Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:2014

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
22-001991-23
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 6:106 BWArt. 6:108 lid 2 BWArt. 27 lid 1 SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep doodslag ex-schoonvader door wurging met complexe doodsoorzaken

Op 13 maart 2018 werd het slachtoffer door de verdachte gewurgd in diens woning te Rijswijk, waarna het slachtoffer overleed. Het hof bevestigt de bewezenverklaring van doodslag, ondanks de aanwezigheid van hartafwijkingen bij het slachtoffer die mogelijk mede aan de dood hebben bijgedragen.

De verdachte ontkende opzettelijk te hebben gewurgd en stelde dat het letsel door een val was ontstaan. Deskundigen concludeerden echter dat het letsel aan het tongbeen en de bloeduitstortingen in de hals vrijwel uitsluitend door samendrukkend geweld konden zijn veroorzaakt, hetgeen het hof overtuigde van wurging.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaar en 6 maanden, met aftrek van voorarrest, en kreeg een contact- en locatieverbod opgelegd. De redelijke termijn was overschreden, waardoor de straf met 6 maanden werd verminderd. Vordering tot shockschade door een benadeelde partij werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en kan bij de civiele rechter worden ingediend.

De materiële schadevorderingen van twee benadeelde partijen werden deels toegewezen, met betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers. Het hof motiveerde uitgebreid de strafoplegging en de afwijzing van het shockschadeverzoek, waarbij het leed van de nabestaanden werd erkend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 9 jaar en 6 maanden gevangenisstraf wegens doodslag door wurging met oplegging van contact- en locatieverbod; vordering shockschade afgewezen.

Uitspraak

PROMIS
Rolnummer: 22-001991-23
Parketnummer: 09-827133-18
Datum uitspraak: 15 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 december 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1971,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en -na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden- het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals weergegeven
in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 maart 2018 te Rijswijk, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] te wurgen, althans de keel van die [slachtoffer] (met een voorwerp) dicht te knijpen en/of dicht te houden.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd in de vorm van een contactverbod met de benadeelde partijen en een locatieverbod ten aanzien van [plaats] , waarbij de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar zal worden verklaard. Tenslotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de schorsing van het bevel voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen. Het hof komt weliswaar tot dezelfde bewezenverklaring als de rechtbank, maar de bewijsvoering behoeft naar het oordeel van het hof aanpassing(en) en voorts zijn de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen in hoger beroep anders, omdat deze (deels) zijn ingetrokken. Ook komt het hof tot een andere strafoplegging. Het (partieel) bevestigen van het vonnis zou gelet hierop een te weinig overzichtelijk samenstel aan beslissingen en motiveringen opleveren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks13 maart 2018 te Rijswijk,
althans in Nederland,[slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] te wurgen,
althans de keel van die [slachtoffer] (met een voorwerp) dicht te knijpen en/of dicht te houden;.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen opgenomen in de voetnoten onder de bewijsoverwegingen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
Voor zover geschriften zijn gebruikt, zijn deze slechts gebruikt in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen, die op hetzelfde feit betrekking hebben.
Bewijsoverwegingen [1]
Grotendeels in overeenstemming met de overwegingen van de rechtbank overweegt het hof het volgende.
Op basis van het onderzoek ter terechtzitting kunnen de volgende feiten op basis van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.
In de ochtend van 13 maart 2018 vertrok [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) naar de woning van de verdachte, zijn ex-schoonzoon, in Rijswijk om volgens afspraak een televisie op te halen. Later die dag had [slachtoffer] een biljartwedstrijd, maar daar kwam hij niet opdagen. Hierop hebben zijn vrouw en zijn dochter meermalen geprobeerd hem te bellen. [slachtoffer] reageerde echter niet op de oproepen, waarna de politie werd gealarmeerd. [2] Toen politieagenten uiteindelijk ’s avonds de woning van de verdachte betraden, troffen zij de verdachte aan in zijn bed, onder invloed van slaapmedicatie. Naast het bed, op de vloer van de slaapkamer van de verdachte, werd het levenloze lichaam van [slachtoffer] aangetroffen. De verdachte is hierop aangehouden. [3]
Op het lichaam van [slachtoffer] is sectie verricht. Bij de sectie werd onder meer vastgesteld dat [slachtoffer] inwendig in de hals verschillende bloeduitstortingen had: in de rechterspeekselklier, rondom de linkerhoorn van het tongbeen en aan beide zijden aan de onderrand van het tongbeen. Ook werden er twee bloeduitstortingen geconstateerd in de spieren laag in de hals, op de overgang naar de borstkas. Bij nader onderzoek van de hals werd een breuk in de linker grote hoorn van het tongbeen met omgevende bloeduitstorting vastgesteld. [4] De letsels in de hals zijn bij leven ontstaan. [5] Naast deze letsels is bij de sectie ook vastgesteld dat het hart van [slachtoffer] te zwaar was en dat hij leed aan een hartspierontsteking (lymfocytaire myocarditis). [6]
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – een en ander zoals verwoord in haar pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.
Daartoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat op basis van de verklaringen van de deskundigen en de bevindingen in het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de dood van [slachtoffer] heeft veroorzaakt. Indien het hof van oordeel is dat hij de dood van [slachtoffer] wel heeft veroorzaakt door [slachtoffer] te wurgen, dan had de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet op zijn dood.
De vraag die het hof moet beantwoorden is of kan worden bewezen dat de verdachte de dood van [slachtoffer] heeft veroorzaakt en zo ja, of hij dat opzettelijk heeft gedaan.
Bij de beantwoording van die vraag zullen in het navolgende allereerst de bevindingen van de deskundigen omtrent de oorzaak van overlijden van [slachtoffer] in ogenschouw worden genomen.
1.
De oorzaak van het overlijden
Zoals hiervoor is vermeld, is bij [slachtoffer] niet alleen letsel in de hals aangetroffen, maar is ook vastgesteld dat hij aan twee hartaandoeningen leed, te weten een hartspierontsteking (myocarditis) en een vergroot hart. Allereerst dient het hof vast te stellen waaraan [slachtoffer] is overleden.
Verklaringen van de deskundigen
Over de doodsoorzaak van [slachtoffer] hebben drie deskundigen zich uitgelaten.
Naar aanleiding van het in de inleiding besproken sectierapport d.d. 14 augustus 2018 van dr. V. Soerdjbalie-Maikoe heeft deze deskundige aanvullende vragen van de officier van justitie toegestuurd gekregen over onder meer de hartspierontsteking van het slachtoffer en wat wordt verstaan onder stomp/botsend geweld. Daarop heeft dr. Soerdjbalie-Maikoe cardiopatholoog prof. dr. A.C. van der Wal van het Academisch Medisch Centrum geconsulteerd. Prof. dr. Van der Wal heeft op 31 januari 2019 zijn bevindingen vastgelegd in een verslag, waarna dr. Soerdjbalie-Maikoe bij brief d.d. 12 februari 2019, mede aan de hand van dit verslag, de aanvullende vragen van de officier van justitie heeft beantwoord. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 april 2019 is dr. Soerdjbalie-Maikoe als deskundige gehoord. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 mei 2019 heeft de rechtbank, na een daartoe strekkend verzoek van de raadsman, dr. C.M. Milroy, forensisch patholoog, als deskundige benoemd teneinde hem te laten rapporteren over de door dr. Soerdjbalie-Maikoe gedane pathologische bevindingen en haar interpretatie daarvan. Dr. Milroy heeft hier op 19 juli 2019 rapport over uitgebracht.
In eerste aanleg zijn op de terechtzitting van 19 november 2019 alle drie de deskundigen (nogmaals) gehoord over hun bevindingen omtrent de doodsoorzaak.
De bevindingen van de deskundigen houden het volgende in.
Dr. C.M. Milroyheeft ter terechtzitting van 19 november 2019 overeenkomstig zijn rapport van 19 juli 2019 verklaard dat de pathologische bevindingen in deze zaak naar zijn mening meerdere mogelijke doodsoorzaken opleveren.
Dr. Milroy heeft het vergrote hart (in het Engels)
significantgenoemd, wat volgens hem ‘meer dan het minimum’ betekent. Het hoeft dus niet de enige of de belangrijkste factor te zijn, zolang het maar een factor is, aldus dr. Milroy.
Een dermate vergroot hart kan, evenals de myocarditis, op zichzelf leiden tot een plotselinge dood, eventueel getriggerd door fysieke of emotionele stress. Deze aandoeningen hoeven echter niet altijd tot fataal hartfalen te leiden. Personen kunnen immers ook
meteen bepaalde ziekte overlijden en niet
als gevolgvan die ziekte. Over het letsel in de hals heeft dr. Milroy verklaard dat, indien hij een jong persoon had onderzocht waarbij slechts sprake was van een gebroken tongbeen en bloedingen in de nekweefsels, hij geen enkele twijfel zou hebben dat de doodsoorzaak compressie van de hals is geweest. Als doodsoorzaak in deze zaak zou hij compressie van de hals samen met de hartziekten hebben opgegeven. [7]
Dr. Milroy merkt nog op dat, indien sprake is geweest van samenpersing van de hals, men de vraag zou kunnen stellen welk effect de aanwezige hartziekte heeft gehad op de duur van die samenpersing. Er is geen manier waarop kan worden vastgesteld hoe lang het duurt om iemand te doden door samenpersing van de hals. [8] De kracht die nodig is om een tongbeen te breken kan relatief van voorbijgaande aard zijn, hoewel waarschijnlijk een minuut of twee aan continue druk nodig is in het geval van een gezond persoon. Sommigen spreken van een ondergrens van 30 seconden. Dan nog kan men volgens dr. Milroy discussiëren over de vraag hoe lang die druk moet worden uitgeoefend. Als bij een persoon sprake is van een hartziekte, is hier mogelijk minder tijd voor nodig. Uiteindelijk is bij ieder overlijden sprake van een hart dat overgaat op een abnormaal ritme. Het is daarom mogelijk dat het hart een factor is geweest waardoor de hals minder lang samen hoeft te zijn geperst. [9]
Prof. dr. A.C. van der Walheeft ter zitting in eerste aanleg van 19 november 2019 in aanvulling op zijn verslag van 31 januari 2019 verklaard dat bij het slachtoffer sprake was van een geringe acute myocarditis. Deze mate van myocarditis valt in de categorie van de relatief geringe hartafwijkingen, ook wel
minor abnormalitiesgenoemd. [10]
Met betrekking tot de zwaarte van het hart heeft prof. dr. Van der Wal verklaard het eens te zijn met de stelling van dr. Soerdjbalie-Maikoe dat bij het slachtoffer sprake was van een geringe vergroting van het hart. Het hartgewicht van het slachtoffer lag ongeveer 70 gram boven de bovengrens van het normaalgewicht van het hart van een persoon met dat lichaamsgewicht en die lichaamslengte. Hiermee valt de geringe vergroting van het hart ook in de categorie
minor abnormalities. [11] Aldus was sprake van een hart waarin
minor abnormalitiesaanwezig waren. De aanwezigheid van de combinatie van een vergroot hart en myocarditis betekent echter niet dat er dan op wiskundige wijze sprake is van een twee keer zo grote kans op hartdood. Er zijn ook geen argumenten om aan te nemen dat de combinatie van beide aandoeningen een verhoogd risico op overlijden geeft, aldus prof. dr. Van der Wal. [12]
Wanneer sprake is van een hartafwijking die valt in de categorie
minor abnormalities, is het overlijden van een persoon niet zonder meer te verklaren door die hartafwijking.
Pas wanneer andere doodsoorzaken kunnen worden uitgesloten, kun je die geringe afwijking als doodsoorzaak accepteren, aldus prof. dr. Van der Wal. [13]
Dr. V. Soerdjbalie-Maikoeheeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 november 2019 aangegeven te persisteren bij haar conclusies zoals weergegeven in de beantwoording van de aanvullende vragen van 12 februari 2019 en de door haar afgelegde verklaring op de terechtzitting in eerste aanleg van 16 april 2019.
Zij heeft nogmaals benadrukt dat bij het slachtoffer een discrete myocarditis en een iets te zwaar hart zijn geconstateerd. Beide afwijkingen aan het hart beschouwt zij als
minor abnormalities. Naast deze
minor abnormalitiesvan het hart is bij de sectie een forensisch-pathologisch substraat van geweld op de hals vastgesteld waaruit de dood kan worden verklaard. Gelet op hetgeen door prof. dr. Van der Wal is uiteengezet, maakt de aanwezigheid van letsel aan de hals met daarnaast een
minor abnormalitydat dr.
Soerdjbali-Maikoe het waarschijnlijker vindt dat het geweld op de hals een belangrijke factor is geweest voor de doodsoorzaak en dat zij de geringe myocarditis minder zwaar meeweegt. Het geweld op de hals beschouwt dr. Soerdjbalie-Maikoe dus als belangrijkste factor voor de doodsoorzaak. De hartaandoening(en) weegt zij in mindere mate mee. [14]
Oordeel van het hof
Dr. Milroy heeft aangegeven dat er wat hem betreft in beginsel drie mogelijke doodsoorzaken in deze zaak zijn aan te wijzen. Beide hartaandoeningen zijn dermate ernstig dat een verder gezond persoon hier plotseling aan zou kunnen overlijden. Ook het geweld op de hals zou op zichzelf het intreden van de dood kunnen verklaren. Geconfronteerd met het feit dat in deze zaak sprake is van een combinatie van deze drie factoren, heeft dr. Milroy verklaard dat hij als doodsoorzaak compressie van de hals zou opgeven, samen met de hartziekten. Prof. dr. Van der Wal en dr. Soerdjbalie-Maikoe hebben de hartaandoeningen van het slachtoffer geduid als geringe afwijkingen:
minor abnormalities. Prof. dr. Van der Wal heeft aangegeven dat, indien sprake is van een hartafwijking die in de categorie
minor abnormalitiesvalt, het overlijden van een persoon pas kan worden toegeschreven aan een dergelijke hartafwijking als alle andere doodsoorzaken zijn uitgesloten. Dr. Soerdjbalie-Maikoe heeft aangegeven dat in deze zaak naast de hartaandoeningen inderdaad sprake was van een andere mogelijke doodsoorzaak, namelijk geweld op de hals. Gelet hierop acht dr. Soerdjbalie-Maikoe het niet aannemelijk dat het slachtoffer is overleden aan (één van) de hartaandoeningen.
Op grond van deze deskundigenverklaringen komt het hof evenals de rechtbank tot de conclusie dat de dood van het slachtoffer is veroorzaakt door geweldsinwerking op de hals, al dan niet in combinatie met de aanwezige hartaandoeningen. De oorzaak van het overlijden kan zijn gelegen in louter geweldsinwerking op de hals, maar het is ook mogelijk dat die geweldsinwerking heeft geleid tot fatale ritmestoornissen van het - door de hartaandoeningen verzwakte - hart en dat het slachtoffer uiteindelijk daaraan is overleden. In het laatste geval is de geweldsinwerking dus een noodzakelijke factor geweest voor het ingetreden gevolg.
Dat louter de hartaandoeningen tot de dood van het slachtoffer hebben geleid, is niet aannemelijk geworden, gelet op de bevindingen van prof. dr. Van der Wal en dr. Soerdjbalie-Maikoe dat het geringe afwijkingen betreffen en deze alleen als eventuele doodsoorzaak kunnen worden aanvaard als andere doodsoorzaken moeten worden uitgesloten.

2. De toedracht van het ontstaan van het letsel aan de hals

Nu is vastgesteld dat het slachtoffer is overleden door geweldsinwerking op de hals, dient het hof de vraag te beantwoorden hoe het letsel aan de hals van het slachtoffer is ontstaan.
In de inleiding is reeds beschreven dat het letsel in de hals van het slachtoffer bestond uit een breuk in de linker grote hoorn van het tongbeen met een omgevende bloeduitstorting, bloeduitstortingen in de rechterspeekselklier, rondom de linkerhoorn van het tongbeen en aan beide zijden aan de onderrand van het tongbeen en twee bloeduitstortingen in de spieren laag in de hals, op de overgang naar de borstkas. Ter terechtzitting van 19 november 2019 hebben deskundigen dr. C.M. Milroy en dr. V. Soerdjbalie-Maikoe zich over het ontstaan van dit letsel uitgelaten.
De verklaringen van de verdachte
De verdachte heeft ontkend [slachtoffer] te hebben gewurgd, zoals hem wordt verweten. Hij stelt dat sprake is geweest van een ongeluk, dat tot de dood van het slachtoffer heeft geleid.
De verdachte heeft bij de politie op 14 maart 2018 verklaard dat hij op 13 maart 2018 in de slaapkamer van zijn woning in Rijswijk een discussie met [slachtoffer] kreeg. De verdachte stelt dat hij op een gegeven moment van [slachtoffer] twee klappen kreeg op zijn hoofd en schouder. Hij stond toen zijdelings met de linkerkant van zijn lichaam naar [slachtoffer] toe. Ze vielen samen over het bed. De verdachte heeft eerst verklaard dat hij [slachtoffer] beetpakte, maar heeft daarna verklaard dat hij hem eigenlijk niet echt beetpakte maar hem soort van zich heeft af geduwd. [slachtoffer] is daardoor over het bed gevallen en op zijn rug op de grond terecht gekomen. De verdachte is op het bovenlichaam van [slachtoffer] gevallen. Gevraagd naar wat hij met ‘bovenlichaam’ bedoelde heeft de verdachte verklaard: “borst, hoofd”. De verdachte dacht dat [slachtoffer] knock-out was, [slachtoffer] heeft totdat de politie kwam niet bewogen.
Tijdens zijn tweede verhoor bij de politie op 14 maart 2018 heeft de verdachte verklaard dat hij blijft bij zijn eerder die dag afgelegde verklaring en heeft hij zich verder op zijn zwijgrecht beroepen.
Ter zitting in eerste aanleg van 10 januari 2019 heeft de verdachte verklaard dat [slachtoffer] schuin met zijn borst op het bed is gevallen. Hoewel [slachtoffer] met zijn borst naar de televisie had gestaan is hij door de duw van de verdachte gedraaid, waarna hij van het bed is gekanteld en op de grond is gevallen. Nadat hij [slachtoffer] van zich af had geduwd, verloor de verdachte zijn evenwicht en viel hij met zijn lichaam bovenop [slachtoffer] . De verdachte kwam daarbij op de borstkas van het slachtoffer terecht. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij niet in contact is gekomen met de hals van [slachtoffer] .
Ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2026 heeft de verdachte verklaard dat hij eerst twee klappen kreeg van [slachtoffer] , waarna hij hem heeft weggeduwd in een soort afweerbeweging, dat hij is gevallen en dat hij daarbij met zijn rechter gebogen onderarm tussen de borst en het hoofd van [slachtoffer] , die op de grond lag, terecht is gekomen en zich daarna heeft afgezet op [slachtoffer] om omhoog te komen.
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig haar overgelegde pleitnota op het standpunt gesteld – kort en zakelijk weergegeven – dat
niet wettig en overtuigend, althans niet buiten redelijke twijfel, kan worden geconcludeerd dat [slachtoffer] om het leven is gekomen door verwurging of het dichtknijpen of houden van de keel. De verdediging is van mening dat het letsel aan de hals kan worden verklaard door een val op het bovenlichaam van [slachtoffer] , aangeduid als stompend/botsend geweld. Aannemelijk is dat de verdachte door de val met een arm op de nek van [slachtoffer] terecht is gekomen en dat daardoor het letsel in de hals kan zijn ontstaan.
Verklaringen van de deskundigen
Dr. C.M. Milroyheeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 november 2019 verklaard dat breuken van het tongbeen zeer zeldzaam zijn. Als hij wordt geconfronteerd met breuken in de nek, denkt dr. Milroy aan compressie van de hals als doodsoorzaak. [15]
Onder compressie van de hals kunnen manuele verwurging, verwurging met behulp van een voorwerp en het aanleggen van een armklem worden verstaan. Van deze vormen van samendrukkend geweld acht dr. Milroy het gebruik van een armklem in deze zaak het meest waarschijnlijk. Door het gebruik van een armklem worden verschillende gedeelten van de hals onder druk gezet, wat past bij het geconstateerde letsel in deze zaak. Daarnaast zijn in deze zaak ook geen uitwendige verwondingen in de hals van het slachtoffer aangetroffen. Dit wordt vaker waargenomen bij compressie waarbij gebruik is gemaakt van een armklem. [16]
Uit de literatuur is gebleken dat stomp botsend geweld ook een mogelijke, maar zeer zeldzame oorzaak is van een breuk in het tongbeen. Zo is er bijvoorbeeld een casus bekend van een negentienjarige man die tijdens zijn slaap viel en daarbij zijn tongbeen brak. Hoe het slachtoffer in die casus precies is gevallen, is echter niet bekend. Een val van de verdachte op de hals van het slachtoffer in deze zaak kan dan ook niet helemaal worden uitgesloten, maar het is volgens dr. Milroy wel de vraag of het plausibel is dat het tongbeen van het slachtoffer op deze manier is gebroken.
Over de bloeduitstortingen laag in de hals, op de overgang naar de borstkas, heeft dr. Milroy verklaard dat deze kunnen worden verklaard door plotse overstrekking van de hals ten opzichte van het hoofd, die kan optreden bij het gebruik van een armklem. [17]
Dr. V. Soerdjbalie-Maikoeheeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 november 2019 erop gewezen dat in deze zaak niet alleen sprake is van een lokaal trauma in de hals met slechts een breuk in de linker grote hoorn van het tongbeen, maar dat er ook nog bloeduitstortingen aan beide zijden van de hals zijn geconstateerd. Dergelijk letsel, dus letsel over een groter deel van de hals, kan worden verklaard door samendrukkend geweld op de hals. Verwurging valt onder samendrukkend geweld op de hals.
Uit de literatuur is gebleken dat een breuk van het tongbeen in zeer zeldzame gevallen ook veroorzaakt kan zijn door stomp botsend geweld. Daarbij moet worden opgemerkt dat het stomp botsend geweld in 25 van de 27 in de literatuur beschreven gevallen hoog energetisch
trauma betrof, zoals trauma als gevolg van een val van hoogte of een aanrijding.
In slechts twee van die 27 gevallen ging het om een zogenaamd huis-, tuin- en keukenongeval, zoals een val van lage hoogte, waaronder de door de verdachte beschreven val kan worden geschaard. In één van deze twee gevallen betrof het slachtoffer een rolstoelafhankelijk persoon die zich op geen enkele wijze kon verweren tegen een val, hetgeen geen normale situatie betreft. [18]
De energetische overdracht van krachten bij een val zoals door de verdachte beschreven is simpelweg niet voldoende om een tongbeen te kunnen breken. [19]
Met betrekking tot de bloeduitstortingen laag in de hals heeft dr. Soerdjbalie-Maikoe uitgelegd dat deze het gevolg zijn van overstrekking. Overstrekking is een mechanisme dat optreedt wanneer het hoofd van een persoon plotseling naar achteren wordt bewogen, waardoor de spieren onder druk komen te staan en de bloedvaten in de laatste delen van de spieren scheuren. Overstrekkingsbloedingen kunnen voorkomen bij verwurgingszaken. [20]
Oordeel van het hof
Uit de door dr. Milroy en dr. Soerdjbalie-Maikoe afgelegde deskundigenverklaringen maakt het hof op dat een breuk in het tongbeen een zeldzame vorm van letsel betreft. Beide deskundigen denken bij het aantreffen van dergelijk letsel direct aan samendrukkend geweld op de hals, omdat uit de medisch-wetenschappelijke literatuur blijkt dat het zeer zeldzaam is dat een gebroken tongbeen wordt veroorzaakt door stomp botsend geweld. Indien al sprake is van een breuk in het tongbeen door stomp botsend geweld, werd dit in het overgrote deel van de in de literatuur beschreven gevallen veroorzaakt door een hoog energetisch trauma, zoals trauma als gevolg van een val van grote hoogte of een verkeersongeval.
In de onderhavige zaak was bovendien naast de breuk in het tongbeen ook nog sprake van inwendige bloeduitstortingen rond het tongbeen, in de rechterspeekselklier en aan beide zijden van de hals. Deze bloeduitstortingen passen volgens dr. Milroy bij een armklem, omdat door het gebruik van een armklem druk wordt gezet op verschillende plekken in de hals. Ook dr. Soerdjbalie-Maikoe vindt deze bloeduitstortingen typerend voor het gebruik van samendrukkend geweld. Tot slot zijn ook bloeduitstortingen in de lage hals aangetroffen, die volgens beide deskundigen bij samendrukkend geweld kunnen passen.
Al het voorgaande in samenhang bezien, komt het hof evenals de rechtbank tot de conclusie dat het door de raadsvrouw geschetste scenario van een val van de verdachte met zijn arm op het lichaam van het slachtoffer niet verenigbaar is met het bij het slachtoffer aangetroffen letsel en de bevindingen van de deskundigen.
Daarbij komt dat de bloeduitstortingen niet kunnen worden verklaard door de door de verdachte (op niet eenduidige wijze) beschreven manieren van vallen. De bloeduitstortingen in de weke delen bevonden zich immers aan beide zijden van de hals, terwijl de bloeduitstortingen in de lage hals duiden op overstrekking, dat wil zeggen het plots naar achteren bewegen van het hoofd. Dat past niet bij een val met een gebogen rechterarm op de borst/het hoofd van het reeds op de grond liggende slachtoffer.
Gelet op het vorenstaande schuift het hof het door en namens de verdachte naar voren gebrachte scenario dan ook terzijde. Hierbij betrekt het hof de omstandigheid dat, zoals uit de hiervoor weergegeven verklaringen van de verdachte blijkt, de verdachte wisselend heeft verklaard over de oorzaak en de manier van vallen van [slachtoffer] en over hoe hij, de verdachte, op [slachtoffer] terecht zou zijn gekomen. Verder blijkt uit de verklaring van getuige [getuige] dat de verdachte hem in de PI had verteld dat hij door [slachtoffer] twee keer werd geslagen, dat hij zichzelf omdraaide en [slachtoffer] een gooi gaf en dat [slachtoffer] hem toen meetrok. Ook dit is weer een andere verklaring van de verdachte.
Het hof acht het door en namens de verdachte naar voren gebrachte scenario verder ongeloofwaardig omdat uit het dossier volgt dat [slachtoffer] , die volgens de verdachte na zijn val meteen knock-out was en niet meer is verplaatst, recht naast het bed op zijn rug op de grond lag, met zijn linkerarm onder het bed (proces-verbaal van aanhouding d.d. 14 maart 2018, blz. 21-24, en proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 maart 2018, blz. 62 zaaksdossier). Een dergelijke positie past niet bij - de verschillende scenario’s van - de val die door de verdachte worden beschreven.
Conclusie
Gelet op de bevindingen van de deskundigen is het hof van oordeel dat het aangetroffen letsel, dat bij leven is ontstaan, is veroorzaakt door samendrukkend geweld op de hals, oftewel: door wurgen.
Het hof komt dan ook tot de conclusie dat het slachtoffer is gewurgd. Het hof hecht geen geloof aan de verklaringen van de verdachte over zijn val op [slachtoffer] . Aangezien niet is gebleken dat iemand anders dan de verdachte betrokken is geweest bij de dood van het slachtoffer, concludeert het hof dat de verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft gewurgd.
1.
Opzet
De raadsvrouw heeft aangevoerd – overeenkomstig haar pleitnota - dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Ook heeft hij geen gedraging verricht die naar zijn aard geschikt was om de aanmerkelijke kans op de dood in het leven te roepen en heeft hij die aanmerkelijke kans niet bewust aanvaard. Voorts heeft hij geen gedraging verricht die naar uiterlijke verschijningsvorm moet worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op die dood heeft aanvaard.
Het hof acht allereerst, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte [slachtoffer] heeft gewurgd, als gevolg waarvan hij is overleden. Uit dat enkele feit kan nog niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte ook vol opzet had op de dood van het slachtoffer. Verwurging is weliswaar geschikt om dodelijk letsel te veroorzaken, maar dat de verdachte het slachtoffer met dat doel heeft gewurgd, kan op basis van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet worden vastgesteld. Om die vaststelling te doen is meer informatie nodig over de precieze toedracht, zoals de duur en de kracht waarmee is gewurgd.
Het voorgaande laat echter onverlet dat sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet op de dood.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van het slachtoffer – aanwezig is indien de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Het is een feit van algemene bekendheid dat de kans op dodelijk letsel bij wurging aanmerkelijk is, omdat de luchtpijp en/of de halsslagaders worden dichtgeknepen, waardoor het slachtoffer kan sterven aan de gevolgen van zuurstofgebrek.
Dit moet ook de verdachte hebben geweten. De verdachte heeft zoveel kracht gezet op de nek van het slachtoffer dat het tongbeen als gevolg daarvan is gebroken. Uit de verklaringen van de deskundigen blijkt dat hier een aanzienlijke kracht voor nodig is. Naar het oordeel van het hof kan deze gedraging van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan dan dat de verdachte op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden heeft aanvaard. Dat het geconstateerde hartprobleem van het slachtoffer de dood kan hebben versneld doet hier niet aan af. Het tenlastegelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering straf en maatregel

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag van zijn ex-schoonvader door het slachtoffer te wurgen. De verdachte heeft aan het slachtoffer het kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Daarnaast is aan de nabestaanden een verschrikkelijk en onherstelbaar leed aangedaan, hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep tot uiting is gebracht in de door de vrouw, de dochter en kleindochter van het slachtoffer afgelegde slachtofferverklaringen. Ook in de kring van overige familie en vrienden laat de dood van het slachtoffer vanzelfsprekend een grote leegte achter. Doordat de verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven blijven de nabestaanden niet alleen met het gemis, maar ook met veel vragen achter. Daarnaast brengt een feit als het onderhavige gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 mei 2026.
Voorts heeft het hof acht geslagen op het Pro Justitia-rapport d.d. 14 december 2018.
Uit het op verzoek van de verdediging nog opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 22 mei 2026, komt - zakelijk weergegeven - naar voren dat de verdachte (twee)wekelijkse gesprekken met een psycholoog heeft en dit wil voortzetten. Hij probeert zijn leven vorm te geven na een langdurige detentie. Hij houdt zich aan alle bijzondere voorwaarden en hij is afsprakentrouw. Hij heeft werk, inkomsten en geen schulden. De reclassering vindt een strafrechtelijk kader niet meer nodig. Geadviseerd wordt een gevangenisstraf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden, alsmede een contactverbod met de nabestaanden van het slachtoffer en een gebiedsverbod voor de duur van 5 jaren ten aanzien van [plaats] , op grond van artikel 38v Sr, dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof heeft verder gekeken naar de straffen zoals die doorgaans voor feiten als het onderhavige worden opgelegd.
Het hof is - alles afwegende en ondanks het verzoek van de raadsvrouw om bij bewezenverklaring een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, zoals in eerste aanleg is opgelegd, in beginsel een passende en geboden reactie vormt.
Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient een strafzaak tegen een voorlopig gehechte verdachte in beginsel binnen 16 maanden te worden afgerond.
In eerste aanleg is de verdachte op 13 maart 2018 aangehouden en is op 9 december 2019 vonnis gewezen. Dat levert een overschrijding in eerste aanleg op van bijna 5 maanden.
Het hoger beroep tegen dat vonnis is ingesteld op 12 december 2019 en dit gerechtshof heeft arrest gewezen op 2 september 2021. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met ruim 4 maanden.
Namens de verdachte is cassatie ingesteld op 3 september 2021 en door de Hoge Raad is arrest gewezen op 4 juli 2023. In de cassatie procedure is de redelijke termijn derhalve overschreden met 6 maanden.
Ook in de onderhavige procedure bij het hof is de redelijke termijn overschreden, namelijk met bijna 16 maanden, gerekend vanaf de datum van het arrest van de Hoge Raad tot aan de datum van dit arrest,
Bij overschrijding van de redelijke termijn met meer dan 6 maanden, zoals in de onderhavige zaak het geval is, wordt als uitgangspunt de op te leggen straf verminderd met 10 %, maar met niet meer dan 6 maanden.
De vertragingen in deze procedures kunnen de verdachte niet worden aangerekend.
Dit betekent dat de aan de verdachte op te leggen straf naar het oordeel van het hof dient
te worden verminderd met 6 maanden.
Rekening houdend met bovengenoemde overschrijding van de redelijke termijn zal het
hof daarom een gevangenisstraf voor de duur van
9 jaren en 6 maandenopleggen.
Daarnaast zal het hof een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr opleggen in
de vorm van een contact- en locatieverbod zoals hierna in het dictum vermeld en door de reclassering geadviseerd. Het hof ziet geen grond om de gedragsmaatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het hof ziet verder geen grond om, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, de schorsing van het bevel voorlopige hechtenis op te heffen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] , vertegenwoordigd door advocaat mr. F.J.M. Hamers, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een totaalbedrag van € 22.237,16, bestaande uit € 12.237,16 materiële schade (kosten lijkbezorging € 250,- en derving levensonderhoud € 11.987,16) en € 10.000,- immateriële schade (shockschade). Tevens is de wettelijke rente gevorderd.
In hoger beroep heeft mr. Hamers namens de benadeelde partij de vordering verlaagd tot een bedrag van € 250,00 ter zake van kosten lijkbezorging en een bedrag van € 10.000,00 ter zake van shockschade, derhalve in totaal een bedrag van € 10.250,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Kosten lijkbezorging
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van
€ 250,00 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.
Shockschade
Mr. Hamers heeft in de toelichting op de vordering gesteld dat – kort en zakelijk weergegeven - het tenlastegelegde bij de benadeelde partij een shock heeft veroorzaakt, als gevolg waarvan geestelijk letsel is ontstaan.
De benadeelde partij heeft haar vader in het rouwcentrum gezien en heeft hem aangekleed. De benadeelde partij is hiervoor in behandeling bij een psycholoog en er is bij haar een stoornis vastgesteld, zo volgt uit de toelichting van mr. Hamers. Naar het oordeel van
mr. Hamers is er sprake van geestelijk letsel als gevolg van de confrontatie met haar vader.
De vraag die het hof moet beantwoorden is of is voldaan aan de in het recht en de jurisprudentie gestelde eisen om voor vergoeding van shockschade in aanmerking te komen.
Voor een zeer beperkte kring van personen bestaat onder zeer bijzondere omstandigheden de mogelijkheid tot het verkrijgen van een vergoeding van geleden immateriële shockschade. De grondslag daarvoor is gelegen in artikel 6:106, eerste lid sub b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat ziet op “aantasting in de persoon”.
Bij de toepassing van voormelde bepaling van het BW – ook in zaken als de onderhavige, waarbij het slachtoffer door een geweldsmisdrijf om het leven is gekomen – heeft de Hoge Raad steeds vastgehouden aan een zeer strikte uitleg van de geldende gezichtspunten.
Bij de benadeelde partij moet door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de doodslag op het slachtoffer geestelijk letsel zijn ontstaan.
Bij die waarneming/confrontatie gaat het blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad om de (onverhoedse) waarneming van het misdrijf zelf en/of de waarneming van het lichaam en de verwondingen van het slachtoffer meteen na het misdrijf (het confrontatievereiste). Bij het geestelijk letsel moet in het algemeen sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Het hof is van oordeel dat namens de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen zoals hiervoor genoemd als rechtstreeks gevolg van de onverhoedse waarneming van het lichaam en de verwondingen (nadat er sectie was verricht op het lichaam) van het slachtoffer in het rouwcentrum.
Gelet hierop en nu het geven van de mogelijkheid aan de verdediging voor een nadere onderbouwing tot een aanhouding van de procedure zou moeten leiden, levert de behandeling van de gevorderde immateriële schade naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 250,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] , vertegenwoordigd door advocaat
mr. F.J.M. Hamers, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een totaal bedrag van € 191.881,04.
In hoger beroep is deze vordering verlaagd naar een totaalbedrag van € 18.435,00, bestaande uit kosten lijkbezorging (€ 17.430,03) en derving levensonderhoud (€ 1.005,-). De overige schadeposten, te weten derving levensonderhoud (€ 42.000,00) en notariskosten (€ 393,25) zijn door mr. Hamers ter zitting in hoger beroep ingetrokken.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Kosten van lijkbezorging
De kosten van lijkbezorging komen op grond van artikel 6:108 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voor vergoeding in aanmerking. Het moet daarbij gaan om in redelijkheid gemaakte kosten gelet op de omstandigheden waarin de overledene leefde.
De gevorderde kosten komen het hof redelijk voor en zijn voldoende onderbouwd met bewijsstukken. Deze zullen derhalve volledig worden toegewezen.
Derving levensonderhoud
De kosten van € 1.005,- voor de sluiting van het café voor de duur van twee weken kunnen naar het oordeel van het hof worden toegewezen.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij derhalve aangetoond dat de gestelde materiële schade voor een totaalbedrag van € 18.435,00 is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Aangezien de wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment waarop de schade in de loop der tijd is ingetreden kan deze niet per overlijdensdatum 13 maart 2018 worden toegewezen over de hierboven vermelde bedragen. Het hof zal om pragmatische redenen de ingangsdatum bepalen op 1 juli 2018.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag van € 18.435,00 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf
1 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 18.435,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich, vertegenwoordigd door [benadeelde partij 1]
als wettelijk vertegenwoordiger, als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.399,12. Tevens is de wettelijke rente gevorderd.
Mr. Hamers heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep ingetrokken. Derhalve is deze vordering thans niet meer aan de orde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 38v, 38w en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) jaren en
6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt voorts op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, inhoudende dat de veroordeelde:
-
zich voor de duur van 5 jaren niet zal ophouden in de gemeente [plaats];
-
voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
*
[benadeelde partij 1], geboren op [geboortedatum 2] ;
*
[benadeelde partij 2], geboren op [geboortedatum 3] ;
*
[benadeelde partij 3], geboren op [geboortedatum 4] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan.
De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
2 wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een
gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
2 (twee) dagen.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 maart 2018.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 18.435,00 (achttienduizend vierhonderdvijfendertig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 18.435,00 (achttienduizend vierhonderdvijfendertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
117 (honderdzeventien) dagen.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 juli 2018.
Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Wiersinga, voorzitter, en mr. M.S. Lamboo en
mr. C. Fetter, leden, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 juni 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal] (onderzoek NIJL), van de politie eenheid Den Haag, bestaande uit een zaaksdossier (blz. 2 t/m 300) en een forensisch dossier (blz. 1 t/m 327) en een ongenummerd proces-verbaal
2.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2018, zaaksdossier blz. 37-38, proces-verbaal bevindingen Call Log telefoon SO met bijlage Call Logs, zaaksdossier, blz 149-153.
3.Proces-verbaal aanhouding d.d. 14 maart 2018, zaaksdossier blz. 21-23.
4.Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut: Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood d.d. 14 augustus 2018, opgemaakt en ondertekend door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, blz. 4.
5.Ibidem, blz. 5.
6.Ibidem, blz. 4.
7.Ibidem, blz. 9, zesde alinea.
8.Ibidem, blz. 8.
9.Ibidem, blz. 8-9
10.Ibidem, blz. 6.
11.Ibidem, blz. 17.
12.Ibidem.
13.Ibidem, blz. 18.
14.Ibidem, blz. 4, 5 en 15.
15.Ibidem, blz. 8 en 22.
16.Ibidem, blz. 9-11.
17.Ibidem, blz. 10.
18.Ibidem, blz. 3-4.
19.Ibidem, blz. 22.
20.Ibidem, blz. 5.