ECLI:NL:GHDHA:2026:2182

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
200.351.550/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:99 BWArt. 1:100 BWArt. 1:103 BW
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep echtscheiding en verdeling huwelijksgoederengemeenschap met dubbele nationaliteit en toepasselijk recht

Partijen, gehuwd in 2006 in Marokko en beiden met de Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit, zijn in hoger beroep verwikkeld in een echtscheidingsprocedure met nevenvoorzieningen. De rechtbank had de echtscheiding uitgesproken en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aangehouden wegens onvoldoende gegevens.

In hoger beroep betwist de vrouw de toepasselijkheid van Nederlands recht en stelt dat Marokkaans recht van toepassing is, terwijl de man het tegenovergestelde beweert. Het hof oordeelt dat partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt en dat het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het recht van de Staat waar zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigden, wat Nederland is.

De peildatum voor ontbinding van de huwelijksgemeenschap wordt vastgesteld op de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding in Marokko, 22 september 2022. De waardering van de goederen vindt plaats op de datum van verdeling. Het hof bevestigt dat partijen in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd en dat de verdeling bij helfte moet plaatsvinden.

Het hof wijst de verzoeken van partijen tot nadere verdeling af omdat zij onvoldoende inzicht en onderbouwing hebben gegeven, met name over een lening van €1.400.000 die de man niet kon specificeren. De bestreden beschikking wordt bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst de verzoeken tot nadere verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap af wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.351.550/01
zaaknummers rechtbank : C/09/636748 en C/09/642445
rekestnummers rechtbank: FA RK 22-6961 en FA RK 23-922
beschikking van de meervoudige kamer van 3 juni 2026
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. N. Baouch te Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. S. Karami te Amsterdam.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de tussenbeschikkingen van de rechtbank Den Haag van 17 augustus 2023 (hierna te noemen: de tussenbeschikking van 17 augustus 2023) en 16 februari 2024 (hierna te noemen: de tussenbeschikking van 16 februari 2024) en de eindbeschikking van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 26 november 2024 (hierna te noemen: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De man is op 25 februari 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vrouw heeft op 22 mei 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De man heeft op 13 juli 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
  • een bericht van de zijde van de man met bijlage, ingekomen op van 5 maart 2025;
  • een e-mailbericht van de zijde van de man van 10 maart 2025 met bijlagen;
  • een journaalbericht van de zijde van de man van 28 maart 2025 met bijlagen, ingekomen op 31 maart 2025;
  • een journaalbericht van de zijde van de man van 3 november 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 3 november 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de man van 6 november 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 20 maart 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de man van 23 maart 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 27 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
De advocaat van de man heeft ter mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd.
2.6
Ter mondelinge behandeling is met toestemming van het hof namens de man een uittreksel uit de Basisregistratie Personen (hierna te noemen: BRP) overgelegd.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2006 te [plaats] , Marokko, met elkaar gehuwd.
3.3
Ten tijde van de huwelijkssluiting hadden en nog steeds hebben partijen allebei de Marokkaanse en de Nederlandse nationaliteit.

4.De omvang van het geschil

4.1
Deze zaak gaat over de echtscheiding van partijen met nevenvoorzieningen.
4.2
Bij de tussenbeschikking van 17 augustus 2023 heeft de rechtbank – kort weergegeven – bepaald dat de behandeling van de verzoeken tot echtscheiding, verdeling en proceskostenveroordeling wordt aangehouden tot 1 oktober 2023 pro forma teneinde de vrouw in de gelegenheid te stellen zich vóór 15 september 2023 uit te laten over de stand van zaken in de echtscheidingsprocedure in Marokko, zowel ten aanzien van de echtscheiding als de verdeling, zo mogelijk onder overlegging van de beslissing van de Marokkaanse rechter in die procedure, voorzien van een beëdigde Nederlandse vertaling en bepaald dat de man vóór 1 oktober 2023 voor zover daarop wordt prijs gesteld, zal reageren en dat indien de vrouw aan het hierbij bepaalde geheel of gedeeltelijk niet voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal worden afgedaan.
4.3
Bij de tussenbeschikking van 16 februari 2024 heeft de rechtbank overwogen dat de rechtbank [plaats] te Marokko bij beslissing van 7 september 2023 de echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken, dat deze uitspraak onherroepelijk is en dat deze uitspraak voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. Bij de tussenbeschikking van 16 februari 2024 heeft de rechtbank zich daarom onbevoegd verklaard om van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de behandeling van het verzoek tot verdeling met het doel als omschreven onder het kopje “Verdeling” zal worden voortgezet op een nader te bepalen zitting en dat partijen hun verzoeken met betrekking tot de verdeling dienen te concretiseren en te onderbouwen met stukken en daarbij te betrekken waarover ten aanzien van de verdeling reeds in de Marokkaanse scheidingsprocedure is beslist uiterlijk vier weken vóór de nader te bepalen dag van de zitting en een afschrift hiervan aan de wederpartij en aan de rechtbank moeten doen toekomen.
4.4
Bij de bestreden beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen ten overstaan van een notaris bevolen en voor het geval partijen het over de keuze van een notaris niet eens worden, benoemd tot notaris ten overstaan van wie de verdeling behoort te worden tot stand gebracht: [notaris] , notaris te [standplaats] , dan wel de plaatsvervanger. Daarnaast is bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen.
4.5
De man verzoekt het hof in
principaal hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
I. te bepalen dat de woning, gelegen aan de [adres 1] te [plaats] , te koop wordt aangeboden teneinde de waarde in het economisch verkeer vast te stellen, waarbij de vrouw gedurende een door het hof te bepalen termijn in de gelegenheid wordt gesteld de woning toegedeeld te krijgen onder de verplichting om aan de man te voldoen een bedrag gelijk aan 50% van de nettowaarde van de woning, zijnde de prijs waarvoor een derde bereid is de woning te kopen tegen het hoogste onvoorwaardelijke bod, verminderd met de daarop rustende hypotheekschuld en vermeerderd met de waarde van de aan de woning gekoppelde spaarpolis; en, indien de vrouw niet binnen voornoemde termijn tot uitkoop overgaat, de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde tegen het hoogste onvoorwaardelijke bod, waarna de netto-opbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde spaarpolis, bij helfte tussen partijen wordt verdeeld, in die zin dat de vrouw gehouden is de helft daarvan aan de man te voldoen;
II. te bepalen dat de inboedel van de woning aan de [adres 1] te [plaats] bij helfte tussen partijen wordt verdeeld, in onderling overleg en bij gebreke daarvan op een door het hof in goede justitie te bepalen wijze, zodanig dat ieder van partijen goederen verkrijgt van zoveel mogelijk gelijke waarde; subsidiair te bepalen dat de inboedel volledig wordt toegescheiden aan de vrouw voor een waarde van € 100.000,-, onder de verplichting voor de vrouw een bedrag van € 50.000,- aan de man te voldoen voor zover sprake is van overbedeling op grond van de verdeling bij helfte;
III. te bepalen dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de schulden aan [BV 1] en [BV 2] ;
IV. te bepalen dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de uit de geldleningen, aangegaan ter financiering van de woning aan de [adres 2] te [plaats] , voortvloeiende restschuld, welke per datum indiening van het beroepschrift door de man is begroot op € 397.698,52, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede voor de helft draagplichtig is voor de nadien uit die geldleningen voortvloeiende (rest)schuld;
V. te bepalen dat aan de man als gevolg van overbedeling van de vrouw uit hoofde van de verdeling van de Marokkaanse bankrekening bij [bank] en banksaldi, door de vrouw een nader te bepalen bedrag aan de man wordt betaald, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;
VI. te bepalen dat de auto in Marokko ( Audi A4 ) wordt toebedeeld aan de vrouw tegen de waarde van een nog nader te bepalen vergoeding aan de man wegens overbedeling, waartoe de man binnen twee weken na de in deze te wijzen beschikking drie gerenommeerde taxateurs uitzoekt en de selectie daarvan naar de vrouw zal sturen, waarvan de vrouw na ontvangst daarvan binnen één week één taxateur aanwijst, die de waarde bindend zal bepalen per 14 oktober 2022 door middel van een taxatie en voorts daarbij te bepalen dat de man recht heeft op de helft van de tegen de datum 14 oktober 2022 getaxeerde waarde van de auto;
VII. te bepalen dat het op de peildatum aanwezige saldi van op de naam staande crypto accounts van de vrouw bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld en dat de vrouw binnen 1 week na de te wijzen beschikking inzage daarover zal geven aan de man.
4.6
De vrouw verzoekt het hof in
principaal en incidenteel hoger beroepde bestreden beschikking deels te vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad:
I. bij wijze van incidenteel hoger beroep te bepalen dat het Marokkaans recht van toepassing is op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en daarbij te bepalen dat ieder der partijen toekomt hetgeen in zijn of haar bezit is, alsmede dat ieder der partijen draagplichtig is voor de schulden op zijn of naar naam;
Indien Nederlands recht van toepassing [is], dan als volgt te bepalen:
II. het verzoek van de man aangaande de peildatum af te wijzen en bij wijze van incidenteel hoger beroep te bepalen dat als peildatum geldt: primair datum van het huwelijk ( [huwelijksdatum] 2006), subsidiair datum indiening verzoekschrift echtscheiding (14 oktober 2022);
III. bij wijze van incidenteel hoger beroep de mondelinge overeenkomst tussen partijen, te weten dat de woning aan de [adres 2] volledig aan de man toekomt en dat de woning aan de [adres 1] volledig aan de vrouw toekomt, in rechte te bekrachtigen;
IV. bij wijze van incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw het hof te bepalen dat aan haar toekomt de helft van de waarde van de inboedel aan de [adres 2] ;
V. bij wijze van incidenteel hoger beroep de man te bevelen om inzage te verschaffen omtrent zijn bankrekeningnummers, alsmede in zijn banksaldi op peildatum op deze bankrekeningnummers en daarbij te bepalen dat aan de vrouw toekomt de helft van de waarde van de banksaldi van alle rekeningnummer van de man op peildatum, met bevel aan de man om de waarde hiervan aan de vrouw over te maken binnen 3 werkdagen na de te wijzen beschikking;
VI. bij wijze van incidenteel hoger beroep - indien de woning aan de [adres 1] dient te worden verkocht en dat de waarde bij gelijke helften dient te worden verdeeld - te bepalen dat partijen beide voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld bij Defam open ter hoogte van € 60.527,28,-;
VII. het verzoek van de man aangaande de verdeling van de woning aan de [adres 2] af te wijzen en bij wijze van incidenteel hoger beroep primair te bepalen dat de woning aan de [adres 2] (en de daaruit voorvloeiende kosten en baten) volledig aan de man toekomt zonder nadere verrekening met de vrouw, subsidiair dat de schulden die voorvloeien uit de woning aan de [adres 2] volledig voor rekening komen van de man, meer subsidiair te bepalen dat de man onvoldoende inzage heeft verstrekt omtrent zijn verzoek ten aanzien van de verdeling van de woning aan de [adres 2] en aldus de verdeling niet kan geschieden;
VIII. het verzoek van de man aangaande de verdeling van de woning aan de [adres 1] af te wijzen en bij wijze van incidenteel hoger beroep primair te bepalen dat de woning aan de [adres 1] (en de daaruit voorvloeiende kosten en baten) volledig aan de vrouw toekomt zonder nadere verrekening met de man, subsidiair dat de woning dient te worden verkocht aan een derde en dat aan ieder toekomt de helft van de waarde, na aftrek van de door de vrouw betaalde kosten aangaande de woning (hypotheek- en verbouwingskosten);
IX. het verzoek van de man aangaande de verdeling van de overwaarde van de woning aan de [adres 3] af te wijzen en bij wijze van incidenteel hoger beroep te bepalen dat aan ieder der partijen toekomt de helft van het bedrag ad € 42.517,-, te weten een bedrag € 21.258,50, met bevel aan de man om dit geldbedrag binnen 3 werkdagen na de te wijzen beschikking over te maken op het rekeningnummer van de vrouw;
X. het verzoek van de man aangaande de verdeling van de Audi Q5 af te wijzen en bij wijze van incidenteel hoger beroep te bepalen dat de auto toekomt aan de man, met verrekening van de helft van de waarde aan de vrouw, te weten een bedrag van
€ 17.500,-, met bevel aan de man om dit geldbedrag binnen 3 werkdagen na de te wijzen beschikking over te maken op het rekeningnummer van de vrouw;
XI. het verzoek van de man aangaande de Audi A4 niet-ontvankelijk te verklaren dan wel integraal af te wijzen;
XII. het verzoek van de man aangaande de [bank] niet-ontvankelijk te verklaren dan wel integraal af te wijzen;
XIII. het verzoek van de man aangaande de verdeling van de crypto niet-ontvankelijk te verklaren dan wel integraal af te wijzen;
XIV. het verzoek van de man aangaande de draagplicht van de schulden aan [BV 1] en [BV 2] niet-ontvankelijk te verklaren dan wel integraal af te wijzen en bij wijze van incidenteel hoger beroep te bepalen dat de man volledig draagplichtig is voor de schulden aan [BV 1] en [BV 2] ,
althans een zodanige beslissing die het hof in goede justitie meent te behoren.
4.7
De man verzoekt het hof in incidenteel hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw in haar incidenteel hoger beroep en de daarin gedane verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel die af te wijzen.
4.8
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep voor zover mogelijk gezamenlijk beoordelen.

5.De motivering van de beslissing

Afwikkeling huwelijksvermogensregime
Rechtsmacht
5.1
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank in haar tussenbeschikking van 16 februari 2024 heeft opgenomen, is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter voor wat betreft de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen rechtsmacht heeft, behoudens voor zover het betreft de onderdelen van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime waarover de rechtbank [rechtbank] te Marokko reeds heeft beslist.
Toepasselijk recht
Standpunten
5.2
Door middel van grief 1 in incidenteel hoger beroep voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen en beslist dat op de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen Nederlands recht van toepassing is. In de visie van de vrouw is daarop het Marokkaans recht van toepassing. De vrouw stelt daartoe allereerst dat partijen door in Marokko te trouwen en dat huwelijk niet te laten inschrijven in de daartoe bestemde registers in Nederland het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht, zijnde het Marokkaans recht, hebben aangewezen. Temeer, nu partijen gedurende hun huwelijk en tot hun feitelijk uiteengaan ook hebben geleefd conform het Marokkaans recht en zij ervoor hebben gekozen de echtscheiding in Marokko te laten uitspreken. De vrouw stelt daarnaast dat zij en de man hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting niet hebben gevestigd in Nederland, maar in Marokko. Na de huwelijkssluiting in Marokko hebben zij eerst nog in Marokko verbleven en vervolgens hebben zij gedurende zes à zeven maanden een rondreis gemaakt. De vrouw stelt bovendien dat de rechtbank [rechtbank] te Marokko reeds op enkele onderdelen van het huwelijksvermogensregime van partijen naar Marokkaans recht heeft beslist, zodat zij het in het kader van rechtszekerheid en consistentie in het belang van partijen acht dat ook op de resterende onderdelen van hun huwelijksvermogensregime Marokkaans recht wordt toegepast.
5.3
De man voert hiertegen verweer. De man stelt dat partijen geenszins voorafgaand aan hun huwelijkssluiting een rechtskeuze voor het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben uitgebracht. Omdat partijen allebei een dubbele nationaliteit hadden en hebben, bepaalt, in zijn visie, de eerste gewone verblijfplaats van partijen na hun huwelijkssluiting het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht. Volgens de man hebben partijen hun eerste gewone verblijfplaats in Nederland, in [plaats] , gevestigd. Partijen waren destijds ook allebei (al) werkzaam in Nederland. Nederland is dan ook de Staat waarmee partijen het nauwst zijn verbonden. De man meent derhalve dat de rechtbank terecht heeft overwogen en beslist dat op het huwelijksvermogensregime van partijen het Nederlands recht van toepassing is.
Oordeel hof
5.4
Gelet op de datum van de huwelijkssluiting neemt het hof de toepasselijkheid van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 tot uitgangspunt. Op grond van artikel 3 van Pro het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht dat de echtgenoten vóór het huwelijk hebben aangewezen. Hoewel de vrouw heeft betoogd dat partijen het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen, is het hof zulks niet gebleken. Dit nog daargelaten dat uit de stellingen van de vrouw op dit punt volgt dat partijen die rechtskeuze zouden hebben gemaakt ten tijde van de huwelijkssluiting en daarna, terwijl die rechtskeuze op grond van voornoemd verdragsartikel vóór de huwelijkssluiting moet worden gemaakt. Het hof is dan ook van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat partijen niet vóór hun huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen.
5.5
Het hof overweegt vervolgens dat, indien de echtgenoten niet vóór het huwelijk het toepasselijke recht hebben aangewezen, op grond van artikel 4 van Pro het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het interne recht van de Staat op welks grondgebied de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen. Dit is echter (onder meer) anders als de echtgenoten een gemeenschappelijke nationaliteit bezitten. Van een gemeenschappelijke nationaliteit in de
zin van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 is alhier echter geen sprake, nu op grond van artikel 15 van Pro voornoemd verdrag de bepalingen in het verdrag betreffende de gemeenschappelijke nationaliteit niet van toepassing zijn wanneer de echtgenoten meer dan één gemeenschappelijke nationaliteit bezitten. In het geval van partijen is dat het geval. Vaststaat immers dat zij voor de huwelijkssluiting en daarna allebei de Marokkaanse en de Nederlandse nationaliteit bezaten en bezitten. Het hof is dan ook van oordeel dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het recht van de Staat alwaar zij hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting hebben gevestigd.
5.6
Tussen partijen staat ter discussie waar zij hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting hebben gevestigd. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is het hof voldoende duidelijk gebleken dat partijen hun eerste gewone verblijfplaats na hun huwelijkssluiting in Nederland hebben gevestigd. Het hof overweegt daartoe als volgt. Niet alleen heeft de vrouw onvoldoende concreet gesteld en met onvoldoende stukken onderbouwd dat partijen na hun huwelijkssluiting hun eerste gewone verblijfplaats in Marokko hebben gevestigd, maar ook blijkt uit het BRP en de stellingen van partijen daaromtrent ter mondelinge behandeling dat partijen hun gewone verblijfplaats destijds in Nederland hebben gevestigd. Gelet hierop, is, naar het oordeel van het hof, ingevolge artikel 4 van Pro het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 het Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
5.7
Het voorgaande leidt ertoe dat grief 1 van de vrouw faalt. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt derhalve bekrachtigen en het verzoek van de vrouw op dit punt afwijzen.
Huwelijksvermogensregime
5.8
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking overwogen dat niet gesteld of gebleken is dat partijen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen en heeft daarom aangenomen dat, gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals die ten tijde van de huwelijkssluiting van partijen en tot 1 januari 2018 golden, partijen in een algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd. De rechtbank heeft overwogen dat daarbij het uitgangspunt is dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen bij helfte tussen hen moet worden verdeeld. In hoger beroep is dit tussen partijen niet in geschil, zodat het hof hier ook van uitgaat.
5.9
Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:103 lid 1 BW Pro iedere echtgenoot het recht heeft om van zijn aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap afstand te doen. Het hof heeft daarom ter mondelinge behandeling expliciet aan de vrouw gevraagd of zij wellicht van dat recht gebruik heeft gemaakt. Dat was en is niet het geval. Op grond van artikel 1:104 BW Pro is het voor partijen thans ook niet meer mogelijk om van voornoemd recht gebruik te maken, nu een en ander in dat kader binnen drie maanden na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap moet gebeuren. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om van voornoemd uitgangspunt dat de huwelijksgemeenschap van partijen bij helfte tussen hen moet worden verdeeld af te wijken en gaat ervan uit dat een ieder van partijen een gelijk aandeel heeft in die (inmiddels ontbonden) huwelijksgemeenschap.
Peildatum
Standpunten
5.1
De vrouw stelt dat partijen in eerste aanleg weliswaar overeenstemming hebben bereikt over de te hanteren peildatum voor de vaststelling van de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap (te weten: 14 oktober 2022), maar dat die peildatum toch op een andere datum moet worden gesteld. Bij haar verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep heeft de vrouw gesteld dat, nu partijen nimmer (feitelijk) hebben samengewoond, op grond van de redelijkheid en billijkheid moet worden uitgegaan van een peildatum gelijk aan de huwelijksdatum van partijen (te weten: [huwelijksdatum] 2006). Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw dit standpunt gewijzigd en gesteld dat kan worden uitgegaan van een peildatum gelijk aan de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding in Marokko, te weten 22 september 2022.
Voor wat betreft de peildatum van de waardering van de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen moet volgens de vrouw ook worden uitgegaan van de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding in Marokko. Dit op grond van de redelijkheid en billijkheid, omdat partijen al lange tijd feitelijk uit elkaar zijn en de echtscheidingsprocedure ook al lange tijd loopt.
5.11
De man stelt dat partijen in eerste aanleg overeenstemming hebben bereikt over de te hanteren peildatum voor de vaststelling van de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap, te weten 14 oktober 2022. Volgens hem bestaat geen aanleiding van een andere datum uit te gaan, nu partijen wel degelijk hebben samengewoond en bovendien sprake is van een algehele gemeenschap van goederen. Deze datum is volgens hem ook de datum van indiening van het eerste verzoekschrift tot echtscheiding.
Voor wat betreft de peildatum van de waardering van de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen moet volgens de man worden uitgegaan van de datum van de feitelijke verdeling daarvan.
Oordeel hof
5.12
Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:99 BW Pro de algehele gemeenschap van goederen van rechtswege wordt ontbonden op het moment van het indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding. Als regel geldt dat als peildatum voor de vaststelling van de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap dan ook moet worden gehanteerd de datum van ontbinding van die gemeenschap, te weten in dit geval de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Het verzoekschrift tot echtscheiding in Marokko (dat ook heeft geleid tot de echtscheiding tussen partijen) is eerder ingediend dan het verzoekschrift tot echtscheiding in Nederland, namelijk 22 september 2022 ten opzichte van 14 oktober 2022. Het hof is daarom van oordeel dat als peildatum voor de vaststelling van de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap van partijen 22 september 2022 moet worden gehanteerd.
5.13
Het hof overweegt vervolgens voor wat betreft de peildatum van de waardering van de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen als volgt. Volgens vaste rechtspraak geldt als peildatum van de waardering van de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen in de regel de datum van verdeling. Dit is slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen of als op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. Gesteld noch gebleken is dat partijen voor wat betreft de peildatum van de waardering van de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen een andere datum zijn overeengekomen. Het hof ziet evenmin aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid van een andere datum dan de datum van verdeling uit te gaan. Dit betekent dat naar het oordeel van het hof voor wat betreft de peildatum van de waardering van de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen moet worden uitgegaan van de datum van verdeling van die goederen.
Verdeling
Standpunten
5.14
Door middel van grief 1 in principaal hoger beroep voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen en beslist dat zij, vanwege het door partijen onvoldoende onderbouwd stellen, niet in staat is om een verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen bij helfte vast te stellen. De man meent dat hij wel degelijk voldoende heeft gesteld en met stukken onderbouwd om tot een verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen bij helfte te komen. Hij meent daarom dat dat nu alsnog moet gebeuren.
5.15
De vrouw voert daartegen verweer. Haars inziens beschikte de rechtbank inderdaad over onvoldoende gegevens en stukken om een verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen bij helfte vast te stellen, met name omdat de man had (en heeft) nagelaten volledige inzage in zijn financiële situatie te geven.
Oordeel hof
5.16
Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is het hof van oordeel dat de rechtbank, voor wat betreft het niet kunnen vaststellen van de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen, terecht en op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze – na een eigen afweging – tot de zijne. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden, die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Ook naar het oordeel van het hof hebben partijen derhalve onvoldoende gesteld en onderbouwd om een verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen bij helfte te kunnen vaststellen. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.17
In het kader van de verzoeken van de man respectievelijk de vrouw in het kader van de vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen ligt het op de weg van partijen om over de aard en de omvang van die huwelijksgemeenschap voldoende duidelijkheid te verschaffen en de voorgestelde verdeling deugdelijk te onderbouwen. Partijen hadden dit kunnen doen door (bijvoorbeeld) een volledig overzicht van de actief en passief zijde van hun huwelijksgemeenschap te maken en met objectieve stukken te onderbouwen en aan het hof te verstrekken. Dit geldt temeer, nu de stellingen van partijen ten aanzien van de verschillende bestanddelen van hun huwelijksgemeenschap haaks op elkaar staan. Teneinde het voorgaande wel inzichtelijk, althans duidelijk(er), te krijgen heeft het hof partijen ruime tijd voorafgaand aan de mondelinge behandeling verzocht een aantal stukken te over te leggen en heeft het hof partijen ter mondelinge behandeling expliciet naar (een aantal bestanddelen van) de actief en passief zijde van de huwelijksgemeenschap van partijen gevraagd. Echter, ook naar aanleiding daarvan is geen volledig inzicht verkregen in de aard en de omvang van de huwelijksgemeenschap van partijen. Zo is het hof onder meer onduidelijk gebleven waaraan de door de man gestelde geldlening van € 1.400.000,- bij de besloten vennootschap [BV 1] en/of de besloten vennootschap [BV 2] is besteed. De man heeft op dit punt uitsluitend verwezen naar een rekeningoverzicht van zijn [rekening] -rekening onder de stelling dat daarin een bedrag van € 1.200.000,- van voornoemde geldlening is geïnvesteerd en vervolgens is verdampt. Het hof heeft zulks op basis van de voorhanden zijnde gegevens, en mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw van de stellingen van de man ten aanzien van het bestaan van voornoemde geldlening, echter niet kunnen vaststellen. Dit betekent dat ook het hof, op basis van hetgeen thans voorligt, niet in staat is om een verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen vast te stellen.
5.18
Het voorgaande leidt ertoe dat grief 1 van de man faalt. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt derhalve bekrachtigen en de verzoeken van partijen op dit punt afwijzen. De resterende grieven van partijen ten aanzien van de verdeling van hun huwelijksgemeenschap behoeven, gelet op het voorgaande, geen nadere bespreking.
5.19
Het hof wijst partijen ten overvloede nog op het volgende. Op grond van artikel 1:100 BW Pro zijn partijen in beginsel een ieder voor de helft draagplichtig voor tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende schulden. Daaruit volgt dat, voor zover sprake is van een dergelijke schuld en een van partijen meer dan de helft daarvan heeft voldaan, die partij voor het meerdere van die helft van rechtswege regres heeft op de andere partij.
5.2
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, G.G.B. Boelens en R.L.M.C. Janssen, bijgestaan door de griffier, en is op 3 juni 2026 door mr. A.A.F. Donders uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.