Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
LLC Lugzor,
LLC Libset,
LLC Ukrinterinvest,
PJSC DniproAzot,
LLC Aberon Ltd,
1.De zaak in het kort
2.Verloop procedure
- de inleidende dagvaarding van 4 januari 2023 waarmee de Russische Federatie vernietiging heeft gevorderd van de tussen partijen op 4 oktober 2022 en 2 december 2022 gewezen arbitrale vonnissen van het Permanente Hof van Arbitrage (hierna: het scheidsgerecht) in Den Haag;
- de akte overlegging producties van de Russische Federatie, met bijlagen;
- de conclusie van antwoord van Lugzor c.s., met bijlagen;
- de conclusie van repliek van de Russische Federatie, met bijlagen;
- de conclusie van dupliek van Lugzor c.s., met bijlagen.
3.Feitelijke achtergrond
‘Treaty between the Russian Federation and the Republic of Crimea on the Acceptance of the Republic of Crimea into the Russian Federation and the Formation of New Constituent Parts within the Russian Federation’(hierna: het Annexatie-verdrag).
Article 1
.
.
, find that the Russian Federation has assumed obligations under the [Treaty] in respect of the Claimants and their investments at the latest as of March 21, 2014.
.
4.Vordering tot vernietiging
5.Toepasselijk arbitragerecht
6.Bevoegdheid hof
7.Beoordeling vordering tot vernietiging
vernietigingsvordering en daarvoor aangevoerde gronden
A treaty shall be interpreted in good faith in accordance with the ordinary meaning to be given to the terms of the treaty in their context and in the light of its object and purpose.
The context for the purpose of the interpretation of a treaty shall comprise, in addition to the text, including its preamble and annexes:
any agreement relating to the treaty which was made between all the parties in connexion with the conclusion of the treaty;
any instrument which was made by one or more parties in connexion with the conclusion of the treaty and accepted by the other parties as an instrument related to the treaty.
There shall be taken into account, together with the context:
any subsequent agreement between the parties regarding the interpretation of the treaty or the application of its provisions;
any subsequent practice in the application of the treaty which establishes the agreement of the parties regarding its interpretation;
any relevant rules of international law applicable in the relations between the parties.
A special meaning shall be given to a term if it is established that the parties so intended.
leaves the meaning ambiguous or obscure; or
leads to a result which is manifestly absurd or unreasonable.’
Smit/Ruwa-arrest van de Hoge Raad [3] stellen Lugzor c.s. zich op het standpunt dat de Russische Federatie haar recht heeft verwerkt om voor de onbevoegdheid van het scheidsgerecht in de onderhavige vernietigingsprocedure (nieuwe) argumenten aan te voeren die zij reeds in de arbitrageprocedure had kunnen en moeten aanvoeren. Daartoe wijzen Lugzor c.s. erop dat de Russische Federatie in deze procedure (in haar inleidende dagvaarding, nr. 38-45) voor het eerst betoogt dat het begrip grondgebied (‘territory’) in art. 1(1) BIT 1998 moet worden geïnterpreteerd als het grondgebied zoals het was ten tijde van het sluiten van het BIT 1998 – toen de Krim Oekraïens grondgebied was –, terwijl zij in de arbitrageprocedure slechts heeft betoogd dat het begrip grondgebied in art. 1(4) BIT 1998 moet worden uitgelegd als het door beide verdragsstaten erkende soevereine grondgebied van de gaststaat. De subsidiaire vernietigingsgrond (vergelijk hierboven rov. 7.2, onder iii) kan volgens Lugzor c.s. daarom niet worden aangemerkt als een aanvaardbare uitwerking van het door de Russische Federatie in de arbitrage opgeworpen bevoegdheidsverweer.
Smit/Ruwa-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat het samenstel van art. 1052 leden Pro 1 en 2 Rv en art. 1065 lid Pro 1, aanhef en onder a, en lid 2 Rv ertoe strekt te bewerkstelligen dat, indien een partij de bevoegdheid van het scheidsgerecht wil betwisten vanwege het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage, daarover door het scheidsgerecht in een vroeg stadium van de procedure een beslissing kan worden genomen, waardoor zoveel mogelijk wordt voorkomen dat onnodige proceshandelingen zouden worden verricht indien een later (in het arbitraal geding of bij de gewone rechter) gedaan beroep op het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage, alsnog zou moeten leiden tot het oordeel dat het scheidsgerecht onbevoegd is. Telkens zal in een concreet geval moeten worden beoordeeld of een nieuwe feitelijke of juridische stelling, mede gelet op de eisen van een goede procesorde, in strijd komt met deze strekking van de wettelijke regeling. Daarvoor zal onder meer van belang kunnen zijn in welke mate de nieuwe stelling aansluit bij de eerdere (in het arbitraal geding ingenomen) stellingen. [4]
Smit/Ruwa-arrest bedoelde strekking van de wettelijke regeling.
OKO Pankki Oyj c.s. tegen Estland [5] en dat het hoogst onwaarschijnlijk lijkt dat de opstellers van het BIT 1998 een verschil in betekenis hebben bedoeld tussen het begrip ‘the territory of the other Contracting Party’ in art. 1(1) en datzelfde begrip in art. 12 (arbitraal vonnis, par. 561 en 562).
verrichtop het grondgebied van de Russische Federatie. Dat een investering zich op of na 1 januari 1992
bevindtop het grondgebied van de Russische Federatie is voor de toepasselijkheid van het BIT 1998 niet voldoende. Daarmee ‘valt het doek’ voor Lugzor c.s. (inleidende dagvaarding, nr. 10) omdat hun investeringen weliswaar zijn verricht na 1 januari 1992, maar op een moment dat de Krim Oekraïens grondgebied was; dat hun investeringen zich vanaf 14 maart 2014, dus na de annexatie van de Krim door de Russische Federatie, op het grondgebied van de Russische Federatie bevonden, kan niet meebrengen dat die investeringen onder de reikwijdte van het BIT 1998 vallen.
PrivatBank-uitspraken (zie hieronder rov. 7.27-7.28) is zeer beperkt omdat het hof daarin alleen is ingegaan op de rol van art. 12 BIT Pro 1998 in het kader van de uitleg van ‘investments’ in art. 1(1) BIT 1998 maar niet op de betekenis van art. 12 BIT Pro 1998 ‘als zelfstandige barrière tegen het aannemen van bevoegdheid’ (inleidende dagvaarding, nr. 11). In die uitspraken is wel tot uitgangspunt genomen dat de verdragspartijen bij het BIT 1998 ten tijde van het sluiten daarvan terdege rekening hielden met een toekomstige wijziging van de onderlinge grenzen. Hiermee is onverenigbaar het oordeel van het scheidsgerecht in par. 563-567 dat de verdragspartijen geen rekening hebben gehouden of hebben kunnen houden met de ontwikkeling dat de Krim onder zeggenschap van de Russische Federatie zou komen te staan. Dit oordeel komt ook in strijd met de uitlegregel van art. 31 WVV Pro dat de tekst van een verdragsbepaling (art. 12 BIT Pro 1998) leidend is en met de regel dat het leerstuk van onvoorziene omstandigheden bij verdragsuitleg geen rol speelt. Verder is het allerminst absurd in de zin van art. 32 WVV Pro dat een investering die geen grens overschrijdt, niet onder de bescherming van een internationaal investeringsverdrag valt. Bovendien heeft het scheidsgerecht niet onderbouwd dat als de verdragspartijen de gebeurtenissen van 2014 zouden hebben voorzien, zij in art. 12 BIT Pro 1998 zouden hebben bepaald dat investeringen als gevolg daarvan bescherming zouden genieten. De tekst van art. 12 BIT Pro 1998 moet worden gezien als ‘dwingend bewijs’ van de bedoeling van verdragspartijen om alleen bescherming te verlenen aan investeringen die op of na 1 januari 1992 op het grondgebied van de andere partij zijn verricht (conclusie van repliek, nr. 9), aldus de Russische Federatie.
Everest-arrest (zie hieronder rov. 7.27-7.28) tot de conclusie dat art. 12 BIT Pro 1998 ertoe strekt om alleen ten tijde van de Sovjetperiode verkregen eigendommen buiten de werking van het BIT 1998 te laten vallen. Ook met de andere
PrivatBank-uitspraken (zie hieronder rov. 7.27-7.28) is het arbitrale vonnis in overeenstemming waar het gaat om de bedoeling van de opstellers van het BIT 1998 en het ruime toepassingsbereik daarvan. Het scheidsgerecht heeft zijn uitleg van art. 12 BIT Pro 1998 niet gebaseerd op het leerstuk van onvoorziene omstandigheden. Daarentegen heeft het scheidsgerecht zijn ‘primaire analyse’ gebaseerd op een ‘good faith’ en ‘logical interpretation’ van de tekst van art. 12 BIT Pro 1998, en heeft in reactie op het standpunt van de Russische Federatie daarbij betrokken dat de opstellers van het BIT 1998 de annexatie van de Krim door de Russische Federatie niet hebben voorzien en geadresseerd, aldus Lugzor c.s.
PrivatBank-,
Everest- en
Belbek-arresten genoemd, en tezamen kortweg de
PrivatBank-rechtspraak of -uitspraken. [6] De cassatieberoepen in de
PrivatBank-zaken heeft de Hoge Raad verworpen, met uitzondering van het principale cassatieberoep in de
Everest-zaak. [7] De slagende cassatieklachten van dat beroep betroffen echter kwesties die voor de beoordeling van de onderhavige zaak niet relevant zijn.
PrivatBank-uitspraken heeft het hof onder andere het volgende overwogen:
and mutual protectionof investments
), en daarnaast ook uit het feit dat de bescherming zich uitstrekt over investeringen gedaan op of na 1 januari 1992, dus ook over investeringen die zijn gedaan vóór het sluiten en de inwerkingtreding van het verdrag. (…)
. Bij het creëren van zulke gunstige omstandigheden gaat het niet alleen om het in het vooruitzicht stellen van bescherming voor toekomstige investeerders, maar ook om de bescherming van bestaande investeringen. De bescherming van bestaande investeringen dient ook het doel van het stimuleren van toekomstige investeringen. Toekomstige investeerders worden immers afgeschrikt als reeds bestaande investeringen (van derden of van henzelf) zonder adequate rechtsbescherming of compensatie worden onteigend of op andere wijze worden aangetast.
), dat bescherming biedt tegen onteigening en nationalisatie van investeringen. Het is de Russische Federatie die op het grondgebied van de Krim sinds de gebeurtenissen in 2014 deze bevoegdheden uitoefent, met toepassing van de aan Russische overheidsorganen toekomende bevoegdheden.’
PrivatBank-arrest; vgl. het
Everest-arrest, rov. 5.4.13-5.4.16 en het
Belbek-arrest, rov. 5.5.18-5.5.21)
[in art. 1(1) BIT 1998] een temporele beperking bevat. De drie vereisten die volgens de Russische Federatie zijn begrepen in de definitie vaninvestments
(een handelingsvereiste, een territoriaal vereiste en een legaliteitsvereiste) sluiten niet uit dat een investering die zich aanvankelijk op het grondgebied van de eigen verdragsstaat bevond, door de BIT 1998 wordt beschermd tegen een onteigening die plaatsvindt op een moment dat de investering zich bevindt op het grondgebied van de andere verdragsstaat. Dat een investering een actieve handeling vereist, zegt niets over het moment waarop die handeling moet plaatsvinden om onder het bereik van de BIT 1998 te vallen, en de door Russische Federatie aangehaalde territoriale- en legaliteitsvereisten bevatten evenmin een temporeel element.
in de Russische en Oekraïense taalversies gebruik gemaakt van een ander werkwoordaspect dan bij het woord“invested by”
in artikel 1 lid 1 BIT Pro 1998. Het werkwoordaspect van“made”
verwijst (anders dan het werkwoordaspect van“invested by”
) wél naar de verleden tijd (een zogenoemd perfectief aspect). (…) Dat investeringen van vóór 1 januari 1992 niet vallen onder bescherming van het verdrag ligt verder in zoverre voor de hand, dat zowel Oekraïne als de Russische Federatie tot 1 januari 1992 deel uitmaakten van de Sovjet-Unie. Het verdrag bevat daarmee een “harde” grens in de tijd: investeringen gedaan voor die datum komen niet in aanmerking voor bescherming. Dat het verdrag niet spreekt van het enkele “houden of bezitten van investeringen” sluit aan bij de naar het oordeel van het hof in de BIT 1998 besloten liggende bedoeling om ten tijde van de Sovjetperiode verkregen eigendommen buiten de werking van het verdrag te laten vallen. Een vereiste van gelijktijdigheid valt hier niet uit af te leiden.
PrivatBank-arrest; vgl. het
Everest-arrest, rov. 5.6.8-5.6.11 en het
Belbek-arrest, rov. 5.7.11.3, 5.7.11.5-5.7.11.6)
“immovable property”. To the Tribunal this is a clear indicator that, contrary to what the Respondent has argued in its Comprehensive Submission, the Treaty does cover both the “active” act of investing and the more passive act of holding or owning an investment. In particular, the more detailed list of assets which are included in the meaning of “any kind of tangible and intangible asset” in the sense of the Treaty, included in Article 1 (1)(a)-(d) of the Treaty, would make no sense if the Treaty did not cover “owning” these types of assets.
at a certain moment in time,i.e.
, the basis for a list of investments which are invested (are “put”) in the territory of the other Contracting Party on a relevant date. Save for the legality requirement discussed below, Article 1(1) is not concerned with how the investments did or should have come into being in the first place.
immovable property. In that regard, the Tribunal considers that for the purposes of this subsection, what has been translated as investments “which are put in” and “[which are] invested” can be interpreted to mean investments “which are held” by an investor in the territory of the other Contracting Party.
immovable property, which Ukrainian investors hold in Russia (and which Russian investors hold in Ukraine). Before the expropriation of their assets, the Claimants were Ukrainian investors in what Russia considers its territory.’(onder weglating van voetnoten)
PrivatBank-arresten heeft het hof de hier voorgestane uitleg verworpen, maar onder miskenning van de kern van de zaak, namelijk dat de originele taalversies van het BIT 1998 een werkwoord hanteren dat een handelen vereist, in verbinding met het grondgebied van de andere verdragsstaat. De door het hof aangehaalde uitspraken van het Zwitserse Federale Hooggerechtshof lijden aan hetzelfde manco, aldus de Russische Federatie.
PrivatBank-uitspraken heeft overwogen. Daarnaast tonen de door het hof aangehaalde uitspraken van het Zwitserse Federale Hooggerechtshof aan dat ook buiten Nederland in zaken met een vergelijkbare feitelijke en juridische achtergrond wordt gekozen voor een interpretatie van art. 1(1) BIT 1998 zonder temporele beperking en uitgaande van een ‘asset based’-benadering van het woord ‘investment’. Ook in dit verband is van belang dat het doel van het BIT 1998 is gelegen in niet alleen het bevorderen van grensoverschrijdende investeringen, maar ook in het beschermen van investeringen die zich op het grondgebied van de gaststaat bevinden, aldus Lugzor c.s.
PrivatBank-uitspraken heeft geoordeeld over de investeringen die daar aan de orde waren, oordeelt het hof in deze zaak dat de investeringen van Lugzor c.s. onder het begrip ‘investments’ van art. 1(1) BIT 1998 vallen, omdat
PrivatBank-arrest, rov. 5.8.9, het
Everest-arrest, rov. 5.6.7, het
Belbek-arrest, rov. 5.7.11).
PrivatBank-arrest (en rov. 5.6.8-5.6.11 van het
Everest-arrest en rov. 5.7.11.3, 5.7.11.5-5.7.11.6 van het
Belbek-arrest). In wat de Russische Federatie in deze zaak aanvoert, ziet het hof geen aanleiding van deze overwegingen terug te komen. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende.
PrivatBank- en
Belbek-arresten heeft het hof in zijn oordeel uitdrukkelijk de opinies van taaldeskundigen betrokken (waaronder die van dr. Kurokhtina). Zo heeft het hof overwogen dat de door PrivatBank ingeschakelde deskundige heeft geconcludeerd dat
and its Ukrainian (…) equivalent (…) donotconvey an active action by an investor. As these are imperfective reflexives used with the meaning of the simple present, the refer to a state of affairs that can be described in this particular case as “the party has assets / the party has investments put in / the party has invested”’(
PrivatBank-arrest, rov. 5.8.12)
,
Belbek-arrest
- overwogen dat wat betreft de gewone betekenis van de bewoordingen van (art. 1(1) van) het BIT 1998 acht moet worden geslagen op de authentieke taalversies in het Russisch en het Oekraïens, en dat zowel de door de Russische Federatie geraadpleegde deskundigen Kurokhtina en Tyulnev, als de door Belbek geraadpleegde deskundige Fortuin, het erover eens zijn dat daarbij alleen naar de Russische tekst kan worden gekeken (rov. 5.7.11.1),
- geoordeeld dat uit de expert opinion van Fortuin – die mede een bespreking van de rapporten van Kurokhtina en Tyulenev omvat – op overtuigende wijze blijkt dat uit de bewoordingen van de authentieke taalversies grammaticaal en/of syntactisch bezien niet volgt dat de investering gedaan op het grondgebied van de andere verdragspartij, gelijktijdig moet plaatsvinden met de initiële investeringshandeling (rov. 5.7.11.2), en
- overwogen dat ook volgens Kurokhtina en Tyulenev de in art. 1(1) BIT 1998 gekozen werkwoordsvorm (een ‘past passive imperfective participle’) geen handeling aangeeft die op een bepaald moment is voltooid, maar een voortdurende toestand (rov. 5.7.11.4).
PrivatBank-zaken en de onderhavige zaak (
Russische Federatie/Ukrnaftaen
Russische Federatie/Stabil LLC e.a.; overgelegd als productie 10 bij conclusie van antwoord). Het hof heeft de relevante overweging van het Zwitserse Federale Hooggerechtshof uitgebreid geciteerd (in de Engelse vertaling;
PrivatBank-arrest, rov. 5.8.17,
Everest-arrest, rov. 5.6.14, en
Belbek-arrest, rov. 5.7.13). Een verkorte weergave, waaruit volgt dat het Zwitserse Federale Hooggerechtshof ook de slotbepaling van art. 1(1) BIT 1998 (‘IPA (Investment Protection Agreement) 1998’) in aanmerking heeft genomen, luidt als volgt:
PrivatBank-uitspraken heeft het hof het pleidooi voor deze peildatum verworpen. Voor zover het hof daarin heeft geoordeeld dat alleen de legaliteit van het houden van een investering kan worden getoetst, maakt dat de ‘in accordance with its legislation’-beperking vrijwel betekenisloos en miskent dat de strekking van het verdrag om alleen legale investeringen bescherming te bieden. Indien zou worden aangenomen dat het ‘territory’-begrip tevens betrekking heeft op wijzigingen daarvan na de datum dat het BIT 1998 werd gesloten, dan kan dat in ieder geval slechts gelden voor dergelijke wijzigingen die de instemming van beide partijen hebben. Dit volgt uit het basisbeginsel van reciprociteit. Daarnaast heeft de Russische Federatie een lijst overgelegd (als productie 12 bij conclusie van repliek) met verklaringen van twaalf verdragsstaten (wederpartijen) bij bilaterale investeringsverdragen met de Russische Federatie, waarin telkenmale het standpunt wordt betrokken dat die verdragen geen betrekking hebben op de Krim omdat die wederpartijen de soevereiniteit van de Russische Federatie over de Krim niet erkennen. Dit staat haaks op het oordeel in de
PrivatBank-uitspraken dat onder grondgebied in de zin van het BIT 1998 moet worden verstaan het grondgebied waarover een verdragsstaat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, ook wanneer de andere verdragsstaat de soevereiniteit van de eerste verdragsstaat over het desbetreffende grondgebied niet erkent. Dat het hof dit oordeel mede heeft gebaseerd op art. 29 WVV Pro, berust op een misvatting omdat de vraag niet is waar het BIT 1998 van toepassing is maar op welke investering. Ook het oordeel van het Zwitserse Federale Hooggerechtshof in de
Ukrnafta- en
Stabil-zaken dat met de feitelijke zeggenschap over de Krim de Krim grondgebied van de Russische Federatie is geworden, valt niet te rijmen met de verklaringen van de overgelegde lijst, aldus de Russische Federatie.
PrivatBank-uitspraken en ook het Zwitserse Federale Hooggerechtshof niet in de
Ukrnafta- en
Stabil-uitspraken. Het hof heeft uit art. 29 WVV Pro terecht afgeleid dat een verdrag ook na territoriale wijzigingen geldig blijft voor het gehele (gewijzigde) grondgebied. Uit de door de Russische Federatie overgelegde lijst blijkt dat die verklaringen moeten worden begrepen als reacties van verdragsstaten bij (andere) bilaterale investeringsverdragen (dan het BIT 1998) op een voorstel van de Russische Federatie om in onderhandeling te treden over het territoriale toepassingsgebied van die verdragen, met inbegrip van de Krim. Op die uitbreiding hebben de twaalf verdragsstaten negatief gereageerd. Tot een ander oordeel dan dat van het hof en het Zwitserse Federale Hooggerechtshof kan de lijst met verklaringen daarom niet leiden. Het zou verder volstrekt onlogisch zijn als de verdragsverplichtingen van Oekraïne met betrekking tot investeringen op de Krim blijven bestaan nadat de Russische Federatie de controle over de Krim heeft gekregen, aldus Lugzor c.s.
PrivatBank-zaken. De Russische Federatie had daarin het standpunt ingenomen dat dat begrip verwijst naar hetzij het soevereine grondgebied van de Russische Federatie, hetzij naar het soevereine grondgebied van Oekraïne zoals deze waren in 1998, toen het BIT 1998 werd gesloten, en dat de betekenis van dat begrip nadien alleen kan wijzigen met instemming van de verdragspartijen. Het hof is de Russische Federatie hierin niet gevolgd en heeft geoordeeld dat de Krim valt onder de ‘territory’ van de Russische Federatie als bedoeld in art. 1(4) BIT 1998 (zie rov. 5.7.8-5.7.26 van het
PrivatBank-arrest, rov. 5.4.4-5.4.20 van het
Everest-arrest en rov. 5.5.6-5.5.24 van het
Belbek-arrest). Deels in aanvulling op hierboven in rov. 7.28 reeds geciteerde overwegingen, haalt het hof in het bijzonder de volgende overwegingen uit het
PrivatBank-arrest aan:
alleen kan vallen het grondgebied van de Russische Federatie zoals dit was op het moment van het sluiten van het verdrag. PrivatBank heeft terecht naar voren gebracht dat voor debetekenis
van het begripterritory
moet worden uitgegaan van de bedoelingen van de verdragsluitende partijen op het moment van het sluiten van het verdrag, maar dat dit niet betekent dat deinhoud
van het begrip (het daadwerkelijke grondgebied) niet kan wijzigen bij toepassing van een uitleg conform die bedoelingen. Dat de verdragsluitende partijen bedoeld hebben het territoriale toepassingsgebied te fixeren op het moment van het sluiten van de BIT 1998, blijkt nergens uit. (…)
altijd wordt verwezen naar sovereign territory. Artikel 29 WVV Pro luidt als volgt:
, Leiden/Boston: 2009, blz. 392 – 393):
in zijn algemeenheid verwijst naar grondgebieden waarvan de soevereiniteit door de internationale gemeenschap is erkend. Zie Villiger, a.w. blz. 392:
Recognition under international law of the State and its territory is not required.”
(vette letter aangebracht door het hof)
van een verdragspartij, kan worden afgeleid dat de BIT 1998 geldt voor het gehele grondgebied waarover een verdragsstaat“settled jurisdiction or control”
uitoefent.
), dat bescherming biedt tegen onteigening en nationalisatie van investeringen. Het is de Russische Federatie die op het grondgebied van de Krim sinds de gebeurtenissen in 2014 deze bevoegdheden uitoefent, met toepassing van de aan Russische overheidsorganen toekomende bevoegdheden. (…)
en Costelloe,Treaty Succession in Annexed Territory, 65 ICLQ 2016
).
– gecombineerd met de strekking en het doel van het verdrag, geen reden om aan te nemen dat de Krim niet valt onder deterritory
van de Russische Federatie als bedoeld in het verdrag. Het hof tekent daarbij nog aan dat het bij een uitleg van het verdrag conform de maatstaven van artikel 31 WVV Pro, waar ook wordt gekeken naar het doel en de strekking, niet erop aankomt dat de verdragspartijen ten tijde van het sluiten van het verdrag deze feitelijke situatie, te weten de incorporatie van de Krim door de Russische Federatie vele jaren later, hebben voorzien en onder de werking van het verdrag hebben willen brengen. In zijn algemeenheid is het onmogelijk dat bij het sluiten van een verdrag alle mogelijke toekomstige situaties onder ogen worden gezien. Het komt erop aan na te gaan wat past bij de bedoelingen van partijen ten aanzien van de werking van het verdrag op het moment van het sluiten daarvan.’
Everest-arrest, rov. 5.4.8, 5.4.11, 5.4.15, 5.4.17, 5.4.19, en het
Belbek-arrest, rov. 5.5.9, 5.5.11-5.5.12, 5.5.14, 5.5.20, 5.5.22-5.5.23)
PrivatBank-uitspraken heeft gegeven aan het ‘territory’-begrip in art. 1(4) BIT 1998. Evenmin valt in te zien dat de overwegingen van het hof die tot verwerping van de door de Russische Federatie bepleite uitleg van het ‘territory’-begrip in art. 1(4) BIT 1998 hebben gevoerd, niet ook tot verwerping van die uitleg van het ‘territory’-begrip in art. 1(1) BIT 1998 moeten leiden.
PrivatBank-arresten dat de Krim valt onder de ‘territory’ van de Russische Federatie als bedoeld in art. 1(4) BIT 1998, sluit aan bij par. 490 van het arbitraal vonnis dat als volgt luidt:
, that a treaty is binding in respect of the “entire territory” of a party thereto (Article 29 of the VCLT). The Tribunal would expect a deviation from such a standard assumption about the scope of a treaty to be explicit in its formulation; in particular, as it would seem artificial to assume that at the time the Treaty
territory of one of the Contracting Parties.’
Ukrnafta- en
Stabil-uitspraken (in een Engelse vertaling overgelegd als productie 10 bij conclusie van antwoord, vergelijk hierboven rov. 7.42):
.
.
communio opiniois dat investeerders op de Krim geen beroep kunnen doen op de bescherming van bestaande bilaterale investeringsverdragen met de Russische Federatie. Het hof leest in die verklaringen – gelezen in hun geheel – namelijk niet meer of minder dan afwijzende reacties van verdragsstaten bij andere bilaterale investeringsverdragen (dan het BIT 1998) op een voorstel (‘note’) van de Russische Federatie om in onderhandeling te treden over (een uitbreiding van) het territoriale toepassingsgebied van die verdragen in relatie tot de Krim, waarbij die afwijzende reacties zijn ingegeven doordat deze staten vooropstellen dat zij de rechtmatigheid van de annexatie van de Krim door de Russische Federatie niet erkennen.
.
8.Beslissing
- veroordeelt de Russische Federatie in de kosten van de procedure aan de zijde van Lugzor c.s. begroot op € 31.395,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Russische Federatie deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als de Russische Federatie niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de Russische Federatie de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Russische Federatie deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.