ECLI:NL:GHDHA:2026:2172

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
200.368.808/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 22 RvArt. 194 RvArt. 195 RvArt. 222 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering tot voeging wegens onvoldoende samenhang van zaken

De Russische Federatie (RF) vordert in een incident bij het gerechtshof Den Haag de voeging van twee aanhangige zaken tegen JCS CB Privatbank, beide betreffende herroeping van eerdere arresten en arbitrale vonnissen. De primaire vordering tot voeging op grond van artikel 222 Rv Pro wordt afgewezen omdat onvoldoende samenhang bestaat tussen de zaken, die verschillende rechtsmiddelen betreffen.

Hoewel beide zaken betrekking hebben op herroeping, gaat het in de ene zaak om herroeping van arresten van het hof en de Hoge Raad, en in de andere om herroeping van arbitrale vonnissen. Het hof oordeelt dat dit onvoldoende samenhang oplevert voor voeging ex artikel 222 Rv Pro.

Het hof besluit echter om de zaken subsidiair op de rol te plaatsen om de procesvoering gelijk te laten lopen. De beslissing over de proceskosten in het incident wordt aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De zaak wordt op de rol geplaatst voor conclusie van antwoord van Privatbank zes weken na de uitspraak.

Het arrest is gewezen door de rechters P. Glazener, D.A. Schreuder en A.J. Swelheim en op 21 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vordering tot voeging van de twee zaken wordt afgewezen wegens onvoldoende samenhang, maar de zaken worden subsidiair op de rol geplaatst.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.368.808/01
Arrest van 21 juli 2026 in het incident tot voeging ex artikel 222 Rv Pro
in de zaak van
De Russische Federatie,
zetelend in Moskou, de Russische Federatie,
eiseres in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. I.P.M. van den Nieuwendijk, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
JCS CB Privatbank,
gevestigd in Kiev, Oekraïne,
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. M.A. Leijten, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna RF en Privatbank.

1.De zaak in het kort

1.1
RF vordert in dit incident voeging van deze zaak met een andere tussen RF en Privatbank aanhangige zaak. Het hof wijst deze vordering af.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 30 oktober 2025, waarmee RF in de hoofdzaak herroeping vordert van arresten van hof Den Haag van 16 februari 2021 en 19 juli 2022 en een arrest van de Hoge Raad van 6 december 2024 en in incident op de voet van artikel 21, 22, 194 en 195 Rv afschrift van stukken vordert;
  • de incidentele conclusie van RF tot voeging ex artikel 222 Rv Pro, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in het incident van Privatbank.

3.Aanleiding voor dit incident

3.1
RF heeft op 30 oktober 2025 twee exploten uitgebracht waarmee zij Privatbank dagvaardt voor het hof. Het onder 2.1, eerste gedachtestreepje, genoemde exploot heeft na inkomst bij het hof zaaknummer 200.368.808 gekregen en het andere exploot zaaknummer 200.368.810.
3.2
In zaaknummer 200.368.808 vordert RF in de hoofdzaak herroeping van arresten van hof Den Haag van 16 februari 2021 en 19 juli 2022 en een arrest van de Hoge Raad van 6 december 2024 en in incident op de voet van artikel 21, 22, 194 en 195 Rv afschrift van stukken. In zaaknummer 200.368.810 vordert RF in de hoofdzaak herroeping van arbitrale vonnissen van 24 februari 2017 (zoals gecorrigeerd op 27 maart 2017) en 4 februari 2019 en in incident op de voet van artikel 21, 22, 194 en 195 Rv afschrift van stukken.

4.De vordering in incident

4.1
RF vordert in dit incident primair voeging van de zaak tussen RF en Privatbank met zaaknummer 200.368.808 met de zaak tussen RF en Privatbank met zaaknummer 200.368.810. Subsidiair vordert zij dat beide zaken op de rol worden gevoegd.

5.Beoordeling van de vordering in incident

5.1
Op grond van artikel 222 Rv Pro kan voeging worden gevorderd van verknochte zaken die tegelijk voor dezelfde rechter aanhangig zijn.
5.2
Tussen de zaken bestaat onvoldoende samenhang. RF vordert in de ene zaak herroeping van arresten op de voet van artikel 382 Rv Pro en in de andere herroeping van arbitrale vonnissen op de voet van artikel 1068 Rv Pro. Hoewel het in beide zaken gaat om een vordering tot herroeping, gaat het daarbij om verschillende rechtsmiddelen.
5.3
De conclusie is dat de primaire vordering tot voeging op de voet van artikel 222 Rv Pro zal worden afgewezen. Om de procesvoering in beide zaken gelijk te laten lopen, zal het hof de zaken 200.368.808 en 200.368.810 zoals subsidiair gevorderd wel op de rol voegen.
5.4
Het hof zal de proceskosten in het incident reserveren tot aan de beslissing in de hoofdzaak.

6.Beslissing

Het hof:
in het incident
  • wijst de vordering van RF tot voeging ex artikel 222 Rv Pro af;
  • houdt de beslissing over de kosten van het voegingsincident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak en het incident ex artikel 21, 22, 194 en 195 Rv

  • bepaalt dat de zaak wordt geplaatst op de rol van zes weken na de dag van deze uitspraak voor conclusie van antwoord aan de zijde van Privatbank;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, D.A. Schreuder en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.