Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:2012

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
22-002239-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 63 SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor pinpasfraude met gebruik valse sleutels en verlenging proeftijd

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand voor het plegen van pinpasfraude waarbij hij met een valse sleutel toegang had verkregen tot de pinpas van het slachtoffer. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan.

Het hof acht bewezen dat de verdachte op 3 december 2023 meerdere pintransacties verrichtte met een bankpas die door middel van een babbeltruc was verkregen. De verdachte wist dat de pinpas uit een misdrijf afkomstig was, ondanks zijn wisselende verklaringen en het niet noemen van de vermeende vriend die hem de pas zou hebben gegeven. De transacties vonden plaats in verschillende steden binnen korte tijd en tijdens nachtelijke uren.

De verdediging voerde aan dat de verdachte onwetend was over de herkomst van de pinpas, maar het hof verwierp dit verweer gelet op de omstandigheden en het bewijs. De verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand. Tevens werd de proeftijd van een eerdere taakstraf met één jaar verlengd omdat de verdachte tijdens de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegde.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot één maand onvoorwaardelijke gevangenisstraf en verlenging van de proeftijd met één jaar.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002239-25
Parketnummers: 10-012998-24 en 09-099440-23 (tul)
Datum uitspraak: 22 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van
10 juli 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004,
ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in [verblijfplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Voorts is de proeftijd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 7 juli 2023 met parketnummer 09-099440-23 voorwaardelijk opgelegde taakstraf verlengd met één jaar.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 3 december 2023 te Leiderdorp, althans in Nederland meermaals een geldbedrag, in totaal E 704,90, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) (contactloos) te betalen, althans onbevoegd gebruik te maken van een bankpas toebehorende aan voornoemde [slachtoffer] .

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep integraal zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks3 december 2023
te Leiderdorp, althansin Nederland meermaals een geldbedrag, in totaal E 704,90,
in elk geval enig goed,dat
geheel of ten deleaan [slachtoffer] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en
/ofdie weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door
(telkens
) (contactloos) te betalen, althansonbevoegd gebruik te maken van een bankpas toebehorende aan voornoemde [slachtoffer] .
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bespreking bewijsverweer

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig haar overgelegde pleitaantekeningen aangevoerd dat de verdachte de pinpas van een vriend heeft gekregen met de vraag of hij daarmee geld wilde pinnen. De verdachte wist niet dat de pinpas was ontvreemd en dat de pintransactie als zodanig strafbaar zou kunnen zijn. Hij pinde wel vaker met pinpassen van familie en vrienden. Bovendien had hij de bij de pinpas behorende pincode van die vriend gekregen. Op grond van het vorenstaande dient de verdachte te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit de aangifte blijkt dat aangeefster op 3 december 2023 vanaf omstreeks 00:15 uur tot ongeveer 04:00 uur met een vermeende medewerkster van [naam bank] aan de telefoon heeft gezeten. Deze vrouw had aangeefster verteld dat haar rekening zou zijn gehackt en dat daarom iemand haar pinpas zou komen ophalen. Ruim 2 uur later, omstreeks 2.15 uur kwam er een man aan haar deur in Rotterdam aan wie ze haar pinpas mee heeft gegeven. In haar bankgegevens zag zij dat er om 02:43 uur € 100,00 is gepind bij [naam tankstation 1] te Pijnacker, om 03:01 uur twee bedragen, te weten € 104,90 en € 100,00, bij [naam tankstation 2] Leiderdorp. Vervolgens is er om 3.25 uur € 200,00 en om 3.26 uur € 200,00 gepind bij een ATM-pinautomaat aan de Overtoom 89 te Amsterdam.
Tijdens deze pintransacties werd zij door de vermeende medewerkster aan de praat gehouden. Om 04:00 werd de verbinding plotseling verbroken, volgens aangeefster konden er toen geen bedragen meer worden opgenomen want de limiet was bereikt.
De verdachte is herkend op de camerabeelden die van alle pintransacties zijn gemaakt.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bekend dat hij genoemde geldbedragen heeft gepind en verklaard dat hij onder meer Paysafe kaarten heeft gekocht bij de twee pompstations. Hij had dat moeten doen voor de vriend die als bijrijder naast hem in de auto zat. De verdachte wist niet dat de pinpas door iemand was weggenomen. Hij heeft de naam van die vriend niet willen noemen.
De verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd. In zijn verhoor bij de politie zei hij dat hij niets kon verklaren over de pinbetalingen en zich niet kon herinneren hoe hij aan de pinpas en pincode was gekomen. Op de terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat ‘hij ging tanken en wat lekkers heeft gekocht bij een tankstation’ en dat het ‘wel kan kloppen’ dat hij € 704,90 heeft gepind. Pas voor het eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij – ter verklaring van het feit dat ronde bedragen van € 100,00 bij de tankstations werden gepind – verklaard over het kopen van de Paysafe kaarten bij de pompstations.
Het hof acht het door de verdachte geschetste scenario dat hij de vijf transacties op verzoek van een vriend heeft verricht en niet wist dat de bankpas van misdrijf afkomstig was, niet aannemelijk. Het hof neemt hierbij niet alleen in aanmerking dat de verdachte over de gang van zaken wisselend heeft verklaard en de naam van die vriend niet heeft willen noemen maar hecht ook belang aan de feiten en omstandigheden waaronder de pintransacties hebben plaatsgevonden. Zo zijn er grote en vooral ronde bedragen door de verdachte gepind, vond de eerste pintransactie plaats binnen 28 minuten nadat aangeefster haar pinpas had afgegeven, werden de vijf geldbedragen in minder dan drie kwartier in verschillende steden in Nederland tijdens de nachtelijke uren van de bankrekening opgenomen en zijn ze pas gestopt nadat de opnamelimiet van aangeefster was bereikt. Het is daarbij ook niet erg logisch dat juist een bijrijder aan de verdachte als bestuurder zou vragen voor hem te pinnen. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal, waarbij hij de pinpas en pincode van het slachtoffer, die door middel van een babbeltruc waren verkregen, heeft gebruikt om verschillende geldbedragen van haar rekening te pinnen. De verdachte heeft aldus getoond geen enkel respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen.
Hij heeft klaarblijkelijk enkel gehandeld met het oog op eigen financieel gewin.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en hij in een proeftijd van een ander strafbaar feit liep. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Het hof is – alles afwegende – met de eerste rechter van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, als door de verdediging bepleit, acht het hof gelet op de ernst van het feit niet passend.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 7 juli 2023 met parketnummer 09-099440-23 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 6o uren, met bevel dat een deel van die taakstraf, te weten 30 uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, gevorderd dat de proeftijd met één jaar zal worden verlengd.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering is in beginsel toewijsbaar.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, is het hof met de advocaat-generaal en de eerste rechter van oordeel dat de proeftijd met één jaar moet worden verlengd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank
Den Haag van 7 juli 2023 met parketnummer 09-099440-23, met een termijn van 1 (één) jaar.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, mr. H.A.G. Nijman en mr. O.E.M. Leinarts, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 april 2026.