ECLI:NL:GHDHA:2026:2184

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
200.362.696/01 en 200.362.696/02
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 lid 3 BWArt. 3:169 BWArt. 1:81 BWArt. 22 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep verdeling echtelijke woning en gebruiksvergoeding na echtscheiding

Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en hebben drie minderjarige kinderen. De man verzocht echtscheiding, die door de rechtbank werd uitgesproken met een verdeling van de gemeenschap van goederen, waaronder de echtelijke woning. De vrouw kwam in hoger beroep tegen de toedeling van de woning aan de man, de gebruiksvergoeding en de hypotheeklasten.

Het hof vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de woningverdeling en bepaalt dat eerst de man vier maanden krijgt om de woning over te nemen met ontslag van de vrouw uit hoofdelijke aansprakelijkheid en betaling van € 92.000,- aan de vrouw. Indien de man niet kan financieren, krijgt de vrouw vier maanden dezelfde mogelijkheid. Lukt ook dat niet, dan wordt de woning verkocht en de overwaarde gelijk verdeeld.

De vrouw hoeft voorlopig geen gebruiksvergoeding te betalen, omdat de periode van exclusief gebruik naar verwachting kort is. De regresvordering van de vrouw wegens betaalde hypotheekrente en aflossing wordt toegewezen tot een bedrag van € 7.436,98. De zorgregeling wordt aangepast zodat de ouder bij wie de kinderen verblijven hen naar de andere ouder brengt. Proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: Het hof bepaalt dat eerst de man de woning mag overnemen, daarna de vrouw, en stelt dat de vrouw voorlopig geen gebruiksvergoeding hoeft te betalen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.362.696/01 (hoofdzaak) en 200.362.696/02 (incident)
rekestnummers rechtbank : FA RK 24-1213 (echtscheiding) en FA RK 24-4460 (verdeling)
zaaknummers rechtbank : C/09/661627 (echtscheiding) en C/09/668329 (verdeling)
beschikking van de meervoudige kamer van 13 mei 2026
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. R.W.S. Nijman te Oegstgeest,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. F.D. van Damme te Beverwijk.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 11 november 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De vrouw is op 17 december 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De man heeft op 3 februari 2026 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vrouw heeft op 11 februari 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
  • een journaalbericht van de zijde van de vrouw (met bijlage) van 21 januari 2026, ingekomen bij het hof op 22 januari 2026;
  • een journaalbericht van de zijde van de vrouw (met bijlage) van 3 februari 2026, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de vrouw (met bijlage) van 12 februari 2026, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlage) van 12 februari 2026, ingekomen bij het hof op diezelfde datum
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 13 februari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2013 te [huwelijksplaats] . Zij zijn gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen.
3.3
Partijen zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ,
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .
3.4
De man heeft op 16 februari 2024 de echtscheiding verzocht. De echtscheiding is bij de bestreden beschikking van 11 november 2025 uitgesproken. De echtscheiding is ten tijde van deze beschikking nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank (voor zover in hoger beroep van belang):
  • de echtscheiding uitgesproken;
  • bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben;
  • de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen vastgesteld, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
  • bepaald dat de vrouw binnen twee weken na de datum van deze beschikking een bankafschrift waaruit het saldo van haar bankrekening bij [bank] met nummer [bankrekeningnummer] per 16 februari 2024 blijkt aan de man dient te verstrekken, bij gebreke waarvan zij een dwangsom verschuldigd zal zijn van € 25,- per dag dat zij hier geen uitvoering aan geeft, met een maximum van € 500,-;
  • bepaald dat de vrouw, zolang zij in de echtelijke woning verblijft, vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk, een gebruiksvergoeding aan de man voldoet van 1,96% per maand van de helft van de nog vast te stellen overwaarde van de woning conform de zogenoemde “Hof-formule”;
  • bepaald dat de vrouw betreffende de betaling van de rente en de aflossing van de hypotheek over de periode 16 februari 2024 tot en met 16 november 2025 een bedrag van € 8.219,82 (= 21 x 391,42) aan de man moet betalen en met ingang van 16 november 2025 maandelijks een bedrag van € 391,42 aan de man moet betalen tot aan de dag van de overdracht van de woning;
  • de beschikking - met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding - uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
  • het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2
De grieven van de vrouw zien op de toedeling van de woning aan de man, de door de vrouw te betalen gebruiksvergoeding en op de door de vrouw aan de man te betalen hypotheekrente- en aflossing. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep, de bestreden beschikking op die punten te vernietigen, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:
“- [d]e woning aan de vrouw wordt toegedeeld en daarbij het zgn. spoorboekje van dit Hof te
bezigen aldus dat:
Partijen zullen de woning laten taxeren door [taxateur] (NWWI taxateur/ie), waarbij alle omstandigheden, waaronder de eventuele bouwplannen in de omgeving van de echtelijke woning, die volgens de taxateur van belang zijn voor de waardering van de woning, worden meegenomen. Bij het bepalen van de waarde wordt rekening gehouden met de subsidie- / terugkoopregeling alsook hoe dat is verantwoord in de taxatie. Deze taxatie van de makelaar is bindend tussen partijen.
de vrouw dient binnen vier maanden na ontbinding van het huwelijk aan te tonen dat zij in staat is de toebedeling van de echtelijke woning tegen de getaxeerde waarde aan haar te financieren door overname van de hypothecaire geldlening en hiervoor de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. Indien de vrouw daarin slaagt, zal de vrouw de woning aan haar toebedeeld krijgen, waarbij zij de helft van de overwaarde van de echtelijke woning (de overwaarde is: de taxatiewaarde plus de waarde polis levensverzekering minus de hypothecaire geldlening) aan de man moet voldoen.
De kosten in verband met de taxatie en toedeling van de echtelijke woning aan de vrouw dienen door partijen bij helfte te worden gedragen.
slaagt de vrouw er niet in om de toebedeling van de woning aan haar te financieren, dan kan de man desgewenst [de] woning, onder diezelfde voorwaarden, overnemen dan wel zal die, zo de man dat niet kan of wil, door partijen te koop worden aangeboden via de makelaar die voormelde NWWI taxatie heeft verricht. De aanwijzingen van deze makelaar zullen voor partijen leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning. Alle verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, zullen eerst van de opbrengst worden voldaan. Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende overwaarde.
  • De vrouw in het geheel geen gebruikersvergoeding verschuldigd is nu zij, na datum ontbinding van het huwelijk, de hypotheekrente en aflossing zal voldoen, dan wel een gebruikersvergoeding vast te stellen van maximaal 1,96% per jaar over de helft van nog vast te stellen overwaarde waarop partijen aanspraak kunnen maken en in dat geval de helft van de hypotheekrente- en aflossingen aan de vrouw dient te voldoen per datum ingang eventuele gebruikersvergoeding en hem daartoe te veroordelen.
  • De vrouw een (regres)vordering op de man heeft wegens de door de vrouw betaalde
hypotheekrente en -aflossing in de periode februari 2024 tot en met 31 november 2025 van
€ 6.654,14 (17 x € 391,42) en met ingang van 1 december 2025 tot en met datum overdracht
woning aan de vrouw een bedrag van € 391,42 per maand en de man tot betaling daarvan /
van die bedragen te veroordelen.”
4.3
De man heeft verweer gevoerd op het principaal hoger beroep. Hij verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de vrouw niet ontvankelijk te verklaren althans haar verzoeken af te wijzen, met uitzondering van het verzoek inzake de gebruiksvergoeding. De man heeft ook incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij richt zijn grieven tegen de beslissingen aangaande de zorgregeling, de door de vrouw te betalen hypotheekrente- en aflossingen, en de hoogte van de aan de vrouw opgelegde dwangsom. De man verzoekt in het incidenteel hoger beroep:

a. De beschikking van de Rechtbank Den Haag van 11 november 2025 (…) te vernietigen voor zover deze de vrouw heeft veroordeeld tot betaling aan de man van € 8.219,82, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
Primair:
De vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van € 8.967,- wegens door de man betaalde
hypotheekrente en aflossing over de periode 16 februari 2024 tot 16 november 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid tot de dag der algehele
voldoening.
Subsidiair:
indien het hof van oordeel is dat de man onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de volledige
periode van 21 maanden, de vrouw te veroordelen tot betaling van minimaal het aantoonbaar
door de man betaalde bedrag van €7.132,55, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16
november 2025 tot de dag der algehele voldoening;
meer subsidiair:
indien het hof van oordeel is dat onvoldoende bewijs voorhanden is, op grond van artikel 22
lid 2 Rv de gevolgtrekking te maken dat de vrouw haar draagplicht niet heeft voldaan, en de
vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag dat het hof in goede justitie vermeent te
behoren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2025 tot de dag der algehele voldoening.
b.Voorwaardelijk(voor het geval de vrouw vanaf 1 februari 2026 de hypotheeklasten niet
betaalt): de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van € 427,13 per maand vanaf 1
februari 2026 tot de datum van de goederenrechtelijke overdracht van de woning aan de man, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid van elke termijn tot de dag der algehele voldoening.
c. De beschikking van de Rechtbank Den Haag van 11 november 2025 (…) te vernietigen voor zover de vrouw daarin is veroordeeld tot afgifte, op straffe van dwangsommen van € 25,- per dag met een maximum van € 500,-, van een dagafschrift van 16 februari 2024 van de [bank] bankrekening met rekeningnummer [bankrekeningnummer] en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vrouw te bevelen binnen 48 uur na de te dezen af te geven beschikking na de datum van deze beschikking een deugdelijk en inzichtelijk [bank] -dagafschrift aan de man te verstrekken met betrekking tot rekeningnummer [bankrekeningnummer] waaruit het saldo op die rekening blijkt per 16 februari 2024, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 150,00 voor iedere dag of dagdeel dat zij in gebreke blijft met overlegging, tot een maximum van € 2.500,-
d. De beschikking van de Rechtbank Den Haag van 11 november 2025 (…) voor wat betref[t] de daarin bepaalde haal- en brengregeling te vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoende te bepalen dat, zowel tijdens schoolperiodes als tijdens vakanties en feestdagen de ouder bij wie de kinderen verblijven de kinderen naar de andere ouder brengt, en de andere ouder de kinderen terugbrengt.
e. Zowel in het principaal appèl alsook in incidenteel appèl de proceskosten tussen partijen te
compenseren aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.”
4.4
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man in het incidenteel hoger beroep. Zij vindt dat de man niet-ontvankelijk is in het incidenteel hoger beroep dan wel dat zijn verzoeken moeten worden afgewezen.
4.5
In het incident verzoekt de vrouw de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking te schorsen totdat het hof in hoger beroep een beslissing heeft genomen, voor zover de bestreden beschikking ziet op:
  • de ver- en toedeling van de woning, gelegen aan de [adres] (volgens het zgn. spoorboekje);
  • de door de vrouw verschuldigde gebruikersvergoeding;
  • de vordering van de man op de vrouw wegens de betaling van de hypotheekrente en aflossing, over de periode 16 februari 2024 tot en met 16 november 2025 een bedrag van € 8.219,82 (21 x € 391,42) en per 16 november 2025 een maandelijks bedrag van € 391,42, welk(e) bedrag(en) de vrouw aan de man moet betalen.
4.6
De man vindt dat het verzoek in het incident moet worden afgewezen.
4.7
Het hof zal het incident en de grieven in het principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5.De motivering van de beslissing

Incident: schorsing tenuitvoerlegging
5.1
Het hof zal het verzoek van de vrouw in het incident afwijzen. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen vastgesteld onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Gelet op het feit dat de echtscheidingsbeschikking nog niet is ingeschreven, zijn de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de verdeling van de woning en de gebruikersvergoeding nog niet uitvoerbaar. Wat betreft de regresvorderingen, wijst het hof het incident af nu het hof direct zal beslissen op de verzoeken in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep.
Verdeling echtelijke woning
5.2
Beide partijen willen de echtelijke woning toebedeeld krijgen en beide partijen stellen dat zij in staat zijn de toebedeling aan henzelf te financieren. Zij zijn er in het hoger beroep over eens dat de woning een waarde heeft van € 455.000,-, dat de hypotheekschuld thans nog € 135.000,- bedraagt en de schuld bij de woningbouw € 136.000,-. Dit laatste bedrag moet bij verkoop van de woning aan de woningbouw worden terugbetaald. Partijen zijn het er ook over eens dat degene die de woning toebedeeld krijgt de ander € 92.000,- dient te betalen.
5.3
Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen waar het gaat over de verdeling van de echtelijke woning, en opnieuw rechtdoende de wijze van de verdeling van de echtelijke woning als volgt gelasten: eerst krijgt de man vier maanden vanaf de datum van deze beschikking de tijd om de toebedeling van de woning aan hem te financieren, met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld en de schuld aan de woningbouw en met betaling aan de vrouw van een bedrag van € 92.000,-. Als de man niet in staat blijkt te zijn de toebedeling aan hem te financieren, krijgt vervolgens de vrouw vier maanden de tijd om de toebedeling van de woning aan haar te financieren, met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld en de schuld aan de woningbouw en met betaling aan de man van een bedrag van € 92.000,-. Als ook de vrouw daartoe niet in staat blijkt, zullen partijen de woning moeten verkopen en de overwaarde bij helfte moeten verdelen. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling van partijen begrepen dat zij de woning enkel kunnen terug verkopen aan de woningbouwvereniging waar zij de woning van hebben gekocht. Om die reden zal het hof voor de eventuele verkoop van de woning dan ook geen zogeheten spoorboekje (kunnen) geven.
5.4
Het hof stelt bij deze beslissing voorop dat het naar het oordeel van het hof voor beide partijen onzeker is of zij de overname van de echtelijke woning kunnen financieren. Het hof verwacht dat de man een grotere kans heeft om de overname van de woning te financieren. De man heeft weliswaar een lager inkomen dan de vrouw maar hij heeft wel een vast contract bij een werkgever waar hij al 20 jaar in dienst is. De vrouw daarentegen had ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof een tijdelijk contract van slechts zeven maanden met de einddatum in april 2026. Ten tijde van de mondelinge behandeling had zij nog geen belofte zwart op wit dat haar contract wordt verlengd dan wel omgezet in een vaste dienstbetrekking. Anders dan de vrouw, acht het hof het niet van doorslaggevend belang dat de kinderen in de echtelijke woning wonen. De kinderen verblijven ongeveer de helft van de tijd bij iedere ouder. Dus ongeacht welke ouder de echtelijke woning overneemt, zullen de kinderen daar de helft van de tijd blijven wonen. Voor de kinderen zal er dus – wat betreft de duur van hun verblijf in de echtelijke woning – weinig veranderen. Het hof ziet ook geen andere reden om af te wijken van de beslissing van de rechtbank dat in beginsel eerst de man de gelegenheid wordt geboden de woning toebedeeld te krijgen.
Gebruikersvergoeding
5.5
De vrouw grieft dat zij primair geen gebruiksvergoeding verschuldigd is voor het gebruik van de echtelijke woning, en subsidiair indien zij wel een gebruiksvergoeding moet betalen, dan moet dit een gebruiksvergoeding van 1,96% per jaar zijn in plaats van per maand zoals de rechtbank abusievelijk heeft vastgesteld. De man is het met het subsidiaire verzoek van de vrouw eens, maar verweert zich tegen haar verzoek om de gebruiksvergoeding op nihil te stellen.
5.6
Het hof overweegt als volgt. Zolang een gemeenschappelijk goed niet verdeeld is, zijn beide eigenaren gerechtigd tot het gebruik daarvan op grond van artikel 3:169 BW Pro. Wanneer een van de eigenaren het gemeenschappelijk goed gebruikt met uitsluiting van de ander, kan daar een gebruiksvergoeding ter compensatie tegenover worden gezet. Bij de beoordeling van een verzoek tot het bepalen van een gebruiksvergoeding, spelen op grond van artikel 3:166 lid 3 BW Pro de redelijkheid en billijkheid een rol. Een gebruiksvergoeding is pas verschuldigd vanaf de datum waarop de echtscheiding is ingeschreven. Tot die datum dient het verschaffen van het gebruiksgenot te worden gezien als het ‘elkaar het nodige verschaffen’ zoals bedoeld in artikel 1:81 BW Pro.
5.7
Het hof is van oordeel dat de vrouw (voorlopig) geen gebruiksvergoeding hoeft te betalen aan de man, omdat de periode waarin zij na de inschrijving van de echtscheiding bij uitsluiting van de man gebruik zal maken van de echtelijke woning naar verwachting relatief kort zal zijn. De beslissing van de rechtbank op dit punt zal derhalve worden vernietigd. In het geval het geen van partijen lukt de echtelijke woning over te nemen, en zij in onderling overleg tot een regeling komen waarbij zij de woning niet verkopen en de vrouw voor een langere periode de echtelijke woning zal blijven gebruiken, kan een gebruikersvergoeding alsnog redelijk en billijk zijn.
Regresvordering hypotheekrente en -aflossing
5.8
De man stemt in met de grief en het verzoek van de vrouw ten aanzien van de regresvordering hypotheekrente en de aflossingen op de hypotheek. De man trekt zijn eigen grieven ten aanzien van de hypotheeklasten in. Het hof zal daarom de bestreden beschikking op dit onderdeel vernietigen, het verzoek van de vrouw toewijzen en de verzoeken van de man afwijzen, met dien verstande dat thans nog geen regresvordering van de vrouw op de man kan worden vastgesteld voor eventuele betalingen na de mondelinge behandeling en/of toekomstige betalingen door de vrouw waarbij de vrouw ook het aandeel van de man wat betreft de hypotheeklasten voldoet.
Dwangsom
5.9
De vrouw heeft bankafschriften van haar privérekening met rekeningnummer [bankrekeningnummer] in het geding gebracht. De vrouw heeft derhalve aan de verplichting voldaan waaraan de rechtbank een dwangsom had verbonden. Het hof zal daarom het verzoek van de man om een hogere dwangsom aan de vrouw op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan, afwijzen.
Zorgregeling
5.1
De kinderen verblijven de helft van de tijd bij iedere ouder. Tussen de ouders bestaat onduidelijkheid over de verdeling van het halen en brengen. De man stelt dat hij de kinderen altijd haalt en brengt. Hij vindt dat de vrouw ook de helft van het halen en brengen voor haar rekening moet nemen. Het hof vindt dit redelijk en zal daarom het verzoek van de man toewijzen. Dat betekent dat voortaan de ouder bij wie de kinderen zijn, de kinderen naar de andere ouder moet brengen. Door de vrouw zijn geen gegronde redenen naar voren gebracht, op grond waarvan dit niet van de vrouw verwacht zou kunnen worden.
Proceskosten
5.11
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure bepaalt het hof dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het incident, principaal en het incidenteel hoger beroep:
- wijst het incident af;
- vernietigt de bestreden beschikking waar het gaat over de verdeling van de echtelijke woning gelegen aan de [adres] te [plaats] en bepaalt opnieuw rechtdoende dat de wijze van verdeling van de echtelijke woning als volgt wordt gelast: (1) de woning in beginsel aan de man moet worden toebedeeld onder de voorwaarde dat de man binnen vier maanden na de datum van deze beschikking aantoont dat hij in staat is de toedeling van de echtelijke woning aan hem, onder ontslag van de vrouw uit de aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening en de schuld bij de woningcorporatie, te financieren en met betaling aan de vrouw van een bedrag van € 92.000,-.;
(2) indien de man daartoe niet in staat blijkt, de woning aan de vrouw moet worden toebedeeld onder de voorwaarde dat de vrouw binnen de vier maanden daarna aantoont dat zij in staat is de toedeling van de echtelijke woning aan haar, onder ontslag van de man uit de aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening en de schuld bij de woningcorporatie, te financieren en met betaling aan de man van een bedrag van € 92.000,-.;
(3) indien de vrouw daartoe niet in staat blijkt dient de echtelijke woning te worden verkocht, waarbij partijen de overwaarde bij helfte dienen te verdelen;
- vernietigt de bestreden beschikking waar het gaat over de gebruikersvergoeding, en bepaalt opnieuw rechtdoende dat de vrouw thans geen gebruikersvergoeding verschuldigd is;
- vernietigt de bestreden beschikking waar het de aan de man toegekende regresvordering ten aanzien van de hypotheekrente en aflossing van de hypotheek betreft, en:
  • bepaalt opnieuw rechtdoende dat de vrouw een regresvordering op de man heeft wegens de door de vrouw betaalde hypotheekrente en -aflossing in de periode februari 2024 tot en met 31 januari 2026 van € 7.436,98 (19 x € 391,42) , en
  • veroordeelt de man tot betaling daarvan;
- bepaalt in aanvulling op de door de rechtbank vastgelegde zorgregeling dat steeds de ouder bij wie de kinderen verblijven, de kinderen naar de andere ouder dient te brengen, en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- wijst af, het meer of anders in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, G.G.B. Boelens en F.V. Marquenie, bijgestaan door mr. S. Richtersz als griffier en is op 13 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.