Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1960

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.332.688/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 WVVArt. 32 WVVArt. 1052 lid 1 RvArt. 1052 lid 2 RvArt. 1064a lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid scheidsgerecht en vernietigingsvordering arbitrale vonnissen in investeringsgeschil over Krim

Lugzor c.s., Oekraïense investeerders, startten een arbitrageprocedure tegen de Russische Federatie wegens onteigening van investeringen op de Krim na annexatie door Rusland. Het scheidsgerecht verklaarde zich bevoegd en wees een arbitraal vonnis toe waarin Rusland aansprakelijk werd gesteld en schadevergoeding werd opgelegd.

De Russische Federatie vorderde vernietiging van dit arbitraal vonnis bij het hof, stellende dat het BIT 1998 niet van toepassing is omdat de investeringen zijn gedaan toen de Krim Oekraïens grondgebied was, en dus geen geldige arbitrageovereenkomst bestaat. Het hof toetste de bevoegdheid van het scheidsgerecht aan de hand van verdragsuitleg volgens het Weens Verdragenverdrag.

Het hof oordeelde dat het scheidsgerecht terecht bevoegd was. Het BIT 1998 beschermt investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan, ongeacht of het grondgebied later is gewijzigd door annexatie. De definitie van 'investments' omvat ook het houden van activa, niet alleen actieve investeringshandelingen. Het begrip 'territory' omvat het grondgebied waarover een verdragsstaat feitelijke controle uitoefent, ook als de soevereiniteit niet door de andere partij wordt erkend. De vernietigingsvordering werd afgewezen en de Russische Federatie werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bevestigt de bevoegdheid van het scheidsgerecht en wijst de vernietigingsvordering van de Russische Federatie af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.332.688/01
Arrest van 9 juni 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon naar vreemd recht
de Russische Federatie,
zetelend in Moskou, de Russische Federatie,
hierna te noemen: de Russische Federatie,
eiseres,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
de vennootschappen naar vreemd recht
1.
LLC Lugzor,
gevestigd in Kiev, Oekraïne,
2.
LLC Libset,
gevestigd in Kiev, Oekraïne,
3.
LLC Ukrinterinvest,
gevestigd in Odessa, Oekraïne,
4.
PJSC DniproAzot,
gevestigd in Dniprodzerzhinsk, Oekraïne,
5.
LLC Aberon Ltd,
gevestigd in Dnipro, Oekraïne,
hierna te noemen respectievelijk: Lugzor, Libset, Ukrinterinvest, DniproAzot en Aberon, en gezamenlijk: Lugzor c.s.,
gedaagden,
advocaat: mr. M.B. Krestin, kantoorhoudend in Amsterdam.

1.De zaak in het kort

1.1
Lugzor c.s. zijn bij het Permanente Hof van Arbitrage in Den Haag een arbitrageprocedure begonnen tegen de Russische Federatie op basis van een tussen Oekraïne en de Russische Federatie gesloten investeringsverdrag. Volgens Lugzor c.s. zijn hun investeringen op de Krim na de annexatie van de Krim door de Russische Federatie onteigend in strijd met dit verdrag, en dient de Russische federatie de schade als gevolg van die onteigening te vergoeden. Het scheidsgerecht heeft een vonnis gewezen waarin het (onder andere) zich bevoegd heeft verklaard om over de vorderingen van Lugzor c.s. te oordelen.
1.2
De Russische Federatie heeft – nu de plaats van arbitrage in Nederland (Den Haag) is gelegen – een vernietigingsprocedure aanhangig gemaakt voor de Nederlandse (Haagse) rechter. In deze procedure vordert de Russische Federatie vernietiging van het arbitrale vonnis. Zij voert op verschillende gronden aan dat het investeringsverdrag in dit geval toepassing mist en dat het scheidsgerecht daarom ten onrechte bevoegdheid heeft aangenomen. Het gerechtshof Den Haag oordeelt dat het scheidsgerecht zich terecht bevoegd heeft verklaard en wijst de vernietigingsvordering af.

2.Verloop procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • de inleidende dagvaarding van 4 januari 2023 waarmee de Russische Federatie vernietiging heeft gevorderd van de tussen partijen op 4 oktober 2022 en 2 december 2022 gewezen arbitrale vonnissen van het Permanente Hof van Arbitrage (hierna: het scheidsgerecht) in Den Haag;
  • de akte overlegging producties van de Russische Federatie, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord van Lugzor c.s., met bijlagen;
  • de conclusie van repliek van de Russische Federatie, met bijlagen;
  • de conclusie van dupliek van Lugzor c.s., met bijlagen.
2.2
Op 16 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen – mr. J.M.K.P. Cornegoor namens de Russische Federatie – hebben daar de zaak toegelicht, mede aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.3
De datum van de uitspraak is nader bepaald op vandaag.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Tussen partijen staan de volgende feiten vast.
Lugzor c.s.
3.2
Lugzor en Libset zijn in 2011 in Oekraïne en naar Oekraïens recht opgerichte vennootschappen. Ze zijn geregistreerd op een adres in Kiev, Oekraïne.
3.3
Door middel van een aantal in december 2012 gesloten koopovereenkomsten verkregen Lugzor en Libset eigendomsrechten op grondpercelen, gebouwen en constructies die een geïntegreerd toeristisch complex op de Krim vormen (hierna: het Foros Resort). Tot 31 december 2014 verhuurden Lugzor en Libset het Foros Resort aan een exploitatiemaatschappij.
3.4
In 2003 is Ukrinterinvest in Oekraïne naar Oekraïens recht opgericht. Deze vennootschap is geregistreerd op een adres in Dnipro, Oekraïne.
3.5
Ukrinterinvest verkreeg in november 2003 de eigendom van een gebouw in Simferopol, op de Krim. Tot en met 31 december 2014 verhuurde Ukrinterinvest het gebouw en het onderliggende perceel grond.
3.6
DniproAzot is een in 1996 naar Oekraïens recht opgerichte vennootschap, geregistreerd op een adres in Dniprodzerzhinsk, Oekraïne.
3.7
DniproAzot was eigenaar van een op de Krim gelegen complex voor kinderen (hierna: het Titov Resort) dat zij tussen 1996 en 2000 heeft herontwikkeld.
3.8
In 2011 sloot DniproAzot een huurovereenkomst voor het perceel grond van het Titov Resort voor een periode van 49 jaar.
3.9
Aberon is een in 2005 naar Oekraïens recht opgerichte vennootschap, geregistreerd op een adres in Dnipro, Oekraïne.
3.1
In 2007 verkreeg Aberon de eigendom van een op de Krim gelegen complex voor kinderen (hierna: het Yunist Resort).
3.11
Met ingang van juli 2012 verhuurde Aberon het perceel grond van het Yunist Resort voor de duur van 29 jaar.
de gebeurtenissen op de Krim
3.12
De Krim was tot (in ieder geval) 6 maart 2014 onderdeel van Oekraïne.
3.13
Op 6 maart 2014 stemde de Opperste Raad van de Krim voor aansluiting bij de Russische Federatie als een federaal onderdeel en voor het agenderen van een referendum daarover op 16 maart 2014.
3.14
Op 16 maart 2014 hielden de autoriteiten op de Krim een referendum waarin de bevolking van de Krim werd gevraagd of zij aansluiting wenste bij de Russische Federatie als federaal onderdeel. Volgens de organisatoren van het referendum stemde meer dan 95% van de deelnemers voor aansluiting bij de Russische Federatie.
3.15
Op 17 maart 2014 verklaarde de Opperste Raad van de Krim zich onafhankelijk van Oekraïne met als doel om een onafhankelijke soevereine staat te worden en de Russische Federatie te verzoeken om zich bij haar te mogen aansluiten.
3.16
Op 18 maart 2014 ondertekenden de nieuwe autoriteiten van de Republiek de Krim en de de federale stad Sevastopol enerzijds en de Russische Federatie anderzijds de
‘Treaty between the Russian Federation and the Republic of Crimea on the Acceptance of the Republic of Crimea into the Russian Federation and the Formation of New Constituent Parts within the Russian Federation’(hierna: het Annexatie-verdrag).
3.17
Op 20 en 21 maart 2014 nam het Russische parlement een wet aan waarmee het Annexatie-verdrag werd geratificeerd.
3.18
Oekraïne heeft niet erkend dat de Krim onderdeel is gaan uitmaken van de Russische Federatie.
3.19
Op 30 april 2014 vaardigde de Staatsraad van de Krim (het wetgevende orgaan van de Krim) een decreet uit waarin stond dat ‘all public property (of the State of Ukraine) and all abandoned property located on the territory of the Republic of Crimea shall be considered as the property of the Republic of Crimea’ (hierna: het April-decreet).
3.2
Op 3 september 2014 vaardigde de Staatsraad van de Krim een decreet uit tot wijziging van het April-decreet om 111 eigendommen toe te voegen aan de lijst van eigendommen die moeten worden ‘considered as the property of the Republic of Crimea’ (hierna: het ‘September-decreet’). Het September-decreet vermeldde ter nationalisatie onder andere de Foros, Titov en Yunist Resorts, evenals het gebouw van Ukrinterinvest in Simferopol.
3.21
Op 10 september 2014 vaardigde de Staatsraad van de Krim een decreet uit waarmee de lijst van genationaliseerde eigendommen onder het April-decreet verder werd uitgebreid, onder andere door te verwijzen naar de kadastrale nummers van de percelen op de twee adressen van het Foros Resort die waren weggelaten uit het September-decreet.
3.22
Op 11 september 2014 droeg de Ministerraad van de Krim de in het September-decreet (en andere besluiten van september tot en met november 2014) opgesomde eigendommen, waaronder de eigendommen van Lugzor c.s., over aan het Uitvoerend Directoraat voor Eigendommen van de Republiek van de Krim.
3.23
In de periode van februari tot mei 2015 werden de eigendommen van Lugzor, Libset en Aberon geregistreerd in het ‘Russian Unified Register of Rights to Immovable Property and Transactions Associated with it’. In de periode van februari tot april 2016 werden hierin ook de eigendommen van Ukrinterinvest en DniproAzot geregistreerd.
het bilaterale investeringsverdrag (BIT 1998)
3.24
Op 27 november 1998 hebben Oekraïne en de Russische Federatie een bilateraal investeringsverdrag gesloten (in de Engelse vertaling voluit: ‘Agreement Between the Cabinet of Ministers of Ukraine and the Government of the Russian Federation on the Encouragement and Mutual Protection of Investments’; hierna: het BIT 1998). Dit verdrag voorziet in bescherming van investeringen (‘investments’) gedaan door investeerders van de ene lidstaat op het grondgebied (‘territory’) van de andere lidstaat. De authentieke taalversies van het BIT 1998 zijn in het Russisch en het Oekraïens. Op 27 januari 2000 is het BIT 1998 in werking getreden.
3.25
Enkele relevante bepalingen uit het BIT 1998 luiden – in de Engelse vertaling waarvan ook het scheidsgerecht in beginsel is uitgegaan (arbitraal vonnis, par. 265; tekst overgelegd als productie 6 bij inleidende dagvaarding) – als volgt.

Article 1
Definitions
For the purposes of this Agreement:
1. The term “investments” means any kind of tangible and intangible assets [which are] invested by an investor of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party in accordance with its legislation, including:
a) movable and immovable property, as well as any other related property rights;
b) monetary funds, as well as securities, commitments, stock and other forms of participation;
c) intellectual property rights, including copyrights and related rights, trademarks, rights to inventions, industrial designs, models, as well as technical processes and know-how;
d) rights to engage in commercial activity, including rights to the exploration,
development and exploitation of natural resources.
Any alteration of the type of investments in which the assets are invested shall not affect their nature as investments, provided that such alteration is not contrary to legislation of a Contracting Party in the territory of which the investments were made.
2. The term “investor of a Contracting Party” means:
a) any natural person having the citizenship of the state of that Contracting Party and who is competent in accordance with its legislation to make investments in the territory of the other Contracting Party;
b) any legal entity constituted in accordance with the legislation in force in the
territory of that Contracting Party, provided that the said legal entity is competent in accordance with legislation of that Contracting Party to make investments in the territory of the other Contracting Party.
(…)
4. The term “territory” means the territory of the Russian Federation or the territory of Ukraine as well as their respective exclusive economic zone and the continental shelf, defined in accordance with international law.
(…)
Article 2
Encouragement and Protection of Investments
(…)
2. Each Contracting Party guarantees, in accordance with its legislation, the full and unconditional legal protection of investments by investors of the other Contracting Party.
Article 5
Expropriation
1. Investments made by investors of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party shall not be expropriated, nationalized or subject to other measures equivalent in effect to expropriation (hereinafter referred to as “expropriation”), except in cases where such measures are taken in the public interest under due process of law, are not discriminatory and are accompanied by prompt, adequate and effective compensation.
(…)
Article 9
Resolution of Disputes between a Contracting Party and an Investor of the Other Contracting Party
1. Any dispute between one Contracting Party and an investor of the other Contracting Party arising in connection with investments, including disputes concerning the amount, terms, and payment procedures of the compensation provided for by Article 5 hereof, or the payment transfer procedures provided for by Article 7 hereof, shall be subject to a written notice, accompanied by detailed comments, which the investor shall send to the Contracting Party involved in the dispute. The parties to the dispute shall endeavor to settle the dispute through negotiations if possible.
2. If the dispute cannot be resolved in this manner within six months after the date of the written notice mentioned in paragraph 1 of this article, it shall be referred to:
a) a competent court or arbitration court of the Contracting Party in the territory of which the investments were made;
b) the Arbitration Institute of the Stockholm Chamber of Commerce;
c) an “ad hoc” arbitration tribunal, in accordance with the Arbitration Regulations of the United Nations Commission for International Trade Law (UNCITRAL).
3. The arbitral award shall be final and binding upon both parties to the dispute. Each Contracting Party agrees to execute such award in conformity with its respective legislation.
Article 12
Application of the Agreement
This Agreement shall apply to all investments made by investors of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party, on or after January 1, 1992.
de arbitrale procedure
3.26
Op 1 juni 2015 hebben Lugzor c.s. een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt bij het Permanente Hof van Arbitrage in Den Haag door de gezamenlijke ‘Notice of Arbitration’ van 26 mei 2015 aan de Russische Federatie te laten betekenen.
3.27
Bij brief van 15 september 2015 is namens de Russische Federatie medegedeeld dat de ‘Notice of Arbitration’ werd teruggezonden en is het volgende verklaard:
‘In accordance with paragraph 1 Article 1 of the Agreement the term “investment” means every kind of movable and immovable and intellectual property invested by an investor of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party in accordance with the legislation of the latter Contracting Party. The property in question which is the matter of the
claims is situated in the territory of the Crimea and Sevastopol, i.e. in the territory that was a part of Ukraine but at the present time pursuant to the will of people forms an integral part of the territory of the Russian Federation and cannot be regulated by the Agreement.
On the basis of the abovementioned the Russian Federation does not recognize the jurisdiction of an international tribunal at the Permanent Court of Arbitration in settlement of the abovementioned claims’(productie 6 bij conclusie van antwoord)
.
3.28
Tot 5 april 2019 heeft de Russische Federatie niet deelgenomen aan de arbitrageprocedure.
3.29
Op 4 maart 2016 hebben Lugzor c.s. hun ‘Statement of Claim’ ingediend. Na een latere wijziging hebben Lugzor c.s. daarin het scheidsgerecht onder andere verzocht
‘To declare that:
(i) It has jurisdiction over the dispute submitted to it and that the Claimants’ claims are admissible;
(ii) Russia has violated Article 5 of the Treaty by unlawfully expropriating the Claimants’ investments:
a) Without public purpose,
b) In a discriminatory manner,
c) Not in accordance with due process of law, and
d) Without payment of prompt and effective compensation’(arbitraal vonnis, par. 259)
.
3.3
Op 27 oktober 2016 heeft het scheidsgerecht aan partijen een lijst met vragen gestuurd, voornamelijk met betrekking tot de bevoegdheid van het scheidsgerecht en de ontvankelijkheid van (de vordering van) Lugzor c.s. Op 23 november 2016 besloot het scheidsgerecht tot de splitsing (bifurcatie) van de arbitrageprocedure. Op 3 februari 2017 benoemde het scheidsgerecht zijn eigen deskundigen op het gebied van Oekraïens en Russisch recht. Deze deskundigen hebben rapporten overgelegd, waarop Lugzor c.s. hebben gereageerd.
3.31
De mondelinge behandeling over de bevoegdheid en ontvankelijkheid vond plaats op 16 en 17 juli 2017 in Londen, Verenigd Koninkrijk (de ‘Jurisdiction Hearing’). De Russische Federatie is uitgenodigd om deel te nemen, maar heeft dat niet gedaan.
3.32
Bij brief van 29 augustus 2017 heeft het scheidsgerecht de partijen als volgt geïnformeerd:
‘Having studied the Parties’ written and oral submissions and deliberated, the Tribunal wishes to inform the Parties that, in due course, it intends to render a final award in which it will uphold its jurisdiction over the dispute submitted to it in this arbitration and find that all of the claims made by the Claimants in this matter are admissible. In the same final award, the Tribunal will also decide all issues of responsibility and quantum in this matter. On jurisdiction, the Tribunal will,inter alia
, find that the Russian Federation has assumed obligations under the [Treaty] in respect of the Claimants and their investments at the latest as of March 21, 2014.
For the sake of efficiency of the proceedings, the Tribunal intends to now complete the phase of written and oral submissions on questions of responsibility and quantum’(citaat uit arbitraal vonnis, par. 66)
.
3.33
Op 30 november 2017 heeft het scheidsgerecht vragen gesteld aan de partijen over de aansprakelijkheid en de omvang van de schade. Lugzor c.s. hebben die beantwoord. Op 20 april 2018 benoemde het scheidsgerecht zijn eigen schade-expert, die een deskundigenrapport heeft ingediend. Lugzor c.s. hebben op dit rapport gereageerd. De Russische Federatie heeft niet gereageerd op de vragen van het scheidsgerecht en heeft geen stukken ingediend naar aanleiding van het rapport van de schade-expert.
3.34
De mondelinge behandeling over de aansprakelijkheid en de omvang van de schade vond plaats van 25 tot en met 27 juni 2018 in het Vredespaleis in Den Haag (de ‘Liability Hearing’). Lugzor c.s. hebben zeven getuigen en twee schade-experts laten horen. De Russische Federatie werd uitgenodigd om deel te nemen aan de ‘Liability Hearing’, maar heeft dat niet gedaan.
3.35
Op uitnodiging van het scheidsgerecht hebben Lugzor c.s. op 24 januari 2019 geactualiseerde renteberekeningen overgelegd en op 15 februari 2019 hebben zij conclusies met betrekking tot de proceskosten ingediend. De Russische Federatie heeft geen (proces)stukken in het geding gebracht.
3.36
Bij brief van 5 april 2019 heeft de Russische Federatie te kennen gegeven alsnog te willen deelnemen aan de arbitrageprocedure en verzocht om toestemming om stukken in het geding te brengen.
3.37
Het scheidsgerecht heeft de Russische Federatie toegelaten tot de arbitrageprocedure en toestemming verleend om stukken in te dienen.
3.38
Overeenkomstig het besluit van het scheidsgerecht heeft de Russische Federatie op 17 oktober 2019 haar ‘Comprehensive Submission’ ingediend, vergezeld van deskundigenadviezen over Oekraïens recht, Russisch recht en internationaal recht, drie deskundigenadviezen over de interpretatie van het verdrag, waaronder de Russische, Oekraïense en Engelse taalversies, en twee schaderapporten.
3.39
In haar ‘Comprehensive Submission’ heeft de Russische Federatie onder andere verzocht dat het scheidsgerecht een vonnis zal wijzen ‘(i) Declaring that the Tribunal lacks jurisdiction in respect of this dispute and/or that the Claimants’ claims are inadmissible’ (arbitraal vonnis, par. 261).
3.4
Op 10 april 2020 hebben de Lugzor c.s. hun ‘Rebuttal Submission’ ingediend.
3.41
Een derde en laatste mondelinge behandeling werd digitaal gehouden van 3 tot en met 7 mei 2021 (‘Final Hearing’). De Russische Federatie heeft daaraan volledig deelgenomen. Ze werd vertegenwoordigd door haar raadslieden.
3.42
Op 4 oktober 2022 heeft het scheidsgerecht zijn arbitraal vonnis uitgesproken, gecorrigeerd bij vonnis van 2 december 2022. Waar hierboven is en hieronder wordt gerefereerd aan het arbitraal vonnis (enkelvoud), wordt daarmee gedoeld op het gecorrigeerde vonnis van 2 december 2022.
3.43
Het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat aan alle ‘jurisdictional requirements’ van art. 9 in Pro verbinding met art. 1(1), 1(2) en 1(4) BIT 1998 (arbitraal vonnis, par. 469) is voldaan en dat het dus bevoegdheid heeft:
11. Conclusion on jurisdiction and admissibility
605. Based on the above, the Tribunal finds that each Claimant is a Ukrainian investor in the sense of the Treaty; that there exists a dispute between each Claimant and the Respondent; that each dispute arises in connection with the Claimants’ investments, which are investments in the sense of the Treaty; that each Claimant sent the Respondent a written notice of dispute, accompanied by sufficiently detailed comments; that the Claimants made an effort to settle the dispute through negotiations but that those attempts were futile; and that more than six months passed between the notices of dispute and the commencement of the arbitration.
606. In addition, the Tribunal finds that the Claimants’ investments fall within the scope of the Treaty as set out in Article 12 thereof and that no other arguments presented by the Respondent have the capacity to affect the Tribunal’s jurisdiction.
607. With all conditions for its jurisdiction fulfilled as outlined above, the Tribunal therefore concludes that it has jurisdiction.’
3.44
De beslissing (‘Decision’) in par. 1053 van het arbitraal vonnis houdt het volgende in:
‘1. FINDS that the Tribunal has jurisdiction over the Claimants’ claims under the Treaty;
2. FINDS that the Claimants’ claims are admissible;
3. DECLARES that the Russian Federation has breached Article 5 of the Treaty in respect of the Claimants’ investments (…)’.
Het scheidsgerecht heeft verder de Russische Federatie veroordeeld tot betaling van USD 53.823.000,-- aan Lugzor en Libset, USD 1.429.000,-- aan DniproAzot, USD 4.194.000,-- aan Aberon, en USD 718.000,-- aan Ukrinterinvest, te vermeerderen met rente, als schadevergoeding. Daarnaast heeft het scheidsgerecht de Russische Federatie veroordeeld tot betaling ‘to the Claimants EUR 632,362.12 for the costs of the Tribunal, the PCA and the appointing authority and GBP 1,950,911.45 for the Claimants’ legal and other costs’, eveneens te vermeerderen met rente.

4.Vordering tot vernietiging

4.1
De Russische Federatie vordert dat het hof de arbitrale vonnissen van 4 oktober 2022, zoals gecorrigeerd op 2 december 2022, vernietigt, met hoofdelijke veroordeling van Lugzor c.s. in de kosten van het geding.
4.2
Lugzor c.s. concluderen tot afwijzing van de vordering van de Russische Federatie, met veroordeling van de Russische Federatie in de kosten van het geding, inclusief nakosten en wettelijke rente.

5.Toepasselijk arbitragerecht

5.1
De arbitrageprocedure die tot de arbitrale vonnissen heeft geleid, is door Lugzor c.s. aanhangig gemaakt bij ‘Notice of Arbitration’ van 26 mei 2015. Dit brengt mee dat op deze zaak van toepassing is het Vierde Boek (Arbitrage) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zoals dat sinds 1 januari 2015 geldt (art. IV lid 1 van de Wijzigingswet van 2 juni 2014 (modernisering Arbitragerecht), Stb. 2014, 200, en het Besluit van 30 juni 2014, Stb. 2014, 254). Ook volgens partijen is dit het in deze zaak toepasselijke arbitragerecht.

6.Bevoegdheid hof

6.1
Blijkens het arbitrale vonnis heeft het scheidsgerecht een ‘Hearing on the Merits’ bepaald in Den Haag die daar op 25 tot en met 27 juni 2018 heeft plaatsgevonden, vond van 3 tot en met 7 mei 2021 de ‘Final Hearing’ via een video-conference plaats, en heeft het scheidsgerecht een verzoek van de Russische Federatie om wijziging van de plaats van arbitrage van Den Haag naar Parijs afgewezen (par. 67, 94, 167, 177 en 183). Verder is onder de beslissing in het arbitrale vonnis Den Haag als plaats van arbitrage vermeld. Hieruit volgt dat de vernietigingsvordering terecht is ingesteld bij het gerechtshof Den Haag en is dit hof bevoegd daarvan kennis te nemen en daarover te oordelen (art. 1037 leden Pro 1 en 2 en art. 1064a lid 1 Rv).

7.Beoordeling vordering tot vernietiging

vernietigingsvordering en daarvoor aangevoerde gronden

7.1
De Russische Federatie vordert vernietiging van de arbitrale vonnissen op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, als bedoeld in art. 1065 lid Pro 1, aanhef en onder a, Rv. Daartoe voert de Russische Federatie aan dat ten tijde van het verwerven van de onroerende zaken door Lugzor c.s. de Krim Oekraïens grondgebied was, dat deze investeringen dus niet op het grondgebied van de Russische Federatie zijn verricht, met als gevolg dat deze investeringen niet onder het bereik van het BIT 1998 vallen en het geschil over deze investeringen niet onder het bereik van het aanbod tot arbitrage als geregeld in art. 9 van Pro het BIT 1998.
7.2
Meer in het bijzonder stelt de Russische Federatie zich op het standpunt
dat art. 12 van Pro het BIT 1998 expliciet bepaalt dat het verdrag alleen van toepassing is op investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn verricht op het grondgebied van de andere verdragsstaat;
dat ook in de definitie van ‘investeringen’ in art. 1 lid 1 van Pro het BIT 1998 besloten ligt dat het moet gaan om investeringen die zijn verricht op het grondgebied van de andere verdragsstaat;
althans
dat deze (onder ii bedoelde) definitie in ieder geval vereist dat het gaat om investeringen die zich bevinden op het grondgebied van de andere verdragsstaat, zoals dat gebied op 27 november 1998 was.
uitgangspunt bij en aard van de toetsing van de bevoegdheid van het scheidsgerecht
7.3
Ingevolge art. 1020 lid 1 Rv Pro kunnen partijen bij overeenkomst geschillen die tussen hen uit een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan dan wel zouden kunnen ontstaan, aan arbitrage onderwerpen. Het aldus benoemde scheidsgerecht is gerechtigd te oordelen over zijn bevoegdheid (art. 1052 lid 1 Rv Pro), maar het fundamentele karakter van het recht op toegang tot de rechter brengt mee dat de beantwoording van de vraag of een geldige arbitrageovereenkomst is gesloten, uiteindelijk aan de rechter is opgedragen. Het fundamentele karakter van dit recht brengt verder mee dat een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis wegens het ontbreken van een overeenkomst tot arbitrage (art. 1065 lid Pro 1, aanhef en onder a, Rv) door de rechter niet terughoudend wordt getoetst. [1]
7.4
Bij een bilateraal investeringsverdrag als het BIT 1998, op grond waarvan een onderdaan van een verdragsluitende staat een geschil tegen de andere verdragsluitende staat aan een scheidsgerecht kan voorleggen, wordt de verdragsbepaling die dit mogelijk maakt gezien als een aanbod van een staat aan alle investeerders uit de andere verdragsluitende staat om tussen hen gerezen geschillen voor te leggen aan een scheidsgerecht. Door de aanvaarding van dat aanbod door de investeerder, door het aanhangig maken van een arbitrale procedure, komt de overeenkomst tot arbitrage tot stand. Indien echter moet worden aangenomen dat de voorwaarden waaronder het aanbod tot arbitrage is gedaan niet zijn vervuld, is geen sprake van een geldige arbitrageovereenkomst.
7.5
Voor de onderhavige zaak betekent dit dat het hof de door de Russische Federatie aangevoerde gronden volledig moet toetsten door een uitleg van het BIT 1998.
maatstaf voor uitleg van het BIT 1998
7.6
Terecht gaan partijen ervan uit dat de bepalingen van het BIT 1998 moeten worden uitgelegd aan de hand van de regels van art. 31 en Pro 32 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht [2] (het Weens Verdragenverdrag (WVV)). Deze bepalingen luiden als volgt:
Article 31. General rule of interpretation
1.
A treaty shall be interpreted in good faith in accordance with the ordinary meaning to be given to the terms of the treaty in their context and in the light of its object and purpose.
2.
The context for the purpose of the interpretation of a treaty shall comprise, in addition to the text, including its preamble and annexes:
(a)
any agreement relating to the treaty which was made between all the parties in connexion with the conclusion of the treaty;
(b)
any instrument which was made by one or more parties in connexion with the conclusion of the treaty and accepted by the other parties as an instrument related to the treaty.
3.
There shall be taken into account, together with the context:
(a)
any subsequent agreement between the parties regarding the interpretation of the treaty or the application of its provisions;
(b)
any subsequent practice in the application of the treaty which establishes the agreement of the parties regarding its interpretation;
(c)
any relevant rules of international law applicable in the relations between the parties.
4.
A special meaning shall be given to a term if it is established that the parties so intended.
Article 32. Supplementary means of interpretation
Recourse may be had to supplementary means of interpretation, including the preparatory work of the treaty and the circumstances of its conclusion, in order to confirm the meaning resulting from the application of article 31, or to determine the meaning when the interpretation according to article 31:
(a)
leaves the meaning ambiguous or obscure; or
(b)
leads to a result which is manifestly absurd or unreasonable.’
7.7
Het hof zal bij de beoordeling van de bevoegdheid van het scheidsgerecht op grond van het BIT 1998 deze uitlegregels toepassen.
7.8
Alvorens daartoe over te gaan zal het hof eerst het beroep op rechtsverwerking van Lugzor c.s. beoordelen.
rechtsverwerking
7.9
Met een beroep op het bepaalde in art. 1052 lid 2 en Pro art. 1065 lid 2 Rv Pro en onder verwijzing naar het
Smit/Ruwa-arrest van de Hoge Raad [3] stellen Lugzor c.s. zich op het standpunt dat de Russische Federatie haar recht heeft verwerkt om voor de onbevoegdheid van het scheidsgerecht in de onderhavige vernietigingsprocedure (nieuwe) argumenten aan te voeren die zij reeds in de arbitrageprocedure had kunnen en moeten aanvoeren. Daartoe wijzen Lugzor c.s. erop dat de Russische Federatie in deze procedure (in haar inleidende dagvaarding, nr. 38-45) voor het eerst betoogt dat het begrip grondgebied (‘territory’) in art. 1(1) BIT 1998 moet worden geïnterpreteerd als het grondgebied zoals het was ten tijde van het sluiten van het BIT 1998 – toen de Krim Oekraïens grondgebied was –, terwijl zij in de arbitrageprocedure slechts heeft betoogd dat het begrip grondgebied in art. 1(4) BIT 1998 moet worden uitgelegd als het door beide verdragsstaten erkende soevereine grondgebied van de gaststaat. De subsidiaire vernietigingsgrond (vergelijk hierboven rov. 7.2, onder iii) kan volgens Lugzor c.s. daarom niet worden aangemerkt als een aanvaardbare uitwerking van het door de Russische Federatie in de arbitrage opgeworpen bevoegdheidsverweer.
7.1
De Russische Federatie voert hiertegen aan dat haar subsidiaire betoog dat het om het grondgebied ten tijde van het sluiten van het BIT 1998 gaat, niet meer dan een accentverlegging betreft en dat de kern daarvan identiek is aan haar vernietigingsverweer in de arbitrageprocedure, namelijk dat de investeringen van Lugzor c.s. zich niet bevonden op het grondgebied van de Russische Federatie in de zin van het BIT 1998.
7.11
Naar het oordeel van het hof faalt het beroep op rechtsverwerking op grond van het volgende.
7.12
Art. 1052 lid 2 Rv Pro bepaalt dat een partij die in het arbitraal geding is verschenen, een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, voor alle weren moet doen, op straffe van verval van haar recht op dat ontbreken later, in het arbitraal geding of bij de gewone rechter, alsnog een beroep te doen. In het verlengde daarvan bepaalt lid 2 van art. 1065 Rv Pro dat de in lid 1 onder a bedoelde vernietigingsgrond (dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt), in het in art. 1052 lid 2 Rv Pro genoemde geval niet tot vernietiging van het arbitrale vonnis kan leiden. In het
Smit/Ruwa-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat het samenstel van art. 1052 leden Pro 1 en 2 Rv en art. 1065 lid Pro 1, aanhef en onder a, en lid 2 Rv ertoe strekt te bewerkstelligen dat, indien een partij de bevoegdheid van het scheidsgerecht wil betwisten vanwege het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage, daarover door het scheidsgerecht in een vroeg stadium van de procedure een beslissing kan worden genomen, waardoor zoveel mogelijk wordt voorkomen dat onnodige proceshandelingen zouden worden verricht indien een later (in het arbitraal geding of bij de gewone rechter) gedaan beroep op het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage, alsnog zou moeten leiden tot het oordeel dat het scheidsgerecht onbevoegd is. Telkens zal in een concreet geval moeten worden beoordeeld of een nieuwe feitelijke of juridische stelling, mede gelet op de eisen van een goede procesorde, in strijd komt met deze strekking van de wettelijke regeling. Daarvoor zal onder meer van belang kunnen zijn in welke mate de nieuwe stelling aansluit bij de eerdere (in het arbitraal geding ingenomen) stellingen. [4]
7.13
Nadat de Russische Federatie op 5 april 2019 was verschenen in de arbitrageprocedure heeft zij in haar (eerst ingediende schriftelijke stuk) ‘Comprehensive Submission’ en tijdens de ‘Final Hearing’ het verweer gevoerd dat het scheidsgerecht bevoegdheid miste (arbitraal vonnis, par. 303). Daarmee heeft de Russische Federatie in het arbitraal geding voor alle weren een beroep op het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage gedaan.
7.14
Zoals uit de weergave daarvan door het scheidsgerecht in zijn arbitraal vonnis blijkt (par. 308 e.v.), berustte dit bevoegdheidsverweer op verschillende pijlers. De uitleg van het begrip ‘territory’ in art. 1(4) BIT 1998 als ‘mutually recognized sovereign territory of one or the other of the Contracting Parties’ (arbitraal vonnis, par. 308) was één van die pijlers. In dat kader heeft de Russische Federatie betoogd dat de tekst van art. 1(4) BIT 1998 bevestigt dat ‘the common intention of the Contracting Parties at the time of concluding the Treaty was to define “territory” as the sovereign “territory” of one Contracting Party or the sovereign “territory” of the other Contracting Party’ (arbitraal vonnis, par. 322). Dit betoog sluit in zoverre bij de subsidiaire vernietigingsgrond aan dat het bij de uitleg van het begrip ‘territory’ in het BIT 1998 volgens de Russische Federatie aankomt op het moment van de totstandkoming daarvan. Een andere pijler was de uitleg van art. 1(1) BIT 1998 waarin de investeringen van Lugzor c.s. onder andere niet voldoen aan het vereiste van een investering door een investeerder van de ene verdragsstaat ‘in the territory of the other Contracting Party’. Met het niet vervuld zijn van dit ‘cross border’-vereiste (vergelijk arbitraal vonnis, par. 357 e.v.) heeft de Russische Federatie in de arbitrageprocedure beoogd te betogen dat de investeringen van Lugzor c.s. niet op haar grondgebied maar op Oekraïens grondgebied zijn verricht. Ook het (subsidiaire) standpunt van de Russische Federatie in de vernietigingsprocedure is erop gericht dat de investeringen van Lugzor c.s. niet grensoverschrijdend zijn (zie hierboven rov. 7.2). Al met al is geen sprake van een nieuwe stelling in de vernietigingsprocedure die, mede gelet op de eisen van een goede procesorde, in strijd komt met de in het
Smit/Ruwa-arrest bedoelde strekking van de wettelijke regeling.
bevoegdheid van het scheidsgerecht
7.15
Naar het oordeel van het hof heeft het scheidsgerecht zich terecht bevoegd verklaard. Daartoe overweegt het hof als volgt, waarbij de hierboven in rov. 7.2 genoemde onderwerpen i), ii) en iii) achtereenvolgens worden besproken.
i) art. 12 BIT Pro 1998
7.16
Art. 12 BIT Pro 1998 bepaalt dat het verdrag ‘shall apply to all investments made by investors of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party, on or after January 1, 1992’.
het oordeel van het scheidsgerecht
7.17
Het scheidsgerecht heeft vooropgesteld dat art. 12 BIT Pro 1998 het hoogste obstakel (‘the highest hurdle’) voor zijn bevoegdheid vormt omdat op grond van alleen de tekst van deze bepaling zou kunnen worden beargumenteerd dat zij van het toepassingsbereik van het BIT 1998 uitsluit investeringen die oorspronkelijk niet zijn verricht (‘made’) ‘in the territory of the other Contracting Party at the date of the initial investment therein’ (arbitraal vonnis, par. 552).
7.18
Op grond van de volgende overwegingen is het scheidsgerecht desondanks tot het oordeel gekomen dat art. 12 BIT Pro 1998 de investeringen van Lugzor c.s. niet van het toepassingsbereik van het BIT 1998 uitsluit:
‘554. In the analysis of the Tribunal, Article 12 of the Treaty has two purposes: its first purpose is to expand the scope of the application of the Treaty to include investments made before the date of the Treaty, i.e., 27 November 1998. Its second purpose is to limit the scope of the application of the Treaty to exclude investments made before 1 January 1992, the first day of the first month after the dissolution of the Soviet Union at the end of December 1991.
555. Article 12 therefore, in short, seeks to clarify that the Treaty should apply to virtually all investments made between Ukraine and Russia after the fall of the Soviet Union, and that it should cover existing investments, but exclude “intra-Soviet-Union” investments from before the dissolution of the Soviet Union.
556. The Tribunal is unconvinced of any argument that Article 12, with the exception of the exclusion of investments made before the end of the Soviet Union, should be read as an article intended to limit the scope of the Treaty in any way.
557. In that regard, the Tribunal notes the broad language of Article 12, which speaks of “all investments”, and the broad definition of investments under Article 1(1) of the Treaty, both of which indicate to the Tribunal that the object and purpose of the Treaty was to include virtually “all investments”.
558. The Tribunal further notes that the definition of “investments” in Article 12 repeats the definition of investments in Article 1(1) of the Treaty and only changes the verb from “[which are] invested” or “which are put in” to “made” or “carried out” “in the territory of the other Contracting Party”. That change in verb and tense, in the view of the Tribunal, cannot mean that Article 12 introduces a requirement that an investment must have been “actively” invested in the territory of the other Contracting Party at the time of the original investment, when the official definition of “investments” under the Treaty, as set out in its Article 1(1), does not include such a requirement (see paragraphs 525-
534 above).
559. Rather, the change of the tense of the verb in Article 12, indicating anteriority, to the Tribunal seems linguistically necessary to clarify that in addition to the list of assets to which the Treaty applies here and now in accordance with its Article 1(1), the Treaty also applies to investments that were made before the entry into force of the Treaty (but not before 1 January 1992).
560. Following that logic, a Ukrainian investment which on the first or any later date of the application of the Treaty was “invested” in the territory of Russia in the sense of the Treaty, falls under the scope of the Treaty if it was “made” on or after 1 January 1992. To the Tribunal this seems to be a logical interpretation of Article 12 in light of its text and its position within the Treaty.’
7.19
Het scheidsgerecht heeft vervolgens overwogen dat deze uitleg lijkt te stroken met de arbitrale uitspraak in de zaak
OKO Pankki Oyj c.s. tegen Estland [5] en dat het hoogst onwaarschijnlijk lijkt dat de opstellers van het BIT 1998 een verschil in betekenis hebben bedoeld tussen het begrip ‘the territory of the other Contracting Party’ in art. 1(1) en datzelfde begrip in art. 12 (arbitraal vonnis, par. 561 en 562).
7.2
Met het oog op de bijzondere omstandigheden van deze zaak heeft het scheidsgerecht het volgende overwogen:
‘563. It would indeed be absurd to assume that Article 12 was included in the Treaty to exclude investments in territories that only after the Treaty was concluded, and the investments were made, would—through annexation—become territory in the control of a Contracting Party to the Treaty. This does not seem to be a development that the Contracting Parties would or could have anticipated when concluding the Treaty in 1998. Article 12 discusses a known development at the time the Treaty entered into force: the fall of the Soviet Union and the fact that both Contracting Parties were one country before the fall thereof. It would be a bridge too far, in the eyes of the Tribunal, and, to use words so often employed by the Respondent and its international legal experts, contrary to a “good faith” reading of Article 12, to interpret it as applying to a situation that was unknown and unexpected by the negotiators of the Treaty.’
7.21
Het scheidsgerecht is ervan uitgegaan dat de opstellers van het BIT 1998 deze ‘situation’ daadwerkelijk niet hebben voorzien (arbitraal vonnis, par. 564). Daarop heeft het overwogen dat in een geval als dit het van bijzonder belang is dat de toepassing en de tekstuele analyse (van de bepalingen) van het verdrag plaatsvinden in het licht van het doel van het verdrag en niet tot onredelijke en evident absurde uitkomsten leiden (arbitraal vonnis, par. 566), en dat het verdrag, in zijn geheel beschouwd, lijkt te zijn bedoeld een ruim toepassingsgebied te hebben (arbitraal vonnis, par. 565).
het standpunt van de Russische Federatie
7.22
De Russische Federatie legt art. 12 BIT Pro 1998 zo uit dat het BIT 1998 uitsluitend van toepassing is op investeringen van Oekraïense investeerders die op of na 1 januari 1992 zijn
verrichtop het grondgebied van de Russische Federatie. Dat een investering zich op of na 1 januari 1992
bevindtop het grondgebied van de Russische Federatie is voor de toepasselijkheid van het BIT 1998 niet voldoende. Daarmee ‘valt het doek’ voor Lugzor c.s. (inleidende dagvaarding, nr. 10) omdat hun investeringen weliswaar zijn verricht na 1 januari 1992, maar op een moment dat de Krim Oekraïens grondgebied was; dat hun investeringen zich vanaf 14 maart 2014, dus na de annexatie van de Krim door de Russische Federatie, op het grondgebied van de Russische Federatie bevonden, kan niet meebrengen dat die investeringen onder de reikwijdte van het BIT 1998 vallen.
7.23
Voor deze interpretatie van art. 12 BIT Pro 1998 beroept de Russische Federatie zich (voornamelijk) op de bewoordingen van art. 12 BIT Pro 1998: de tekst van deze bepaling is helder en laat er geen enkel misverstand over bestaan dat alleen investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn verricht op het grondgebied van de andere verdragsstaat – dus alleen investeringen die op het moment dat zij worden gedaan een grensoverschrijdend karakter hebben –, bescherming onder het BIT 1998 genieten. Anders dan het scheidsgerecht heeft overwogen, kunnen het doel van art. 12 BIT Pro 1998 en een ruime uitleg van het begrip ‘investments’ in art. 1(1) en art. 12 BIT Pro 1998 daaraan niet afdoen. De uitleg waarin investeringen zonder grensoverschrijdend karakter worden beschermd onder het BIT 1998, leidt er bovendien toe dat de woorden ‘by investors of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party’ in art. 12 BIT Pro 1998 zinledig worden. Het begrip ‘investments’ in art. 12 BIT Pro 1998 is geen herhaling van de definitie daarvan in art 1(1) BIT 1998 maar een materiële bepaling over welke investeringen wel en niet onder het BIT 1998 vallen. Wat het scheidsgerecht daarover overweegt in par. 558 getuigt van ‘wartaal’ en ‘is in strijd met elementaire logica’, terwijl de overwegingen in par. 559-560 een ‘worsteling van het Scheidsgerecht met de consequenties zijn eigen zienswijze’ laat zien, om ‘te ontkomen aan de gevolgen die de tekst van artikel 12 heeft Pro’ (inleidende dagvaarding, nr. 14-16). De precedentwaarde van de
PrivatBank-uitspraken (zie hieronder rov. 7.27-7.28) is zeer beperkt omdat het hof daarin alleen is ingegaan op de rol van art. 12 BIT Pro 1998 in het kader van de uitleg van ‘investments’ in art. 1(1) BIT 1998 maar niet op de betekenis van art. 12 BIT Pro 1998 ‘als zelfstandige barrière tegen het aannemen van bevoegdheid’ (inleidende dagvaarding, nr. 11). In die uitspraken is wel tot uitgangspunt genomen dat de verdragspartijen bij het BIT 1998 ten tijde van het sluiten daarvan terdege rekening hielden met een toekomstige wijziging van de onderlinge grenzen. Hiermee is onverenigbaar het oordeel van het scheidsgerecht in par. 563-567 dat de verdragspartijen geen rekening hebben gehouden of hebben kunnen houden met de ontwikkeling dat de Krim onder zeggenschap van de Russische Federatie zou komen te staan. Dit oordeel komt ook in strijd met de uitlegregel van art. 31 WVV Pro dat de tekst van een verdragsbepaling (art. 12 BIT Pro 1998) leidend is en met de regel dat het leerstuk van onvoorziene omstandigheden bij verdragsuitleg geen rol speelt. Verder is het allerminst absurd in de zin van art. 32 WVV Pro dat een investering die geen grens overschrijdt, niet onder de bescherming van een internationaal investeringsverdrag valt. Bovendien heeft het scheidsgerecht niet onderbouwd dat als de verdragspartijen de gebeurtenissen van 2014 zouden hebben voorzien, zij in art. 12 BIT Pro 1998 zouden hebben bepaald dat investeringen als gevolg daarvan bescherming zouden genieten. De tekst van art. 12 BIT Pro 1998 moet worden gezien als ‘dwingend bewijs’ van de bedoeling van verdragspartijen om alleen bescherming te verlenen aan investeringen die op of na 1 januari 1992 op het grondgebied van de andere partij zijn verricht (conclusie van repliek, nr. 9), aldus de Russische Federatie.
het standpunt van Lugzor c.s.
7.24
Lugzor c.s. betogen dat de uitleg van art. 12 BIT Pro 1998 door de Russische Federatie indruist tegen het bepaalde in art. 31 WVV Pro, onlogisch is en ‘niets meer dan een cynische poging om de bescherming die het Verdrag aan de investeerders biedt, te ontzeggen’ (conclusie van antwoord, nr. 93). Zij verdedigen de uitleg die het scheidsgerecht aan art. 12 BIT Pro 1998 heeft gegeven. Art. 12 BIT Pro 1998 bakent alleen het temporele toepassingsgebied van het BIT af. Omdat het BIT 1998 op grond van art. 12 ook Pro investeringen beschermt die zijn gedaan vóór de inwerkingtreding van het verdrag, is het niet te goeder trouw om art. 12 BIT Pro 1998 zo uit te leggen dat een investering op het tijdstip van die investering zich op het grondgebied van de gaststaat moet hebben bevonden (dus om een actieve handeling als eis te stellen). In deze zaak gaat het erom dat de investeringen van Lugzor c.s. zich op het moment van de onteigening door de Russische Federatie in strijd met haar verplichtingen onder het BIT 1998, op het grondgebied bevonden waarop de Russische Federatie aanspraak maakt en waarover zij zeggenschap heeft. Evenals het scheidsgerecht in par. 555 kwam het hof in zijn
Everest-arrest (zie hieronder rov. 7.27-7.28) tot de conclusie dat art. 12 BIT Pro 1998 ertoe strekt om alleen ten tijde van de Sovjetperiode verkregen eigendommen buiten de werking van het BIT 1998 te laten vallen. Ook met de andere
PrivatBank-uitspraken (zie hieronder rov. 7.27-7.28) is het arbitrale vonnis in overeenstemming waar het gaat om de bedoeling van de opstellers van het BIT 1998 en het ruime toepassingsbereik daarvan. Het scheidsgerecht heeft zijn uitleg van art. 12 BIT Pro 1998 niet gebaseerd op het leerstuk van onvoorziene omstandigheden. Daarentegen heeft het scheidsgerecht zijn ‘primaire analyse’ gebaseerd op een ‘good faith’ en ‘logical interpretation’ van de tekst van art. 12 BIT Pro 1998, en heeft in reactie op het standpunt van de Russische Federatie daarbij betrokken dat de opstellers van het BIT 1998 de annexatie van de Krim door de Russische Federatie niet hebben voorzien en geadresseerd, aldus Lugzor c.s.
het oordeel van het hof
7.25
Een uitleg aan de hand van alleen de bewoordingen van art. 12 BIT Pro 1998 zou kunnen meebrengen dat het toepassingsbereik van het BIT 1998 is beperkt tot investeringen die door een investeerder uit de ene verdragsstaat op of na 1 januari 1992 zijn verricht op het grondgebied van de andere verdragsstaat. Dit zou betekenen dat de investeringen van de Oekraïense investeerders Lugzor c.s. op de Krim niet de bescherming van het BIT 1998 zouden genieten omdat in de periode waarin deze investeringen zijn verricht, de Krim Oekraïens grondgebied was en zij dus niet zijn verricht op het grondgebied van de Russische Federatie.
7.26
Een louter tekstuele of grammaticale uitleg van art. 12 BIT Pro 1998 volstaat echter niet. Op grond van art. 31 WVV Pro moet (het BIT 1998 en dus ook) art. 12 BIT Pro 1998 te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van die bepaling in hun context en in het licht van het voorwerp en het doel van die bepaling (en van het BIT 1998). Deze uitleg van art. 12 BIT Pro 1998 leidt niet tot de conclusie dat de investeringen van Lugzor c.s. zijn uitgesloten van het toepassingsbereik van het BIT 1998, maar dat zij daaronder vallen.
7.27
Op 19 juli 2022 heeft het hof drie arresten gewezen in drie soortgelijke zaken als de onderhavige. Ook in die zaken vorderde de Russische Federatie (onder andere) vernietiging van arbitrale vonnissen in arbitrageprocedures op grond van het BIT 1998 over de onteigening van investeringen van Oekraïense investeerders op de Krim door de Russische Federatie. Naar enkele gedaagden in die vernietigingsprocedures worden de arresten van het hof de
PrivatBank-,
Everest- en
Belbek-arresten genoemd, en tezamen kortweg de
PrivatBank-rechtspraak of -uitspraken. [6] De cassatieberoepen in de
PrivatBank-zaken heeft de Hoge Raad verworpen, met uitzondering van het principale cassatieberoep in de
Everest-zaak. [7] De slagende cassatieklachten van dat beroep betroffen echter kwesties die voor de beoordeling van de onderhavige zaak niet relevant zijn.
7.28
In de
PrivatBank-uitspraken heeft het hof onder andere het volgende overwogen:
‘5.7.20 Voorwerp en doel van het BIT 1998 is niet alleen het stimuleren, maar ook het beschermen van investeringen. Dit volgt in de eerste plaats uit de aanduiding van het verdrag (on the encouragement
and mutual protectionof investments
), en daarnaast ook uit het feit dat de bescherming zich uitstrekt over investeringen gedaan op of na 1 januari 1992, dus ook over investeringen die zijn gedaan vóór het sluiten en de inwerkingtreding van het verdrag. (…)
5.7.21
Hierbij sluit aan dat in de preambule van de BIT 1998 de bedoeling van het verdrag wordt weergegeven als“intending to create and maintain favorable conditions for mutual investments”
. Bij het creëren van zulke gunstige omstandigheden gaat het niet alleen om het in het vooruitzicht stellen van bescherming voor toekomstige investeerders, maar ook om de bescherming van bestaande investeringen. De bescherming van bestaande investeringen dient ook het doel van het stimuleren van toekomstige investeringen. Toekomstige investeerders worden immers afgeschrikt als reeds bestaande investeringen (van derden of van henzelf) zonder adequate rechtsbescherming of compensatie worden onteigend of op andere wijze worden aangetast.
(…)
5.7.23
Bij dit voorwerp en dit doel van de BIT 1998 past dat verplichtingen van het verdrag rusten op de verdragspartij die het in haar macht heeft om in een gebied de desbetreffende bescherming daadwerkelijk te bieden, en als uitvloeisel daarvan ten aanzien van dat gebied de verantwoordelijkheid voor de buitenlandse relaties op zich heeft genomen. Er is geen reden om aan te nemen dat partijen ten tijde van het sluiten van het verdrag beoogd hebben verdragsverplichtingen afhankelijk te maken van factoren die niet van belang zijn voor het bieden van rechtsbescherming. Belangrijk onderdeel van die rechtsbescherming wordt gevormd door artikel 5 BIT Pro 1998 (Expropriation
), dat bescherming biedt tegen onteigening en nationalisatie van investeringen. Het is de Russische Federatie die op het grondgebied van de Krim sinds de gebeurtenissen in 2014 deze bevoegdheden uitoefent, met toepassing van de aan Russische overheidsorganen toekomende bevoegdheden.’
(citaten uit het
PrivatBank-arrest; vgl. het
Everest-arrest, rov. 5.4.13-5.4.16 en het
Belbek-arrest, rov. 5.5.18-5.5.21)
‘5.8.10 Het hof volgt niet het standpunt van de Russische Federatie dat de gewone betekenis vaninvestments
[in art. 1(1) BIT 1998] een temporele beperking bevat. De drie vereisten die volgens de Russische Federatie zijn begrepen in de definitie vaninvestments
(een handelingsvereiste, een territoriaal vereiste en een legaliteitsvereiste) sluiten niet uit dat een investering die zich aanvankelijk op het grondgebied van de eigen verdragsstaat bevond, door de BIT 1998 wordt beschermd tegen een onteigening die plaatsvindt op een moment dat de investering zich bevindt op het grondgebied van de andere verdragsstaat. Dat een investering een actieve handeling vereist, zegt niets over het moment waarop die handeling moet plaatsvinden om onder het bereik van de BIT 1998 te vallen, en de door Russische Federatie aangehaalde territoriale- en legaliteitsvereisten bevatten evenmin een temporeel element.
‘5.8.11 Van belang is verder dat artikel 12 BIT Pro 1998 erin voorziet dat het verdrag mede van toepassing is op investeringen die zijn gedaan vóór het sluiten en in werking treden van het verdrag, namelijk investeringen gedaan vanaf 1 januari 1992. In artikel 12 is Pro bij het woord“made”
in de Russische en Oekraïense taalversies gebruik gemaakt van een ander werkwoordaspect dan bij het woord“invested by”
in artikel 1 lid 1 BIT Pro 1998. Het werkwoordaspect van“made”
verwijst (anders dan het werkwoordaspect van“invested by”
) wél naar de verleden tijd (een zogenoemd perfectief aspect). (…) Dat investeringen van vóór 1 januari 1992 niet vallen onder bescherming van het verdrag ligt verder in zoverre voor de hand, dat zowel Oekraïne als de Russische Federatie tot 1 januari 1992 deel uitmaakten van de Sovjet-Unie. Het verdrag bevat daarmee een “harde” grens in de tijd: investeringen gedaan voor die datum komen niet in aanmerking voor bescherming. Dat het verdrag niet spreekt van het enkele “houden of bezitten van investeringen” sluit aan bij de naar het oordeel van het hof in de BIT 1998 besloten liggende bedoeling om ten tijde van de Sovjetperiode verkregen eigendommen buiten de werking van het verdrag te laten vallen. Een vereiste van gelijktijdigheid valt hier niet uit af te leiden.
(…)
5.8.13
Aldus geldt dat investeringen van vóór 1 januari 1992 wel buiten het verdrag zijn gehouden, maar dat in de bewoordingen van het verdrag voor investeringen van na die datum geen temporele vereisten kunnen worden gelezen. Anders gezegd: uit de tekst van artikel 1 lid 1 BIT Pro 1998, bezien in de context, volgt niet dat investeringen, om voor bescherming in aanmerking te komen, zich reeds ten tijde van de investering op het grondgebied van de andere verdragsstaat moesten bevinden. (…)
5.8.14
Een uitleg te goeder trouw van het verdrag waarbij – naast de hiervoor genoemde tekst en context – het voorwerp en doel worden betrokken leidt evenmin tot de conclusie dat de investeringen zich van meet af aan op het grondgebied van de Russische Federatie moeten hebben bevonden. Hiervoor heeft het hof al overwogen dat de BIT 1998 naast en in het verlengde van het doel van het stimuleren van investeringen uit de andere verdragsstaat ook nadrukkelijk tot doel heeft het beschermen van investeringen. Het past bij deze beschermingsgedachte om het verdrag van toepassing te laten zijn op alle investeringen die er op basis van de tekst van het verdrag voor in aanmerking komen. Daarom is niet doorslaggevend dat PrivatBank bij het doen van de investeringen geen verdragsbescherming in het vooruitzicht had en dat haar investeringsbeslissingen daardoor dus niet beïnvloed zijn. Datzelfde geldt immers voor de ook door het verdrag beschermde investeringen die zijn gedaan vóór het opstellen en de inwerkingtreding van het verdrag.’
(citaten uit het
PrivatBank-arrest; vgl. het
Everest-arrest, rov. 5.6.8-5.6.11 en het
Belbek-arrest, rov. 5.7.11.3, 5.7.11.5-5.7.11.6)
7.29
Het hof volhardt in deze overwegingen en zal deze hieronder tot uitgangspunt nemen.
7.3
Zoals tevens uit de overwegingen van het scheidsgerecht volgt, houdt ook naar het oordeel van het hof art. 12 BIT Pro 1998 geen andere beperking van het toepassingsbereik van het BIT 1998 in dan een beperking in tijd: op investeringen die vóór 1 januari 1992 zijn verricht, is het BIT 1998 niet van toepassing. Deze beperking ligt in zoverre voor de hand dat Oekraïne en de Russische Federatie tot en met 31 december 1991 deel uitmaakten van de per 1 januari 1992 ontbonden Sovjet-Unie. Art. 12 BIT Pro 1998 sluit (Oekraïense en Russische) investeringen uit de tijd van de Sovjet-Unie – ‘intra-Sovjet-Unie-investeringen’ – dus uit van de bescherming onder het BIT 1998. Op investeringen van op of na 1 januari 1992 verklaart art. 12 BIT Pro 1998 het verdrag van toepassing, dus ook op investeringen van vóór de inwerkingtreding van het BIT 1998 op 27 november 1998. In zoverre houdt art. 12 BIT Pro 1998 een verruiming van het toepassingsbereik van het BIT 1998 in.
7.31
Uit art. 12 BIT Pro 1998 valt niet af te leiden dat het toepassingsbereik van het BIT 1998 is beperkt tot investeringen (van op of na 1 januari 1992) die op het moment dat zij werden gedaan, werden verricht op het grondgebied van de andere verdragsstaat, oftewel die zich reeds ten tijde van het verrichten daarvan (van meet af aan) op het grondgebied van de andere verdragsstaat bevonden. In de opzet van het BIT 1998 ligt besloten dat met het begrip ‘investments’ in art. 12 BIT Pro 1998 hetzelfde ‘investments’-begrip is bedoeld als in art. 1(1) BIT 1998 waarin dat begrip immers wordt gedefinieerd ‘For the purposes of this Agreement’. Volgens deze bepaling moet onder ‘investments’ als bedoeld in het BIT 1998 worden verstaan ‘any kind of tangible and intangible assets [which are] invested by an investor of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party’ (gevolgd door een uitwerking). Deze definitiebepaling stelt voor de toepasselijkheid van het BIT 1998 niet als eis dat de investering oorspronkelijk is verricht en zich dus van meet af aan bevond op het grondgebied van de andere verdragsstaat. Dat die eis wel uit het woordje ‘made’ (of anderszins uit) art. 12 BIT Pro 1998 volgt, valt daarom niet in te zien. Het woordje ‘made’ in art. 12 BIT Pro 1998 moet worden gelezen in samenhang met ‘on or after January 1, 1992’. Voortbordurend op het ‘investments’-begrip van art. 1(1) BIT 1998 maakt art. 12 BIT Pro 1998 aldus duidelijk dat die investeringen moeten zijn verricht op of na 1 januari 1992 om onder het toepassingsbereik van het BIT 1998 te vallen.
7.32
Art. 12 BIT Pro 1998 rept van ‘all investments’. Deze bewoordingen – in combinatie met de veelomvattende definitiebepaling van ‘investments’ in art. 1(1) BIT 1998 (‘any kind of tangible and intangible assets’) – duiden erop dat een ruim toepassingsbereik van het BIT 1998 is beoogd. Daarmee valt eerder te rijmen dat daaronder ook worden begrepen investeringen die zich oorspronkelijk niet op het grondgebied van de andere verdragsstaat bevonden, dan een uitleg van art. 12 BIT Pro 1998 die tot het tegendeel strekt.
7.33
Een uitleg te goeder trouw van het BIT 1998 waarin ook het voorwerp en het doel daarvan worden betrokken, brengt evenzeer mee dat art. 12 BIT Pro 1998 niet de beperking inhoudt die de Russische Federatie daarin leest. Het BIT 1998 heeft als voorwerp en doel niet alleen het stimuleren van (toekomstige) investeringen, maar ook het beschermen van (bestaande) investeringen. Hierbij past juist een uitleg waarin onder het toepassingsbereik en daarmee onder de bescherming van het BIT 1998 ook vallen investeringen die zich niet van meet af aan op het grondgebied van de andere verdragsstaat bevonden (maar wel op of na 1 januari 1992 zijn verricht en een investering in de zin van het verdrag zijn).
7.34
Met het scheidsgerecht is het hof verder van oordeel dat de uitleg die de Russische Federatie aan art. 12 BIT Pro 1998 geeft, tot een duidelijk ongerijmde en onredelijke uitkomst leidt. Aannemelijk is dat de opstellers van het BIT 1998 weloverwogen de regeling hebben getroffen waarin ‘intra-Sovjet-Unie-investeringen’ zijn uitgesloten van de bescherming van het verdrag. Ten tijde van de totstandkoming van het BIT 1998 waren de ontbinding van de Sovjet-Unie en de omstandigheid dat tot dat moment Oekraïne en Rusland deel uitmaakten van de Sovjet-Unie, een historisch gegeven. Onaannemelijk is dat de opstellers van het BIT 1998 hebben bedoeld met art. 12 een Pro regeling te treffen waarin investeringen van bescherming worden uitgesloten in de situatie dat die investeringen (op of na 1 januari 1992) zijn verricht op het grondgebied van een verdragsstaat dat pas daarna – door annexatie – het grondgebied van een andere verdragsstaat wordt. Die situatie was hen ten tijde van de totstandkoming van het BIT 1998 onbekend en die konden zij redelijkerwijs ook niet verwachten. Art. 12 BIT Pro 1998 kan voor die situatie dus niet zijn bedoeld. De tegenovergestelde opvatting en de uitleg met als resultaat dat in die situatie de investeringen in geannexeerd gebied niet de bescherming van het BIT 1998 genieten, brengen vervolgens mee dat de verdragsstaat die het grondgebied door annexatie heeft verworven en tot het zijne heeft gemaakt, zich zou kunnen onttrekken aan de (beschermings)verplichtingen die het BIT 1998 op die verdragsstaat legt. Dat laatste zou niet passen bij het voorwerp en het doel van het BIT 1998 dat die verplichtingen rusten op de verdragsstaat die het in zijn macht heeft om in dat gebied die bescherming daadwerkelijk te bieden, waaronder de in art. 5 BIT Pro 1998 bedoelde bescherming tegen onteigening en nationalisatie van investeringen. Niet in geschil is dat op de Krim, sinds de gebeurtenissen in 2014, de Russische Federatie deze macht heeft en deze bevoegdheden uitoefent.
7.35
De conclusie uit het voorgaande is dat een uitleg te goeder trouw van art. 12 BIT Pro 1998, overeenkomstig de uitlegmaatstaf van art. 31 WVV Pro, betekent dat voor de toepasselijkheid van het BIT 1998 voldoende is dat de (na 1 januari 1992 gedane) investeringen van Lugzor c.s. zich ten tijde van de onteigening op door de Russische Federatie geannexeerd grondgebied bevonden. Het scheidsgerecht heeft terecht geoordeeld dat art. 12 BIT Pro 1998 de investeringen van Lugzor c.s. niet uitsluit van bescherming onder het BIT 1998, en dat art. 12 BIT Pro 1998 niet in de weg staat aan zijn bevoegdheid.
ii) ‘investments’ in art. 1(1) BIT 1998
7.36
Voor een goed begrip wordt hier herhaald dat art. 1(1) BIT 1998 ‘For the purposes of this Agreement’ de term ‘investments’ definieert als
‘any kind of tangible and intangible assets [which are] invested by an investor of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party in accordance with its legislation, including:
(…)
Any alteration of the type of investments in which the assets are invested shall not affect their nature as investments, provided that such alteration is not contrary to legislation of a Contracting Party in the territory of which the investments were made.’
het oordeel van het scheidsgerecht
7.37
Het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat de investeringen van Lugzor c.s. ‘investments’ in de zin van art. 1(1) BIT 1998 zijn. Daartoe heeft het scheidsgerecht onder andere het volgende overwogen:
‘517 (…) the Tribunal, as a preliminary step, notes that the text of Article 1(1), when referring to the term investment, seems to cover both the asset that is moved cross-border in order to invest, and the shape in which the investment takes form in the host country,e.g.
“immovable property”. To the Tribunal this is a clear indicator that, contrary to what the Respondent has argued in its Comprehensive Submission, the Treaty does cover both the “active” act of investing and the more passive act of holding or owning an investment. In particular, the more detailed list of assets which are included in the meaning of “any kind of tangible and intangible asset” in the sense of the Treaty, included in Article 1 (1)(a)-(d) of the Treaty, would make no sense if the Treaty did not cover “owning” these types of assets.
(…)
527. The Tribunal notes that in both translations of the Treaty with which it has been provided, the respective translators described investments as assets “which are put” or “[which are] invested” in the territory of the other Contracting Party. In the view of the Tribunal, this demonstrates that Article 1(1) in terms of its temporal scope is set after the initial investment has taken place. It contains a neutral, positive description of astatus quo
at a certain moment in time,i.e.
, the basis for a list of investments which are invested (are “put”) in the territory of the other Contracting Party on a relevant date. Save for the legality requirement discussed below, Article 1(1) is not concerned with how the investments did or should have come into being in the first place.
528. This conclusion is affirmed by the Tribunal’s above analysis on how Article 1 (1) of the Treaty defines investments as both the assets as they are being invested, and the form in which they have been invested,e.g.
immovable property. In that regard, the Tribunal considers that for the purposes of this subsection, what has been translated as investments “which are put in” and “[which are] invested” can be interpreted to mean investments “which are held” by an investor in the territory of the other Contracting Party.
529. In the Tribunal’s view, this is in line with the function Article 1(1) has in the context of the Treaty and the purpose that seems to have guided its drafters. It is a definition article at the beginning of a BIT that uses a very broad description in order to cover virtually all investments (“any kind of tangible and intangible asset”) in the territory of the other Contracting Party.
530. In the view of the Tribunal, this result is also in line with the object and purpose of the Treaty. The Treaty has been made to protect “any kind of tangible and intangible asset”,e.g.
immovable property, which Ukrainian investors hold in Russia (and which Russian investors hold in Ukraine). Before the expropriation of their assets, the Claimants were Ukrainian investors in what Russia considers its territory.’(onder weglating van voetnoten)
het standpunt van de Russische Federatie
7.38
De Russische Federatie betoogt dat de bezittingen van Lugzor c.s. niet voldoen aan de definitie van investeringen in art. 1(1) BIT 1998. Onder verwijzing naar een opinie van dr. T.N. Kurokhtina stelt zij daartoe dat in de authentieke Russische tekst van het verdrag de werkwoordverbuiging ‘vkladyvayutsia’ (fonetisch geschreven), anders dan ‘invested by’ in de Engelse vertaling van Lugzor c.s., op een voortdurende actieve handeling duidt en niet op een passieve status of toestand. Het enkele houden van een bezit op de Krim is dus geen investering in de zin van het verdrag. Dat de definitie van investering in art. 1(1) BIT 1998 een actieve (en ook) grensoverschrijdende handeling vereist, volgt tevens uit de slotbepaling van dit artikel dat de verandering in de vorm van een investering geen wijziging brengt in de status daarvan. Als het enkele houden van een investering in een andere verdragsstaat voldoende is, zou deze bepaling geen betekenis hebben. Verder wordt ook in andere bepalingen van het BIT 1998 de term ‘investment’ gebruikt in verbinding met een werkwoord dat een actie uitdrukt. Het scheidsgerecht heeft in par. 525-534 eraan voorbijgezien dat de Engelse vertaling geen enkele status heeft, terwijl het is voorgehouden dat de authentieke talen een actieve handeling eisen. Ook verder houdt de motivering van het oordeel van het scheidsgerecht dat een enkel bezit op het grondgebied van de andere verdragsstaat een investering in de zin van art. 1(1) BIT 1998 is, geen stand. In zijn
PrivatBank-arresten heeft het hof de hier voorgestane uitleg verworpen, maar onder miskenning van de kern van de zaak, namelijk dat de originele taalversies van het BIT 1998 een werkwoord hanteren dat een handelen vereist, in verbinding met het grondgebied van de andere verdragsstaat. De door het hof aangehaalde uitspraken van het Zwitserse Federale Hooggerechtshof lijden aan hetzelfde manco, aldus de Russische Federatie.
het standpunt van Lugzor c.s.
Lugzor c.s. stellen dat in art. 1(1) BIT de imperfectieve vorm van het Russische (en Oekraïense) werkwoord voor investeren is gebruikt en dat ‘investments [which are] invested’ daarvan de correcte Engelse vertaling is (en ‘investeringen die zijn verricht’ in het Nederlands). Het Zwitserse Federale Hooggerechtshof en het hof hebben in gelijke zin geoordeeld. Dat de Engelse vertaling juist is, valt ook af te leiden uit (vroegere) bilaterale investeringsverdragen tussen Litouwen en Rusland en tussen Nederland en de Sovjet-Unie. Verder blijkt uit het arbitrale vonnis dat het scheidsgerecht kennis heeft genomen van de opinie van dr. Kurokhtina. Daarbij komt dat de stelling van de Russische Federatie dat de investeringen van Lugzor c.s. buiten de bescherming van het BIT 1998 vallen omdat zij nooit op het grondgebied van de Russische Federatie zijn verricht, haaks staat op wat het hof in de
PrivatBank-uitspraken heeft overwogen. Daarnaast tonen de door het hof aangehaalde uitspraken van het Zwitserse Federale Hooggerechtshof aan dat ook buiten Nederland in zaken met een vergelijkbare feitelijke en juridische achtergrond wordt gekozen voor een interpretatie van art. 1(1) BIT 1998 zonder temporele beperking en uitgaande van een ‘asset based’-benadering van het woord ‘investment’. Ook in dit verband is van belang dat het doel van het BIT 1998 is gelegen in niet alleen het bevorderen van grensoverschrijdende investeringen, maar ook in het beschermen van investeringen die zich op het grondgebied van de gaststaat bevinden, aldus Lugzor c.s.
het oordeel van het hof
7.39
Het betoog van de Russische Federatie dat de bezittingen van Lugzor c.s. niet voldoen aan de definitie van investeringen in art. 1(1) BIT 1998 faalt. Zoals het hof in de
PrivatBank-uitspraken heeft geoordeeld over de investeringen die daar aan de orde waren, oordeelt het hof in deze zaak dat de investeringen van Lugzor c.s. onder het begrip ‘investments’ van art. 1(1) BIT 1998 vallen, omdat
(i) uit de bewoordingen van het verdrag niet blijkt dat de investeringen van meet af aan op het grondgebied van de andere verdragsstaat moeten zijn gelegen om te kunnen worden gekwalificeerd als ‘investments’ in de zin van het verdrag;
(ii) een uitleg van art. 1(1) BIT 1998 conform de uitlegmaatstaf van art. 31 WVV Pro tot de conclusie leidt dat voor de toepasselijkheid van het verdrag voldoende is dat de – na 1 januari 1992 gedane – investeringen zich op het moment van de gestelde inbreuk op het grondgebied van de andere verdragsstaat bevonden (vgl. het
PrivatBank-arrest, rov. 5.8.9, het
Everest-arrest, rov. 5.6.7, het
Belbek-arrest, rov. 5.7.11).
7.4
Het hof volhardt ook in de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, in het bijzonder in de hierboven in rov. 7.28 geciteerde rov. 5.8.10-5.8.11 en 5.8.13-5.8.14 van het
PrivatBank-arrest (en rov. 5.6.8-5.6.11 van het
Everest-arrest en rov. 5.7.11.3, 5.7.11.5-5.7.11.6 van het
Belbek-arrest). In wat de Russische Federatie in deze zaak aanvoert, ziet het hof geen aanleiding van deze overwegingen terug te komen. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende.
7.41
In de
PrivatBank- en
Belbek-arresten heeft het hof in zijn oordeel uitdrukkelijk de opinies van taaldeskundigen betrokken (waaronder die van dr. Kurokhtina). Zo heeft het hof overwogen dat de door PrivatBank ingeschakelde deskundige heeft geconcludeerd dat
‘the Russian imperfective reflexive verbvkladyvajutsja
and its Ukrainian (…) equivalent (…) donotconvey an active action by an investor. As these are imperfective reflexives used with the meaning of the simple present, the refer to a state of affairs that can be described in this particular case as “the party has assets / the party has investments put in / the party has invested”’(
PrivatBank-arrest, rov. 5.8.12)
,
en heeft het hof in het
Belbek-arrest
  • overwogen dat wat betreft de gewone betekenis van de bewoordingen van (art. 1(1) van) het BIT 1998 acht moet worden geslagen op de authentieke taalversies in het Russisch en het Oekraïens, en dat zowel de door de Russische Federatie geraadpleegde deskundigen Kurokhtina en Tyulnev, als de door Belbek geraadpleegde deskundige Fortuin, het erover eens zijn dat daarbij alleen naar de Russische tekst kan worden gekeken (rov. 5.7.11.1),
  • geoordeeld dat uit de expert opinion van Fortuin – die mede een bespreking van de rapporten van Kurokhtina en Tyulenev omvat – op overtuigende wijze blijkt dat uit de bewoordingen van de authentieke taalversies grammaticaal en/of syntactisch bezien niet volgt dat de investering gedaan op het grondgebied van de andere verdragspartij, gelijktijdig moet plaatsvinden met de initiële investeringshandeling (rov. 5.7.11.2), en
  • overwogen dat ook volgens Kurokhtina en Tyulenev de in art. 1(1) BIT 1998 gekozen werkwoordsvorm (een ‘past passive imperfective participle’) geen handeling aangeeft die op een bepaald moment is voltooid, maar een voortdurende toestand (rov. 5.7.11.4).
7.42
Het oordeel van het hof sluit ook aan bij twee uitspraken van het Zwitserse Federale Hooggerechtshof van 16 oktober 2018 in twee soortgelijke zaken als de
PrivatBank-zaken en de onderhavige zaak (
Russische Federatie/Ukrnaftaen
Russische Federatie/Stabil LLC e.a.; overgelegd als productie 10 bij conclusie van antwoord). Het hof heeft de relevante overweging van het Zwitserse Federale Hooggerechtshof uitgebreid geciteerd (in de Engelse vertaling;
PrivatBank-arrest, rov. 5.8.17,
Everest-arrest, rov. 5.6.14, en
Belbek-arrest, rov. 5.7.13). Een verkorte weergave, waaruit volgt dat het Zwitserse Federale Hooggerechtshof ook de slotbepaling van art. 1(1) BIT 1998 (‘IPA (Investment Protection Agreement) 1998’) in aanmerking heeft genomen, luidt als volgt:
‘If wording in other provisions of the agreement is also consulted, the verb forms used for “invest” in the authentic languages rather tend to argue against the assumption of a temporal restriction, as the Appellee comprehensibly argues in its response. (…) the (imperfective) verb form used in Art. 1 (1) IPA 1998 (…) (“assets [which are] invested […] in the territory of the other Contracting State”) does not describe an action that must have been completed at a certain point in time. The element of duration is furthermore indirectly included in Article 1 (1) IPA 1998, at the end, according to which a subsequent change in the type of investments is not supposed to change anything about their nature as an investment within the meaning of that provision.
When the Appellant variously argues that the term “investments” under Article 1 (1) IPA 1998 presupposes a cross-border activity performed at a certain point in time, it appears to be taking a transaction-based approach (…) By contrast, Article 1(1) IPA 1998 (…) clearly contains a (more broadly understood) asset-based definition (…).’
7.43
De conclusie van het voorgaande is dat het scheidsgerecht terecht heeft geoordeeld dat de investeringen van Lugzor c.s. ‘investments’ zijn als bedoeld in art. 1(1) BIT 1998, en dat deze bepaling dus evenmin in de weg staat aan zijn bevoegdheid.
iii) ‘territory’ in art. 1(1) BIT 1998
7.44
Voor een goed begrip wordt hier wederom herhaald dat art. 1(1) BIT 1998 ‘For the purposes of this Agreement’ de term ‘investments’ definieert als
‘any kind of tangible and intangible assets [which are] invested by an investor of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party in accordance with its legislation’.
7.45
Verder definieert art. 1(4) BIT 1998 ‘For the purposes of this Agreement’ het begrip ‘territory’ als
‘(…) the territory of the Russian Federation or the territory of Ukraine as well as their respective exclusive economic zone and the continental shelf, defined in accordance with international law’.
het standpunt van de Russische Federatie
7.46
De Russische Federatie betoogt dat ook als wordt aangenomen dat het enkele houden van bezit een investering als bedoeld in art. 1(1) BIT 1998 kan opleveren, het hier nog steeds moet gaan om een investering van een Oekraïense investeerder op het grondgebied van de Russische Federatie, en dat aan die eis niet is voldaan omdat met het begrip ‘territory’ in art. 1(1) BIT 1998 is bedoeld het grondgebied ten tijde van het sluiten van het verdrag in 1998 en toen werd de Krim niet als grondgebied van de Russische Federatie beschouwd. Het arbitrale vonnis biedt hierover geen ‘betekenisvolle inzichten’ (inleidende dagvaarding, nr. 39). Dat het aankomt op het grondgebied ten tijde van het sluiten van het verdrag in 1998 volgt uit de tekst van art. 1(1) BIT 1998 waar een investering op het grondgebied van de andere verdragsstaat wordt beperkt tot ‘in accordance with its legislation’, en uit de tekst van art. 1(2) BIT 1998 waar het begrip ‘investor of a Contracting Party’ wordt beperkt tot partijen die volgens het recht van die verdragsstaat bevoegd zijn tot het doen van investeringen op het grondgebied van de andere verdragsstaat. Zou niet voor het moment van sluiten van het verdrag als peildatum worden gekozen, zouden de verdragsstaten verplichtingen van onbekende omvang accepteren, al helemaal in een situatie als de onderhavige waarin de gebiedsuitbreiding door de ene verdragsstaat niet wordt erkend door de andere verdragsstaat. In de
PrivatBank-uitspraken heeft het hof het pleidooi voor deze peildatum verworpen. Voor zover het hof daarin heeft geoordeeld dat alleen de legaliteit van het houden van een investering kan worden getoetst, maakt dat de ‘in accordance with its legislation’-beperking vrijwel betekenisloos en miskent dat de strekking van het verdrag om alleen legale investeringen bescherming te bieden. Indien zou worden aangenomen dat het ‘territory’-begrip tevens betrekking heeft op wijzigingen daarvan na de datum dat het BIT 1998 werd gesloten, dan kan dat in ieder geval slechts gelden voor dergelijke wijzigingen die de instemming van beide partijen hebben. Dit volgt uit het basisbeginsel van reciprociteit. Daarnaast heeft de Russische Federatie een lijst overgelegd (als productie 12 bij conclusie van repliek) met verklaringen van twaalf verdragsstaten (wederpartijen) bij bilaterale investeringsverdragen met de Russische Federatie, waarin telkenmale het standpunt wordt betrokken dat die verdragen geen betrekking hebben op de Krim omdat die wederpartijen de soevereiniteit van de Russische Federatie over de Krim niet erkennen. Dit staat haaks op het oordeel in de
PrivatBank-uitspraken dat onder grondgebied in de zin van het BIT 1998 moet worden verstaan het grondgebied waarover een verdragsstaat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, ook wanneer de andere verdragsstaat de soevereiniteit van de eerste verdragsstaat over het desbetreffende grondgebied niet erkent. Dat het hof dit oordeel mede heeft gebaseerd op art. 29 WVV Pro, berust op een misvatting omdat de vraag niet is waar het BIT 1998 van toepassing is maar op welke investering. Ook het oordeel van het Zwitserse Federale Hooggerechtshof in de
Ukrnafta- en
Stabil-zaken dat met de feitelijke zeggenschap over de Krim de Krim grondgebied van de Russische Federatie is geworden, valt niet te rijmen met de verklaringen van de overgelegde lijst, aldus de Russische Federatie.
het standpunt van Lugzor c.s.
7.47
Lugzor c.s. wijzen erop dat het begrip ‘territory’ wordt gedefinieerd in art. 1(4) BIT 1998, niet in het eerste lid van die bepaling. Daarnaast wijzen zij erop dat het betoog van de Russische Federatie dat dat begrip in art. 1(4) BIT 1998 ziet op het grondgebied ten tijde van het sluiten van het verdrag, het hof niet heeft overtuigd in de
PrivatBank-uitspraken en ook het Zwitserse Federale Hooggerechtshof niet in de
Ukrnafta- en
Stabil-uitspraken. Het hof heeft uit art. 29 WVV Pro terecht afgeleid dat een verdrag ook na territoriale wijzigingen geldig blijft voor het gehele (gewijzigde) grondgebied. Uit de door de Russische Federatie overgelegde lijst blijkt dat die verklaringen moeten worden begrepen als reacties van verdragsstaten bij (andere) bilaterale investeringsverdragen (dan het BIT 1998) op een voorstel van de Russische Federatie om in onderhandeling te treden over het territoriale toepassingsgebied van die verdragen, met inbegrip van de Krim. Op die uitbreiding hebben de twaalf verdragsstaten negatief gereageerd. Tot een ander oordeel dan dat van het hof en het Zwitserse Federale Hooggerechtshof kan de lijst met verklaringen daarom niet leiden. Het zou verder volstrekt onlogisch zijn als de verdragsverplichtingen van Oekraïne met betrekking tot investeringen op de Krim blijven bestaan nadat de Russische Federatie de controle over de Krim heeft gekregen, aldus Lugzor c.s.
het oordeel van het hof
7.48
Voorop moet worden gesteld dat het begrip ‘territory’ in de zin van het BIT 1998 (specifiek) wordt gedefinieerd in art. 1(4) BIT 1998. De uitleg van deze definitiebepaling is dus bepalend voor het ‘territory’-begrip in andere BIT-bepalingen, waaronder dat in art. 1(1).
7.49
De uitleg van het begrip ‘territory’ in art. 1(4) BIT 1998 was onderwerp van de
PrivatBank-zaken. De Russische Federatie had daarin het standpunt ingenomen dat dat begrip verwijst naar hetzij het soevereine grondgebied van de Russische Federatie, hetzij naar het soevereine grondgebied van Oekraïne zoals deze waren in 1998, toen het BIT 1998 werd gesloten, en dat de betekenis van dat begrip nadien alleen kan wijzigen met instemming van de verdragspartijen. Het hof is de Russische Federatie hierin niet gevolgd en heeft geoordeeld dat de Krim valt onder de ‘territory’ van de Russische Federatie als bedoeld in art. 1(4) BIT 1998 (zie rov. 5.7.8-5.7.26 van het
PrivatBank-arrest, rov. 5.4.4-5.4.20 van het
Everest-arrest en rov. 5.5.6-5.5.24 van het
Belbek-arrest). Deels in aanvulling op hierboven in rov. 7.28 reeds geciteerde overwegingen, haalt het hof in het bijzonder de volgende overwegingen uit het
PrivatBank-arrest aan:
‘5.7.11 Het hof volgt verder niet de stelling van de Russische Federatie dat onder het begripterritory
alleen kan vallen het grondgebied van de Russische Federatie zoals dit was op het moment van het sluiten van het verdrag. PrivatBank heeft terecht naar voren gebracht dat voor debetekenis
van het begripterritory
moet worden uitgegaan van de bedoelingen van de verdragsluitende partijen op het moment van het sluiten van het verdrag, maar dat dit niet betekent dat deinhoud
van het begrip (het daadwerkelijke grondgebied) niet kan wijzigen bij toepassing van een uitleg conform die bedoelingen. Dat de verdragsluitende partijen bedoeld hebben het territoriale toepassingsgebied te fixeren op het moment van het sluiten van de BIT 1998, blijkt nergens uit. (…)
5.7.13
Ook artikel 29 WVV Pro geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat metterritory
altijd wordt verwezen naar sovereign territory. Artikel 29 WVV Pro luidt als volgt:
“Unless a different intention appears from the treaty or is otherwise established, a treaty is binding upon each party in respect of its entire territory”.
In de eerste plaats volgt uit artikel 29 WVV Pro het uitgangspunt dat een verdrag ook na territoriale wijzigingen geldig blijft voor het hele (gewijzigde) grondgebied (zie Mark E. Villiger,Commentary on the 1969 Vienna Convention on the Law of Treaties
, Leiden/Boston: 2009, blz. 392 – 393):
“If there are territorial changes, the treaty continues, in principle, to apply to the entire territory; different intentions would have to be renegotiated with, or at least be tacitly approved by, the other parties.”
5.7.4.14 Het is verder duidelijk dat ook volgens artikel 29 WVV Pro wat betreft de territoriale werking van een verdrag primair moet worden gekeken naar de bedoelingen die volgen uit het verdrag zelf, in dit geval de BIT 1998. Uit de inhoud of geschiedenis van artikel 29 WVV Pro valt ook niet af te leiden datterritory
in zijn algemeenheid verwijst naar grondgebieden waarvan de soevereiniteit door de internationale gemeenschap is erkend. Zie Villiger, a.w. blz. 392:
“The territory covers the area over which a party to the treaty exercises sovereignty and thus embraces all that State’s land, territorial waters and air space, whether or not these areas are part of the metropolitan area (though not the continental shelf, the exclusive economic zone and the fishery zones).
Recognition under international law of the State and its territory is not required.”
(vette letter aangebracht door het hof)
(…)
5.7.16 (…)
Naar het oordeel van het hof overweegt het scheidsgerecht terecht dat uit de regel in artikel 29 WVV Pro dat een verdrag, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, van toepassing is op het“entire territory”
van een verdragspartij, kan worden afgeleid dat de BIT 1998 geldt voor het gehele grondgebied waarover een verdragsstaat“settled jurisdiction or control”
uitoefent.
(…)
5.7.22
Het scheidsgerecht heeft vastgesteld – en dit wordt door partijen in deze vernietigingsprocedure ook niet bestreden – dat geen van beide verdragspartijen stappen heeft gezet om te komen tot een beëindiging van de werking van de BIT 1998. Er moet dus vanuit gegaan worden dat het de bedoeling van de verdragspartijen was en nog steeds is om investeringen over en weer op hun respectieve grondgebieden aan te moedigen en te beschermen.
5.7.23
Bij dit voorwerp en dit doel van de BIT 1998 past dat verplichtingen van het verdrag rusten op de verdragspartij die het in haar macht heeft om in een gebied de desbetreffende bescherming daadwerkelijk te bieden, en als uitvloeisel daarvan ten aanzien van dat gebied de verantwoordelijkheid voor de buitenlandse relaties op zich heeft genomen. Er is geen reden om aan te nemen dat partijen ten tijde van het sluiten van het verdrag beoogd hebben verdragsverplichtingen afhankelijk te maken van factoren die niet van belang zijn voor het bieden van rechtsbescherming. Belangrijk onderdeel van die rechtsbescherming wordt gevormd door artikel 5 BIT Pro 1998 (Expropriation
), dat bescherming biedt tegen onteigening en nationalisatie van investeringen. Het is de Russische Federatie die op het grondgebied van de Krim sinds de gebeurtenissen in 2014 deze bevoegdheden uitoefent, met toepassing van de aan Russische overheidsorganen toekomende bevoegdheden. (…)
5.7.24
Ook in de internationale literatuur wordt aangenomen dat verdragen ook van toepassing kunnen zijn op geannexeerde grondgebieden, zeker als het aankomt op de bescherming van individuen (waaronder vallen investeerders van een verdragsstaat). Dat geldt dus ook in het onderhavige geval. Dat is niet anders indien, zoals de Russische Federatie stelt, geen sprake is van annexatie maar van incorporatie. Wat geldt voor geannexeerd gebied, geldt ook voor geïncorporeerd gebied, aangezien de rechtsmacht en effectieve controle over het desbetreffende gebied in beginsel dezelfde is (zie Hap en Wuschka,Horror Vacui: Or Why Investment Treaties Should Apply to Illegally Annexed Territories, Journal of International Arbitration, 33 J.Int.Arb. 256 (2016)
en Costelloe,Treaty Succession in Annexed Territory, 65 ICLQ 2016
).
5.7.25
Gezien het voorgaande is er op basis van de gewone betekenis van artikel 1 lid Pro 1 [lees: lid 4, vgl. rov. 5.4.19 van het Everest-arrest en rov. 5.5.23 van het Belbek-arrest; hof] van de BIT 1998 – dat niet verwijst naarsovereign territory
– gecombineerd met de strekking en het doel van het verdrag, geen reden om aan te nemen dat de Krim niet valt onder deterritory
van de Russische Federatie als bedoeld in het verdrag. Het hof tekent daarbij nog aan dat het bij een uitleg van het verdrag conform de maatstaven van artikel 31 WVV Pro, waar ook wordt gekeken naar het doel en de strekking, niet erop aankomt dat de verdragspartijen ten tijde van het sluiten van het verdrag deze feitelijke situatie, te weten de incorporatie van de Krim door de Russische Federatie vele jaren later, hebben voorzien en onder de werking van het verdrag hebben willen brengen. In zijn algemeenheid is het onmogelijk dat bij het sluiten van een verdrag alle mogelijke toekomstige situaties onder ogen worden gezien. Het komt erop aan na te gaan wat past bij de bedoelingen van partijen ten aanzien van de werking van het verdrag op het moment van het sluiten daarvan.’
(vgl. het
Everest-arrest, rov. 5.4.8, 5.4.11, 5.4.15, 5.4.17, 5.4.19, en het
Belbek-arrest, rov. 5.5.9, 5.5.11-5.5.12, 5.5.14, 5.5.20, 5.5.22-5.5.23)
7.5
Het hof volhardt in het oordeel dat de Krim valt onder de ‘territory’ van de Russische Federatie als bedoeld in art. 1(4) BIT 1998 en in de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. In wat de Russische Federatie in deze zaak hierover naarvoren heeft gebracht, ziet het hof geen aanleiding van dit oordeel of deze overwegingen terug te komen. In dit verband overweegt het hof nog het volgende.
7.51
Zoals hierboven is overwogen, is de uitleg van de definitiebepaling van art. 1(4) BIT 1998 bepalend voor het ‘territory’-begrip in andere BIT-bepalingen, waaronder dat in art. 1(1). Reeds daarom kan de uitleg van het begrip ‘territory’ in art. 1(1) BIT 1998 niet een andere zijn (en/of tot een andere uitkomst leiden) dan de uitleg die het hof in de
PrivatBank-uitspraken heeft gegeven aan het ‘territory’-begrip in art. 1(4) BIT 1998. Evenmin valt in te zien dat de overwegingen van het hof die tot verwerping van de door de Russische Federatie bepleite uitleg van het ‘territory’-begrip in art. 1(4) BIT 1998 hebben gevoerd, niet ook tot verwerping van die uitleg van het ‘territory’-begrip in art. 1(1) BIT 1998 moeten leiden.
7.52
Het oordeel van het hof in de
PrivatBank-arresten dat de Krim valt onder de ‘territory’ van de Russische Federatie als bedoeld in art. 1(4) BIT 1998, sluit aan bij par. 490 van het arbitraal vonnis dat als volgt luidt:
‘The Tribunal further observes that the text of Article 1(4) seems to aim at the broadest possible definition of territory and seems to seek to include the entire territory of both Contracting Parties. This is not a surprising feature in an investment treaty and is also in line with the general rule in the law on treaties, which would apply if the Treaty did not define its territorial scope itself,i.e.
, that a treaty is binding in respect of the “entire territory” of a party thereto (Article 29 of the VCLT). The Tribunal would expect a deviation from such a standard assumption about the scope of a treaty to be explicit in its formulation; in particular, as it would seem artificial to assume that at the time the Treaty
was entered into, its drafters contemplated that there would ever be a possible
discrepancy between the sovereign territory and the“de facto”
territory of one of the Contracting Parties.’
7.53
Dat oordeel sluit tevens aan bij de volgende overwegingen van het Zwitserse Federale Hooggerechtshof in zijn
Ukrnafta- en
Stabil-uitspraken (in een Engelse vertaling overgelegd als productie 10 bij conclusie van antwoord, vergelijk hierboven rov. 7.42):
‘4.3.2 (…) under Art. 29 VCLT Pro, a treaty is binding on each Contracting Party “in respect of its entire territory,” unless a different intention appears from the treaty or is otherwise established. The deciding point is that according to general principles, in the event of territorial changes, a treaty is still applicable to the entire territory (i.e. the territory that is now changed) (…) The Appellant [de Russische Federatie; hof] is also unable to adduce any evidence for its thesis of a static understanding of the territory concerned (meaning a restriction to the sovereign territory at the time when the agreement was made). Therefore nothing argues against the arbitral tribunal’s interpretation that a change in territory that takes place after the agreement was made is to be included under Art. 1 (4) IPA 1998.’
7.54
Dat uit het BIT 1998 volgt dat het de bedoeling is dat het verdrag niet geldt voor het gehele grondgebied van de verdragsstaten of dat van alleen de Russische Federatie, is in deze zaak gesteld noch gebleken. Evenmin is gesteld of gebleken dat na de wijziging van het grondgebied van de Russische Federatie als gevolg van de gebeurtenissen op de Krim in 2014, partijen een andere territoriale werking van het BIT 1998 dan het gehele grondgebied hebben heronderhandeld of stilzwijgend goedgekeurd.
7.55
Het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat diverse uitlatingen van de Russische Federatie erop wijzen dat zij van mening is dat de Krim deel uitmaakt van haar grondgebied, waaraan het de conclusie heeft verbonden dat de Russische Federatie
‘does not, but also could not, deny that, from the Respondent’s perspective, the Crimean Peninsula belongs to “the territory of [Russia]... as well as [its] exclusive economic zone and the continental shelf, defined in accordance with international law”’(arbitraal vonnis, par. 480-481)
.
Dat de Russische Federatie sinds de gebeurtenissen in 2014 de feitelijke controle op het grondgebied van de Krim heeft en dat zij feitelijk de mogelijkheid (macht) heeft om de door het BIT 1998 geboden bescherming van investeringen op de Krim daadwerkelijk te bieden, staat (ook) in deze zaak niet ter discussie. Zo heeft het scheidsgerecht – door partijen onweersproken – vastgesteld dat
‘to this day, the Respondent was and is in control of the Crimean Peninsula’,
en overwogen dat
‘[t]he fact that the Respondent was able to effect and maintain an expropriation itself is convincing evidence of control in the view of the Tribunal’(arbitraal vonnis, par. 489, onder weglating van voetnoot 563)
.
Verder is (ook) in deze zaak niet gesteld of gebleken dat partijen stappen hebben gezet om te komen tot een beëindiging van de werking van het BIT 1998, zodat (in rechte) ervan moet worden uitgegaan dat het nog steeds de bedoeling van partijen is om investeringen over en weer op hun respectieve grondgebieden aan te moedigen en te beschermen.
7.56
De door de Russische Federatie overgelegde lijst met verklaringen kan het voorgaande niet anders maken. Anders dan de Russische Federatie stelt, valt uit die verklaringen niet af te leiden dat de internationale
communio opiniois dat investeerders op de Krim geen beroep kunnen doen op de bescherming van bestaande bilaterale investeringsverdragen met de Russische Federatie. Het hof leest in die verklaringen – gelezen in hun geheel – namelijk niet meer of minder dan afwijzende reacties van verdragsstaten bij andere bilaterale investeringsverdragen (dan het BIT 1998) op een voorstel (‘note’) van de Russische Federatie om in onderhandeling te treden over (een uitbreiding van) het territoriale toepassingsgebied van die verdragen in relatie tot de Krim, waarbij die afwijzende reacties zijn ingegeven doordat deze staten vooropstellen dat zij de rechtmatigheid van de annexatie van de Krim door de Russische Federatie niet erkennen.
7.57
Uit het voorgaande volgt dat de door de Russische Federatie bepleite uitleg van het begrip ‘territory’ in art. 1(1) BIT 1998 moet worden verworpen en dat dat begrip niet in de weg staat aan de bevoegdheid van het scheidsgerecht.
bewijsaanbod
7.58
Aan het bewijsaanbod van de Russische Federatie (in inleidende dagvaarding, nr. 48) gaat het hof voorbij omdat het onvoldoende specifiek is.
ten overvloede
7.59
Voor de goede orde overweegt het hof nog dat naar zijn oordeel in het midden kan blijven wat de Russische Federatie heeft opgemerkt over de persoon van [betrokkene] en de voorzitter van het scheidsgerecht in deze zaak Donald McRae. De Russische Federatie heeft hieraan immers geen (voldoende concrete) gevolgen verbonden voor deze vernietigingsprocedure. Wat betreft McRae geldt bovendien dat het hof de bevoegdheid van het scheidsgerecht vol heeft getoetst, zodat de opmerkingen van de Russische Federatie ook daarom niet relevant kunnen zijn voor de uitkomst van deze zaak.
conclusie en proceskosten
7.6
De conclusie is dat de vordering tot vernietiging van de arbitrale vonnissen moet worden afgewezen. De Russiche Federatie zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in proceskosten gevallen aan de zijde van Lugzor c.s.
7.61
Het hof begroot die proceskosten tot op heden op:
griffierecht € 11.379,--
salaris advocaat € 19.827,-- (drie punten × tarief VIII (€ 6.609,-- per punt))
nakosten € 189,--(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 31.395,--
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

8.Beslissing

Het hof:
- wijst de vordering tot vernietiging van de arbitrale vonnissen af;
  • veroordeelt de Russische Federatie in de kosten van de procedure aan de zijde van Lugzor c.s. begroot op € 31.395,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Russische Federatie deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als de Russische Federatie niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de Russische Federatie de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Russische Federatie deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.J. van Kooten, H.J.M. Burg en R.M Hermans, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.O.a. HR 6 december 2024 (
2.Trb. 1972, 51 en 1985, 79.
3.HR 27 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6443.
4.Vgl. HR 27 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6443, rov. 3.4.1-3.4.2.
5.Arbitraal vonnis van 19 november 2007 van het International Centre for the Settlement of Investment Disputes, overgelegd als prod. 7 bij inleidende dagvaarding.
6.Gerechtshof Den Haag 19 juli 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1294 (
7.HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1807 (