ECLI:NL:GHDHA:2026:214

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
200.357.506/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:392 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie: draagkracht en ingangsdatum herziening

Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep van de vrouw tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag inzake kinderalimentatie voor de minderjarige kinderen van partijen. De rechtbank had de alimentatie vastgesteld op €244,50 per kind per maand vanaf 30 april 2025. De vrouw vorderde een hogere bijdrage van €654 per kind per maand met ingang van augustus 2023.

Het hof ging uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten en beoordeelde de draagkracht van de man op basis van zijn gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2021 tot en met 2024. De man had onvoldoende onderbouwing geleverd voor de winst in 2024, waardoor het hof de winst van 2023 ook voor 2024 aannam. De netto draagkracht van de man werd vastgesteld op €1.585 per maand, verminderd met de bijdrage voor een ander kind, resulterend in €282 per kind per maand voor vijf minderjarige kinderen.

De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op €697 per kind per maand, waardoor een tekort ontstond. Het hof besloot de alimentatie vast te stellen op €282 per kind per maand met ingang van 30 april 2025 en verhoogde dit bedrag per 1 januari 2026 naar €295 per kind per maand. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof stelt de kinderalimentatie vast op €282 per kind per maand vanaf 30 april 2025, stijgend naar €295 per 1 januari 2026, en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.357.506/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 24-3245
zaaknummer rechtbank : C/09/665852
beschikking van de meervoudige kamer van 11 februari 2026
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. L. Rijsdam te Leiden
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.C. Reichmann te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 april 2025, uitgesproken onder voormeld rekest- en zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vrouw is op 29 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De man heeft op 28 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vrouw:
- op 10 oktober 2025 een journaalbericht van 8 oktober 2025 met bijlage;
- op 9 december 2025 een e-mail met bijlagen.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 17 december 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:
- het huwelijk van partijen is op 7 november 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
- partijen zijn de ouders van de inmiddels meerderjarige [meerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [meerderjarige] , en
van de volgende thans nog minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] , en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] ,
gezamenlijk te noemen: de minderjarigen;
- partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarigen;
- de minderjarigen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw;
- de man is ook de vader van de thans nog minderjarigen:
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 3] ;
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 4] ;
[minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 5] , en
[minderjarige 6] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 6] .
3.2
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 17 augustus 2021 is – voor zover hier van belang – :
- een voorlopige zorgregeling bepaald;
- de door de man met ingang van 1 augustus 2021 aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [meerderjarige] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op € 210,- per maand bepaald, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen en jaarlijks wettelijk te indexeren voor het eerst per 1 januari 2022, en is het door de man meer of anders verzochte over een verlaging van de kinderalimentatie afgewezen; en
- zijn partijen verwezen naar [hulpverleningsinstantie] voor deelname aan het traject Kinderen uit de Knel.
3.3
Na de beschikking van 17 augustus 2021 hebben partijen in onderling overleg andere afspraken gemaakt over de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, inhoudende dat de man aan de vrouw voor [meerderjarige] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een bedrag van € 175,- per kind per maand betaalt.

4.Waar de zaak over gaat

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank – met wijziging in zoverre van de na de beschikking van 17 augustus 2021 onderling getroffen regeling – de door de man met ingang van 30 april 2025 te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op € 244,50 per kind per maand bepaald, vanaf 30 april 2025 telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Voorts is bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en is het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2
De vrouw verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een bedrag van € 654,- per kind per maand aan alimentatie dient te voldoen en dit met ingang van augustus 2023, althans een datum welke het hof juist acht.
4.3
De man verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
de verzoeken van de vrouw in hoger beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

5.De motivering van de beslissing

Kinderalimentatie
Behoefte van de minderjarigen
5.1
De behoefte van de minderjarigen van € 697,- per kind per maand in 2025 is niet in geschil. Partijen zijn het er ook over eens dat de man voor [meerderjarige] geen bijdrage meer hoeft te betalen.
Draagkracht van de man
5.2
De vrouw is van mening dat bij de berekening van de draagkracht van de man moet worden gerekend met de gemiddelde winst over de jaren 2022-2024 in plaats van 2021-2023 zoals de rechtbank heeft gedaan bij gebreke aan recente stukken. De winst in het jaar 2021 is aanmerkelijk lager dan de jaren daarna en deze jaren laten een stijgende lijn zien. De man legt nog steeds geen stukken over van het jaar 2024, zodat ervan moet worden uitgegaan dat zijn inkomen in dat jaar gelijk is aan 2023.
Voorts stelt de vrouw dat de draagkracht van de man over vijf kinderen in plaats van zes moet worden verdeeld, aangezien de man niet aan zijn onderhoudsverplichting jegens [minderjarige 3] voldoet. De man heeft [minderjarige 3] met zijn ex-partner [ex-partner van de man] gekregen, maar de vrouw heeft van haar vernomen dat de man al langere tijd geen onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 3] betaalt. [ex-partner van de man] is bovendien gehuwd met haar nieuwe partner. Mocht het hof wel rekening houden met een onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 3] dan zijn er inmiddels dus drie onderhoudsplichtigen. De man en [ex-partner van de man] hebben bovendien niet samengewoond, zodat de behoefte van [minderjarige 3] laag is. Daarnaast stelt de vrouw dat bij de verdeling van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met de draagkracht van de moeder van [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] , die een aanzienlijk hoger inkomen heeft dan de vrouw. De relatie tussen de vader en de moeder van [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] is verbroken en zij oefenen co-ouderschap uit. De man heeft ervoor gekozen nog vier kinderen te krijgen en het is dan ook niet meer dan redelijk dat rekening wordt gehouden met de draagkracht van de moeders en stiefvader van die kinderen. Alsdan resteert een draagkracht om € 654,- per kind per maand aan de vrouw te voldoen ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.3
De man stelt dat de winst uit zijn onderneming in 2023 incidenteel hoger was vanwege een groot project in [plaats] . De verwachte winst over 2024 bedraagt volgens de boekhouder van de man circa € 90.000,-. De man is van mening dat uitgegaan dient te worden van een gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2021-2024 van € 88.567,-.
De man stelt dat de vrouw de rechtbank moedwillig heeft voorgelogen door te verklaren dat hij niet zou voldoen aan zijn onderhoudsverplichting jegens [minderjarige 3] . De man legt bewijs over van zijn betalingen aan [ex-partner van de man] ten behoeve van [minderjarige 3] . [ex-partner van de man] ontkent de vrouw te hebben gesproken.
De man kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat, in lijn met het TREMA-rapport, in het geval van een tekort aan draagkracht om in de behoefte van alle kinderen te voorzien, de beschikbare draagkracht gelijkelijk verdeeld wordt over alle kinderen, tenzij er een wezenlijk verschil in behoefte bestaat. De behoefte van de kinderen van de man is nagenoeg gelijk, want de man heeft nog altijd een vergelijkbaar inkomen. De drie jongsten hebben, zeker met inbegrip van het inkomen van hun moeder, een vergelijkbare behoefte.
5.4
Het hof zal bij het bepalen van de draagkracht van de man uitgaan van zijn gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2021 tot en met 2024. De man heeft de aangiften inkomstenbelasting en de jaarstukken over de jaren 2020 tot en met 2023 overgelegd waaruit volgt dat de winst uit onderneming over de jaren 2021 tot en met 2023 respectievelijk € 69.636,- (2021), € 80.036,- (2022) en € 114.597,- (2023) bedroeg. De man heeft nagelaten van zijn stellingen ten aanzien van de winst over de jaren 2023 en 2024 enige nadere onderbouwing te geven of bewijs over te leggen. Hoewel aannemelijk is dat de boekhouder in mei 2026 aangifte zal doen over het jaar 2024 en de definitieve jaarstukken over 2024 pas dan gereed zullen zijn, had de man, gelet op de betwisting van de vrouw, zijn stellingen nader moeten onderbouwen, bijvoorbeeld door het overleggen van voorlopige cijfers of een verklaring van de boekhouder. Het hof zal daarom ook voor het jaar 2024 uitgaan van de door de man behaalde winst in 2023. Rekening houdend met een gemiddelde winst over 2021-2024 van € 94.716,- per jaar ((€ 69.636 + € 80.036 + € 114.597 + € 114.597) : 4), becijfert het hof het netto besteedbare inkomen van de man op € 5.106,- netto per maand. Rekening houdende voorts met de forfaitaire kosten van levensonderhoud en het woonbudget, bedraagt de beschikbare draagkracht van de man voor kinderalimentatie € 1.585,- per maand.
5.5
Het hof zal de bijdrage van € 175,- per maand die de man voor [minderjarige 3] betaalt, op de beschikbare draagkracht van de man in mindering brengen. De man heeft ter zitting aangetoond dat hij deze bijdrage feitelijk voldoet. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vrouw onweersproken heeft aangevoerd dat de man en de moeder van [minderjarige 3] niet hebben samengewoond, waardoor de behoefte van [minderjarige 3] lager is dan de overige kinderen van de man, en dat de moeder van [minderjarige 3] is hertrouwd, zodat – naast de man en de moeder van [minderjarige 3] – ook de stiefvader onderhoudsplichtig voor hem is. Gelet op voornoemde omstandigheden en nu verder niet is gebleken dat de man nog andere kosten bovenop de maandelijkse bijdrage voor [minderjarige 3] heeft, houdt het hof ter zake van [minderjarige 3] alleen rekening met de feitelijk betaalde maandelijkse bijdrage. Voor wat betreft de drie jongste kinderen van de man, [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] , acht het hof aannemelijk dat de behoefte van deze kinderen niet wezenlijk verschilt met die van de minderjarigen. Het hof zal daarom de resterende beschikbare draagkracht gelijkelijk verdelen over deze vijf kinderen. Ter zitting is duidelijk geworden dat de relatie met de moeder van de jongste drie kinderen van de man is verbroken, dat er een co-ouderschap ten aanzien van deze drie kinderen is afgesproken en dat de moeder van deze kinderen en de man bedragen storten op een gemeenschappelijke kindrekening van welke rekening de kosten van deze kinderen worden voldaan. De draagkracht van de moeder van [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. Dit brengt mee dat de draagkracht van de man voor kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen ((€ 1.585 -/- € 175 = € 1.410) : 5 =) € 282,- per maand per kind is. Aan de zijde van de vrouw gaat het hof uit van een draagkracht van € 211,- per maand voor beide minderjarigen tezamen, zoals deze is vastgesteld door de rechtbank. Gebleken is dat de vrouw voor 80-100% is afgekeurd en afhankelijk is van een WIA-uitkering.
5.6
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk (€ 564 + € 211 =) € 775. Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. Er is sprake van een tekort van € 619,- per maand. Nu het tekort aan gezamenlijke draagkracht meer dan twee keer zo groot is dan de zorgkorting waarop de man aanspraak zou kunnen maken, moet de man zijn volledige draagkracht aanwenden.
5.7
Gelet op het vorenstaande zal het hof de door de man te betalen kinderalimentatie vaststellen op € 282,- per maand per kind.
5.8
Het hof heeft in het kader van de kinderalimentatie berekeningen gemaakt van het netto besteedbaar inkomen van partijen. De berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Ingangsdatum
5.9
De vrouw stelt dat haar situatie dusdanig is dat iedere euro van belang is voor haar gezin. Van belang is dan ook volgens haar dat bij de beoordeling van de ingangsdatum van een gewijzigde onderhoudsbijdrage rekening wordt gehouden met de datum waarop de man wist van de mogelijkheid dat hij een hogere bijdrage zou moeten voldoen. Volgens de vrouw is dat de datum waarop haar advocaat zich tot de man heeft gewend (augustus 2023) en anders de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift (30 april 2024).
5.1
De man stelt dat als de kinderalimentatie wordt gewijzigd, moet worden uitgegaan van de datum van de beschikking van het hof en anders van de datum van de beschikking van de rechtbank (30 april 2025). De door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie wijkt zeer beperkt af van de bijdrage die de man reeds voldeed, die overigens de draagkracht van de man te boven ging. Onder dreiging van weer een procedure heeft de man destijds ingestemd met een hogere bijdrage. De kosten van het procederen trekken een zware wissel op de inkomsten van de man, terwijl de vrouw in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand. Hij heeft bijvoorbeeld het afgelopen jaar niet kunnen investeren in een nieuwe (werk)bus die hij nodig heeft voor zijn onderneming, aldus de man.
5.11
Het hof stelt voorop dat de rechter een grote vrijheid heeft bij het bepalen van de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie. Daarbij houdt de rechter rekening met alle omstandigheden van het geval. Het hof ziet in hetgeen is aangevoerd onvoldoende aanleiding om af te wijken van de beslissing van de rechtbank en zal als ingangsdatum van de door de man te betalen kinderalimentatie 30 april 2025 hanteren. Dit is de datum waarop de rechtbank haar beslissing heeft gegeven.
5.12
Gelet op de datum van de onderhavige uitspraak zal het hof, gelet op het wettelijke indexeringspercentage, de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2026 vaststellen op € 295,- per kind per maand.
Proceskosten
5.13
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan de uit die relatie geboren minderjarigen betreft.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en – met wijziging in zoverre van de na de beschikking van 17 augustus 2021 onderling getroffen regeling – opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 30 april 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen € 282,- per kind per maand zal betalen en met ingang van 1 januari 2026 € 295,- per kind per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Reijngoud, E.B.J. van Elden en J.M. van de Poll, bijgestaan door mr. A.C. van Waning als griffier, en is op 11 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.