ECLI:NL:GHDHA:2026:2186

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
200.366.164/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BWArt. 1:253a BWArt. 1:377a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling ter bevordering gezamenlijk gezinsleven en duurzame onderlinge band

In deze zaak is het hoger beroep ingesteld door de vader tegen een beschikking van de kinderrechter die de zorgregeling voor zijn twee kinderen had gewijzigd. De vader betoogde dat de huidige regeling onvoldoende rekening hield met de feitelijke gezinssituatie, met name het contact tussen de kinderen en hun stiefbroer, en dat de moeder zich niet altijd aan de regeling hield.

De moeder wilde de beschikking bekrachtigen en stelde dat de regeling rust bracht en in het belang van de kinderen was. Het hof heeft de feiten en standpunten van partijen zorgvuldig afgewogen, waarbij ook de mening van de kinderen en de rol van de gecertificeerde instelling werden betrokken.

Het hof oordeelde dat de huidige regeling ertoe leidt dat de kinderen elkaar en hun stiefbroer regelmatig mislopen, wat niet in hun belang is. Daarom wijzigde het hof de zorgregeling zodat de kinderen gelijktijdig bij de vader verblijven, wat de onderlinge verbondenheid en het gezamenlijke gezinsleven bevordert.

Daarnaast achtte het hof de uitbreiding van de verblijfsduur van een kind bij de vader uitvoerbaar en in het belang van de kinderen. Het hof benadrukte dat de ouders hun onderlinge communicatie moeten verbeteren om negatieve gevolgen voor de kinderen te voorkomen.

De proceskosten werden gecompenseerd en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof wijzigt de zorgregeling zodat de kinderen gelijktijdig bij de vader verblijven, wat het gezamenlijke gezinsleven en de onderlinge band bevordert.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.366.164/01
rekestnummer rechtbank : JE RK 25-1949
zaaknummer rechtbank : C/09/694674
beschikking van de meervoudige kamer van 10 juni 2026
inzake
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. F.S.M. Oudijk te Gouda,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. R.A.F. Jansen te Rotterdam.
Als informant is aangemerkt:
[de gecertificeerde instelling] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,
locatie: Den Haag,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: de kinderrechter) van 12 december 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De vader is op 11 maart 2026 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De moeder heeft op 9 april 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn voorts van de zijde van de vader de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van 14 april 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van 16 april 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum.
2.4
De voorzitter heeft op 23 april 2026 gesproken met de hierna te noemen minderjarige [minderjarige 2] . De hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] heeft zijn mening per brief kenbaar gemaakt.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 24 april 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .
De raad is, overeenkomstig zijn brief van 8 april 2026, niet op de mondelinge behandeling verschenen.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Uit het (inmiddels door echtscheiding ontbonden) huwelijk van de vader en de moeder zijn geboren:
- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
3.3
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
3.4
De kinderen wonen afwisselend bij de vader en de moeder.
3.5
De kinderrechter heeft bij beschikking van 7 juli 2022 de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld:
‘ - bepaalt dat het contact tussen de moeder en de minderjarigen onder regie van de gecertificeerde instelling zal plaatsvinden, waarbij de frequentie, duur en modaliteit (in persoon, telefonisch of beeldbellen) door de gecertificeerde instelling wordt bepaald.’
3.6
De kinderrechter heeft bij beschikking van 17 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] laatstelijk verlengd tot 23 maart 2026. In dit hoger beroep is gebleken dat nadien geen verzoek meer is gedaan tot verlenging van de ondertoezichtstelling.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de zorgregeling gewijzigd en deze als volgt bepaald:
- [minderjarige 1] is in de even weken volledig bij de vader. In de oneven weken is [minderjarige 1] van vrijdag 19.30 uur tot zondag 19.30 uur bij de moeder;
- [minderjarige 2] is in de oneven weken volledig bij de moeder. In de even weken is [minderjarige 2] van vrijdag 19.30 uur tot zondag 19.30 uur bij de vader.
Verder heeft de kinderrechter bepaald dat de regie over de (uitbreiding van de) zorgregeling bij de gecertificeerde instelling ligt. De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De vader is het niet eens met deze beslissing. Hij verzoekt het hof, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de volgende zorgverdeling tussen de ouders heeft te gelden:
(1) [minderjarige 1] is in de oneven weken volledig bij de vader, en in de even weken van vrijdag 19.30 uur tot zondag 19.30 uur bij de moeder; en
(2) [minderjarige 2] is in de even weken volledig bij de moeder, en in de oneven weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie rechtdoende acht in deze zaak, kosten rechtens.
4.3
Het verweer van de moeder strekt tot bekrachtiging van de bestreden beschikking, kosten rechtens.

5.De motivering van de beslissing

Zorgregeling
Standpunten van partijen
5.1
De vader stelt – samengevat – het volgende. De rechtbank heeft bij het vaststellen van de huidige zorgregeling volgens hem onvoldoende rekening gehouden met de feitelijke omstandigheden en de praktische uitvoerbaarheid. Zo heeft de rechtbank onvoldoende acht geslagen op zijn gezinssituatie: hij maakt deel uit van een samengesteld gezin met zijn partner en haar kind uit een eerdere relatie, de stiefbroer van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . De door de rechtbank vastgestelde zorgregeling brengt mee dat [minderjarige 2] zijn stiefbroer feitelijk niet meer ziet, omdat zij niet in hetzelfde weekend bij de vader verblijven. De vader acht dit niet in het belang van [minderjarige 2] , omdat kinderen in een samengesteld gezin contact met elkaar moeten kunnen onderhouden en in staat moeten worden gesteld een band op te bouwen. Hij heeft getracht de situatie in onderling overleg met de moeder en de gecertificeerde instelling te herstellen. Zo heeft hij voorgesteld de weekenden in de zorgregeling om te draaien, zodat de regeling beter aansluit bij de feitelijke gezinssituatie en de belangen van de kinderen. Daarnaast merkt de vader op dat de moeder zich herhaaldelijk niet aan de zorgregeling heeft gehouden. Zo is het voorgekomen dat zij de kinderen niet heeft gebracht, langer bij zich heeft gehouden dan afgesproken, of de zorgregeling op eigen initiatief wijzigt. Ook zet de moeder de kinderen bij een overdrachtsmoment aan het einde van een onoverzichtelijke straat met hun spullen af, in plaats van voor de deur van de vader. Dit geeft de kinderen niet het gevoel dat er emotionele toestemming is om naar hun vader te gaan en brengt bovendien veiligheidsrisico’s mee. Daarnaast bespreekt de moeder wijzigingen eerst met de kinderen, waardoor zij betrokken raken bij conflicten tussen hun ouders. De (voormalige) betrokken jeugdbeschermer heeft inmiddels aangegeven dat verdere bemiddeling niet lukt, waardoor de huidige zorgregeling in de praktijk moeilijk uitvoerbaar blijft. Al met al acht de vader een aanpassing van de zorgregeling noodzakelijk. Naast het omwisselen van de even en oneven weekenden, wenst hij ook meer tijd door te brengen met [minderjarige 2] . Hij stelt voor dat [minderjarige 2] van vrijdag uit school tot maandag bij hem verblijft, zodat er rust, voorspelbaarheid en gezamenlijke tijd in het gezin is.
5.2
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De ouders verkeren al geruime tijd in een conflict over de zorgregeling. De moeder had gehoopt dat met de bestreden beschikking de rust zou terugkeren, in het bijzonder voor de kinderen, die naar haar mening inmiddels deel uitmaken van de strijd tussen hun ouders. Door het instellen van hoger beroep veroorzaakt de vader onrust bij de kinderen, terwijl de rechtbank volgens de moeder een weloverwogen en juiste beslissing heeft genomen. Hierbij heeft de rechtbank ook op een juiste wijze rekening gehouden met de mening van de kinderen. Het verzoek van de vader om de weekenden te wisselen met het oog op zijn samengestelde gezinssituatie dient dan ook te worden afgewezen. Volgens de vader zou [minderjarige 2] zijn stiefbroer in de huidige regeling nauwelijks zien, maar de moeder stelt dat het wisselen van weekenden juist tot onrust bij de kinderen zal leiden. De moeder heeft bewust niet op het voorstel van de vader gereageerd, omdat zij tevreden is met de huidige zorgregeling, die rust tussen de ouders en de kinderen mogelijk maakt. Het voorstel van de vader, welke hij nog geen week na de bestreden beschikking heeft gedaan, acht de moeder ongepast en niet in het belang van de kinderen. Verder betwist de moeder dat zij de zorgregeling niet nakomt. Tot slot benadrukt de moeder dat over de wens van de vader om meer contact met [minderjarige 2] te hebben al eerder uitvoerig is gesproken. [minderjarige 2] heeft toen zelf aangegeven vaker bij moeder te willen zijn en een zorgregeling voorgesteld die overeenkomt met de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. Het doorbrengen van zijn weekend met [minderjarige 1] en zijn stiefbroer is voor [minderjarige 2] dan ook niet noodzakelijk.
Juridisch kader
5.3
Artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat voor de duur van de ondertoezichtstelling de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang kan vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. De gecertificeerde instelling heeft ingevolge genoemd wetsartikel in eerste aanleg een verzoek tot wijziging van de zorgregeling gedaan, hetgeen heeft geleid tot de gewijzigde zorgregeling zoals opgenomen is in de bestreden beschikking. In hoger beroep is inmiddels gebleken dat de ondertoezichtstelling van de kinderen is geëindigd. Lid 3 van artikel 1:265g BW bepaalt dat de op grond van het eerste lid vastgestelde regeling – zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd – als een regeling als bedoeld in artikel 1:253a, tweede lid, onder a BW, dan wel artikel 377a, tweede lid BW, geldt. Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de zorgregeling kan de rechter, gelet op artikel 1:377e, eerste lid, BW in samenhang met artikel 1:253a, vierde lid, BW, een eerdere beslissing of een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter neemt daarbij een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Oordeel van het hof
5.4
Het hof zal de verzoeken van de vader toewijzen en (overeenkomstig deze verzoeken) de zorgregeling wijzigen en als volgt bepalen:
- [minderjarige 1] is in de oneven weken volledig bij de vader, en in de even weken van vrijdag 19.30 uur tot zondag 19.30 uur bij de moeder;
- [minderjarige 2] is in de even weken volledig bij de moeder, en in de oneven weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader.
5.5
Het hof legt deze beslissing als volgt uit. Het hof acht het in het (zwaarwegende) belang van de kinderen dat zij frequent en structureel contact onderhouden met elkaar, met beide ouders en met hun stiefbroer uit het samengestelde gezin van de vader. Naar het oordeel van het hof hebben de kinderen immers niet alleen belang bij contact met hun ouders, welk contact reeds is gewaarborgd binnen de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling, maar eveneens bij het onderhouden en versterken van hun onderlinge relatie alsmede van de band met hun stiefbroer. Het regelmatig gezamenlijk verblijven draagt immers bij aan hun identiteitsontwikkeling, emotionele stabiliteit en gevoel van continuïteit binnen het gezinssysteem. Het hof stelt dan ook voorop dat als uitgangspunt dient te gelden dat kinderen die in gezinsverband met elkaar opgroeien of een nauwe gezinsband delen, zoveel mogelijk gelegenheid moeten krijgen om die relatie daadwerkelijk vorm te geven. Gebleken is evenwel dat de huidige zorgregeling ertoe leidt dat de kinderen elkaar en hun stiefbroer met regelmaat mislopen, doordat de contactmomenten afwisselend plaatsvinden. Hierdoor ontbreekt voldoende gelegenheid voor gezamenlijk gezinsleven en voor het opbouwen en onderhouden van een duurzame onderlinge band. Het hof acht deze situatie niet in overeenstemming met het belang van de kinderen en begrijpt dan ook de wens van de vader om een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen gelijktijdig bij hem verblijven en met elkaar kunnen opgroeien. Een zorgregeling waarbij de kinderen gelijktijdig contact hebben met de vader en binnen diens samengestelde gezin aanwezig zijn, ligt daarom meer in de rede, nu dit de onderlinge verbondenheid bevordert en voorkomt dat de kinderen feitelijk grotendeels gescheiden van elkaar opgroeien. Het hof komt daarom tot toewijzing van de verzoeken van de vader. De stelling van de moeder dat een zorgregeling waarbij [minderjarige 2] (gedeeltelijk) gelijktijdig met [minderjarige 1] en zijn stiefbroer bij de vader verblijft, te belastend zou zijn voor [minderjarige 2] , leidt niet tot een ander oordeel. Gebleken is dat de kinderen in het verleden eveneens gelijktijdig omgang met de vader hadden en er zijn geen aanwijzingen dat dit destijds tot onrust heeft geleid, dan wel dat dit thans tot onrust zal leiden. Voorts gaat het hof voorbij aan de stelling van de moeder dat de uitbreiding van de zorgregeling tot maandagochtend, waarbij [minderjarige 2] vanuit de vader naar school gaat, niet uitvoerbaar zou zijn omdat het schoolvervoer geregistreerd staat op het adres van de moeder. De vader heeft immers tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren gebracht dat hij kan regelen dat [minderjarige 2] , wanneer hij bij hem verblijft, ook op zijn adres kan worden opgehaald door het schoolvervoer. Nu de moeder de mogelijkheid hiervan niet, althans onvoldoende, heeft betwist, ziet het hof hierin geen aanleiding om anders te oordelen. Verder neemt het hof in aanmerking dat deze uitbreiding van de zorgregeling tevens meebrengt dat tussen de ouders geen overdrachtsmoment op zondag meer plaatsvindt, hetgeen mogelijke conflicten kan voorkomen. Ten slotte biedt de uitbreiding van de zorgregeling de vader de mogelijkheid om gedurende een volledig weekend omgang met de kinderen te hebben. Het hof acht ook dit in het belang van de kinderen.
5.6
Ten overvloede overweegt het hof dat de onderlinge communicatie en verhouding tussen de ouders ernstig is verstoord. Hierdoor bestaat het risico op negatieve gevolgen voor de ontwikkeling en het welzijn van de kinderen. Hoewel de kinderen reeds hulpverlening ontvangen, ligt het primair op de weg van de ouders om hun onderlinge conflict te beëindigen en te voorkomen dat de kinderen daarmee verder worden belast. Het hof verwacht van de ouders dat zij, in het belang van de kinderen, blijven werken aan verbetering van hun onderlinge communicatie en de kinderen buiten hun volwassenenproblematiek houden.
Proceskosten
5.7
Het hof zal gezien de familierechtelijke aard van de procedure de proceskosten in hoger beroep compenseren.
5.8
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt de zorgregeling en bepaalt deze als volgt:
- [minderjarige 1] is in de oneven weken volledig bij de vader, en in de even weken van vrijdag 19.30 uur tot zondag 19.30 uur bij de moeder;
- [minderjarige 2] is in de even weken volledig bij de moeder, en in de oneven weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J.M. Smid-Verhage, M.W. Koek en G.G.B. Boelens, bijgestaan door mr. J. van Gaalen als griffier, en is op 10 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.