ECLI:NL:GHDHA:2026:2183

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
200.362.032/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 ParticipatiewetArt. 62 ParticipatiewetBoek 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep bijstandsverhaal onderhoudsplichtige ouder zonder draagkracht

Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep van het college tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam inzake het verhaalsbedrag dat een onderhoudsplichtige man aan de gemeente moet betalen voor bijstand aan zijn minderjarige kinderen. De moeder van de kinderen ontvangt bijstand en heeft het ouderlijk gezag. De man heeft de kinderen niet erkend maar is onderhoudsplichtig.

De rechtbank had het verhaalsbedrag vastgesteld op €186 per maand vanaf 1 maart 2024. Het college stelde dat dit bedrag te laag was en eiste een hogere bijdrage, onder meer omdat de rechtbank ten onrechte draagkracht had aangenomen bij de moeder op basis van een fictieve verdiencapaciteit. Het hof oordeelde dat in een bijstandsverhaalprocedure niet de rechtmatigheid van de bijstand wordt beoordeeld, maar dat moet worden uitgegaan van het feitelijk genoten inkomen van de moeder, namelijk de bijstandsuitkering.

Het hof volgde het Tremarapport dat geen draagkracht wordt aangenomen bij een ouder die bijstand ontvangt en het kind het hoofdverblijf heeft. De grief van het college slaagde daarom. Verder bleek dat de man al betalingen had gedaan aan het college en rechtstreeks aan de moeder, en dat een van de kinderen deels bij de man woonde. Partijen bereikten een overeenkomst over de verhaalsbijdrage, die het hof bekrachtigde. De bestreden beschikking werd vernietigd en de verhaalsbijdrage vastgesteld op de reeds betaalde bedragen.

Uitkomst: De verhaalsbijdrage wordt vastgesteld op de reeds door de man betaalde bedragen zonder fictieve draagkracht bij de bijstandsgerechtigde moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.362.032/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 23-7965
zaaknummer rechtbank : C/10/668073
beschikking van de meervoudige kamer van 27 mei 2026
inzake
[het college] ,
zetelende te [plaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: het college,
gemachtigden: [de gemachtigden] ,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
voorheen advocaat mr. S. Kievit, thans zonder advocaat.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 3 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het college is op 28 november 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken van de zijde van het college ingekomen:
- een brief van 23 december 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een brief van 5 januari 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 14 april 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- het college, vertegenwoordigd door [de gemachtigden] ;
- de man.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Uit [de moeder] (hierna: de moeder) zijn de volgende minderjarigen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te Curaçao;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2016 te Curaçao.
3.3
De moeder heeft het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
3.4
De man is de verwekker van de minderjarigen. Hij heeft hen niet erkend.
3.5
Aan de moeder is onder andere ten behoeve van genoemde minderjarigen over de periode van 11 oktober 2021 tot 30 juni 2025 een bijstandsuitkering verstrekt.
3.6
De man is onderhoudsplichtig jegens genoemde minderjarigen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het door de man aan de gemeente te betalen verhaalsbedrag vastgesteld op € 186,- per maand met ingang van 1 maart 2024 en zolang de bijstandsverlening ten behoeve van de minderjarigen voortduurt.
De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De proceskosten zijn gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders verzochte is afgewezen.
4.2
Het college verzoekt het hof het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren alsmede de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
- primair: het verhaalsbedrag vast te stellen op € 216,50 per maand met ingang van 1 januari 2023, dan wel een bedrag door het hof in alle redelijkheid te bepalen in overeenstemming met de wettelijke maatstaven;
- subsidiair: het verhaalsbedrag vast te stellen op € 216,50 per maand met ingang van 1 november 2023 dan wel een bedrag door het hof in alle redelijkheid te bepalen in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

5.De motivering van de beslissing

Bijstandsverhaal
Juridisch kader
5.1
Op grond van artikel 61 van Pro de Participatiewet (hierna: Pw) kunnen kosten van bijstand door het college worden verhaald. Op grond van artikel 62 aanhef Pro en onder a Pw kunnen, voor zover hier van belang, kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht, bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), worden verhaald op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt. Er bestaat daarmee een rechtsgrond voor verhaal indien er kosten van bijstand zijn gemaakt. Nu vaststaat dat het college over de periode van 11 oktober 2021 tot 30 juni 2025 bijstand heeft verleend aan de moeder naar de norm voor een alleenstaande mede ten behoeve van de minderjarigen voor wie de man onderhoudsplichtig is, heeft het college kosten van bijstand gemaakt die voor verhaal in aanmerking komen.
Ingangsdatum verhaalsbijdrage
5.2
Het college heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn grief ten aanzien van de ingangsdatum ingetrokken. Tussen partijen is derhalve niet (meer) in geschil dat de ingangsdatum van de verhaalsbijdrage 1 maart 2024 is.
Periode verhaalsbijdrage
5.3
Het hof stelt vast dat de hoogte van de verhaalsbijdrage over de periode van 1 maart 2024 tot 30 juni 2025 ter beoordeling aan het hof voorligt, omdat op de zitting is gebleken dat de moeder sinds 30 juni 2025 geen bijstandsuitkering meer ontvangt.
Hoogte verhaalsbijdrage
5.4
Het college heeft gesteld dat de rechtbank de verhaalsbijdrage ten onrechte op € 186,- per maand heeft vastgesteld en dat de bijdrage op € 216,50 per maand moet worden bepaald. Het college heeft daarbij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte draagkracht heeft aangenomen bij de moeder op basis van een gestelde fictieve verdiencapaciteit aan de zijde van de moeder. Dit heeft ertoe geleid dat tevens ten onrechte een draagkrachtvergelijking is gemaakt en een te hoog bedrag aan zorgkorting op het eigen aandeel van de man in de kosten van de kinderen in mindering is gebracht, waardoor de bijdrage op een te laag bedrag, namelijk op € 186,- per maand is vastgesteld.
5.5
Het hof stelt voorop dat de rechtmatigheid van een verstrekte bijstandsuitkering niet ter beoordeling voorligt in een procedure over bijstandsverhaal. Dit brengt mee dat het hof uitgaat van het feitelijk genoten inkomen door de moeder over genoemde periode, derhalve van de hoogte van de door haar ontvangen bijstandsuitkering. Hof neemt daarbij verder in aanmerking dat de moeder in beginsel in het kader van haar bijstandsuitkering een sollicitatieverplichting heeft en dat erop is toegezien dat zij zich voldoende heeft ingespannen om in de van toepassing zijnde periode een dienstbetrekking te vinden. Ook slaat het hof acht op de aanbevelingen uit het Rapport Alimentatienormen (hierna: Tremarapport) waarin is opgenomen dat geen draagkracht wordt aangenomen bij een ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt. Het Tremarapport meldt daar over dat het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval er namelijk toe leidt dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt, wat de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente zou beperken, waardoor de gemeente en niet de betreffende ouder een deel van de kosten van de kinderen zou dragen. Het hof ziet geen aanleiding - en evenmin zijn er omstandigheden aangevoerd die ertoe zouden moeten leiden - om van het in het Tremarapport opgenomen uitgangspunt af te wijken en uit te gaan van een fictieve verdiencapaciteit aan de zijde van de moeder. Dit brengt mee dat de grief van het college slaagt. Het hof zal niet uitgaan van enige draagkracht aan de zijde van de moeder.
5.6
In de situatie dat er geen draagkracht aan de zijde van de moeder wordt vastgesteld, is de omvang van de door het college berekende verhaalsbijdrage van € 216,50 per maand in beginsel niet in geschil. Tijdens de mondelinge behandeling is echter komen vast te staan dat de man over de gehele periode waarop de verhaalsbijdrage ziet, maandelijks betalingen aan het college heeft gedaan en daarnaast ook regelmatig betalingen ten behoeve van de minderjarigen rechtstreeks aan de moeder heeft betaald. Verder is komen vast te staan dat één van de minderjarigen een deel van de periode feitelijk bij de man heeft gewoond waardoor de man in die periode de kosten voor die minderjarige droeg. Daarnaast heeft de man aangetoond dat hij maandelijks met een bedrag van € 98,13 aflost op een persoonlijke lening in verband met advocaatkosten. Gelet op alle omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, hebben partijen ter zitting een afspraak gemaakt over de hoogte van de verhaalsbijdrage. Partijen zijn overeengekomen dat de verhaalsbijdrage over de periode van 1 maart 2024 tot 30 juni 2025 wordt bepaald op hetgeen de man tot op heden aan de gemeente heeft voldaan of op hem is verhaald. Het college heeft, gelet op deze overeenstemming, verklaard dat de man geen (na)betaling meer verschuldigd is. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt en niet gebleken is dat hetgeen is overeengekomen in strijd is met de wettelijke maatstaven, zal het hof dienovereenkomstig beslissen. Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de verhaalsbijdrage, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de verhaalsbijdrage over de periode van 1 maart 2024 tot 30 juni 2025 wordt bepaald op hetgeen door de man tot op heden aan het college is betaald of op hem is verhaald;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Reijngoud, C.M. van der Kleijn en A.J.I. Mullenders, bijgestaan door mr. J. van Gaalen als griffier, en is op 27 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.