Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Het verloop van de procedure
2.De beoordeling van het hoger beroep
Employment Agreement’vragen oproept. Zo is de overeenkomst ondertekend op 18 mei 2026, terwijl bovenaan de overeenkomst is vermeld dat deze is getekend (‘signed’) op 20 juni 2026, wat ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof nog een toekomstige datum was. Uit de overeenkomst blijkt dat hij met ingang van 20 juni 2026 voor 36 uur per week in dienst treedt bij een in Brazilië gevestigde reisorganisatie. De overeenkomst wordt beheerst door Braziliaans recht. Ten aanzien van de duur van de overeenkomst is bepaald dat dit door partijen gezamenlijk wordt overeengekomen, met inachtneming van de beëindigingsbepalingen in ‘Section’ 5 van de overeenkomst. De overeenkomst bevat echter geen Section 5. Het in de overeenkomst vermelde salaris bedraagt € 2.000,- per maand ‘inclusive of all benefits’. [appellant] heeft echter niet toegelicht of dit bedrag bruto of netto is. Indien sprake is van een brutoloon, ligt dit salaris aanzienlijk onder het Nederlandse wettelijk minimumloon bij een werkweek van 36 uur. Verder heeft [appellant], die universitair is geschoold op het gebied van ICT, naast deze arbeidsovereenkomst geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij hiernaast heeft gesolliciteerd of anderszins heeft geprobeerd een beter betaalde functie te verkrijgen. Wel heeft hij tot 20 juni 2026 naar eigen zeggen onbetaald stage gelopen bij zijn aanstaande werkgever, maar dit is verder niet met stukken onderbouwd. Daarbij komt dat uit het verzoekschrift WSNP ex artikel 284 Fw Pro volgt dat hij gedurende het minnelijk schuldhulpverleningstraject niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting en geen saneringsbereide houding heeft getoond. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat nog onvoldoende is gebleken dat [appellant] zich tot het uiterste wil inspannen om zoveel mogelijk baten voor zijn schuldeisers te verwerven.
bekrachtigd.