Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:2076

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
22-002394-23
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep poging zware mishandeling met luchtdrukwapen en verboden wapenbezit

De verdachte heeft op 9 december 2022 in Rotterdam met een luchtdrukwapen op drie personen geschoten, waarbij twee slachtoffers ernstig letsel opliepen. Het hof oordeelt dat opzet op doodslag niet bewezen is, omdat de verdachte niet wist dat het wapen potentieel dodelijk was. Wel is voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel vastgesteld.

Daarnaast is bewezen dat het gebruikte luchtdrukwapen qua vorm en afmeting nauwelijks van een echt vuurwapen te onderscheiden was, wat verboden is volgens de Wet wapens en munitie. De bedreiging van een arrestantenbewaarder is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs.

De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan 8 voorwaardelijk. Het hof vernietigt dit vonnis en legt een gevangenisstraf op van 28 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere taakstraf wordt afgewezen. De strafvermindering houdt rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 28 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden voorwaardelijk voor poging zware mishandeling en verboden wapenbezit, vrijspraak poging doodslag en bedreiging arrestantenbewaarder.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002394-23
Parketnummers: 10-322651-22 & 10-280760-19 (TUL)
Datum uitspraak: 4 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2023 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 telkens impliciet subsidiair tenlastegelegde en het onder 4 tot en met 6 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden en met aftrek van het voorarrest, waarbij de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en de vordering tot tenuitvoerlegging zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 9 december 2022 te Rotterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een luchtbuksgeweer, althans een luchtdrukwapen, heeft geschoten op die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 9 december 2022 te Rotterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een luchtbuksgeweer, althans een luchtdrukwapen, heeft geschoten op die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op of omstreeks 9 december 2022 te Rotterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een luchtbuksgeweer, althans een luchtdrukwapen, heeft geschoten op, althans in de richting van, die [slachtoffer 3] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.
hij op of omstreeks 9 december 2022 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- een luchtbuksgeweer, althans een luchtdrukwapen, te richten op die [slachtoffer 3] en/of
- die [slachtoffer 3] de woorden toe te voegen: "ik schiet je kankerkop eraf", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
- met voornoemd luchtbuksgeweer, althans een luchtdrukwapen, te schieten naar en/of in de richting van die [slachtoffer 3] ;
5.
hij op of omstreeks 9 december 2022 te Rotterdam, althans in Nederland, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een luchtbuksgeweer, althans een luchtdrukwapen, voorhanden heeft gehad;
6.
hij op of omstreeks 10 december 2022 te Rotterdam, althans in Nederland, surveillant met nr [nummer] van de politie eenheid Rotterdam - werkzaam op het arrestantencomplex - heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die surveillant met nr [nummer] dreigend de woorden toe te voegen "ik moet er even achter komen waar jullie allemaal wonen" en/of "en dan ga ik al jullie kinderen dood slaan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld voor het impliciet primair ten laste gelegde, te weten poging tot doodslag, met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3, en dat aan de verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, waarbij aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen straf de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld die de rechtbank ook aan het voorwaardelijke deel van de opgelegde straf heeft gekoppeld. Voorts heeft de advocaat-generaal de afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging gevorderd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 6 ten laste gelegde. Daartoe is primair aangevoerd dat de uitlatingen die de verdachte in zijn cel zou hebben gedaan tegenover een hem onbekende arrestantenbewaarder, onvoldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen dan enkel de aangifte. Subsidiair is aangevoerd dat, indien de uitlatingen wel zijn gedaan, deze moeten worden beschouwd als een uiting van frustratie en emotie na het door de Dienst Speciale Interventies toegepaste geweld.
Het hof constateert dat ten aanzien van feit 6 sprake is van een aangifte van een arrestantenbewaarder, anoniem en onder dienstnummer gedaan. Deze arrestantenbewaarder heeft van hetgeen hem is overkomen niet tevens een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Daarmee is geen sprake van een ambtsedig proces-verbaal, zodat naast de aangifte nog een ander bewijsmiddel of een bekennende verklaring van de verdachte nodig is om het feit bewezen te kunnen verklaren. Bij het verhoor van de verdachte op 10 december 2022 is hem voorgehouden dat een arrestantebewaar
sterdie ochtend aangifte heeft gedaan terzake bedreiging waarbij hem ook de tekst van de bedreigingen is voorgehouden. De verdachte verklaarde daarop dat hij dat in zijn boosheid kan hebben gezegd. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte met betrekking tot dit feit verklaard: “Ik heb ook tegen haar sorry gezegd”. De verdediging heeft gesteld dat de verklaringen van de verdachte met betrekking tot dit feit zien op een bedreiging van een vrouwelijke arrestantenbewaarder, terwijl ter terechtzitting in hoger beroep vast is komen te staan dat de aangifte is gedaan door een mannelijke arrestantenbewaarder. Het hof is met de verdediging van oordeel dat de verklaring van de verdachte onder deze omstandigheid niet als bewijsmiddel kan dienen naast de aangifte. Bij het ontbreken van een enig ander bewijsmiddel is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 6 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks9 december 2022 te Rotterdam
, althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk
van het leven te beroven, althanszwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met
een luchtbuksgeweer, althanseen luchtdrukwapen
,heeft geschoten op die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op
of omstreeks9 december 2022 te Rotterdam
, althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk
van het leven te beroven, althanszwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met
een luchtbuksgeweer, althanseen luchtdrukwapen
,heeft geschoten op die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op
of omstreeks9 december 2022 te Rotterdam
, althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk
van het leven te beroven, althanszwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met
een luchtbuksgeweer, althanseen luchtdrukwapen
,heeft geschoten
op, althansin de richting van
,die [slachtoffer 3] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.
hij op
of omstreeks9 december 2022 te Rotterdam
, althans in Nederland,[slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling,door
-
een luchtbuksgeweer, althanseen luchtdrukwapen
,te richten op die [slachtoffer 3] en
/of
-
die [slachtoffer 3] de woorden toe te voegen: "ik schiet je kankerkop eraf", althans woorden van gelijke aard en/of strekkingen
/of
- met voornoemd
luchtbuksgeweer, althans eenluchtdrukwapen
,te schieten
naar en/ofin de richting van die [slachtoffer 3] ;
5.
hij op
of omstreeks9 december 2022 te Rotterdam
, althans in Nederland, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie,
te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/ofdat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk
een luchtbuksgeweer, althanseen luchtdrukwapen, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Nadere bewijsoverweging

Vrijspraak van de impliciet primair onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde pogingen tot doodslag
Het standpunt van het openbaar ministerie is dat het gericht schieten met het luchtdrukwapen op korte afstand op de drie aangevers, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een poging om hen opzettelijk van het leven te beroven oplevert en dat de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de aangevers door een of meer kogels uit dit luchtdrukwapen zouden worden geraakt en daardoor dodelijke verwondingen zouden oplopen. Uit het ballistisch onderzoek uitgevoerd door het NFI, zou bovendien blijken dat het schieten met dit luchtdrukwapen dodelijk letsel kan opleveren.
De verdachte heeft bekend dat hij meermalen met een luchtdrukwapen op de aangevers [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geschoten, maar hij heeft ontkend dat hij daarbij het opzet had hen van het leven te beroven. Uit de forensisch medische letselrapportage van 5 maart 2025 volgt dat luchtdrukwapens in potentie levensgevaarlijk zijn en dat deze wapens de mogelijkheid hebben om huid, spier en onderliggend weefsel diep te penetreren. Ondanks de mindere kinetische energie die een projectiel van een luchtdrukwapen heeft in vergelijking met een vuurwapen, is het, afhankelijk van het kogeltraject, nog steeds mogelijk dat vitale structuren geraakt worden met de dood als gevolg. Wegens het penetrerende vermogen en doordat het letsel dat kan ontstaan bij gebruik van een vuurwapen vergelijkbaar is met letsel veroorzaakt door een luchtdrukwapen, denkt de forensisch arts dat de kans op dodelijk letsel als gevolg van het gebruik van een luchtdrukwapen ten aanzien van het onder feit 1 genoemde slachtoffer kan worden geschat op 7%. Voorzover dit al een aanmerkelijke kans op de dood kan opleveren in de zin van artikel 287 van Pro het Wetboek van Strafrecht, is het hof van oordeel dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel als gevolg van het afvuren van dit wapen. Het dossier biedt in elk geval geen aanknopingspunten dat de verdachte wel wist of had moeten weten dat dit wapen potentieel dodelijk was. Daarbij is volgens het hof ook van belang dat het bezit en gebruik van een luchtdrukwapen in zijn algemeenheid niet verboden is ingevolge de Wet wapens en munitie.
Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof op basis van de bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op de dood van de aangevers, noch in de vorm van vol opzet, noch in de vorm van voorwaardelijk opzet.
Wel acht het hof het voorwaardelijk opzet van de verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen. Het kan niet anders of de verdachte is zich wel bewust geweest van de aanmerkelijke kans daarop en door gericht op personen te schieten heeft hij het risico op het ontstaan van dergelijk zwaar letsel ook aanvaard.
Onder 5 ten laste gelegde voorhanden hebben van een verboden wapen
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het ten laste gelegde onder 5 en heeft daartoe aangevoerd dat het luchtdrukwapen van de verdachte geen sprekende gelijkenis vertoont met een echt vuurwapen, omdat dit wapen duidelijk zichtbaar anders is dan bestaande vuurwapens en er evenmin non-functionele onderdelen aangebracht zijn die het wapen zouden doen lijken op een echt vuurwapen. Het enkele feit dat het een nabootsing van een echt vuurwapen betreft, is volgens de verdediging onvoldoende voor een bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde.
Het hof stelt voorop dat onder een "een sprekende gelijkenis" met een vuurwapen moet worden verstaan: een wapen dat wat betreft vorm en afmetingen niet of nauwelijks van
een echt vuurwapen te onderscheiden is.
De politie heeft het luchtdrukwapen van de verdachte gecategoriseerd als Hatsan, type
Galatian, kaliber 22, dat qua vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een
echt vuurwapen, zoals een Pump action shotgun tactical. Uit het aanvullend proces-verbaal van 18 juni 2024 is gebleken dat het door de verdachte gebruikte luchtdrukwapen
qua vorm en afmeting zodanig overeen komt met de in het proces-verbaal genoemde en afgebeelde tactical shotguns dat personen die ermee geconfronteerd worden er begrijpelijkerwijs vanuit kunnen gaan dat ze met een echt vuurwapen te maken hebben en zich hierdoor ernstig bedreigd kunnen voelen.
Het hof overweegt dat de sprekende gelijkenis moet blijken uit de vorm, afmeting en details van het luchtdrukwapen en dat de vraag of personen die worden geconfronteerd worden met een dergelijk wapen zich daardoor bedreigd voelen, buiten deze beoordeling gelaten moet worden. Op grond evenwel van het aanvullend proces-verbaal van 18 juni 2024 in combinatie met de eigen waarnemingen van het hof tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep waarbij de onder de verdachte in beslaggenomen luchtdrukwapens zijn getoond, komt het hof tot het oordeel dat het door de verdachte gebruikte luchtdrukwapen wat betreft vorm en afmeting nauwelijks van een echt wapen te onderscheiden is. De door de raadsman genoemde verschillen tussen het luchtdrukwapen van de verdachte (een ander(e) schietmechanisme, greep, ventiel, gasdrukmeter en het ontbreken van een uitsparing waar de huls uitgeworpen wordt) en een echt vuurwapen zijn naar het oordeel van het hof in dit geval van zodanig ondergeschikt belang dat sprake is van een wapen dat wat betreft vorm en afmetingen nauwelijks van een echt vuurwapen te onderscheiden is. Dit te meer daar de verschillende echte tactical shotguns waarvan afbeeldingen in het eerder genoemde aanvullend proces-verbaal zijn opgenomen, eveneens uiterlijk in kleine, vergelijkbare details onderling verschillen. Het verweer wordt daarom verworpen.
Het hof zal daarnaast het reeds eerder gedane (voorwaardelijke) verzoek van de verdediging tot het benoemen van dhr. [getuige-deskundige] als getuige-deskundige afwijzen, nu dit verzoek onvoldoende is onderbouwd en de noodzaak van het horen van deze deskundige niet is gebleken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Het onder 3 en 4 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van poging tot zware mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie pogingen tot zware mishandeling door met een luchtdrukwapen op mensen te schieten. Het is verboden dit wapen voorhanden te hebben omdat het sprekende gelijkenis vertoont met een (echt) vuurwapen. Ook heeft hij een van de aangevers daarmee bedreigd.
De aanleiding van het schietincident was een zakelijk geschil tussen de verdachte en het slachtoffer [slachtoffer 3] . De verdachte ging onder invloed van alcohol naar haar woning en bedreigde haar in haar voortuin met een luchtdrukwapen. De aldaar werkzame stratenmakers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben geprobeerd de boel te sussen, waarna de verdachte zijn agressie ook op hen richtte. Hij heeft meermalen gericht met een luchtdrukwapen geschoten op deze drie personen en heeft hen daarbij geraakt. Bij [slachtoffer 1] kwam een kogel in zijn rechterlong met een 'klaplong' tot gevolg, en daarnaast longweefselschade, een ribbreuk, bloed in de borstholte en ernstig bloedverlies (1,6 liter bloed). Vier maanden na het incident werden er bij [slachtoffer 1] nog altijd restverschijnselen waargenomen in de borstholte en het longweefsel. Bij [slachtoffer 2] kwam een kogel in zijn rechteronderarm, waardoor hij enige spierschade heeft opgelopen. Ook [slachtoffer 2] had na vier maanden nog klachten. Bij zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] was medisch ingrijpen noodzakelijk; bij [slachtoffer 1] was acuut medisch ingrijpen noodzakelijk om te voorkomen dat hij ten gevolge van ernstige bloedingen zou overlijden. De kogels zijn na het medische ingrijpen in lichamen van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] achtergebleven. [slachtoffer 3] heeft een schampschot in haar linker onderbeen opgelopen. Het hof acht de feiten bijzonder ernstig, temeer nu de poging tot zware mishandeling in twee gevallen heeft geleid tot ernstig – in één geval zelfs bijna dodelijk – letsel.
Deze uitspatting van geweld heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers en heeft nog steeds een grote impact op hun leven. Het gevoel van veiligheid is ernstig aangetast en de slachtoffers hebben bovendien te kampen met fysieke en mentale klachten en met arbeidsongeschiktheid. Uit de schriftelijke en ter terechtzitting in eerste aanleg voorgelezen verklaringen is gebleken dat de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voortdurend fysieke klachten ervaren tijdens hun werkzaamheden en dat het slachtoffer [slachtoffer 3] mentaal niet in staat is om haar werkzaamheden te kunnen verrichten. Daarnaast vond het schietincident plaats op de openbare weg op klaarlichte dag in een woonwijk. Zoiets leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, in het bijzonder bij de buurtbewoners.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 8 mei 2026. De verdachte heeft 480 dagen doorgebracht in voorlopige hechtenis, die met ingang van 2 april 2024 is geschorst. De verdachte heeft de schorsingsvoorwaarden niet overtreden.
Tevens betrekt het hof bij zijn oordeel hetgeen de verdachte omtrent zijn persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht. Kort gezegd heeft de verdachte aangevoerd dat hij als gevolg van forse diabetes gezondheidsklachten heeft, dat hij inmiddels medicatie slikt voor zijn ADHD en dat hij sinds kort een partner heeft en haar als positieve steun ervaart. De verdachte heeft zijn alcoholgebruik naar eigen zeggen fors teruggebracht. Als de verdachte opnieuw gedetineerd zou raken, zou dat grote impact op hem hebben.
Ook betrekt het hof bij dit oordeel dat de verdachte op eigen initiatief in het kader van de financiële afdoening van de verzoeken tot schadevergoeding contact heeft gezocht met de slachtoffers, met hen tot een vaststellingsovereenkomst is gekomen en de slachtoffers volledig heeft gecompenseerd voor hun schade.
Als strafmatigend neemt het hof voorts in aanmerking dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden in de fase van het hoger beroep. De verdachte is op 10 augustus 2023 in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank en dit arrest wordt gewezen op 4 juni 2026. Daarmee heeft de behandeling in hoger beroep niet plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van twee jaren. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim 10 maanden.
Het hof zal met de geconstateerde overschrijding rekening houden door de in beginsel passend en geboden gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, te verminderen met 2 maanden. Het hof komt aldus tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk.
Het hof is van oordeel dat er geen aanleiding meer bestaat om bijzondere voorwaarden op te leggen. De verdachte heeft reeds twee jaar onder toezicht van de reclassering gestaan. Hij heeft zich hierbij naar zijn beste kunnen aan de bijzondere voorwaarden gehouden. Uit het reclasseringsrapport van 16 april 2026 volgt bovendien dat vanwege zijn gezondheidsproblemen er niet gewerkt kan worden aan (verdere) gedragsverandering waardoor er geen mogelijkheden bestaan om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2021 onder parketnummer 10-280760-19 is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met bevel dat die taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf gevorderd dat die vordering wordt afgewezen.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
Naar het oordeel van het hof zijn er desondanks, mede gelet op de ter terechtzitting aangevoerde persoonlijke omstandigheden, geen gronden aanwezig voor toewijzing van die vordering.
De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 55, 57, 63, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 telkens impliciet primair tenlastegelegde en het onder 6 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 telkens impliciet subsidiair tenlastegelegde en het onder 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
28 (achtentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst afde vordering van de officier van justitie van het Parket OVJ Rotterdam van 10 februari 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2021, parketnummer 10-280760-19, voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Jansen, als voorzitter, mr. H.M.D. de Jong en mr. A.E. Harteveld, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 juni 2026.