ECLI:NL:GHDHA:2026:2041

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
22-004415-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bedreiging ex-collega's met moordplan en oplegging contactverbod

De verdachte bedreigde in de periode van 20 augustus tot 12 september 2024 twee ex-collega's met een moordplan, waarbij zij gedetailleerde notities maakte over het beramen van de moord. Deze bedreigingen werden aan een psychiater van een geestelijke gezondheidsinstelling gemeld, die haar beroepsgeheim schond vanwege de ernst van de situatie.

In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken, maar het hof vernietigde dit vonnis en verklaarde de bedreigingen wettig en overtuigend bewezen. Het hof oordeelde dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de bedreigingen bekend zouden worden bij de slachtoffers, ondanks haar psychische problemen.

De verdachte werd veroordeeld tot 36 dagen gevangenisstraf, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Daarnaast werden contact- en locatieverboden opgelegd om herhaling te voorkomen. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers voor materiële en immateriële schade, met betaling via de Staat.

De uitspraak benadrukt de ernst van de bedreigingen en de impact op de slachtoffers, die ondergedoken moesten leven en psychische hulp ontvingen. Het hof verwierp de verweren van de verdachte omtrent het ontbreken van opzet en intentie tot uitvoering van de bedreigingen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 36 dagen gevangenisstraf, deels voorwaardelijk, met contact- en locatieverboden en schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

Rolnummer: 22-004415-24
Parketnummer: 10-292662-24
Datum uitspraak: 23 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 20 december 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1972,
BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 25 februari 2026 en 9 juni 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 20 augustus 2024 tot en met 12 september 2024 te Sliedrecht, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (meermalen) aan een psychiater van [instantie voor geestelijke gezondheidszorg] mede te delen dat zij, verdachte een moordplan heeft beraamd op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en hierbij notities heeft gemaakt bevattende ondermeer de tekst/woorden:
"1. Eerst ZM afvoeren en wegwerken" en/of "in plastic pakken/bouwplastic
2. Daarna plakplaatje kogel door haar kop jagen",
althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een maatregel inhoudende een contactverbod zal worden opgelegd ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] en een contact- en locatieverbod ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op
één of meertijdstippen in
of omstreeksde periode 20 augustus 2024 tot en met 12 september 2024
te Sliedrecht, in elk gevalin Nederland, [slachtoffer 1] en
/of[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door
(meermalen
)aan een psychiater van [instantie voor geestelijke gezondheidszorg] mede te delen dat zij, verdachte een moordplan heeft beraamd op die [slachtoffer 1] en
/ofdie [slachtoffer 2] en hierbij notities heeft gemaakt bevattende ondermeer de tekst/woorden:
"1. Eerst ZM afvoeren en wegwerken" en/of "in plastic pakken bouwplastic
2. Daarna plakplaatje kogel door haar kop jagen",
althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking.
Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2026 op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad dat de slachtoffers daadwerkelijk op de hoogte zouden raken van de bedreiging. Zij kon niet weten dat de psychiater haar beroepsgeheim zou doorbreken.
Voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht.
Het hof overweegt als volgt.
Feiten en omstandigheden
De verdachte had zich in de ten laste gelegde periode ten gevolge van psychische problemen vrijwillig laten opnemen bij de instelling [instantie voor geestelijke gezondheidszorg] en was aldaar onder behandeling van een psychiater. De verdachte heeft tijdens deze behandeling verschillende door haar gemaakte notities overhandigd aan de psychiater. De notities houden onder andere teksten in als ‘aantal mijnen met gassen en zuur, afgesloten met hekwerk’, ‘vuurwapen € 350,- via …. RK of DB’, ‘kniptang mee’, ‘plastic zakken naamloos (zware kwaliteit)’, ‘zaag mee’, ‘jerrycan benzine (voor zekerheid)’. Ook wordt omschreven ‘auto van binnen goed afplakken met zwaar bouwplastic’. Daarna worden “ZM” en “plakplaatje” genoemd. Met “ZM” bedoelde de verdachte mevrouw [slachtoffer 1] , die zorgmanager en leidinggevende van de verdachte was bij de instelling [de instelling] . Met ‘Plakplaatje” bedoelde zij mevrouw [slachtoffer 2] , een collega van haar bij [de instelling] . Uit de verklaring van de verdachte bij de politie blijkt dat zij kort daarvoor door mevrouw [slachtoffer 1] op non-actief was gesteld en het gevoel had dat haar onrecht was aangedaan vanuit het werk. Verder staat in de notities: “1. eerst ZM afvoeren en wegwerken in plastic pakken bouwplastic 2. daarna plakplaatje kogel door haar kop jagen”. Op 21 augustus 2024 heeft de psychiater haar geheimhoudingsplicht geschonden en de notities gedeeld met de politie. De psychiater verklaart hierover dat de verdachte plannen besprak om haar oud-zorgmanager, [slachtoffer 1] , van het leven te beroven. Deze plannen werden in de opvolgende gesprekken steeds concreter en gedetailleerder. De psychiater schatte de situatie in als zeer zorgelijk en schatte de verdachte gevaarlijk in. Op 27 augustus 2024 heeft de psychiater tegenover de politie verklaard dat de dreiging naar “ons” idee (het hof begrijpt: het idee van het behandelteam) nog altijd reëel was. De verdachte hield nog steeds vast aan het verhaal van het willen ombrengen van mevrouw [slachtoffer 1] en dit werd in de gesprekken die het behandelteam doorlopend met haar voerde steeds concreter en gedetailleerder. De psychiater heeft tevens verklaard dat tot op dat moment geen stoornis of psychische achtergrond kon worden gevonden voor de reden dat de verdachte het betreffende verhaal vertelde.
Voorwaardelijk opzet
Naar het oordeel van het hof zijn de uitlatingen zonder meer intrinsiek bedreigend. Ook is het hof van oordeel dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet had de bedreiging van de slachtoffers. Daartoe wordt overwogen dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 25 februari 2026 heeft verklaard dat zij op de hoogte was van het feit dat een zorgverlener in uitzonderlijke gevallen de geheimhoudingsplicht kan schenden. Daarbij is van belang dat de verdachte zelf als bemoeizorger bij [de instelling] werkte en zij uit hoofde van deze functie in het bijzonder op de hoogte was van de geheimhoudingsplicht en de omstandigheden waaronder deze kon worden geschonden. Voorts waren de bedreigingen bijzonder specifiek en gedetailleerd uitgewerkt en was de verdachte, getuige de hiervoor weergegeven verklaringen van de psychiater, vasthoudend in haar uitlatingen dat zij mevrouw [slachtoffer 1] wilde ombrengen. Onder deze omstandigheden heeft de verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de slachtoffers op de hoogte zouden raken van de bedreiging.
Intentie om bedreigingen uit te voeren
De verdachte en de verdediging hebben zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte nimmer van plan is geweest om de bedreigingen daadwerkelijk uit te voeren.
Hieromtrent overweegt het hof dat het eventueel ontbreken van de intentie om de bedreiging ten uitvoer te leggen, niet aan een bewezenverklaring van bedreiging in de weg staat.
Desalniettemin overweegt het hof het volgende over de intenties van de verdachte.
Geen van de deskundigen heeft gerapporteerd dat de verdachte niet of verminderd toerekeningsvatbaar was. Psycholoog drs. Van der Weele heeft in de Pro Justitiarapportage d.d. 27 november 2024 geconcludeerd dat de psychische stoornis van de verdachte – te weten: autistiforme trekken en een mogelijk depressief toestandsbeeld ten tijde van het ten laste gelegde – de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte niet of nauwelijks heeft beïnvloed. Ook weegt het hof mee dat, zoals hiervoor overwogen, de psychiater die de verdachte destijds onder behandeling had, de bedreiging zo concreet vond en de verdachte dusdanig gevaarlijk achtte, dat zij de afweging heeft gemaakt om haar beroepsgeheim te schenden, waarmee deze psychiater de kans dat de verdachte haar plannen zou uitvoeren, wél reëel achtte, waarbij meespeelde dat geen stoornis of psychische achtergrond of noodzaak kon worden gevonden als verklaring voor de bedreigingen. De door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2026 ingebrachte brief van [instantie voor geestelijke gezondheidszorg] , waaruit blijkt dat de verdachte kampt met forse oordeel- en kritiekstoornissen waardoor zij de consequenties van haar handelen niet kan overzien, maakt dit niet anders. Dit document legt immers geen relatie met het aan de verdachte ten laste gelegde feit.
Het hof verwerpt de verweren.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan zeer ernstige bedreigingen van een tweetal ex-collega’s. De verdachte heeft bij de slachtoffers immense gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Beide slachtoffers hebben ondergedoken gezeten en [slachtoffer 1] moest zelfs noodgedwongen verhuizen vanuit haar geliefde woonplaats. Dat de bedreiging nog altijd grote impact heeft op hun leven, blijkt temeer uit de ter terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2026 voorgedragen slachtofferverklaringen. Het hof rekent de verdachte dit aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Gelet op de aard en ernst van de bedreigingen en de ingrijpende consequenties die deze voor de slachtoffers hebben gehad, is het hof van oordeel dat hierop niet anders kan worden gereageerd dan met een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - een passende en geboden reactie vormt.
Het voorwaardelijk deel dient er tevens toe om de verdachte te bewegen zich in de toekomst niet aan (al dan niet soortgelijke) strafbare feiten schuldig te maken.
Op te leggen maatregel
Het hof is voorts van oordeel dat ter voorkoming van strafbare feiten na te melden maatregel dient te worden opgelegd. Deze maatregel zal dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt, of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 33.888,66.
De benadeelde partij heeft haar vordering met betrekking tot de materiële schade in hoger beroep verlaagd, zodat de vordering in zoverre aan de orde is tot € 1.954,65. Dit betreft een bedrag van € 113,46 aan reiskosten, een bedrag van € 479,76 aan autokosten en een bedrag aan € 1.361,43 voor een overbruggingshypotheek. Aan immateriële schade vordert de benadeelde partij een bedrag van € 7.500
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Het gaat immers om reiskosten in het kader van de strafzaak tegen de verdachte en de psychische behandeling van de benadeelde partij, evenals de vaste lasten van de auto die zij op advies van de Dienst Bewaken en Beveiligen een aantal maanden niet heeft kunnen gebruiken. Deze kosten houden rechtstreeks verband met de bewezen verklaarde bedreiging. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Naar het oordeel van het hof is voorts komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Uit de ter onderbouwing van de vordering overgelegde stukken volgt immers dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij ervaart veel stress en kampt met ernstige slaapproblemen. Zij is onder behandeling bij een psychotherapeut sinds december 2024. Uit de slachtofferverklaring komt duidelijk naar voren dat de gevolgen van de bedreiging onvoorstelbaar groot zijn voor het slachtoffer en haar gezin. Zij hebben huis en haard halsoverkop achter moeten laten en leven sindsdien op een andere plek in anonimiteit.
Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 7.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval betrokken. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]

Nu vast staat dat de verdachte tot een bedrag van € 9.454,65 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] .

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.000,-.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 3.000,-.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Uit de ter onderbouwing van de vordering overgelegde stukken volgt immers dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij ervaart stress en heeft een gevoel van opgesloten zitten in haar eigen woning. Ook voelt zij onzekerheid richting haar toekomst. De benadeelde partij is in oktober 2024 gestart met een behandeling bij een GZ-psycholoog. Uit de slachtofferverklaring komt duidelijk naar voren dat het slachtoffer nog altijd kampt met gevoelens van onveiligheid, achterdocht en angst.
Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval betrokken. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Nu vast staat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] .
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat:
- de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 2] );
- de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 3] ) en
- dat veroordeelde zich voor de duur van 5 jaren niet bevindt binnen een straal van 5 kilometer in of rondom het kantoor van [de instelling] , gelegen aan de [adres] te [plaats] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 9.454,65 (negenduizend vierhonderdvierenvijftig euro en vijfenzestig cent) bestaande uit € 1.954,65 (duizend negenhonderdvierenvijftig euro en vijfenzestig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.454,65 (negenduizend vierhonderdvierenvijftig euro en vijfenzestig cent) bestaande uit € 1.954,65 (duizend negenhonderdvierenvijftig euro en vijfenzestig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 72 (tweeënzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 januari 2025 en van de immateriële schade op 20 augustus 2024.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. C. Fetter, als voorzitter en mr. R. Brand en mr. D.F.A. Crijns, in bijzijn van de griffier mr. E.C. Sjardin.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 juni 2026.
Mr. R. Brand en mr. D.F.A. Crijns zijn buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.