Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:2094

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
200.368.225/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet-naleving informatieverplichting

Appellant was onder de schuldsaneringsregeling geplaatst door de rechtbank Den Haag op 3 juni 2025. Deze regeling werd tussentijds beëindigd bij vonnis van 17 april 2026 vanwege het stelselmatig niet nakomen van informatieverplichtingen, met name het niet melden van betrokkenheid bij buitenlandse vennootschappen en een niet-gemelde Wise-bankrekening.

Appellant stelde hoger beroep in, maar dit werd ingediend na het verstrijken van de beroepstermijn. Hij voerde aan dat de overschrijding verschoonbaar was omdat het vonnis hem en zijn advocaat niet tijdig had bereikt. Het hof oordeelde echter dat dit niet aannemelijk was en dat appellant en zijn advocaat hadden moeten informeren na het verstrijken van de termijn.

Inhoudelijk oordeelde het hof dat appellant onvoldoende openheid van zaken had gegeven over zijn betrokkenheid bij buitenlandse vennootschappen en zijn dienstverband bij de onderneming van zijn dochter. Deze informatie was van belang voor de toelating en voortzetting van de schuldsaneringsregeling. Het hof bevestigde dat de beëindiging van de regeling terecht was vanwege de ernst van de tekortkomingen.

Het hof verklaarde appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en overwoog dat het beroep ook inhoudelijk geen succes had gehad. De uitspraak werd gedaan op 23 juni 2026 door drie raadsheren van het Gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen de tussentijdse beëindiging van zijn schuldsaneringsregeling wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer : 200.368.225/01
Insolventienummer rechtbank : C/09/25/1019 R
Arrest van 23 juni 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. C.C.W. Plaat, kantoorhoudend in Ede.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 juni 2025 is ten aanzien van [appellant] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Deze schuldsaneringsregeling is op voordracht van de rechter-commissaris tussentijds beëindigd bij vonnis van deze rechtbank van 17 april 2026. Tegen laatstbedoeld vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld bij het op 29 april 2026 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift (met als productie 1 het bestreden vonnis). Het hof heeft ook kennisgenomen van de door [appellant] op 3 en 12 juni 2026 ingediende producties en van de brief van 9 juni 2026 van N.T. van den Deijssel, de bewindvoerder, met de laatste stand van zaken en de openbare verslagen.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026, waarbij [appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Verder is verschenen de bewindvoerder.

2.De beoordeling van het hoger beroep

2.1
De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] beëindigd omdat hij een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, meer in het bijzonder de informatieverplichting, (stelselmatig) niet naar behoren is nagekomen (artikel 350 lid 3 aanhef Pro en onder c Fw), hoewel hij daartoe meerdere malen in de gelegenheid is gesteld. De rechtbank heeft daarbij kort gezegd overwogen dat [appellant] heeft nagelaten om uit eigen beweging informatie te verschaffen over zijn betrokkenheid als oprichter, direct of indirect (feitelijk) bestuurder en/of aandeelhouder bij de ondernemingen DLN & Co IBC Limited, Delyn Limited en Delyn & Co Beheer Limited, waarvan [appellant] sinds 30 oktober 2020 (enig) bestuurder was. Deze vennootschappen zijn ook tijdens de schuldsaneringsregeling nog voortgezet zonder dat de bewindvoerder daarvan op de hoogte was. Pas nadat de rechter-commissaris tijdens het verhoor van 16 december 2025 expliciet naar deze ondernemingen had gevraagd, heeft [appellant] hierover informatie verstrekt.
Aan het verweer van [appellant], dat hij in de veronderstelling verkeerde dat die informatie reeds bekend was bij de bewindvoerder en de rechtbank omdat de schuldhulpverleners Van der Linden c.s. en Modus Vivendi hiervan wel op de hoogte zouden zijn geweest, is de rechtbank voorbijgegaan omdat het op de weg van [appellant] zelf lag om deze informatie uit eigen beweging te verstrekken. [appellant] had kunnen en moeten begrijpen dat deze informatie voor de toelating en tijdens de schuldsaneringsregeling van groot belang was. Indien deze informatie bij de toelating tot de regeling bekend was geweest, was [appellant] niet toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, aldus de rechtbank.
Ook ontbreekt een verklaring van [appellant] met welk doel de vennootschappen zijn opgericht en is er onduidelijkheid over de financiële gang van zaken in deze ondernemingen.
Verder heeft [appellant] niet uit eigen beweging gemeld dat zijn dochter (indirect) bestuurder en aandeelhouder is van Delyn Trading B.V., waar hij in loondienst werkzaam is. De rechtbank is van oordeel dat het salaris dat [appellant] ontvangt, niet marktconform is en dat hij daarmee bewust heeft getracht zijn schuldeisers te benadelen. Tenslotte heeft hij een Belgische Wise-rekening verzwegen.
2.2
Het hof heeft geconstateerd dat het hoger beroepschrift is ingediend na ommekomst van de daarvoor gestelde termijn.
2.3
De grieven van [appellant] en zijn standpunt over de termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep kunnen als volgt worden samengevat.
2.3.1
[appellant] erkent dat zijn beroepschrift buiten de beroepstermijn is ingediend. Hij stelt zich op het standpunt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat het vonnis hem en zijn advocaat, buiten hun toedoen, niet tijdig heeft bereikt. Het vonnis van 17 april 2026 is door de advocaat eerst op 28 april 2026, derhalve nadat de beroepstermijn al was verstreken, ontvangen. Het beroepschrift is daarna met spoed – de dag erna, op 29 april 2026 – ingediend. De advocaat heeft op een vraag van het hof geantwoord dat volgens hem de rechtbank op de zitting van 3 april 2026 heeft medegedeeld dat vier weken daarna uitspraak zou volgen.
2.3.2
[appellant] vindt dat geen sprake is van een zodanig ernstig toerekenbare tekortkoming in de informatieverplichting dat die tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei zou dienen te leiden, ook gelet op zijn medische situatie. [appellant] volgt reeds geruime tijd een intensief behandelingstraject binnen de forensische GGZ, waarbij sprake is van onder meer verslavingsproblematiek in remissie en ADHD.
2.3.2.1. Wat betreft de buitenlandse vennootschappen stelt [appellant] dat hij geen oprichter van die vennootschappen was en evenmin aandeelhouder. In de buitenlandse vennootschappen hebben geen economische activiteiten plaatsgevonden en er waren geen activa of vermogensbestanddelen in de ondernemingen en hij had geen inkomsten uit deze ondernemingen. Het procedurele traject tot beëindiging van de vennootschappen was al (ruim) voorafgaand aan de toepassing van de schuldsaneringsregeling in gang gezet. De schuldhulpverleners van [appellant] waren op de hoogte van het beëindigingstraject van de vennootschappen. De vennootschappen waren ook reeds in het voorafgaande faillissement van [appellant] onderzocht. [appellant] veronderstelde daarom dat die informatie ook bekend was bij de rechtbank bij de toelatingszitting. Door een combinatie van misverstanden en persoonlijk (psychische) omstandigheden, had [appellant] geen oog voor de relevante context en nuancering van de kwestie rond de buitenlandse vennootschappen. [appellant] heeft daarmee geen kwade bedoelingen gehad. Hij is gedurende de toepassing van de schuldsaneringsregeling de daaruit voortvloeiende verplichtingen stipt nagekomen. Er zijn geen nieuwe schulden ontstaan en hij heeft permanent fulltime gewerkt.
2.3.2.1. Wat betreft het feit dat hij werkzaam is in de onderneming van zijn dochter, stelt [appellant] dat hij terughoudend is geweest vanwege gevoelens van schaamte en ook omdat hij meende dat dat gegeven niet van belang was omdat het niveau van zijn salaris op dat moment het maximale was voor hem, gezien zijn beperkte belastbaarheid en medische beperkingen en hij toetrad tot een voor hem nieuwe sector. Zijn salaris is inmiddels verhoogd.
2.3.2.1. Ten aanzien van de Wise-bankrekening geldt dat het saldo verwaarloosbaar was en dit niet nadelig is geweest voor de schuldeisers. [appellant] is vergeten om deze bankrekening te melden, maar hij heeft volledige inzage gegeven nadat deze rekening aan de orde kwam.
2.4
De bewindvoerder heeft verklaard dat zij niet zelf aanwezig was op de zitting bij de rechtbank op 3 april 2026, maar haar kantoorgenoot. Zij heeft begrepen dat twee weken na de zitting uitspraak zou worden gedaan.
Verder blijft de bewindvoerder bij haar standpunt zoals vermeld in haar brief over de laatste stand van zaken. Dat standpunt komt er kort gezegd op neer dat bij de toelatingszitting en ook daarna belangrijke informatie niet is gemeld door [appellant]. Die informatie is pas mondjesmaat door hem verstrekt tijdens de verhoren die werden gepland om hem een kans te geven openheid van zaken te geven. Ook is naar aanleiding van de vraag of het salaris van [appellant] marktconform was, pas tijdens de hoorzitting van 16 december 2025 en niet al naar aanleiding van een eerdere vraag van de bewindvoerder, door hem medegedeeld dat hij werkzaam is voor het bedrijf van zijn dochter.
2.5
Het hof overweegt als volgt.
2.5.1
Ten aanzien van de ontvankelijkheid staat niet ter discussie dat het beroepschrift buiten de beroepstermijn is ingekomen ter griffie van het hof. De vraag die dan dient te worden beantwoord is of sprake is van een verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. Het hof is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Ter zitting van de rechtbank van 3 april 2026 is [appellant] verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Verder is toen verschenen
M. Zomerdijk, namens de bewindvoerder, zo vermeldt het proces-verbaal. Het door [appellant] ingestuurde proces-verbaal van de zitting van 3 april 2026 vermeldt aan het slot dat de rechter aan het einde van de zitting heeft medegedeeld: “(...) Uitspraak volgt over twee weken, wij proberen eerder.”
Dat betekent dat de rechtbank uiterlijk op 17 april 2026 uitspraak zou doen. Het had dan ook op de weg van (de advocaat van) [appellant] gelegen om op of kort na 17 april 2026 bij de rechtbank te informeren naar de uitspraak, indien ontvangst ervan uitbleef. Dat is (kennelijk) niet gebeurd.
Dat, zoals de advocaat van [appellant] bijstaat, de rechter ter zitting van 3 april 2026 heeft meegedeeld dat vier weken na de zitting uitspraak zou volgen, is niet aannemelijk geworden, onder meer niet omdat (i) een bevestiging door, althans melding aan, de rechtbank van de gestelde fout in het proces-verbaal ontbreekt, (ii) de bewindvoerder wel had begrepen dat op een termijn van twee weken uitspraak zou worden gedaan en (iii) voor de hand had gelegen dat in het beroepschrift, waarin de rechtbank een te late toezending wordt verweten, melding zou zijn gemaakt van de onbekendheid met de eerdere dan de meegedeelde uitspraakdatum.
Mede omdat [appellant] ter zitting van de rechtbank was vergezeld van zijn advocaat bestaat daarom geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, (zie ook ECLI:NL:HR:2014:1682, onder rov. 3.4).
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
2.5.2
Ten overvloede overweegt het hof dat, de niet-ontvankelijkheid weggedacht, het hoger beroep niet tot vernietiging van het vonnis had geleid. Het hof ziet evenals de rechtbank een beletsel voor voortzetting van de schuldsaneringsregeling in de omstandigheid dat [appellant] niet uit eigen beweging – bij de toelatingszitting op 8 april 2025 of de voortzetting daarvan op 8 mei 2025, maar pas bij het tweede verhoor op 16 december 2025 naar aanleiding van vragen van de rechter-commissaris – informatie heeft gegeven over de buitenlandse vennootschappen waarbij hij betrokken was en over het feit dat hij in dienst is bij de onderneming van zijn dochter, en na dat verhoor nog weer de kwestie van de Wise-bankrekening boven tafel kwam. [appellant] behoorde te begrijpen dat die informatie van belang was bij de toelating tot en gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling en had die informatie daarom uit eigen beweging dienen te verstrekken. Dat een deel van die informatie al in het voorafgaande faillissement van [appellant] bekend was, betekent niet dat die informatie ook bij de rechtbank bekend was in het kader van de toelating tot de schuldsaneringsregeling en daarom niet uit eigen beweging met de rechtbank of de bewindvoerder behoefde te worden gedeeld. Of er in de buitenlandse vennootschapen economische activiteiten plaatsvonden, er activa, inkomsten, vermogensbestanddelen, of via die vennootschappen wellicht belangen in andere (buitenlandse) vennootschappen waren, zijn aspecten waarover bij de toelatingszitting duidelijkheid had moeten worden verstrekt. Hetzelfde geldt voor de (eventuele) geldstromen die via de Wise-bankrekening zijn gelopen. Volledige openheid hierover had er ook ten opzichte van de bewindvoerder moeten zijn. Het gebrek eraan is een duidelijke aanwijzing dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt.
Voortzetting van de regeling is in dit geval vanwege de ernst van de toerekenbare tekortkomingen niet gerechtvaardigd.

3.De beslissing

Het hof verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 april 2026.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. de Heer, J.M. van der Klooster en M.C.M. van Dijk, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.