Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw (met bijlage) van 21 januari 2026, ingekomen bij het hof op 22 januari 2026;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw (met bijlage) van 3 februari 2026, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw (met bijlage) van 12 februari 2026, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlage) van 12 februari 2026, ingekomen bij het hof op diezelfde datum
3.De feiten
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .
4.De omvang van het geschil
- de echtscheiding uitgesproken;
- bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben;
- de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen vastgesteld, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
- bepaald dat de vrouw binnen twee weken na de datum van deze beschikking een bankafschrift waaruit het saldo van haar bankrekening bij [bank] met nummer [bankrekeningnummer] per 16 februari 2024 blijkt aan de man dient te verstrekken, bij gebreke waarvan zij een dwangsom verschuldigd zal zijn van € 25,- per dag dat zij hier geen uitvoering aan geeft, met een maximum van € 500,-;
- bepaald dat de vrouw, zolang zij in de echtelijke woning verblijft, vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk, een gebruiksvergoeding aan de man voldoet van 1,96% per maand van de helft van de nog vast te stellen overwaarde van de woning conform de zogenoemde “Hof-formule”;
- bepaald dat de vrouw betreffende de betaling van de rente en de aflossing van de hypotheek over de periode 16 februari 2024 tot en met 16 november 2025 een bedrag van € 8.219,82 (= 21 x 391,42) aan de man moet betalen en met ingang van 16 november 2025 maandelijks een bedrag van € 391,42 aan de man moet betalen tot aan de dag van de overdracht van de woning;
- de beschikking - met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding - uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
- De vrouw in het geheel geen gebruikersvergoeding verschuldigd is nu zij, na datum ontbinding van het huwelijk, de hypotheekrente en aflossing zal voldoen, dan wel een gebruikersvergoeding vast te stellen van maximaal 1,96% per jaar over de helft van nog vast te stellen overwaarde waarop partijen aanspraak kunnen maken en in dat geval de helft van de hypotheekrente- en aflossingen aan de vrouw dient te voldoen per datum ingang eventuele gebruikersvergoeding en hem daartoe te veroordelen.
- De vrouw een (regres)vordering op de man heeft wegens de door de vrouw betaalde
a. De beschikking van de Rechtbank Den Haag van 11 november 2025 (…) te vernietigen voor zover deze de vrouw heeft veroordeeld tot betaling aan de man van € 8.219,82, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- de ver- en toedeling van de woning, gelegen aan de [adres] (volgens het zgn. spoorboekje);
- de door de vrouw verschuldigde gebruikersvergoeding;
- de vordering van de man op de vrouw wegens de betaling van de hypotheekrente en aflossing, over de periode 16 februari 2024 tot en met 16 november 2025 een bedrag van € 8.219,82 (21 x € 391,42) en per 16 november 2025 een maandelijks bedrag van € 391,42, welk(e) bedrag(en) de vrouw aan de man moet betalen.
5.De motivering van de beslissing
6.De beslissing
- bepaalt opnieuw rechtdoende dat de vrouw een regresvordering op de man heeft wegens de door de vrouw betaalde hypotheekrente en -aflossing in de periode februari 2024 tot en met 31 januari 2026 van € 7.436,98 (19 x € 391,42) , en
- veroordeelt de man tot betaling daarvan;