ECLI:NL:GHDHA:2026:2183
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- I. Reijngoud
- C.M. van der Kleijn
- A.J.I. Mullenders
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep bijstandsverhaal onderhoudsplichtige ouder zonder draagkracht
Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep van het college tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam inzake het verhaalsbedrag dat een onderhoudsplichtige man aan de gemeente moet betalen voor bijstand aan zijn minderjarige kinderen. De moeder van de kinderen ontvangt bijstand en heeft het ouderlijk gezag. De man heeft de kinderen niet erkend maar is onderhoudsplichtig.
De rechtbank had het verhaalsbedrag vastgesteld op €186 per maand vanaf 1 maart 2024. Het college stelde dat dit bedrag te laag was en eiste een hogere bijdrage, onder meer omdat de rechtbank ten onrechte draagkracht had aangenomen bij de moeder op basis van een fictieve verdiencapaciteit. Het hof oordeelde dat in een bijstandsverhaalprocedure niet de rechtmatigheid van de bijstand wordt beoordeeld, maar dat moet worden uitgegaan van het feitelijk genoten inkomen van de moeder, namelijk de bijstandsuitkering.
Het hof volgde het Tremarapport dat geen draagkracht wordt aangenomen bij een ouder die bijstand ontvangt en het kind het hoofdverblijf heeft. De grief van het college slaagde daarom. Verder bleek dat de man al betalingen had gedaan aan het college en rechtstreeks aan de moeder, en dat een van de kinderen deels bij de man woonde. Partijen bereikten een overeenkomst over de verhaalsbijdrage, die het hof bekrachtigde. De bestreden beschikking werd vernietigd en de verhaalsbijdrage vastgesteld op de reeds betaalde bedragen.
Uitkomst: De verhaalsbijdrage wordt vastgesteld op de reeds door de man betaalde bedragen zonder fictieve draagkracht bij de bijstandsgerechtigde moeder.