ECLI:NL:GHDHA:2026:2071

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
22-001088-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor bedreiging en vernieling in langdurig burenconflict

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor bedreiging en vernieling in het kader van een langdurige burenruzie binnen een Vereniging van Eigenaren (Vve). In hoger beroep bevestigde het hof de bewezenverklaring dat de verdachte op 24 juni 2023 een buurvrouw bedreigde met de woorden "d’r gaat niks van, want ik sla je de hersens in" en dat hij in maart 2023 een onderdeel van een regenpijp, de bladvanger/filter, opzettelijk en wederrechtelijk heeft verwijderd.

De bedreiging werd als ernstig beoordeeld gezien de context van eerdere geweldsincidenten en de impact op het slachtoffer en de Vve. De vernieling bestond uit het wegnemen van een essentieel onderdeel van de regenpijp, waardoor deze niet meer functioneerde. De verdachte erkende dit handelen.

Het hof legde een voorwaardelijke taakstraf van 30 uur op met bijzondere voorwaarden waaronder ambulante behandeling en reclasseringstoezicht. De vordering tot schadevergoeding van de Vve werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende causaal verband met het bewezenverklaarde. Tevens werd gedeeltelijke tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke taakstraffen bevolen vanwege het niet naleven van proeftijdvoorwaarden.

De uitspraak benadrukt het belang van begeleiding van de verdachte vanwege zijn beperkte zelfreflectie en het risico op recidive binnen het langdurige burenconflict.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uur voor bedreiging en vernieling met bijzondere voorwaarden en gedeeltelijke tenuitvoerlegging van eerdere taakstraffen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001088-25
Parketnummers: 10-237493-23 (DV I), 10-135910-23 (DV II),
10-311537-22 (TUL), 22-000325-22 (TUL)
Datum uitspraak: 25 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het bij dagvaarding I (met parketnummer: 10-237493-23) tenlastegelegde en het bij dagvaarding II (met parketnummer: 10-135910-23) tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, te vervangen door 10 dagen hechtenis. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij en de vorderingen tot tenuitvoerlegging, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
(Dagvaarding I:)
hij op of omstreeks 24 juni 2023 te Hellevoetsluis, gemeente [gemeente] , [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "d'r gaat niks van, want ik sla je de hersens in", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
(Dagvaarding II:)
hij in of omstreeks de periode van 26 maart 2023 tot en met 27 maart 2023 te Hellevoetsluis, gemeente [gemeente] , opzettelijk en wederrechtelijk een (onderdeel van een) regenpijp, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de Vve] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I en het bij dagvaarding II tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, te vervangen door 10 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in dagvaarding I en in dagvaarding II tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
(Dagvaarding I:)
hij op
of omstreeks24 juni 2023 te Hellevoetsluis, gemeente [gemeente] , [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "d'r gaat niks van, want ik sla je de hersens in", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
(Dagvaarding II:)
hij
in of omstreeks de periode van 26 maart 2023 tot en metop27 maart 2023 te Hellevoetsluis, gemeente [gemeente] , opzettelijk en wederrechtelijk een
(onderdeel van een
)regenpijp
, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de Vve] , in elk geval aan een ander toebehoorde
(n)heeft
vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/ofweggemaakt.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bespreking bewijsverweer bij dagvaarding I

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de overgelegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van de tenlastegelegde bedreiging. Hiertoe is – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de uitlatingen uit emotie en onmacht zijn gedaan en van dien aard waren dat bij aangeefster geen redelijke vrees kon ontstaan.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, voor zover hier van belang, vereist is dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. De bedreiging moet in het algemeen geschikt zijn om de vrees om het leven te verliezen teweeg te brengen. Niet is vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat er daadwerkelijk vrees is opgewekt. Slechts als in de gegeven omstandigheden de gebezigde woorden moeten worden opgevat als een onbeheerste uiting van woede of frustratie, waardoor de bedreiging niet (meer) van dien aard is dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd, kunnen dergelijke uitlatingen als ongeloofwaardig en daarmee als niet-strafbaar worden beschouwd.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof vast dat de verdachte tegen mevrouw [slachtoffer] heeft gezegd: “D’r gaat niks van, want ik sla je hersens in”. De verdachte heeft deze uitlatingen gedaan toen mevrouw [slachtoffer] als voorzitter van de Vve aan de deur kwam met de vraag of zij een stuk van zijn overhangende conifeer af mocht knippen. Daarop ontstak de verdachte direct in woede. Dit incident vond plaats terwijl er sprake was een langlopende (buren)ruzie binnen het wooncomplex, waarbij de verdachte eerder een andere buurvrouw heeft mishandeld. De verdachte is hiervoor ook veroordeeld en liep in een proeftijd ten tijde van de tenlastegelegde bedreiging.
Het hof is van oordeel dat de uitlating naar zijn aard en strekking bedreigend is en dat de verdachte deze welbewust heeft gedaan. De hiervoor genoemde context waarin de uitlating is gedaan, maakt niet dat deze als bedreiging ongeloofwaardig is. Integendeel, de verdachte heeft bij eerdere burenconflicten geweld ook niet geschuwd. Het hof is van oordeel dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is gedaan dat naar objectieve maatstaven bij mevrouw [slachtoffer] de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen.
Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde bedreiging.

Bespreking bewijsverweer bij dagvaarding II

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de overgelegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde. Hiertoe is – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden dat de verdachte het binnenwerk van de regenpijp heeft verwijderd en daardoor of op andere wijze de regenpijp opzettelijk en wederrechtelijk heeft vernield.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op 31 maart 2023 heeft mevrouw [mevrouw] , namens de [de Vve] , aangifte gedaan van vernieling van de regenpijp. Uit de aangifte volgt dat zich in de regenpijp een bladvanger/filter bevond die onderdeel uitmaakte van de constructie van de regenpijp en diende om verstopping en lekkage te voorkomen. In de regenpijp zit een opening die dicht moet blijven en alleen opengedaan moet worden om de bladvanger/filter te legen. Op 27 maart 2023 stond de opening van de regenpijp open en bleek het binnenwerk (het hof begrijpt: de bladvanger/filter) eruit te zijn gehaald.
De verdachte heeft op 12 mei 2023 bij de politie verklaard dat hij de bladvanger/filter uit de regenpijp heeft gehaald, zodat het water kon doorstromen, en dat hij de bladvanger/filter vervolgens in zijn schuur heeft neergelegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte dit bevestigd en de betreffende bladvanger/filter, die hij nog altijd in zijn bezit heeft, aan het hof getoond.
Op grond van deze feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat de verdachte de bladvanger/filter, die onderdeel uitmaakte van de regenpijp, uit de regenpijp heeft verwijderd en vervolgens in zijn schuur heeft gelegd.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of dit handelen kan worden aangemerkt als vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken als bedoeld in artikel 350, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Onder "wegmaken" in de zin van artikel 350 Sr Pro valt iedere gedraging waardoor een goed aan zijn bestemming wordt onttrokken. Daarvoor is niet vereist dat het goed definitief verloren gaat of niet meer kan worden teruggevonden.
Door de bladvanger/filter uit de regenpijp te verwijderen en deze in zijn schuur neer te leggen, heeft de verdachte dit onderdeel onttrokken aan zijn functie en bestemming als onderdeel van de regenpijp. Hierdoor kon de bladvanger/filter niet langer de functie vervullen waarvoor deze was aangebracht, namelijk het voorkomen van verstopping en lekkage. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte de bladvanger daarmee opzettelijk en wederrechtelijk "weggemaakt" in de zin van artikel 350 Sr Pro. Dat er nog meer onderdelen van/uit de regenpijp door de verdachte zijn weggehaald en achtergehouden, kan op basis van het dossier niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld. De bewezenverklaring is daarmee beperkt tot de bladvanger/filter.
Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde vernieling.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezenverklaarde feiten leveren op:
(Dagvaarding I)
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
(Dagvaarding II)
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegmaken.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het veiligheidsgevoel van het slachtoffer. Uit de slachtofferverklaring die mevrouw [slachtoffer] ter zitting in hoger beroep heeft voorgelezen, blijkt dat het gedrag van de verdachte veel impact heeft op haar, nu deze bedreiging niet op zichzelf staat. Het gaat om een patroon van intimiderend gedrag van de verdachte waaraan geen einde lijkt te komen, aldus mevrouw [slachtoffer] . Zij heeft aangegeven dat dit ook grote invloed heeft op het welbevinden van andere leden van de Vve.
De verdachte heeft zich voorts op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan vernieling van een regenpijp. Door de vernieling heeft de verdachte financiële schade en overlast veroorzaakt bij de Vve.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten en in twee proeftijden liep voor geweldsfeiten.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de ten behoeve van de persoon van de verdachte opgemaakte reclasseringsadviezen van 14 november 2024 en 13 april 2023. Uit het meest recente reclasseringsadvies van 14 november 2024 volgt – kort en zakelijk weergegeven – dat de onderhavige feiten voortkomen uit een jarenlange voortslepende kwestie binnen de Vve. De reclassering schat het risico op recidive en verdere escalatie als hoog in. Volgens de reclassering ervaart de verdachte gevoelens van onmacht, frustratie en krenking, terwijl hij onvoldoende in staat lijkt deze emoties op adequate wijze te uiten. De langdurige conflicten binnen de Vve blijven daardoor voortbestaan, waardoor het risico op nieuwe incidenten aanwezig blijft.
De reclassering heeft mediation genoemd als mogelijke oplossing om de langdurige conflicten binnen de Vve op te lossen. Eerdere pogingen daartoe zijn echter niet van de grond gekomen. Ook ter terechtzitting in hoger beroep is de mogelijkheid van mediation uitgebreid besproken. Het hof heeft daarbij vastgesteld dat de verdachte zich onverminderd overtuigd toont van zijn eigen gelijk, geen inzicht toont in zijn eigen aandeel in het ontstaan en voortbestaan van de conflicten en de verantwoordelijkheid daarvoor volledig buiten zichzelf legt. Gelet op deze houding, die blijk geeft van een beperkte mate van zelfreflectie, acht het hof de kans op een succesvolle mediation onvoldoende aanwezig. Het hof heeft daarom afgezien van verwijzing naar het mediationbureau.
Uit het reclasseringsadvies volgt verder dat de verdachte behoefte lijkt te hebben zijn verhaal te kunnen ventileren en gehoord te worden. De reclassering ziet mogelijkheden om dit vorm te geven middels een behandeling op het gebied van emotieregulatie door de afdeling Ouderenzorg. Voorts adviseert de reclassering een meldplicht ter (verdere) begeleiding van de verdachte. Mede omdat het door de reclassering geschetste beeld van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep werd bevestigd, ziet het hof met de reclassering het belang om de verdachte te ondersteunen en te begeleiden op de manier zoals die door de reclassering is voorgesteld. Dit is overigens niet alleen in het belang van de omgeving van de verdachte, maar ook in het belang van de verdachte zelf.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat voor toepassing van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - zoals door de verdediging verzocht - geen ruimte bestaat, maar dat een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het voorwaardelijke deel van de straf strekt ertoe de verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en hem te stimuleren de noodzakelijke begeleiding en behandeling te aanvaarden. Het hof zal daarom, gelet op het advies van de reclassering en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, aan de voorwaardelijke straf de hierna te noemen bijzondere voorwaarden verbinden.

Vordering tot schadevergoeding [de Vve]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich, namens de [de Vve] , als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 819,84, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 819,84.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Uit de zich in het dossier bevindende factuur blijkt dat de namens de Vve gevorderde kosten betrekking hebben op “Herstellen/verlengen van kapotte HWA”. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat, naast de bladvanger/filter, de sok van de regenpijp ontbrak. Het ontbreken van deze sok was de oorzaak van de noodzaak tot herstel van de regenpijp. Zoals hiervoor reeds is overwogen, kan op basis van het dossier niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat ook het ontbreken van de sok aan de verdachte kan worden toegerekend. Gelet daarop is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan, dat de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren als de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld dit causale verband alsnog nader te onderbouwen. De benadeelde partij kan de vordering eventueel wel nog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Omdat wel vaststaat dat de benadeelde partij enige schade heeft geleden als gevolg van het handelen van de verdachte – de bladvanger/filter is immers weggenomen, alleen is niet voldoende duidelijk geworden wat die zou hebben gekost – ziet het hof aanleiding te bepalen dat beide partijen hun eigen proceskosten dragen.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 19 april 2023 onder parketnummer 10-311537-22 is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, met bevel dat die taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat een gedeelte van deze voorwaardelijk opgelegde taakstraf, te weten 25 uren, ten uitvoer zal worden gelegd.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden, waaronder de leeftijd en de gezondheid van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, zal het hof evenwel de tenuitvoerlegging van slechts een gedeelte van de niet-tenuitvoergelegde straf gelasten op de wijze als hierna zal worden aangegeven.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 4 mei 2023 onder parketnummer 22-000325-22 is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, met bevel dat die taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat een gedeelte van deze voorwaardelijk opgelegde taakstraf, te weten 20 uren, ten uitvoer zal worden gelegd.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden, waaronder de leeftijd en de gezondheid van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, zal het hof evenwel de tenuitvoerlegging van slechts een gedeelte van de niet-tenuitvoergelegde straf gelasten op de wijze als hierna zal worden aangegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in dagvaarding I (10-237493-23) en het in dagvaarding II (10-135910-23) tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in dagvaarding I en in dagvaarding II bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich laat zich behandelen door de afdeling Ouderenzorg van Antes GGZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Vordering van de benadeelde partij [de Vve]
Verklaart de benadeelde partij [de Vve] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Beveelt de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 19 april 2023, parketnummer 10-311537-22, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van: een
taakstrafvoor de duur van
25 (vijfentwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
12 (twaalf) dagen hechtenis.
Beveelt de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 4 mei 2023, parketnummer 22-000325-22, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van: een
taakstrafvoor de duur van
20 (twintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. N.M. Boersma, mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans en mr. J.A.M. Jansen, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 juni 2026.