Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1988

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
22-003506-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c SrArt. 36f SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling met beperkte vaststelling zwaar lichamelijk letsel en toewijzing schadevergoeding

In hoger beroep tegen de vrijspraak van mishandeling op een voetbalveld heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de politierechter vernietigd. De verdachte werd bewezen mishandeling ten laste gelegd waarbij het slachtoffer letsel aan het oor en gehoorverlies opliep. Het hof achtte bewezen dat de verdachte het slachtoffer stompte, maar niet dat het gehoorverlies zwaar lichamelijk letsel betrof zoals bedoeld in artikel 300 Sr Pro.

De medische stukken toonden een scheur in het kraakbeen, hechtingen, een verdikking in de gehoorgang en asymmetrisch perceptief gehoorverlies met tinnitus, maar het hof vond onvoldoende bewijs voor blijvend en ernstig gehoorverlies. De mishandeling vond plaats tijdens een voetbalwedstrijd in aanwezigheid van minderjarigen, waaronder de zoon van de verdachte, wat de ernst van het feit vergrootte.

Het hof veroordeelde de verdachte tot een geldboete van €1.500 en 15 dagen hechtenis, rekening houdend met de draagkracht en omstandigheden. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij tot materiële en immateriële schadevergoeding van in totaal €5.349,70 toegewezen, inclusief wettelijke rente vanaf verschillende data. De verdachte werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot geldboete van €1.500 en 15 dagen hechtenis, met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding van €5.349,70 aan slachtoffer.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Rolnummer: 22-003506-24
Parketnummer: 10-082888-23
Datum uitspraak: 12 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van
7 oktober 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1972,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 25 maart 2023 te Hellevoetsluis, gemeente [naam gemeente] , [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen de kaak en/of het oor, in elk geval het hoofd, te stompen/slaan (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen), terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten (blijvend) gehoorverlies ten gevolge heeft gehad.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 900,00. Voorts heeft de advocaat-generaal de gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks25 maart 2023 te Hellevoetsluis, gemeente [naam gemeente] , [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]
meermalen, althans eenmaal,tegen de kaak en
/ofhet oor
, in elk geval het hoofd, te stompen
/slaan (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen
), terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten (blijvend) gehoorverlies ten gevolge heeft gehad;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Vrijspraakoverweging ten aanzien van het zwaar lichamelijk letsel.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. De raadsman heeft in dat verband onder meer aangevoerd dat het door het slachtoffer opgelopen letsel niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, onder meer nu de door het slachtoffer ervaren pieptoon in het oor (tinnitus) op enig moment is verminderd, dan wel is verdwenen.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Volgens de Hoge Raad is bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel onder meer van belang de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Het verlies van het gebruik van een zintuig kan als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt (zie HR 3 juli 2018, NJ 2020/200). Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn in geval van blijvend gehoorverlies (zie HR 7 oktober 2025, NJ 2026/150 met noot H.D. Wolswijk.)
Uit de medische informatie in het dossier, zowel van kort na het incident als van wat latere datum, volgt dat het slachtoffer als gevolg van het handelen van de verdachte letsel aan zijn oor en gehoorverlies heeft opgelopen. In de verslaglegging van 7 juni 2023 wordt vermeld dat bij het slachtoffer sprake is van hechtingen, een scheur in het kraakbeen, een verdikking in de gehoorgang en een asymmetrisch perceptief gehoorverlies aan het linkeroor, welk gehoorverlies zeer waarschijnlijk blijvend is. Ook wordt daarin gesproken van tinnitus. Uit de verslaglegging van 12 februari 2024 blijkt dat op dat moment nog steeds sprake is van asymmetrisch perceptief gehoorverlies met een lichte conductieve component.
Het hof acht – met de raadsman en anders dan de advocaat-generaal – niet wettig en overtuigend bewezen dat het slachtoffer ten gevolge van de mishandeling door de verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Daarbij is van belang dat de meest recente beschikbare medische informatie over de gevolgen van de klap dateert van meer dan twee jaar geleden. Er is in hoger beroep geen nieuwe medische informatie dienaangaande ingebracht. Dat sprake is van blijvend gehoorverlies kan op grond van de voorhanden zijnde medische informatie niet zonder meer worden vastgesteld. Voorts is naar het oordeel van het hof onvoldoende komen vast te staan over de mate en/of ernst van het gehoorverlies en de tinnitus alsmede over de (duur van) de beperkingen die deze voor het slachtoffer hebben opgeleverd en al dan niet nog steeds opleveren, om – alles in samenhang bezien – te kunnen concluderen dat sprake is van (blijvend) gehoorverlies van een aard en ernst dat zodanig is dat dit kan worden beschouwd zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 300 Sr Pro.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Daarbij heeft de verdachte het slachtoffer, de huidige partner van de moeder van zijn kind, tijdens een voetbalwedstrijd gestompt, waardoor het slachtoffer letsel aan het linkeroor heeft opgelopen.
Het hof rekent het de verdachte aan dat hij een conflict over de omgang met zijn zoon met geweld heeft beslecht en daarmee een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien vond de mishandeling plaats tijdens een voetbalwedstrijd in bijzijn van minderjarige omstanders, onder wie zijn eigen zoon, bij wie gevoelens van angst en onveiligheid worden aangewakkerd door zulk geweld.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt. De hoogte van de door de advocaat-generaal gevorderde geldboete doet naar het oordeel van het hof echter geen recht aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dat is begaan, waarbij het hof ook heeft gelet op de lichamelijke gevolgen die het feit voor het slachtoffer heeft gehad. Dat het hof die niet aanmerkt als ‘zwaar lichamelijk letsel’, maakt niet dat het hof die gevolgen niet betrekt bij de strafbepaling.
Bij de bepaling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van – na vermindering van de vordering ter terechtzitting in eerste aanleg – € 5.349,70. De vordering is in hoger beroep gehandhaafd tot – naar het hof begrijpt – dat bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, in die zin dat vrijspraak is bepleit, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in die vordering, alsmede (subsidiair) in die zin dat de verdediging heeft betwist dat voldoende is gebleken de benadeelde partij drie weken niet heeft kunnen werken. Voorts is betoogd dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zodat de hoogte van de eventueel toe te kennen immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat tot een bedrag van € 3.349,70 materiële schade is geleden.
De vordering tot schadevergoeding in verband met verlies van arbeidsvermogen (gederfde inkomsten) is door de benadeelde partij ter terechtzitting in eerste aanleg verlaagd tot € 3.000,-. Het hof dient bij haar beoordeling dan ook uit te gaan van dit verlaagde bedrag. Door de verdachte is dit verlies van arbeidsvermogen, tegenover hetgeen daarover door de benadeelde partij in de toelichting op dit onderdeel van de vordering is gesteld en ten bewijze daarvan is ingebracht, onvoldoende gemotiveerd betwist. De feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden zijn in voldoende mate komen vast te staan. Het hof wijst dit bedrag daarom in zijn geheel toe.
De verdere materiële schade die door de benadeelde partij is gevorderd betreft schade in verband met een beschadigd joggingspak ad € 80,94, reiskosten ad € 80,72, en het eigen risico 2024 ad € 188,04, dat de benadeelde partij heeft voldaan aan de ziektekostenverzekeraar. Voor elk van deze posten is eveneens voldoende komen vast te staan dat de schade is geleden en een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
De vordering van de benadeelde partij in verband met de materiële schade zal derhalve tot genoemd bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag.
De wettelijke rente in verband met verlies van arbeidsvermogen wordt toegewezen vanaf 20 april 2023 – deze datum ligt in het midden van de periode waarin de werkzaamheden hadden zullen plaatsvinden – tot aan de dag der algehele voldoening.
De wettelijke rente over het bedrag dat verband houdt met het beschadigde joggingpak wordt toegewezen vanaf 25 maart 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De wettelijke rente over de reiskosten vanaf 1 mei 2023 – deze datum ligt in het midden van de periode waarin de betreffende reizen hebben plaatsgevonden – tot aan de dag der algehele voldoening. De rente over het eigen risico tenslotte wordt toegewezen vanaf 1 juli 2024 – omstreeks die datum is dit bedrag blijkens de factuur afgeschreven van de rekening van de benadeelde partij – tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof is ook van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek, nu sprake is van lichamelijk letsel, in het bijzonder letsel aan het oor en gehoorverlies. De immateriële schade is het rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot het gevorderde bedrag van € 2.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 maart 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor wat de betreft de hoogte van de schade heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering en de leeftijd van het slachtoffer in acht genomen. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.349,70 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.349,70 (vijfduizend driehonderdnegenenveertig euro en zeventig cent) bestaande uit € 3.349,70 (drieduizend driehonderdnegenenveertig euro en zeventig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 5.349,70 (vijfduizend driehonderdnegenenveertig euro en zeventig cent) bestaande uit
€ 3.349,70 (drieduizend driehonderdnegenenveertig euro en zeventig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 53 (drieënvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade:
  • in verband met de schade aan het joggingpak (€ 80,94) op 25 maart 2023,
  • in verband met het verlies van arbeidsvermogen (€ 3.000,00) op 20 april 2023,
  • in verband met de reiskosten (€ 80,72) op 1 mei 2023,
  • in verband met het eigen risico (€ 188,04) op 1 juli 2024.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voorde immateriële schade (€ 2.000,00) op 25 maart 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, als voorzitter, mr. M.A.J. van de Kar en mr. A.F.H. ten Brummelhuis, leden, in bijzijn van de griffier mr. D. Teering.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 juni 2026.