenturen B.V. (hierna: de verzekerde) heeft bij (Interpolis, een merk van) Achmea een Bedrijven Compact Polis afgesloten (hierna: de polis).
3.2
Op 5 mei 2011 heeft de verzekerde aangifte gedaan van diefstal van een grote hoeveelheid flessen met exclusieve wijnen.
3.3
Bij vonnis van de (strafkamer in) rechtbank Den Haag van 21 maart 2014 is [appellant] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest wegens medeplegen van opzetheling van een grote partij exclusieve wijn (ter waarde van circa € 435.000,-) in de periode van 14 april 2011 tot en met 7 juni 2011 te Den Haag.
3.4
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 3 juni 2016 (hierna: de veroordeling in hoger beroep) [appellant] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 170 dagen met aftrek van voorarrest en het vonnis van de rechtbank voor het overige bekrachtigd. De Hoge Raad heeft [appellant] bij arrest van 18 april 2017 niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep tegen het arrest van het hof. De strafrechtelijke veroordeling van [appellant] is daarmee op 18 april 2017 onherroepelijk geworden.
3.5
In opdracht van Achmea heeft [deskundige] (hierna: [deskundige]), register-taxateur en makelaar in wijn, een schaderapport opgesteld. In zijn rapport heeft [deskundige] de totale schade vastgesteld op € 146.000,-. Dit bedrag is opgebouwd uit twee componenten: (i) de vervangingswaarde van de niet teruggevonden wijn en (ii) de commerciële schade (waardevermindering) als gevolg van de onbekende behandeling van de teruggevonden flessen wijn gedurende de tijd dat die zich niet in de opslag van de verzekerde bevonden. De vervangingswaarde heeft [deskundige], conform de opgave van de verzekerde, vastgesteld op € 70.000,-. De commerciële schade heeft hij vastgesteld op € 76.000,-, 20% van de waarde van de geretourneerde wijnen. Daarbij is hij ervan uitgegaan dat de totale partij wijn (geretourneerd en niet-geretourneerd) een waarde had van afgerond € 450.000,-.
3.6
De van Achmea onderdeel uitmakende expertisedienst Brand en Varia en de door de verzekerde ingeschakelde contra-expert Troostwijk Expertises B.V. (hierna: Troostwijk) hebben zich akkoord verklaard met de schadevaststelling van [deskundige], met dien verstande dat nog een bedrag van € 2.500,- is toegevoegd voor kosten die de verzekerde heeft gemaakt om de achtergebleven wijn te rangschikken en te beoordelen.
3.7
Achmea heeft aan haar verzekerde een totaalbedrag van € 147.408,60 uitgekeerd, waarvan € 75.000,00 op 1 juli 2011 en € 72.408,60 op 15 september 2011.
3.8
Op 3 november 2020 heeft Achmea [appellant] aansprakelijk gehouden voor het door haar aan de verzekerde uitgekeerde bedrag.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
Achmea heeft gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [appellant] (en zijn [medegedaagde], hoofdelijk) zal veroordelen tot:
betaling aan Achmea van € 147.408,60 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente;
betaling aan Achmea van € 9.529,30 aan expertisekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
betaling aan Achmea van € 2.457,93 aan buitengerechtelijke kosten;
betaling aan Achmea van € 1.354,62 aan kosten in verband met de opsporing van de gestolen zaken en € 10.000,- aan tipgeld, te vermeerderen met de wettelijke rente;
de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2
Bij verstekvonnis van 4 januari 2023 zijn de vorderingen van Achmea toegewezen.
4.3
[appellant] is in verzet gekomen en heeft gevorderd dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van Achmea alsnog worden afgewezen.
4.4
De rechtbank heeft in haar vonnis van 7 februari 2024 het verstekvonnis van 4 januari 2023 partieel vernietigd en opnieuw rechtdoende [appellant] veroordeeld aan Achmea te betalen het bedrag van € 146.608,60 aan schadevergoeding, verminderd met het bedrag dat Achmea, buiten de van een andere dader ontvangen € 800,00 om, nog van deze heeft ontvangen, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van art. 6:119 BW Pro over € 71.608,60 vanaf 15 september 2011 tot de dag van algehele voldoening en over € 75.000,- vanaf 1 juli 2011 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van de dagvaardingsprocedure van € 2.683,43 en de verzetprocedure van € 2.053,-, met wettelijke rente als deze kosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
[appellant] concludeert tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2024 en tot (alsnog) afwijzing van de vorderingen van Achmea, met veroordeling van Achmea in de kosten in beide instanties.
5.2
Achmea concludeert tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2024, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de appelprocedure, de nakosten daaronder begrepen.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
[appellant] komt met acht grieven op tegen het oordeel van de rechtbank. Hij klaagt erover dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Achmea’s vorderingen niet zijn verjaard (grief 1) en dat Achmea de omvang van de schade voldoende heeft onderbouwd (grief 2). Verder komt [appellant] op tegen de toewijzing van de expertisekosten (grief 3), de toewijzing van de kosten voor de beloningsadvertentie en het tipgeld (grief 4), het oordeel van de rechtbank dat de gehele schade toerekenbaar is aan [appellant] (grief 5), de verwerping van het beroep van [appellant] op matiging (grief 6), de toewijzing van de buitengerechtelijke kosten (grief 7) en de toewijzing van de wettelijke rente (grief 8).
Verjaring (grief 1)
6.2
[appellant] voert aan dat, nu zijn strafrechtelijke veroordeling onherroepelijk is geworden, de rechtbank bij de beoordeling van zijn beroep op verjaring ten onrechte art. 3:310 lid 4 BW Pro heeft toegepast. Hij meent dat zijn verjaringsberoep aan art. 3:310 lid 1 BW Pro had moeten worden getoetst. In laatstgenoemd artikellid is bepaald dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart vijf jaar nadat de benadeelde bekend is geworden met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Volgens [appellant] is Achmea op 21 maart 2014 (de datum van het strafvonnis van de rechtbank Den Haag) bekend geraakt met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Nu de aansprakelijkstelling dateert van 3 november 2020, zijn de vorderingen volgens [appellant] verjaard.
6.3
Het hof volgt [appellant] niet in zijn betoog en oordeelt dat de rechtbank wat betreft het verjaringsberoep terecht is uitgegaan van de toepasselijkheid van art. 3:310 lid 4 BW Pro dat de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro in geval van een strafbaar feit kan verlengen. Het hof licht dit als volgt toe.
6.4
In de eerste plaats vindt de opvatting van [appellant] geen steun in de wettekst. Art. 3:310 lid 4 BW Pro bepaalt dat indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, een strafbaar feit oplevert waarop de Nederlandse strafwet toepasselijk is, de rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen de persoon die het strafbaar feit heeft begaan niet verjaart zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring of door de dood van de aansprakelijke persoon is vervallen. De rechtsvordering tot schadevergoeding kan in geval van een strafbaar feit dus alleen verjaren als verval van het recht tot strafvordering heeft plaatsgevonden door verjaring of door de dood van de aansprakelijke persoon. Een eventueel verval van het recht tot strafvordering vanwege een reeds bestaande onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling wordt in dat artikellid niet genoemd.
6.5
In de tweede plaats volgt uit de wetsgeschiedenis bij de voorloper(s) van het huidige art. 3:310 lid 4 BW Pro dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid tot het instellen van een civielrechtelijke vordering in stand te laten zolang het recht tot strafvordering niet door (toen nog alleen) verjaring is vervallen. Daarbij is onder ogen gezien dat de civielrechtelijke vordering ook kan blijven bestaan indien het recht tot strafvordering om andere redenen dan wegens verjaring vervalt. De toenmalig minister van Justitie verwoordde het bij de parlementaire behandeling als volgt:
“(…) een vraag gesteld over de verhouding tussen de strafrechtelijke en de civielrechtelijke verjaring. Een civielrechtelijke vordering tot schadevergoeding kan niet verjaren, zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring is vervallen. Dat is de formulering die is gekozen. Deze heeft inderdaad als consequentie dat de civielrechtelijke vorderingsmogelijkheid blijft bestaan, als om andere redenen het recht tot strafvordering vervalt. Dat lijkt mij redelijk, omdat het wel mogelijk is, maar niet zo hoeft te zijn, dat strafrechtelijk en civielrechtelijk gelijk in actie wordt gekomen.” [1]
6.6
In de derde plaats blijkt uit de memorie van toelichting bij het huidige art. 3:310 lid 4 BW Pro dat de wetgever heeft beoogd de positie van het slachtoffer te versterken. Het belang van de benadeelde om de uitkomst van een strafprocedure af te wachten, weegt daarbij om redenen van billijkheid zwaarder dan het (rechtszekerheids)belang dat de schadeveroorzaker erbij heeft dat een eventuele schadevergoedingsvordering zo spoedig mogelijk wordt ingesteld:
“De verjaringstermijn van het recht tot strafvordering is met name bij misdrijven en afhankelijk van de omstandigheden langer dan de verjaringstermijn van artikel 3:310 BW Pro. (…) Dit kan tot gevolg hebben dat de civielrechtelijke vordering tot vergoeding van schade als gevolg van misdrijven is verjaard op het moment dat zulks voor het recht tot strafvordering voor deze delicten nog niet het geval is. In zo’n geval doet zich de situatie voor dat het slachtoffer van het misdrijf geen schadevergoeding kan vorderen, terwijl de schuldige aan het misdrijf nog wel strafrechtelijk vervolgd kan worden of wellicht zelfs als verdachte in een strafprocedure betrokken is. In dit laatste geval is het voor de benadeelde ook niet meer mogelijk om in de strafprocedure als gevoegde partij schadevergoeding te vorderen.Het voorstel beoogt met het oog hierop de civielrechtelijke verjaringstermijn te verlengen: de verjaring treedt niet in zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring is vervallen. Dit is een van de maatregelen van dit kabinet om slachtoffers en nabestaanden een betere positie te geven.(…)
(…) gewezen [kan] worden op het belang dat een benadeelde er bij kan hebben af te wachten welk bewijs de strafvordering verschaft (artikel 161 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering). Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een bekentenis van de dader in een strafprocedure of aan moderne opsporingstechnologieën, in het bijzonder DNA-onderzoek, waarmee, en vaak nog na vele jaren, bewezen kan worden dat de dader het strafbaar feit heeft begaan. (…)
Het onderhavige voorstel om de civielrechtelijke verjaringstermijn niet te laten verstrijken, zolang het recht tot strafvordering niet is verjaard, kan onder omstandigheden tot gevolg hebben dat een benadeelde ook na meer dan vijf jaar nadat hij daadwerkelijk in staat was om een vordering in te stellen, van de dader schadevergoeding kan vorderen.Onderkend is dat dit voorstel aldus een inbreuk kan maken op het belang dat een schadeveroorzaker heeft bij het zo spoedig mogelijk instellen van een vordering. De belangen van het slachtoffer wegen echter zwaarder, vooral omdat het doorgaans om situaties gaat waarbij de dader het slachtoffer opzettelijk leed en schade heeft toegebracht. Hierdoor noopt de billijkheid er niet toe om vast te houden aan de verjaringstermijn van vijf jaar.” [2] [onderstreping hof].
6.7
Het hof concludeert dat als de schadeveroorzakende gebeurtenis veroorzaakt is door een strafbaar feit, art 3:310 lid 4 BW Pro meebrengt dat een civiele rechtsvordering tot verhaal van die schade op basis van dat artikel alleen verjaart in het geval het recht tot strafvordering is komen te vervallen als gevolg van de in het artikel genoemde oorzaken (de verjaring van het recht tot strafvordering of de dood van de aansprakelijk persoon). Dat is hier niet het geval. De omstandigheid – waar [appellant] zich op beroept – dat het recht tot strafvordering is geëindigd met het onherroepelijk worden van zijn veroordeling kan aan het voorgaande niet afdoen, omdat daarmee het recht tot strafvordering tegen hem weliswaar is
geëindigd, maar geen sprake is van verval van dat recht door
verjaring, zoals bedoeld in art. 3:310 lid 4 BW Pro. [3]
6.8
Aan [appellant] kan worden toegegeven dat in de wetsgeschiedenis niet uitdrukkelijk onder ogen is gezien dat het recht tot strafvordering ook op andere wijze kan vervallen (dan door verjaring of de dood van de aansprakelijke persoon/verdachte) en dat de wetgever (vooral) heeft willen voorkomen dat de civielrechtelijke verjaringstermijn zou kunnen verstrijken terwijl de mogelijkheid van een strafvorderlijke vervolging nog open zou staan, maar dat laat onverlet dat lid 4 uitdrukkelijk (alleen) refereert aan het verval van het recht tot strafvordering door verjaring (en bij overlijden) en niet ook het onherroepelijk worden van een veroordeling als omstandigheid noemt. Hoewel het vanuit het oogpunt van een redelijke wetsuitleg te verdedigen valt dat het bepaalde in het vierde lid wel in deze zin zou moeten worden verstaan, kan een dergelijke uitleg ook voor complicaties zorgen. Indien een benadeelde zich na het onherroepelijk worden van een veroordeling niet langer zou kunnen beroepen op de verlenging van de verjaringstermijn die het vierde lid de benadeelde geeft, dient de benadeelde – die met het oog op art. 161 Rv Pro wil afwachten of de verdachte in een lopende strafzaak ook werkelijk als de (onherroepelijk veroordeelde) dader civielrechtelijk kan worden aangesproken – erop bedacht te zijn dat de (civielrechtelijke) verjaringstermijn tijdig dient te (of had moeten) worden gestuit. De wetsgeschiedenis biedt geen steun voor de opvatting dat de wetgever deze consequentie onder ogen heeft gezien en voor risico van de benadeelde heeft willen laten.
6.9
Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat de vordering van Achmea nog niet was verjaard op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding op 11 november 2022 omdat het recht tot strafvordering op dat moment nog niet was vervallen door verjaring.
6.1
Hierop strandt [appellant] ’s eerste grief.
(Omvang) schade: niet teruggevonden flessen, waardevermindering teruggevonden flessen, schade vergoed aan verzekerde (grief 2)
6.11
Met zijn tweede grief komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat Achmea de omvang van de schade voldoende heeft onderbouwd. [appellant] voert aan dat Achmea niet heeft aangetoond dat zij de verzekerde heeft betaald en dat 450 flessen niet zijn teruggevonden. Hij meent daarnaast dat Achmea de hoogte van de schadebedragen onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof verwerpt dit betoog van [appellant] en licht dit hierna toe.
Ten aanzien van de 450 flessen die niet zijn teruggevonden
6.12
Achmea vordert € 70.000,- schadevergoeding voor de aan de verzekerde uitgekeerde vervangingswaarde van 450 niet teruggevonden flessen wijn. Achmea heeft toegelicht dat de verzekerde na een eerste inventarisatie aangifte deed van de diefstal van 4124 flessen wijn en de verzekerde na een controle en rangschikking van de gehele voorraad wijn dit aantal heeft bijgesteld naar 3203 flessen. Ook heeft Achmea toegelicht dat er na de diefstal door de daders flessen zijn verkocht. Met betrekking tot het aantal teruggevonden flessen wijn geldt verder dat zowel in het strafrechtelijk onderzoek als in de strafprocedure als uitgangspunt is genomen dat 450 flessen niet zijn teruggevonden. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat er meer flessen wijn zijn teruggevonden, met als gevolg dat onvoldoende gemotiveerd betwist is gebleven dat 450 flessen niet zijn teruggevonden.
Ten aanzien van de hoogte van de schadebedragen
6.13
De hoogte van de schade heeft Achmea onderbouwd met deskundigenrapporten. De schade aan de geretourneerde wijnen stelt deskundige [deskundige] vast op een bedrag van € 76.000,-. Bij de schadebegroting heeft [deskundige] in aanmerking genomen dat de waarde van de wijn is verminderd, omdat onduidelijk is hoe de wijnen zijn behandeld/waren opgeslagen gedurende de tijd dat deze zich niet in de opslag van de verzekerde hebben bevonden. Verder heeft [deskundige] meegewogen dat de diefstal van de flessen wijn landelijke bekendheid heeft gekregen en relaties van verzekerde wellicht geen interesse meer zouden hebben in een ‘risicowijn’. De vervangingswaarde van de 450 niet geretourneerde wijnen werd door [deskundige] getaxeerd op € 70.000. De experts van Troostwijk (ingeschakeld door verzekerde) hebben zich kunnen vinden in de waardering van [deskundige].
6.14
[appellant] voert daartegen slechts aan dat het “
onduidelijk is hoe deskundige [deskundige] op een percentage van 20% van de waarde van de partij komt als het gaat om toekomstige commerciële schade,” en dat “
[h]etzelfde geldt voor Troostwijk.” Daarmee miskent [appellant] dat door [deskundige] is toegelicht dat deze 20% de waardevermindering betreft als gevolg van de onbekendheid met de wijze van behandeling/opslag van de wijn na de diefstal en dat deze inmiddels bekend staat als een ‘risicowijn’. Het percentage van 20% betreft een schatting en deze mate van aftrek komt het hof ook niet onredelijk voor. Verder heeft [appellant] de waardebepaling die Achmea aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd niet voldoende gemotiveerd betwist, terwijl dit wel had gekund, bijvoorbeeld door de juistheid van overige door de deskundige aan zijn waardebepaling ten grondslag gelegde gegevens te betwisten, al dan niet met inschakeling van een eigen deskundige. Dat heeft hij nagelaten.
6.15
Het verzoek van [appellant] om een deskundige te benoemen wordt verworpen. Aan nadere voorlichting door een deskundige heeft het hof met het oog op de zich reeds in het dossier bevindende rapportages van Expertisedienst Brand /Varia, Troostwijk en [deskundige] geen behoefte.
Ten aanzien van de betwiste betaling aan de verzekerde
6.16
De daadwerkelijke betaling door Achmea aan verzekerde van de gevorderde bedragen heeft zij onderbouwd met stukken (met name een afschrift van haar betaalsysteem). [appellant] voert aan dat uit de door Achmea overgelegde stukken niet onomstotelijk blijkt dat de gevorderde bedragen daadwerkelijk zijn betaald en wijst erop dat Achmea bijvoorbeeld geen bankafschriften heeft overgelegd waaruit de betaling blijkt.
6.17
Het hof is van oordeel dat Achmea haar standpunt dat zij de door haar gevorderde bedragen daadwerkelijk heeft uitgekeerd, in voldoende mate heeft onderbouwd met de hiervoor genoemde bescheiden. De enkele (blote) betwisting dat betaling heeft plaatsgevonden is in dit geval geen voldoende gemotiveerde betwisting. Bij dat oordeel heeft het hof betrokken dat [appellant] niet betwist dat Achmea als verzekeraar – onder de door verzekerde gesloten polis – ook gehouden was tot uitkering over te gaan vanwege de diefstal van de wijn van verzekerde. De omvang van de betalingen die Achmea stelt te hebben gedaan, sluiten ook aan bij de schade zoals die wordt begroot in de door haar overgelegde deskundigenrapporten. Daaronder bevindt zich ook het rapport van de door de verzekerde ingeschakelde deskundige, hetgeen op zichzelf al een aanwijzing vormt dat de verzekerde daadwerkelijk onder de bestaande verzekeringspolis schadeloos zal zijn gesteld. [appellant] heeft dat althans niet weerlegd, zoals zij door middel van een eenvoudige verklaring van de verzekerde had kunnen doen.
6.18
Gelet op al het voorgaande faalt ook [appellant] ’s tweede grief.
De expertisekosten (grief 3)
6.19
[appellant] voert aan dat de gevorderde expertisekosten niet redelijk zijn gelet op de omvang van de verrichte werkzaamheden. Hij betoogt dat het vaststellen van de schade geen arbeidsintensieve zaak is geweest en de inschakeling van Troostwijk niet een verdubbeling van de kosten rechtvaardigt, omdat de werkzaamheden van Troostwijk beperkt zijn gebleven tot het inschatten van de schade op basis van de waardebepalingen van de verzekerde zelf en de conclusies van de expert en contra-expert bovendien niet veel van elkaar afwijken.
6.2
Het hof is van oordeel dat [appellant] ’s betoog een onvoldoende gemotiveerde betwisting vormt van de met stukken onderbouwde stellingen van Achmea. Zoals ook de rechtbank heeft vastgesteld is door Achmea de deskundige [deskundige] en haar eigen expertisedienst Brand en Varia ingeschakeld. De verzekerde heeft de deskundige Troostwijk ingeschakeld bij wijze van contra-expertise. Achmea heeft toegelicht dat haar eigen expertisedienst in dit soort gevallen altijd wordt ingeschakeld om de toedracht van de schade vast te stellen. Deze expertisedienst gaat echter niet in op de omvang van de schade. Daarom heeft Achmea [deskundige] ingeschakeld om de hoogte van de schade te kunnen vaststellen. De verzekerde heeft in dit soort gevallen het recht om een contra-expert in te schakelen en daarvan heeft de verzekerde gebruik gemaakt. Troostwijk is ingeschakeld om onderzoek te doen naar zowel de toedracht van de schade als de omvang en de hoogte van de schade. Dit verklaart waarom de kosten van Troostwijk hetzelfde bedragen als de kosten van [deskundige] en de expertisedienst Brand en Varia bij elkaar opgeteld.
6.21
Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat de uitleg van Achmea niet onredelijk voorkomt, zodat de gemaakte kosten voor de deskundigen de redelijkheidstoets doorstaan.
6.22
Hierop strandt [appellant] ’s derde grief.
Beloningsadvertentie en tipgeld (grief 4)
6.23
[appellant] betoogt dat de kosten voor het plaatsen van een beloningsadvertentie en het tipgeld niet kunnen worden aangemerkt als kosten ter beperking van de schade en daarom niet vergoedbaar zijn. [appellant] meent dat niet aangetoond is dat het noodzakelijk was om tipgeld uit te keren, nu de aangifte op 5 mei 2011 is gedaan en het tipgeld al op 14 mei 2011 is uitgeloofd. Daarnaast staat volgens [appellant] niet vast dat deze kosten daadwerkelijk hebben geleid tot het beperken van de schade en had het tipgeld ook beschikbaar gesteld kunnen worden door de minister van Justitie en Veiligheid.
6.24
Het hof verenigt zich ook op dit punt met het oordeel van de rechtbank. De kosten voor het plaatsen van de beloningsadvertentie en het tipgeld kunnen worden aangemerkt als redelijke kosten ter beperking van schade (art. 6:96 lid 2 aanhef Pro en onder a BW). Gelet op de omvang van de schade is het redelijk dat Achmea deze kosten heeft gemaakt om te proberen de flessen wijn zo snel mogelijk terug te vinden ter beperking van de schade van haar verzekerde en daarmee haar eigen schade. Daarnaast heeft de beloningsadvertentie ook geleid tot een bruikbare tip waardoor het grootste gedeelte van de flessen wijn is teruggevonden. Door het maken van deze kosten is de schade dan ook daadwerkelijk beperkt. Dat de beloningsadvertentie is geplaatst terwijl het politieonderzoek nog liep, doet daar niet aan af. De vordering van € 1.354,62 aan kosten voor het plaatsen van de advertentie en € 10.000,00 aan tipgeld – welk bedrag ook redelijk wordt geacht – zijn dan ook van een voldoende onderbouwing voorzien. Voor zover [appellant] nog als betwisting aanvoert dat het tipgeld nodeloos ter beschikking is gesteld omdat het ook beschikbaar gesteld had kunnen worden door de minister van Justitie en Veiligheid, heeft Achmea dat standpunt gemotiveerd betwist. Volgens Achmea is dat niet het geval, gelet op de afspraken die zijn gemaakt in het Convenant tipgelden 2004. [appellant] heeft dat vervolgens niet meer (voldoende gemotiveerd) weersproken, met als gevolg dat ook het hof ervan uitgaat dat wat [appellant] aanvoert niet juist is, gelet op het bepaalde in het Convenant tipgelden 2004.
6.25
Hierop strandt [appellant] ’s vierde grief.
Toerekenbaarheid (grief 5)
6.26
[appellant] voert aan dat de schade hem niet volledig kan worden toegerekend. Hij stelt zich op het standpunt dat zijn strafrechtelijke veroordeling niet wegneemt dat hij een ondergeschikte rol heeft gehad ten opzichte van zijn medeplegers. Daarnaast betoogt hij dat hij niet heeft samengespannen met “de dief” en niet “willens en wetens” een criminele keten in stand heeft gehouden. Het hof volgt [appellant] niet in zijn betoog dat de schade hem niet volledig kan worden toegerekend en overweegt daartoe als volgt.
6.27
Het hof stelt voorop dat, hoewel Achmea haar vordering jegens [appellant] niet uitdrukkelijk heeft gebaseerd op art. 6:166 BW Pro (maar op art. 6:162 BW Pro), zij ook de hoofdelijke aansprakelijkheid van [appellant] heeft gevorderd (naast een voor hetzelfde feit veroordeelde derde), wat erop duidt dat Achmea zich ook heeft willen baseren op art. 6:166 BW Pro (groepsaansprakelijkheid). Dit artikel bepaalt dat, indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is daarbij niet van belang. [4]
6.28
Het hof is van oordeel dat [appellant] op grond van art. 6:166 BW Pro (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de volledige door (één van) de groepsleden veroorzaakte schade. Het hof acht daartoe het volgende redengevend.
6.28.1
Achmea heeft ter onderbouwing van haar vordering verwezen naar de veroordeling in hoger beroep van [appellant] . In deze veroordeling in hoger beroep is vastgesteld dat [appellant] onderdeel uitmaakte van een groep personen die is veroordeeld voor het medeplegen van opzetheling, waarbij is vastgesteld (onder verwijzing naar de door de rechtbank gegeven motivering (met aanvulling)) dat [appellant] in bewuste en nauwe samenwerking heeft gehandeld met anderen. Uit het enkele feit dat [appellant] is veroordeeld voor het ‘medeplegen’ (en niet slechts voor medeplichtigheid) blijkt reeds dat hij aan het gepleegde strafbare feit een wezenlijke bijdrage heeft geleverd en dat zijn rol binnen de samenwerking met de andere medeplegers essentieel, en dus niet slechts van ondergeschikte betekenis, is geweest.
6.28.2
[appellant] heeft daarbij slechts aangevoerd dat zijn rol binnen die groep ondergeschikt was, zonder nader toe te lichten wat zijn rol dan was, terwijl hem in ieder geval kan worden verweten dat hij zich ten onrechte niet aan de groepsgedraging (de opzetheling) heeft onttrokken en daarmee de kans op het ontstaan van de schade voor lief heeft genomen. Gesteld noch gebleken is voorts dat hij zich daaraan heeft willen onttrekken. Opgemerkt wordt dat [appellant] volgens de in het strafvonnis vastgestelde feiten meermalen aanwezig is geweest in de loods waar de gestolen wijn was opgeslagen, meerdere telefoongesprekken heeft gevoerd over de verkoop daarvan, hierover werd geïnformeerd door zijn medeplegers en, blijkens zijn eigen verklaringen, daadwerkelijk betrokken is geweest bij pogingen om de wijn te verkopen, met als gevolg dat ook daarom niet ervan kan worden uitgegaan dat zijn rol zodanig beperkt was dat hij niet tot de groep van personen kan worden gerekend die de schade waarvoor Achmea een vergoeding vordert, heeft veroorzaakt.
6.28.3
Dat [appellant] stelt dat hij niet willens en wetens een criminele keten in stand heeft gehouden en hij, zoals hij aanvoert, niet heeft samengespannen met de dief doet aan het vorenstaande niet af. Het civielrechtelijke verwijt dat [appellant] kan worden gemaakt, en hetgeen onrechtmatig is jegens Achmea, is immers dat hij zich ten onrechte niet aan de groepsgedraging (de opzetheling) heeft onttrokken en daarmee de kans op de schade voor lief heeft genomen. Daar komt bij dat zijn stelling dat hij niet willens en wetens een criminele keten in stand heeft willen houden, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet goed is te volgen. [appellant] is immers veroordeeld voor medeplegen voor opzetheling, hetgeen een nauwe en bewuste samenwerking met zijn medeplegers van dit delict veronderstelt.
6.29
Voor zover [appellant] met zijn vijfde grief betoogt dat (een deel van) de schade ook zonder zijn gedrag / rol zou zijn ontstaan en daarom niet aan hem kan worden toegerekend, faalt dit betoog. Hij is op grond van art. 6:166 BW Pro immers aansprakelijk voor de volledige door de groep veroorzaakte schade.
6.3
Ten slotte voert [appellant] aan dat hij zijn vijfde grief pas nader kan toelichten indien hij beschikt over het gehele strafdossier. Dat hij daarover niet beschikt, dient echter voor zijn rekening te blijven. Als degene die zelf het onderwerp is geweest van de strafrechtelijke vervolging en veroordeling lag het op zijn weg om dit dossier (eventueel via zijn strafadvocaat) op te vragen, indien hij dit noodzakelijk achtte voor de onderbouwing van zijn stellingen.
6.31
Hierop strandt [appellant] ’s vijfde grief.
Matiging (grief 6)
6.32
[appellant] doet een beroep op matiging op grond van art. 6:109 BW Pro vanwege zijn financiële situatie. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij momenteel een bijstandsuitkering heeft, worstelt met de gevolgen van Long Covid en gelet op zijn aanhoudende klachten en beperkingen op dit moment weinig tot geen toekomstperspectief heeft ten aanzien van arbeidsparticipatie en inkomensverbetering.
6.33
Het hof stelt voorop dat op grond van art. 6:109 BW Pro de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Bij dit oordeel is terughoudendheid op zijn plaats.
6.34
Het hof begrijpt dat volledige toewijzing van de schadevergoeding grote financiële gevolgen heeft voor [appellant] . Echter, gelet op de aard van de aansprakelijkheid (de strafrechtelijke veroordeling voor een opzetdelict) en de in dat verband ontbrekende schuldverminderende omstandigheden bestaat naar het oordeel van het hof – ook in aanmerking genomen alle overige door [appellant] aangevoerde omstandigheden – in dit geval geen grond voor matiging.
6.35
Hierop strandt [appellant] ’s zesde grief.
Buitengerechtelijke kosten (grief 7)
6.36
In grief 7 klaagt [appellant] over de toewijzing van de buitengerechtelijke kosten door de rechtbank. Volgens [appellant] zijn deze buitengerechtelijke kosten niet daadwerkelijk gemaakt en ook (in omvang) niet redelijk.
6.37
Het gevorderde bedrag van € 2.457,93 heeft Achmea berekend aan de hand van de BIK-staffel. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Achmea toegelicht dat ‘de BIK’ weliswaar strikt genomen niet van toepassing is op haar (schadevergoedings)vordering, maar dat zij feitelijk ‘kantoorkosten’ (door haar medewerkers bestede tijd e.d.) vordert die Achmea heeft moeten maken voor verhaal van haar vordering. Mede gelet op de omstandigheid dat haar medewerkers geen uren schrijven hanteert Achmea als beleid dat zij haar schade voor kantoorkosten begroot aan de hand van de BIK-staffel.
6.38
Gelet op de hoogte van het gevorderde bedrag en de werkzaamheden die als onderbouwing voor de gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn aangevoerd – het onderhouden van contact met het OM, de politie en de deskundigen – is het hof met de rechtbank van oordeel dat zowel de hoogte van het bedrag als de omvang van de werkzaamheden redelijk geacht kunnen worden. Bij dat oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat door [appellant] het nut en de noodzaak van het onderhouden van contacten door medewerkers van Achmea met het OM, de politie en de deskundigen niet (voldoende gemotiveerd) is betwist en in hoger beroep ook niet is toegelicht waarom gelet op de aard en omvang van deze contacten het gevorderde bedrag niet redelijk zou zijn.
6.39
Hierop strandt [appellant] ’s zevende grief.
Wettelijke rente (grief 8)
6.4
[appellant] betoogt dat voor vergoeding van de wettelijke rente over de schadevergoedingsvordering van Achmea zoals toegewezen door de rechtbank geen plaats is, omdat Achmea niet heeft aangetoond dat de betalingen aan verzekerde daadwerkelijk zijn verricht. Hiervoor is overwogen dat Achmea voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd dat zij daadwerkelijk schadebetalingen aan verzekerde heeft verricht. Het oordeel van de rechtbank over de toe te kennen wettelijke rente kan dan ook in stand blijven.
6.41
Hierop strandt [appellant] ’s achtste grief.
Conclusie en proceskosten
6.42
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2024 bekrachtigen.
6.43
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep (inclusief nakosten).
Het hof begroot de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Achmea op:
griffierecht € 6.561,-
salaris advocaat € 7.594,- (2 punten × tarief V € 3.797,-)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 14.344,-

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2024;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Achmea begroot op € 14.344,-;
  • bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. G.J.M. Verburg, mr. A.E.A.M. van Waesberghe en mr. A.J.P. Schild en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Handelingen Tweede Kamer, 24 februari 1994, TK 55-4171.
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2010-2011, 32 853, MvT nr. 3, p. 2 en 4.
3.Vgl. Hof Amsterdam 9 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:47, rov. 5.24 e.v. en
4.Vgl. HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914, r.o. 3.4.2.