AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing wrakingsverzoek wegens vermeende vooringenomenheid in strafzaak
In de strafzaak tegen de verdachte heeft het gerechtshof Den Haag op 6 mei 2026 alle onderzoekswensen van de verdediging afgewezen. Hiertegen heeft de verdediging op 8 mei 2026 een wrakingsverzoek ingediend tegen de raadsheren die de zaak behandelden, stellende dat sprake zou zijn van vooringenomenheid vanwege de afwijzing van de onderzoekswensen.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 512 vanPro het Wetboek van Strafvordering en de vaste jurisprudentie die uitgaat van een vermoeden van onpartijdigheid van rechters, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen. De kamer benadrukte dat rechterlijke (tussen)beslissingen en hun motivering geen grond voor wraking kunnen vormen, tenzij deze motivering objectief als blijk van vooringenomenheid kan worden gezien.
Na zorgvuldige afweging concludeerde de wrakingskamer dat de aangevoerde gronden betrekking hadden op procedurele en inhoudelijke beslissingen die niet als vooringenomenheid kunnen worden aangemerkt. Ook was de vrees van de verdachte voor vooringenomenheid niet objectief gerechtvaardigd. Daarom werd het wrakingsverzoek zonder zitting afgewezen op 10 juni 2026.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren wegens vermeende vooringenomenheid is afgewezen.
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 8 mei 2026
inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 vanPro het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in de [verblijfplaats]
, verzoeker,
raadsvrouw mr. S. Aarts, advocaat te Rotterdam
Het geding en de feiten
1. In de strafzaak tegen verzoeker onder genoemd rolnummer heeft op 6 mei 2026 een zitting van de meervoudige strafkamer plaatsgevonden, alwaar mr. M.E.L. Hendriks, voorzitter, en mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. F.W. van Lottum, leden, zitting hadden. Op die terechtzitting is door het hof beslissingen genomen op de in de appelschriftuur van 8 april 2025 en in de aanvulling hierop bij e-mailbericht van de raadsvrouw van 4 mei 2026 genoemde onderzoekswensen van de verdediging waarbij het hof alle onderzoekswensen van de verdediging heeft afgewezen.
2. Bij e-mailbericht van 8 mei 2026 heeft de raadsvrouw namens verzoeker een verzoek tot wraking van genoemde raadsheren gedaan en daartoe gronden aangevoerd.
3. Op 12 mei 2026 hebben de gewraakte raadsheren bericht niet in de wraking te berusten.
4. De wrakingskamer heeft kennis genomen van het proces-verbaal van de zitting van 6 mei 2026, waarin ook voornoemde beslissingen zijn opgenomen.
Het wrakingsverzoek
5. In het wrakingsverzoek heeft verzoeker aangevoerd dat sprake is van vooringenomenheid van de gehele zittingscombinatie, aangezien volgens verzoeker de onderzoekswensen onjuist zijn beoordeeld en het verdedigingsbelang onvoldoende in acht is genomen, en gelet daarop de (schijn van) vooringenomenheid blijkt.
Beoordeling van het wrakingsverzoek
6. Op grond van artikel 512 SvPro kan op verzoek van de verdachte elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechtelijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
7. Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter uit hoofde van zijn aanstelling te worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
8. De wrakingskamer stelt voorop dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken meebrengt dat een rechtelijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van die (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel is belast met de behandeling van de zaak.
9. Wat betreft de motivering van een rechterlijke (tussen)beslissing geldt evenzeer dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist,
onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een
motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het
licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten,
bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen, niet anders kan
worden gezien dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft
10. De hiervoor onder 5. genoemde gronden zien op procedurele en inhoudelijke beslissingen van de raadsheren die beslist hebben doen op het door verzoeker gedane onderzoekswensen. Gelet op voornoemde uitgangspunten kunnen deze (tussen)beslissingen geen grond voor wraking opleveren. Naar het oordeel van de wrakingskamer doet zich evenmin de situatie voor dat de motivering van deze (tussen)beslissingen in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kunnen worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid en evenmin dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
10. De conclusie van het voorgaande is dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is zal worden afgewezen.
12. Het voorgaande brengt mee dat het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting kan worden afgedaan (artikel 515, derde lid, Sv).
Beslissing
Het hof:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de raadsvrouw van verzoeker, genoemde raadsheren en de advocaat-generaal.
Deze beslissing is gegeven op 10 juni 2026 door mrs. E.C. van Veen, J.W. van den Hurk en P. Glazener, in aanwezigheid van de griffier mr. J. Toorens