ECLI:NL:GHDHA:2026:2095

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
200.340.923/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 BWArt. 6:228 BWArt. 6:248 BWArt. 6:265 BWArt. 6:267 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Leverancier hout verplicht tot informatie over herkomst hout, ontbinding bij niet-nakoming

In deze civiele zaak stond de levering van hout centraal, waarbij [appellante] hout leverde aan TABS c.s. en haar dochter [Houthandel]. De rechtbank Rotterdam wees de vorderingen van [appellante] af wegens het niet nakomen van een informatieverplichting over de herkomst van het hout, gebaseerd op EU-verordeningen die illegale houtkap en invoer van Russisch hout verbieden. TABS c.s. mocht daarom de koopovereenkomsten ontbinden.

Het hof Den Haag bevestigde dit oordeel. Het stelde vast dat hoewel de EU-verordeningen niet rechtstreeks tussen partijen werken, zij wel relevant zijn voor de redelijkheid en billijkheid in de uitvoering van de koopovereenkomsten. [appellante] had de verplichting om op verzoek informatie te verstrekken over de herkomst van het hout, mede vanwege het risico van illegale houtkap en sancties tegen Russisch hout. [appellante] voldeed hier niet aan, gaf aanvankelijk onjuiste informatie en weigerde een geheimhoudingsovereenkomst die TABS c.s. bescherming zou bieden.

Het hof oordeelde dat TABS c.s. terecht haar betalingsverplichtingen opschortte en de overeenkomsten mocht ontbinden wegens verzuim van [appellante]. De vordering tot teruglevering van het hout stuitte af op strafrechtelijk beslag. Het hof wees ook het verzoek van [appellante] af om een deskundige te benoemen, omdat dat niet tot een andere uitkomst zou leiden. De kosten van het hoger beroep werden aan [appellante] opgelegd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en bevestigt dat de leverancier verplicht was informatie over de herkomst van het hout te verstrekken, waardoor ontbinding van de koopovereenkomst door de afnemer gerechtvaardigd is.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.340.923/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/657425 / HA ZA 23-422
Arrest van 7 juli 2026
in de zaak van
[appellante],
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. R.M.T. van den Bosch,
kantoorhoudend te Rotterdam,
tegen

1.[Houthandel] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
2.
Timber and Building Supplies Holland N.V.,
gevestigd in Zaandam, gemeente Zaanstad,
advocaat: mr. J.P. van der Klein,
kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellante] , [Houthandel] en TABS, en [Houthandel] en TABS gezamenlijk ook TABS c.s.

1.De zaak in het kort

1.1
[appellante] heeft partijen hout verkocht en geleverd aan TABS en [Houthandel] , een dochter van TABS. [appellante] vordert betaling van TABS c.s. De rechtbank heeft de vordering van [appellante] afgewezen omdat [appellante] niet heeft voldaan aan haar informatieverplichting met betrekking tot de herkomst van het hout, op grond van verordeningen van de EU die de verkoop van illegaal gehakt hout en hout afkomstig uit Rusland verbieden. De rechtbank heeft de reconventionele vorderingen van TABS c.s. tot ontbinding van de overeenkomsten toegewezen.
1.2
Het hof komt tot eenzelfde oordeel als de rechtbank.

2.Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 27 april 2024, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2024, gewijzigd bij herstelvonnis van 29 mei 2024;
  • de memorie van grieven van [appellante] van 30 juli 2024, met producties;
  • de memorie van antwoord van TABS c.s. van 22 oktober 2024, met producties;
  • de akte uitlating producties van [appellante] van 3 december 2024;
  • de antwoordakte van TABS c.s. van 7 januari 2025;
  • de akte verzoek ex artikel 194 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van [appellante] van 21 januari 2025;
  • de antwoordakte verzoek deskundigenbericht van TABS c.s. van 18 februari 2025, met producties.
2.2
Op 13 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. [appellante] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een productie overgelegd (productie 36). De advocaat van TABS c.s. heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling producties G-55 tot en met G-66 aan de advocaat van [appellante] en het hof gezonden met een akte, waarin TABS c.s. eveneens haar eis aanvult met een vordering tot vergoeding van de werkelijke proceskosten. [appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen overlegging van producties G-55 tot en met G-66 van TABS c.s. Verder heeft de advocaat van [appellante] een aantal eigen producties aan TABS c.s. en het hof gezonden (producties L-37 tot en met L-45), die [appellante] in het geding wil brengen als het hof producties G-55 tot en met G-66 van TABS c.s. toelaat. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat het in dit arrest over de toelating van deze producties en de eiswijziging zal beslissen.
2.3
Producties G-55 tot en met G-64 zijn stukken afkomstig uit de strafzaak die TABS c.s. op 10 maart 2026 van het OM hebben gekregen. De advocaat van TABS c.s. heeft de stukken op 29 april 2026 gezonden aan het hof en aan de advocaat van [appellante] . De stukken uit de strafzaak beslaan meer dan 200 bladzijden, en de akte van TABS c.s. waarin deze stukken worden toegelicht, beslaat nog eens 28 bladzijden. Door deze stukken zo kort voor de mondelinge behandeling over te leggen, terwijl zij sinds 10 maart 2026 over deze stukken beschikte, heeft TABS c.s. [appellante] belemmerd in haar mogelijkheden om tijdig vóór de zitting op deze stukken te reageren en daar eigen stukken uit de strafzaak tegenover te stellen. Daarbij komt dat deze stukken afkomstig zijn uit een strafzaak waarin het onderzoek nog loopt (het OM heeft [appellante] nog niet gedagvaard). Toelating van deze producties zou tot gevolg hebben dat in deze procedure een uitgebreide discussie zou worden gevoerd over de waarde van door het OM verzameld bewijsmateriaal. Deze discussie hoort thuis in de strafzaak. Om deze redenen acht het hof de overlegging van deze stukken in strijd met de goede procesorde, en zal het hof deze producties niet toelaten. Dat betekent dat ook [appellante] ’s producties L-37 tot en met L-45 niet worden toegelaten, aangezien deze voorwaardelijk zijn overgelegd voor het geval de producties van TABS c.s. zouden worden toegelaten.
2.4
Producties G-65 en G-66 bestaan uit (overzichten van) facturen van de advocaat van TABS c.s. en hangen samen met de eiswijziging van TABS c.s. [appellante] heeft aangevoerd dat de vordering van TABS c.s. tot vergoeding van de werkelijke proceskosten neerkomt op een nieuwe grief tegen het vonnis van de rechtbank, die niet is toegestaan in dit stadium van de procedure. Het hof volgt [appellante] in dit bezwaar en zal deze vordering afwijzen en de daarmee samenhangende producties G-65 en G-66 niet toelaten.

3.Feitelijke achtergrond

De overeenkomsten tussen TABS c.s. en [appellante]

3.1
heeft een groothandel in hout en houtproducten, waaronder in het bijzonder plaatmateriaal zoals multiplex en betonplex. TABS is een holding bestaande uit verschillende handelsbedrijven, groothandels en houtbewerkingsbedrijven. [Houthandel] , een dochtervennootschap van TABS, is een specialistische houthandel met een breed assortiment aan houtproducten en plaatmateriaal.
3.2
Op 4 april 2022 is tussen [appellante] als verkoper en [Houthandel] als koper een koopovereenkomst tot stand gekomen voor de levering door [appellante] aan [Houthandel] van een vrachtwagenlading berken betonplex. De geplande leverdatum was 29 juni 2022.
3.3
Op 27 juni 2022 is tussen [appellante] als verkoper en TABS als koper een koopovereenkomst tot stand gekomen voor de levering door [appellante] aan European Leisure Industries B.V., een groepsmaatschappij van TABS (hierna: ELI), van twee vrachtwagenladingen Chinees berken multiplex. De partijen zouden eind juli/begin augustus 2022 worden geleverd.
3.4
Op de beide overeenkomsten (hierna: de koopovereenkomsten) zijn de algemene voorwaarden van [appellante] van toepassing. [bedrijf] , een zustervennootschap van [appellante] , fungeerde als de importeur van de partijen berken beton- en multiplex in de Europese Unie (EU).
Relevante EU-verordeningen
3.5
Verordening (EU) 995/2010 (hierna: de EUTR-Verordening) [1] verbiedt het op de markt brengen in de EU van illegaal gewonnen hout en de producten daarvan. Om te voorkomen dat illegaal gekapt hout in de EU op de markt wordt gebracht moeten marktdeelnemers een ‘stelsel van zorgvuldigheidseisen’ toepassen. Daartoe moeten zij verschillende stappen doorlopen, te beginnen met het vergaren van informatie over de herkomst van het hout. Aan de hand van die informatie moet het risico worden beoordeeld of het hout illegaal gekapt is. Is dit risico niet verwaarloosbaar, dan moeten marktdeelnemers mitigerende maatregelen nemen om dit risico te beperken (vgl. artikel 6 lid 1 onder Pro a, b en c van de Verordening).
3.6
Op grond van Verordening (EU) 833/2014 (hierna: de Sanctieverordening) [2] is het verboden onder meer hout en houtproducten van Russische oorsprong of afkomstig uit Rusland direct of indirect aan te kopen, in te voeren of over te dragen naar de EU.
Correspondentie tussen partijen en maatregel van de NVWA
3.7
Op 26 augustus 2022 heeft [appellante] de partij berken betonplex geleverd aan [Houthandel] . Op 23 september 2022 heeft TABS de volgende e-mail verstuurd aan [appellante] :

(…)
Refererend naar uw order RW202210640. U heeft heel recent dit Berken betonplex geleverd aan [Houthandel] . U bent de importerende partij in deze en heeft dit berken op de Europese markt gebracht. Omdat berken momenteel als een verhoogd risico wordt ingeschat vanwege het verbod op import van berken uit Rusland, willen wij graag van u weten wat het land van oorsprong is van dit berken, en hoe u dit heeft kunnen vaststellen?
Kunt u ook aangeven of er alleen sprake is van berken in dit product, of dat er mogelijk andere houtsoorten onderdeel zijn van deze platen (bijv. populier kern)?
P.s.: [Houthandel] valt onder de holding van TABS Holland. Dat u deze mail van mij ontvangt komt omdat wij vanuit TABS Holland voor alle bedrijven verantwoordelijk zijn voor o.a. FSC- en PEFC-certificeringen en EUTR-controle.”
3.8
Bij e-mail van 26 september 2022 heeft [appellante] hierop (voor zover van belang) als volgt gereageerd:

(…)
Op de Factuur staat duidelijk land van Herkomst Europa en wij als [appellante] importeren alles volgens de wet en voorschriften.
Deze lading komt uit de Oekraine en staat dus buiten de Russische Sancties.
We factureren Berken en de platen zijn 100% berken want anders moeten we twin gebruiken. (…)
3.9
Bij e-mail van 27 september 2022 heeft TABS gevraagd uit welk deel van Oekraïne het hout afkomstig was en verzocht om een ‘prestatieverklaring’ en een ‘CE-markering’.
3.1
Bij e-mail van 28 september 2022 heeft [appellante] aangegeven dat het hout uit de “
Volyn, Zhytomyr and Rivne regions” in Oekraïne komt. [appellante] heeft als bijlagen de CE-markering en de prestatieverklaring (
declaration of performance,ook wel aangeduid als “
dop
)meegestuurd. Later is [appellante] hierop teruggekomen en heeft zij verklaard dat het hout geleverd aan [Houthandel] uit China afkomstig was.
3.11
TABS heeft [appellante] bij e-mail van 28 september 2022 verzocht om stukken waaruit bleek dat het Chinees berken betonplex dat [appellante] aan ELI leverde, zeker in China was gemaakt en dus geen “
Russische plaat” was. In antwoord hierop heeft [appellante] bij e-mail van 28 september 2022 een (kopie van een)
Certificate of Originvan de Volksrepubliek China gestuurd. De naam- en adresgegevens van de exporteur op het formulier waren onleesbaar gemaakt.
3.12
Op 28 september 2022 heeft [appellante] de partij berken betonplex bij ELI afgeleverd.
3.13
Voor iedere vrachtwagenlading heeft [appellante] een afzonderlijke factuur opgemaakt. Aan [Houthandel] heeft [appellante] de volgende factuur verstuurd:
Aan TABS heeft [appellante] de volgende twee facturen verstuurd:
[Houthandel] en TABS hebben de facturen niet betaald.
3.14
In een bespreking op 7 oktober 2022 hebben TABS c.s. en [appellante] gesproken over de wens van TABS c.s. om meer duidelijkheid te krijgen over de herkomst van de partijen berken beton- en multiplex en over de vrees van [appellante] dat zij met het verstrekken van meer duidelijkheid concurrentiegevoelige informatie zou prijsgeven. Na de bespreking heeft [appellante] bij e-mail van 10 oktober 2022 aan TABS c.s. een door [appellante] opgestelde ‘geheimhoudingsovereenkomst’ gestuurd. In deze overeenkomst staat dat [appellante] TABS c.s. zal voorzien van informatie over de leveranciers van het aan TABS c.s. geleverde hout en dat TABS c.s. deze informatie vertrouwelijk zal behandelen en voor derden geheim zal houden. De geheimhoudingsovereenkomst bevat een verbod voor TABS c.s. en de aan haar gelieerde ondernemingen om (in)direct zaken te doen met de (bekend te maken) leveranciers voor een periode van tien jaar. Op schending van de geheimhoudingsovereenkomst staat een boete van € 50.000,00 per overtreding en van € 5.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt. Deze geheimhoudingsovereenkomst was niet acceptabel voor TABS c.s. Zij heeft de overeenkomst niet getekend.
3.15
Bij e-mail aan TABS c.s. van 12 oktober 2022 heeft [appellante] medegedeeld dat de partij berken betonplex geleverd aan [Houthandel] (niet uit Oekraïne maar) uit China afkomstig was.
3.16
Op het hout geleverd aan TABS zijn resten aangetroffen van stickers die vermoedelijk afkomstig zijn van Segezha, een bekende Russische leverancier van hout. Verder zijn reparaties aangebracht met zogenoemde
butterfly patchesen zijn verpakkingsstroken aangetroffen met het kenmerk ‘RU’.
3.17
TABS c.s. heeft contact opgenomen met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: de NVWA), die toezicht houdt op de naleving van de EUTR-Verordening. Bij besluit van 20 oktober 2022 gericht aan [appellante] , gewijzigd bij besluit van 25 oktober 2022, heeft de NVWA een maatregel genomen ter voorkoming van het in het verkeer brengen van de aan TABS c.s. geleverde partijen betonplex. Het besluit luidt, voor zover relevant, als volgt:

Aanleiding
Door de NVWA is een controle uitgevoerd op zendingen hout afkomstig uit China. Deze zendingen zijn door [appellante] als marktdeelnemer in het kader van de Verordening geïmporteerd. Tijdens de controle zijn vragen gerezen over de herkomst van het hout en of alle stappen van het stelsel van zorgvuldigheidseisen zijn doorlopen en het risico tot het op de markt brengen van producten van illegaal hout verwaarloosbaar is. Bij het op de markt brengen van hout en/of houtproducten dient er onder andere te worden voldaan aan de eisen gesteld in artikel 4 en Pro 6 van de Verordening. De inspecteur heeft geconstateerd dat vermoedelijk het hout waaruit de houtproducten zijn vervaardigd niet uit de landen komen zoals [appellante] doet blijken volgens de door [appellante] op 14 oktober 2022 per e-mail verstrekte documenten.
Situatie China
China heeft een corruptie perceptie index (mate van corruptie) van 42%. Nederland heeft een score van 82%. Geschat wordt dat 17% van de export vanuit China illegaal gekapt hout bevat.
Besluit
Gelet op het hiervoor genoemde dient er nader onderzoek te worden uitgevoerd op het door [appellante] ingevoerde hout om na te gaan of [appellante] het stelsel van zorgvuldigheideisen heeft doorlopen en het risico van het op de markt brengen van illegaal gekapt hout verwaarloosbaar heeft gemaakt. Om te voorkomen dat eventueel illegaal gekapt hout op de markt wordt gebracht besluit ik dat de twee zendingen afkomstig uit China, namelijk; 29 pakken van elk 22 platen berken betonplex F/F I/I DB 120 grams, 2500 x 1250 x 18,0 geleverd aan [Houthandel] en 32 pakken van elk 16 platen berken muliplex BB/BB 1525 x 3050 x 24,0 geleverd aan Timber and Building Supplies Holland N.V.:

Niet mogen worden vervoerd van de locatie met het adres: Timber and Building Supplies Holland N.V., [adres].

Niet mogen worden be- of verwerkt.

Niet in het verkeer mogen worden gebracht en niet mogen worden verkocht of weggegeven of tentoongesteld voor commerciële doeleinden.

Tijdelijk moeten worden opgeslagen.
Het overtreden van de in dit besluit genoemde maatregelen wordt strafbaar gesteld op grond van de Wet op de economische delicten. Indien u deze maatregelen niet neemt begaat u een misdrijf zoals bedoeld in de Wet op de economische delicten.
De inspecteur van de NVWA zal zijn bevindingen vastleggen in een rapport van bevindingen. Zodra dit rapport gereed is wordt het naar u toegezonden.
Loopduur
Het besluit treedt in werking op de datum van de dagtekening van deze brief en is van kracht gedurende de looptijd van het onderzoek door de NVWA naar de herkomst van het hout, met een maximale termijn van drie maanden. Na afloop van de termijn of indien eerder, na afronding van het onderzoek informeert de NVWA het vervolg.
3.18
Bij brief van 19 januari 2023 heeft de NVWA aan [appellante] bericht dat het onderzoek door de inspecteur van de NVWA bijna is afgerond en dat gelet daarop het besluit van 20 oktober 2022 wordt opgeheven en het hout wordt vrijgegeven. De NVWA merkt in de brief op dat de inspecteur “diverse overtredingen” heeft geconstateerd met betrekking tot het hout en dat [appellante] daarover zo spoedig mogelijk nader bericht zal ontvangen. De NVWA heeft dit besluit ook medegedeeld aan TABS c.s.
3.19
Bij e-mails van 23 en 24 januari 2023 heeft [appellante] TABS c.s. gesommeerd tot betaling van de facturen.
3.2
Bij brief van 30 januari 2023 aan de advocaat van [appellante] heeft de advocaat van TABS c.s. onder meer het volgende geschreven:

(…)
TABS en [Houthandel] beschouwen de partijen hout vooralsnog als non-conform en schorten hun betalingsverplichtingen (zo al aan de orde) aan [appellante] op tot nader order. Zo volgt bijvoorbeeld uit de bijgevoegde brief van de NVWA van 19 januari 2023 dat het onderzoek van de NVWA nog niet is afgerond en dat de NVWA bovendien "diverse overtredingen [heeft] geconstateerd ten aanzien van het betreffende hout." TABS en [Houthandel] hebben meer informatie nodig om hun definitieve positie te bepalen. In dat kader verzoeken TABS en [Houthandel] [appellante] om in elk geval nadere informatie met betrekking tot de door de NVWA geconstateerde overtredingen te verstrekken. TABS en [Houthandel] hebben mogelijk nog aanvullende informatie nodig om hun definitieve positie te bepalen. TABS en [Houthandel] behouden zich alle rechten en weren voor. (…)
3.21
Omdat [appellante] niet voldeed aan het informatieverzoek van TABS c.s. heeft hun advocaat bij brief van 10 februari 2023 nogmaals om informatie verzocht, en zijn verzoek als volgt gespecificeerd, met het verzoek deze informatie uiterlijk 17 februari 2023 te verstrekken:

(…)
Meer specifiek, verzoeken TABS en [Houthandel] [appellante] om de volgende informatie - zoveel mogelijk gestaafd met stukken - te verstrekken:
-
een kopie van het bosbeheercertificaat of chain of custody certificaat of een ander document dat de gecertificeerde status van [appellante] bevestigt;
-
de identificatie van het berken betonplex, inclusief handelsnaam en type;
-
de identificatie van de boomsoort(en) in het materiaal volgens de handelsnaam en wetenschappelijke benaming;
-
de identificatie van het land waarin het hout gekapt is, alsmede de subnationale regio en/of oogstlocatie;
-
informatie over de identificatie van bosbeheereenheden van het oorspronkelijke materiaal en de volledig gerelateerde handelsketen;
-
alle informatie rondom de (initiële) herkomst en leveringsketen van de partij hout; en
-
kopie van het volledige inspectierapport van de NVWA, alsmede de correspondentie tussen [appellante] en de NVWA, inclusief een kopie van een voornemen tot het opleggen van een handhavingsmaatregel die aan [appellante] is verstrekt / een kopie van een opgelegde handhavingsmaatregel.
Tot het verstrekken van deze informatie bestaat niet alleen een wettelijke verplichting (ex artikel 843a Rv) maar ook een contractuele gehoudenheid. Ik verwijs u in dat kader naar de bijgevoegde leveranciersverklaring zoals door [appellante] op 2 januari 2017 ondertekend (…)
3.22
In de leveranciersverklaring van 2 januari 2017 gevoegd bij de brief van de advocaat van TABS c.s. van 10 februari 2023 verklaart [appellante] aan TABS en bepaalde bedrijven gelieerd aan TABS toegang te verlenen tot de volgende informatie:

Eigen-verklaring
in het kader van PEFC ST 2002:2013 4.2.1 & 5.2.1 & 5.5.1
a)
een kopie van het bosbeheercertificaat of chain of custody certificaat of een ander document dat de gecertificeerde status van ondergetekende organisatie bevestigt;
b)
de identificatie van het materiaal of product, inclusief handelsnaam en type;
c)
de identificatie van de boomsoort(en) in het materiaal of product volgens de handelsnaam en wetenschappelijke benaming;
d)
de identificatie van het land waarin het hout gekapt is, en, waar van toepassing, de sub-nationale regio en/of oogstlocatie.
Wanneer TABS Holland N.V. de leveranties als “significant” risico aanmerkt, verklaart ondergetekende organisatie aanvullende informatie en (zo mogelijk) bewijs te leveren om TABS Holland N.V. de mogelijkheid te geven de levering als “verwaarloosbaar” risico te kunnen aanmerken. In deze gevallen zal ondergetekende organisatie:
e)
informatie leveren aan TABS Holland N.V. over de identificatie van bosbeheereenheden van het oorspronkelijke materiaal en de volledig gerelateerde handelsketen;
f)
TABS Holland N.V. in de gelegenheid stellen een inspectie te laten uitvoeren door een tweede of derde partij op de verrichtingen van de organisatie en de voorgaande organisaties in de handelsketen.
Ondergetekende organisatie verklaart hierbij dat, voor zover bekend, het geleverde materiaal niet afkomstig is van controversiële bronnen.
3.23
Bij brief van 26 april 2023 heeft de advocaat van [appellante] het volgende geantwoord:
“(…)
Voor de goede orde, en zoals uw cliënten ook weten, zijn de goederen door de NVWA vrijgegeven voor vrije verhandeling. Er is dus geen sprake van enig risico voor TABS noch gerechtvaardigd belang bij het verzoek om aanvullende (concurrentiegevoelige) informatie.
Voor de goede orde trekt [appellante] de genoemde en enige verklaring bij deze in, althans herroept zij die. Ik merk hierbij op dat [appellante] bereid is om in overleg te treden om een nieuwe verklaring af te geven voor eventuele toekomstige leveringen.
Ik heb van [appellante] instructie gekregen om uw cliënten te dagvaarden teneinde betaling van haar vorderingen te verkrijgen.(…)
3.24
Bij brief van 3 mei 2023 heeft de advocaat van TABS c.s. nogmaals verzocht de genoemde informatie te verstrekken, met een termijn tot en met 10 mei 2023. In de brief verwijst de advocaat van TABS c.s. naar een artikel dat op 22 februari 2023 is verschenen in het Financieële Dagblad. In dat artikel wordt melding gemaakt van een onderzoek van ABN Amro, die leningen aan [appellante] heeft verstrekt, naar de naleving van de sanctieregels door [appellante] . De directeur van [appellante] stelt in het artikel dat [appellante] na de invoering van de sancties de invoer van Russisch hout heeft gestaakt, en nieuwe leveranciers in China heeft gevonden. Volgens het artikel wordt in de houtsector in het algemeen terughoudend gereageerd op aanbiedingen van hout uit China en Turkije, omdat deze landen geen sancties handhaven tegen Rusland, en door Russische houtproducenten worden gebruikt om alsnog hout naar Europa te sturen.
3.25
De advocaat van [appellante] heeft gereageerd bij brief van 11 mei 2023. De reactie komt erop neer dat [appellante] niet aan het informatieverzoek zal voldoen. De advocaat van [appellante] schrijft dat de leveranciersverklaring “
niet alleen vervallen is, maar daarnaast in het geheel niet van toepassing is (zou zijn) op de onderhavige zendingen.” Verder wijst hij erop dat TABS c.s. heeft geweigerd de geheimhoudingsovereenkomst te ondertekenen en stelt hij dat het er op lijkt dat TABS c.s. met het informatieverzoek de identiteit van de leverancier van [appellante] wil achterhalen “
om daar het eigen voordeel mee te doen (ten koste van [appellante] ).”
Onderzoek NVWA
3.26
Na de brief van 19 januari 2023 (zie hiervoor, 3.18) heeft de NVWA haar onderzoek voortgezet. Dat heeft geleid tot een besluit van 16 juni 2023, waarbij aan [bedrijf] een last onder dwangsom is opgelegd, die tot doel heeft ervoor te zorgen dat [bedrijf] de stappen van het stelsel van zorgvuldigheidseisen van de EUTR-Verordening volledig doorloopt. De NVWA heeft dit besluit gehandhaafd in een beslissing op bezwaar van 22 december 2023. [bedrijf] heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. Bij uitspraak van 24 april 2026 heeft de rechtbank Rotterdam de beslissing op bezwaar van 22 december 2023 vernietigd, en het primaire besluit van 16 juni 2023 herroepen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in de bestreden beslissing ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat met de door [bedrijf] overgelegde documenten niet de gehele productie- en toeleveringsketen in kaart was gebracht.
Strafzaak
3.27
In augustus 2023 zijn het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) en de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: de FIOD) begonnen met een strafrechtelijk onderzoek naar [appellante] , [bedrijf] , de directeur van [appellante] en een indirect aandeelhouder en (feitelijk) beleidsbepaler van [appellante] en [bedrijf] . Zij worden er onder meer van verdacht in strijd met de Sanctieverordening hout met een Russische oorsprong via China in de EU te hebben ingevoerd.
3.28
Op 17 mei 2024 heeft TABS c.s. aangifte gedaan bij het OM van een mogelijke overtreding van de Sanctieverordening door [appellante] .
3.29
Op 4 juni 2024 hebben het OM, de FIOD en de NVWA doorzoekingen uitgevoerd in de woningen van de directeur en de (feitelijk) beleidsbepaler van [bedrijf] , in het kantoor en de loodsen van [appellante] en bij twee afnemers van [appellante] . Op 4 juni 2024 heeft de FIOD, in opdracht van het OM, (deels) met machtigingen van de rechter-commissaris, beslag gelegd op bankrekeningen en administratie van [appellante] en [bedrijf] , de houtvoorraad in de loodsen van [appellante] en de partijen berkenhout die door [appellante] aan TABS c.s. zijn geleverd.
3.3
Bij vonnis van 8 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam [appellante] en [bedrijf] niet-ontvankelijk verklaard in vorderingen tot opheffing van de gelegde beslagen.
3.31
Bij beschikking van de (meervoudige economische raadkamer van de) rechtbank Rotterdam van 22 juli 2024 heeft de rechtbank klaagschriften van [appellante] en [bedrijf] tegen de gelegde beslagen afgewezen. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag op het hout, omdat nader onderzoek moet worden verricht naar de oorsprong van het vermoedelijk Russische berkenhout.
3.32
Het onderzoek in de strafzaak loopt nog. Ten tijde van de mondelinge behandeling had het OM [appellante] nog niet gedagvaard.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[appellante] heeft TABS c.s. gedagvaard en gevorderd dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
  • i) TABS c.s. veroordeelt tot betaling van € 91.056,74 (TABS) en € 45.397,45 ( [Houthandel] ), beide bedragen inclusief btw en te vermeerderen met 2% kredietbeperkingstoeslag en 1% contractuele rentevergoeding per maand vanaf de vervaldata van de facturen;
  • ii) TABS c.s. veroordeelt tot betaling van € 4.771,96 (TABS) en € 7.506,81 ( [Houthandel] ) aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;
  • iii) TABS c.s. veroordeelt in de proceskosten.
4.2
TABS c.s. heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [appellante] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis.
4.3
TABS c.s. heeft in reconventie gevorderd dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
  • i) primair, de koopovereenkomsten ontbindt op grond van artikel 6:267 lid 2 BW Pro in samenhang met artikel 6:265 BW Pro;
  • ii) subsidiair, de koopovereenkomsten ontbindt op grond van dwaling krachtens artikel 6:228 lid 1 sub b BW Pro, althans artikel 6:228 lid 1 sub c BW Pro;
  • iii) [appellante] veroordeelt in de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis.
4.4
[appellante] heeft verweer gevoerd in reconventie en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van TABS c.s., bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.
4.5
Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [appellante] verklaard dat een Chinese onderneming genaamd Tianma de exporteur is van het hout en dat het hout uit de Baltische staten afkomstig is.
4.6
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 3 april 2024, hersteld bij vonnis van 29 mei 2024, heeft de rechtbank in conventie de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld, inclusief nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na een schriftelijk verzoek tot betaling van TABS c.s. In reconventie heeft de rechtbank de koopovereenkomsten ontbonden en [appellante] in de proceskosten veroordeeld, inclusief nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na een schriftelijk verzoek tot betaling van TABS c.s.
4.7
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellante] ten onrechte niet voldaan aan haar informatieverplichting ten aanzien van de herkomst van het hout en de daarmee gefabriceerde partijen berken beton- en multiplex, op grond van de EUTR-Verordening en de Sanctieverordening. TABS c.s. had belang bij de nakoming van deze informatieverplichting en zij mocht haar betalingsverplichtingen opschorten zolang [appellante] deze informatieverplichting niet nakwam. Aangezien het duidelijk is geworden dat [appellante] deze informatieverplichting ook niet meer zou nakomen, heeft TABS c.s. zich ook terecht op ontbinding van de koopovereenkomsten beroepen, aldus de rechtbank.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. [appellante] vordert vernietiging van het vonnis en, primair, toewijzing van haar vorderingen in eerste aanleg en veroordeling van TABS c.s. tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van het vonnis aan TABS c.s. heeft betaald. Voor het geval het hof van oordeel zou zijn dat de koopovereenkomsten tussen [appellante] en TABS c.s. zijn ontbonden of deze ontbindt, vordert [appellante] subsidiair in plaats van betaling voor het geleverde hout een veroordeling van TABS c.s. om het geleverde hout aan [appellante] terug te leveren. Verder vordert [appellante] veroordeling van TABS c.s. in de proceskosten in beide instanties en uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het te wijzen arrest.
5.2
[appellante] heeft 8 grieven tegen het vonnis aangevoerd. Met
grief 1betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat de informatie over de herkomst van het hout die TABS c.s. bij [appellante] heeft opgevraagd, kwalificeert als bedrijfsgeheim in de zin van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen [3] en dat [appellante] niet verplicht is om deze informatie aan TABS c.s. te verstrekken zonder voldoende waarborgen ter bescherming van deze informatie. Volgens [appellante] vloeien uit de EUTR-Verordening en de Sanctieverordening voor haar geen verplichtingen voort om haar leveranciersketen bekend te maken aan TABS c.s.
Grief 2is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat TABS c.s. terecht bezwaar heeft gemaakt tegen de geheimhoudingsovereenkomst die [appellante] haar heeft voorgelegd vanwege de voor haar bezwarende bepalingen. [appellante] stelt dat de overeenkomst geen ongebruikelijke bepalingen bevatte.
Grief 4(er is geen grief 3) komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellante] op grond van de koopovereenkomsten tegen de achtergrond van artikel 6:248 lid 1 BW Pro verplicht is om informatie over de herkomst van het hout (zonder waarborgen) aan TABS c.s. bekend te maken. Volgens [appellante] is voor de aanvulling van de koopovereenkomsten op grond van artikel 6:248 BW Pro geen plaats en had TABS c.s. daarentegen op grond van artikel 6:2 BW Pro moeten meewerken aan waarborgen om de bedrijfsgeheimen van [appellante] te beschermen.
Grief 5is gericht tegen de vaststelling van een aantal feiten en de betekenis die de rechtbank daaraan heeft toegekend. Met
grief 6komt [appellante] op tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van [appellante] op de klachttermijn van artikel 12 van Pro haar algemene voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, en dat het beroep van [appellante] op de klachtplicht van artikel 7:23 lid 1 BW Pro niet slaagt omdat TABS c.s. op tijd hun twijfels hebben geuit over het geleverde hout. [appellante] stelt dat TABS c.s. haar twijfels over de herkomst van het hout heeft gebaseerd op zichtbare aspecten van de levering (stickerresten, butterflypatches en een ‘RU’ stempel op het hout, het feit dat het hout uit China was getransporteerd toen [appellante] nog stelde dat het hout uit Oekraïne afkomstig was), die zij binnen de klachttermijn van vijf dagen van artikel 12 van Pro de algemene voorwaarden had kunnen ontdekken en aan [appellante] kenbaar had kunnen maken. [appellante] stelt verder dat TABS c.s. niet binnen de “bekwame tijd” bedoeld in artikel 7:23 BW Pro heeft geklaagd. De e-mails van 14, 23 en 27 september 2022 van TABS c.s. ( [appellante] verwijst naar e-mails van 14, 23 en 27 september 2023 maar het hof neemt aan dat [appellante] de e-mails uit 2022 bedoelt) zijn volgens [appellante] geen klachten over de conformiteit van het hout, maar slechts vragen naar de herkomst van het hout.
Grief 7heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat TABS c.s. hun betalingsverplichtingen hebben kunnen opschorten. Dat oordeel is gebaseerd op de gedachte dat [appellante] een contractuele verplichting heeft om informatie over de herkomst van het hout te verstrekken, en zo’n verplichting heeft [appellante] niet. Als de overeenkomsten al met zo’n verplichting zouden kunnen worden aangevuld op grond van artikel 6:248 BW Pro, dan zou die aanvulling ook rekening moeten houden met [appellante] ’s gerechtvaardigde belang bij de bescherming van haar bedrijfsgeheimen, en TABS c.s. hebben geweigerd daarvoor enige waarborg te bieden. Met
grief 8komt [appellante] op tegen de ontbinding van de overeenkomsten. [appellante] is niet in verzuim geraakt door TABS c.s. niet tijdig te informeren over de herkomst van het hout. Voor zover [appellante] daartoe al verplicht zou zijn, zou zij dat alleen zijn als voldoende waarborgen waren getroffen voor de geheimhouding van haar bedrijfsgeheimen, en die hebben TABS c.s. niet willen geven. Voor het geval het hof deze grief verwerpt, wijzigt [appellante] haar eis en vordert zij teruggave van de geleverde partijen.
Grief 9is gericht tegen de veroordeling in de proceskosten.
5.3
TABS c.s. voert verweer en concludeert primair tot bekrachtiging van het vonnis en subsidiair tot ontbinding van de overeenkomsten op grond van dwaling, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

6.Beoordeling in hoger beroep

Hoofdpunten van het geschil

6.1
Met haar grieven legt [appellante] het geschil in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal de grieven daarom gezamenlijk behandelen. In de kern komt het geschil tussen partijen neer op de vraag of op [appellante] een verplichting rustte om TABS c.s. over de herkomst van de partijen hout te informeren en of [appellante] van TABS c.s. als tegenprestatie mocht verlangen dat TABS c.s. zich op straffe van verbeurte van een boete verbond de informatie geheim te houden en zelf direct noch indirect zaken te doen met de leveranciers van [appellante] . Als het hof vaststelt dat op [appellante] een informatieverplichting rustte, moeten ook de volgende geschilpunten worden behandeld: of TABS c.s. haar klachtplicht op grond van artikel 12 lid 2 van Pro de algemene voorwaarden en artikel 7:23 BW Pro is nagekomen, of TABS c.s. gerechtigd was haar betalingsverplichtingen op te schorten en of [appellante] in verzuim is geraakt, zodat TABS c.s. gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden. Als het hof tot het oordeel komt dat de overeenkomsten zijn ontbonden dan wel de overeenkomsten ontbindt, komt ook de subsidiaire vordering van [appellante] aan de orde, om TABS c.s. te veroordelen de partijen hout aan [appellante] terug te leveren.
Informatieverplichting
6.2
Het hof zal eerst onderzoeken of een informatieverplichting kan worden afgeleid uit de EUTR-verordening of de Sanctieverordening. Het hof stelt voorop dat deze verordeningen niet rechtstreeks werken tussen particulieren, zodat [appellante] niet door TABS c.s. op grond van deze verordeningen kan worden aangesproken om informatie over de herkomst van het hout te verstrekken. Voor zover de verordeningen verplichtingen bevatten voor [appellante] en TABS c.s., kunnen deze verplichtingen niettemin relevant zijn voor de wijze waarop [appellante] en TABS c.s. zich tegenover elkaar moeten gedragen bij de uitvoering van de koopovereenkomsten.
6.3
De EUTR-verordening bevat verplichtingen voor marktdeelnemers en handelaren. Artikel 4 lid 1 verbiedt Pro marktdeelnemers illegaal gekapt hout of producten van dergelijk hout op de markt te brengen. Op grond van artikel 4 lid 2 moeten Pro marktdeelnemers het ‘stelsel van zorgvuldigheidseisen’ toepassen wanneer zij hout of houtproducten op de markt brengen. Dat houdt onder meer in dat zij toegang moeten bieden tot bepaalde informatie, waaronder een beschrijving van het type hout, het land en de regio waar het hout is gekapt en de kapconcessie. Verder moeten zij risicobeoordelingsprocedures hanteren om het risico dat illegaal gekapt hout op de markt wordt gebracht, te analyseren en in te schatten (vgl. artikel 6 van Pro de EUTR-verordening). Een ‘marktdeelnemer’ wordt in artikel 2 onder Pro c) gedefinieerd als een natuurlijke of rechtspersoon die hout of houtproducten op de markt brengt. Handelaren moeten op grond van artikel 5 van Pro de verordening in elk stadium van de distributieketen kunnen aangeven welke marktdeelnemers het hout aan hen hebben geleverd en, in het voorkomende geval, aan welke handelaren zij het hout hebben geleverd. Een ‘handelaar’ is in artikel 2 onder Pro d) gedefinieerd als een natuurlijke of rechtspersoon die in het kader van een handelsactiviteit op de interne markt hout of houtproducten koopt of verkoopt die reeds op de interne markt zijn gebracht. De lidstaten moeten autoriteiten aanwijzen die toezicht houden op de naleving van de verordening. In Nederland is dat de NVWA.
6.4
In dit geval is [appellante] (of haar zustervennootschap [bedrijf] ) een marktdeelnemer en is TABS c.s. een handelaar in de zin van de EUTR-verordening. TABS c.s. moet dus bijhouden van wie zij hout heeft afgenomen en, in het voorkomende geval, aan wie zij hout heeft geleverd. Voor [bedrijf] of [appellante] geldt een verbod om illegaal gekapt hout op de markt te brengen. Verder moet zij uitgebreide informatie bijhouden over de herkomst van het hout.
6.5
Op grond van artikel 3 decies Pro van de Sanctieverordening in samenhang met bijlage XXI bij de verordening is het verboden onder meer hout van Russische oorsprong direct of indirect aan te kopen, in te voeren of over te dragen naar de EU. Dit verbod geldt voor iedereen, dus zowel voor [appellante] als voor TABS c.s.
6.6
De koopovereenkomsten voorzien niet in een specifieke informatieverplichting van [appellante] . De leveranciersverklaring bevat wel een verplichting voor [appellante] om informatie te verstrekken over het type hout, de boomsoort(en) en het land en de regio waar het hout gekapt is, maar volgens [appellante] is deze leveranciersverklaring niet van toepassing op de koopovereenkomsten. In dat verband wijst [appellante] erop dat de verklaring is afgegeven in het kader van de PEFC ST 2002-2013, en dat deze standaard inmiddels is vervangen door een nieuwe standaard, PEFC ST 2002/2020. Verder stelt [appellante] dat de verklaring uitsluitend is afgegeven ten behoeve van PEFC-gecertificeerde producten, en dat uit de koopovereenkomsten niet blijkt dat de producten PEFC-gecertificeerd zijn.
6.7
Het hof stelt voorop dat de bewoordingen van de koopovereenkomsten niet doorslaggevend zijn. Het gaat erom welke zin partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen, en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Verder kunnen verplichtingen die niet met zoveel woorden in de overeenkomst zijn opgenomen, volgen uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW Pro).
6.8
Het hof is van oordeel dat een afnemer van hout dat afkomstig is van buiten de EU, van zijn leverancier mag verwachten dat hij zo nodig informatie verstrekt over de herkomst van het hout, ook als een dergelijke verplichting niet uitdrukkelijk in de overeenkomst is opgenomen. Hoewel een afnemer als handelaar in de zin van de EUTR-verordening alleen hoeft aan te geven van wie hij het hout heeft afgenomen, kan hij er niettemin belang bij hebben om te weten uit welk land of regio het hout afkomstig is, en of het legaal gekapt is. Onzekerheid over de herkomst van het hout kan immers vergaande gevolgen hebben voor de afnemer. Dat blijkt wel uit de omstandigheden van dit geval, waar de NVWA maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat het hout verder zou worden verhandeld. De behoefte van de afnemer aan informatie over de herkomst van het hout is nog sterker als er een mogelijkheid bestaat dat het hout uit Rusland afkomstig is. Dan is de verhandeling van het hout immers zonder meer verboden op grond van de Sanctieverordening. Dat verbod geldt ook voor een handelaar die het hout aankoopt van de importeur. Verder loopt een handelaar ingeval van een mogelijke overtreding van dit verbod ook het risico dat het hout in beslag wordt genomen, zoals het onderhavige geval illustreert.
6.9
Gezien het voorgaande brengt een redelijke uitleg van de koopovereenkomsten mee dat TABS c.s. van [appellante] mocht verlangen dat zij de nodige informatie verschafte over de herkomst van het hout. Aanvankelijk lijkt ook [appellante] daar vanuit te zijn gegaan, aangezien zij de eerste vragen van TABS c.s. over de herkomst van het hout wel beantwoordde. Voor deze uitleg is niet beslissend of de leveranciersverklaring op de koopovereenkomsten van toepassing was. Hoe dan ook is deze verklaring een illustratie dat het niet ongebruikelijk is dat leveranciers op verzoek van de afnemer informatie over de herkomst van geleverd hout verschaffen. Daar komt bij dat TABS c.s. gerechtvaardigde twijfels had over de herkomst, onder meer op grond van de stickerresten en kenmerken die zij op (de verpakking van) de ladingen hout had aangetroffen en de
butterfly patchesin het hout die volgens haar typerend zijn voor Russische leveranciers. Volgens [appellante] ging het om resten van hergebruikte verpakkingsmaterialen en zeggen deze kenmerken niets over de herkomst van het hout. Een afnemer die zulke kenmerken aantreft kan er echter niet zonder meer vanuit aan dat het gaat om hergebruikt verpakkingsmateriaal dat stamt uit de tijd dat er nog geen verbod op de handel in Russisch hout van kracht was. Er waren bovendien berichten in de pers verschenen dat illegaal hout vanuit Rusland via onder meer China naar Europa werd getransporteerd. In dat verband werden de namen van [appellante] en [bedrijf] genoemd (zie 3.24 van dit arrest). En [appellante] heeft de twijfels van TABS c.s. verder gevoed door aanvankelijk onjuiste informatie te verstrekken over de herkomst van de partijen (zie 3.10).
6.1
[appellante] heeft in de akte van 21 januari 2025 verklaard dat zij over uitgebreide documentatie beschikt ten aanzien van de (legale) herkomst van de geleverde partijen berken beton- en multiplex (kapvergunningen uit Letland, vrachtbrieven, overeenkomsten tussen Letse en Chinese handelaren en tussen Chinese handelaren onderling inzake de verkoop van het hout, documentatie met betrekking tot de productie van de platen in China, overeenkomsten en transportdocumentatie inzake de levering van de partijen door de Chinese fabrikant aan [bedrijf] ). Als [appellante] over zulke uitgebreide documentatie beschikte, had zij TABS c.s. eenvoudig van informatie kunnen voorzien over de herkomst van de producten.
6.11
Het staat vast dat [appellante] niet aan deze informatieverplichting heeft voldaan. Met betrekking tot de partij geleverd aan [Houthandel] heeft zij alleen – in tweede instantie – medegedeeld dat deze uit China afkomstig was. Met betrekking tot de partijen geleverd aan TABS heeft zij uitsluitend een
Certificate of Originverstrekt waarop de gegevens van de producent/exporteur waren weggelakt (zie 3.10 en 3.11 van dit arrest).
6.12
Hierna zal het hof onderzoeken of [appellante] als tegenprestatie voor de nakoming van deze informatieverplichting van TABS c.s. mocht verlangen dat zij zich op straffe van verbeurte van een boete verbond de informatie geheim te houden en zelf direct noch indirect zaken te doen met de leveranciers van [appellante] .
Geheimhouding
6.13
In de conceptovereenkomst die [appellante] na de bespreking van 7 oktober 2022 aan TABS c.s. heeft gestuurd, erkent [appellante] het belang van TABS c.s. om de identiteit van de leveranciers te kunnen vaststellen met het oog op de “
geldende sancties”, maar verbindt zij aan het verstrekken van de informatie de voorwaarde dat TABS c.s. direct of indirect (via aan TABS c.s. gelieerde ondernemingen) geen zaken doet met deze leveranciers gedurende een periode van tien jaar. Verder voorziet de conceptovereenkomst in een boete van € 50.000,- per overtreding van het verbod en van € 5.000,- per dag dat de overtreding voortduurt. TABS c.s. heeft deze voorwaarden niet aanvaard. Volgens [appellante] zijn dit geen ongebruikelijke voorwaarden. Zij verwijt TABS c.s. verder dat zij geen tegenvoorstel heeft gedaan. Daarmee heeft TABS c.s. zich niet gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid, zoals op grond van artikel 6:2 BW Pro van haar mocht worden verwacht, aldus [appellante] .
6.14
Het hof is van oordeel dat [appellante] niet van TABS c.s. mocht verwachten dat zij deze voorwaarden zou accepteren. Ten eerste bevatte de conceptovereenkomst een algemeen verbod om de informatie over de leveranciers aan derden bekend te maken. Daarmee sloot de conceptovereenkomst ook uit dat TABS c.s. deze informatie zou verstrekken aan de autoriteiten, als dat nodig zou zijn om te laten zien dat TABS c.s. aan haar verplichtingen op grond van de Sanctieverordening had voldaan. Verder werd het TABS c.s. (en alle aan TABS c.s. gelieerde ondernemingen) verboden om met de bekendgemaakte leveranciers zaken te doen, ook als TABS c.s. al eerder betrekkingen met deze ondernemingen onderhield, en gold dat verbod voor een periode die veel langer is dan gebruikelijk voor concurrentiebedingen, en dan op grond van de mededingingswetgeving is toegestaan. [4]
6.15
[appellante] verwijt TABS c.s. dat zij niet heeft aangegeven onder welke voorwaarden zij wél bereid was een geheimhoudingsovereenkomst aan te gaan. Met dit argument miskent [appellante] echter dat zij een informatieverplichting had. Als zij voorwaarden wilde verbinden aan de nakoming van die verplichting, was het aan haar om voorwaarden voor te stellen waarvan zij redelijkerwijs van TABS c.s. mocht verlangen dat zij die zou aanvaarden. [appellante] had de informatie waarover zij zegt te beschikken (zie 6.10 van dit arrest) ook aan een accountant of notaris kunnen voorleggen, die op grond van die informatie een verklaring over de herkomst van het hout had kunnen afgeven zonder concurrentiegevoelige informatie te openbaren. Die verklaring had [appellante] aan TABS c.s. kunnen geven. Het mag bovendien niet uit het oog worden verloren dat kort nadat [appellante] de geheimhoudingsovereenkomst aan TABS c.s. had voorgelegd, de NVWA maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat het hout werd verhandeld. [5] Het is begrijpelijk dat TABS c.s. in die omstandigheden heeft aangedrongen op naleving van de informatieverplichting door [appellante] zonder op eigen initiatief voorwaarden voor te stellen die haar zouden beperken in het gebruik van die informatie. De stelling van [appellante] dat TABS c.s. in het geheel niet bereid was om enige waarborg ten aanzien van de vertrouwelijkheid te bieden en daarom zelf in verzuim is geraakt, is niet van een voldoende feitelijke onderbouwing voorzien.
6.16
Daarmee komt het hof tot de conclusie dat [appellante] de niet-nakoming van de informatieverplichting niet kan rechtvaardigen met de weigering van TABS c.s. om de geheimhoudingsovereenkomst te ondertekenen. Voor die conclusie is niet van belang of de informatie over de herkomst van het hout kwalificeert als ‘bedrijfsgeheim’ in de zin van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen. Want zelfs als die informatie als zodanig zou kwalificeren, dan zou [appellante] nog steeds gehouden zijn om die informatie in de gegeven omstandigheden aan TABS c.s. te verstrekken.
Klachtplicht
6.17
Met een beroep op artikel 12 lid 2 van Pro haar algemene voorwaarden en artikel 7:23 BW Pro stelt [appellante] dat TABS c.s. te laat haar twijfels over het hout aan [appellante] kenbaar heeft gemaakt.
6.18
Artikel 12 lid 2 van Pro de algemene voorwaarden van [appellante] bepaalt onder meer het volgende: “
(…) Alle reclames moeten binnen 5 dagen na lossing in het bezit van de [appellante] zijn (…) bij gebreke waarvan reclames niet meer zullen worden behandeld en de koper wordt geacht de goederen gaaf en onvoorwaardelijk te hebben geaccepteerd.(…)Artikel 7:23 BW Pro bepaalt onder meer dat de koper er geen beroep meer op kan doen dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, als hij de verkoper daarvan niet binnen ‘bekwame tijd’ nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven.
6.19
Het hof is van oordeel dat [appellante] zich als verweer tegen de vordering van TABS c.s. wegens de niet-nakoming van haar informatieverplichting niet op deze bepalingen kan beroepen, omdat beide bepalingen in de omstandigheden van het geval geacht moeten worden betrekking te hebben op de kwaliteit van het hout. Het gaat in dit geval niet om de kwaliteit van het hout, maar om (de niet-nakoming van) de verplichting van [appellante] om TABS c.s. te informeren over de herkomst van het hout.
Opschorting betalingsverplichting
6.2
Omdat [appellante] haar informatieverplichting niet nakwam, was TABS c.s. gerechtigd haar betalingsverplichting op te schorten. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank in 5.8, 5.9-5.12van het vonnis en neemt die over. [appellante] is daartegen opgekomen met de stelling dat op haar geen informatieverplichting rustte en dat zo dat al anders zou zijn, zij van TABS c.s. mocht verlangen dat zij waarborgen voor de bescherming van haar bedrijfsgeheimen zou bieden. Die stellingen heeft het hof hiervoor verworpen.
Ontbinding
6.21
TABS c.s. heeft [appellante] herhaaldelijk aangemaand om haar informatieverplichting na te komen, voor het laatst bij brief van haar advocaat van 3 mei 2023, waarbij een termijn is gesteld tot en met 10 mei 2023. In reactie daarop heeft de advocaat van [appellante] (nogmaals) medegedeeld dat [appellante] niet aan deze informatieverplichting zou voldoen. Daarmee was [appellante] in verzuim en was TABS c.s. gerechtigd de koopovereenkomsten te ontbinden.
Teruglevering
6.22
Ontbinding van de koopovereenkomsten heeft in beginsel tot gevolg dat reeds verrichtte prestaties ongedaan moeten worden gemaakt (artikel 6:271 BW Pro). TABS c.s. is dus in beginsel gehouden om de door [appellante] geleverde partijen hout terug te geven. TABS c.s. kan deze verplichting echter niet nakomen omdat het OM strafvorderlijk beslag heeft gelegd op de partijen hout en de dienst Domeinen Roerende Zaken de partijen hout bij TABS c.s. heeft opgehaald. De subsidiaire vordering van [appellante] om TABS c.s. te veroordelen de partijen hout aan [appellante] terug te leveren, stuit daarop af. Dat geldt ook voor zover [appellante] heeft gevorderd TABS c.s. te veroordelen de geleverde partijen terug te geven binnen twee weken nadat het strafvorderlijk beslag is opgeheven. Het hof kan niet op een opheffing van het strafvorderlijk beslag vooruitlopen, ten eerste omdat niet zeker is of het strafvorderlijk beslag zal worden opgeheven en ten tweede omdat de partijen hout zich thans bevinden bij de dienst Domeinen en [appellante] de partijen hout, als zij zouden worden vrijgegeven, bij de dienst Domeinen kan opeisen. TABS c.s. beschouwt zich vanwege het door [appellante] gemaakte eigendomsvoorbehoud niet als eigenaar van de partijen hout en zal daarop geen aanspraak maken als zij worden vrijgegeven. Dat heeft TABS c.s. bij brief van 19 juni 2024 aan [appellante] bevestigd. In zoverre heeft [appellante] geen belang bij deze vordering.
Bestuurs- en strafrechtelijke procedures; akte deskundigenbericht
6.23
[appellante] heeft een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 april 2026 die zij beschouwt als een bevestiging van de legale herkomst van het hout (zie over die uitspraak 3.26 van dit arrest). Verder zijn partijen uitgebreid ingegaan op de strafrechtelijke procedure. Het hof laat deze procedures buiten beschouwing omdat zij niet relevant zijn voor de vraag die in deze procedure voorligt, te weten of op [appellante] een verplichting rustte om TABS c.s. over de herkomst van de partijen hout te informeren en wat [appellante] als tegenprestatie voor het verstrekken van die informatie van TABS c.s. mocht verlangen. Het hof heeft vastgesteld dat [appellante] daartoe verplicht was en dat [appellante] ten onrechte heeft geweigerd om die informatie aan TABS c.s. te verstrekken. Daarom mocht TABS c.s. de koopovereenkomsten ontbinden. Als uiteindelijk in de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures vast zou komen te staan dat [appellante] heeft voldaan aan haar verplichtingen op grond van de EUTR- en de Sanctieverordening en dat de partijen hout een legale herkomst hebben, verandert dat niets aan deze conclusie. Om die reden zal het hof ook afwijzen het bij akte gedane verzoek van [appellante] om een deskundige te benoemen die de herkomst van de producten in kaart zou moeten brengen. Het bewijsaanbod van [appellante] wordt gepasseerd omdat het niet kenbaar betrekking heeft op feiten die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
Conclusie
6.24
Op grond van de voorgaande overwegingen komt het hof tot de conclusie dat de grieven van [appellante] tegen het vonnis van de rechtbank falen en dat het vonnis van de rechtbank moet worden bekrachtigd. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Het hof begroot deze kosten als volgt:
griffierecht € 6.561,-
salaris advocaat € 11.391,- (3 punten x tarief V)
nakosten € 178,-(plus de verhoging vermeld in de beslissing)
totaal € 18.130,-

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2024, hersteld bij vonnis van 29 mei 2024;
  • veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van TABS c.s. begroot op € 18.130,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de kostenveroordeling heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • wijst af het meer of anders gevorderde;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de kostenveroordeling betreft.
Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, J.J. van der Helm en F.M.A. Potter en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen, PB L 295 van 12 november 2010, p. 23, nadien gewijzigd.
2.Verordening (EU) 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren, PB L 229 van 31 juli 2014, p. 1, nadien gewijzigd.
3.Staatsblad 2018, 369.
4.Maximaal twee jaar in het geval van bedrijfsovernames, ter bescherming van goodwill van de overgedragen onderneming, en maximaal een jaar na de looptijd van de overeenkomst in het geval van verticale overeenkomsten zoals distributie- of franchiseovereenkomsten.
5.De e-mail waarbij [appellante] de conceptgeheimhoudingsovereenkomst aan TABS c.s. stuurde is van 10 oktober 2022. Het besluit van de NVWA is van 20 oktober 2022.