ECLI:NL:GHDHA:2026:2198

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.363.385/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:377a lid 3 BWArt. 1:401 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging gezamenlijk gezag en zorgregeling, gedeeltelijke wijziging kinderalimentatie jongmeerderjarige

Het gerechtshof Den Haag heeft op 3 juni 2026 uitspraak gedaan in een hoger beroep betreffende het gezamenlijk gezag, de zorgregeling en kinderalimentatie voor twee kinderen van partijen. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank Rotterdam voor wat betreft het gezamenlijk gezag over de minderjarige en de zorgregeling. De vader en moeder blijven gezamenlijk belast met het gezag en de zorgregeling wordt gehandhaafd.

De vader had in hoger beroep verzocht om een verlaging van de kinderalimentatie, met name voor de jongmeerderjarige die een tussenjaar heeft waarin zij werkt. Het hof oordeelt dat de jongmeerderjarige in haar eigen levensbehoefte kan voorzien tot aan de start van haar HBO-studie in september 2026. Daarom wordt de alimentatie voor haar vanaf die datum tot 1 september 2026 op nihil gesteld. Na die datum wordt de alimentatie weer vastgesteld op € 800,- per maand.

De vader heeft zijn financiële positie onvoldoende inzichtelijk gemaakt, ondanks substantiële inkomsten via zijn werkmaatschappij en holding. Het hof gaat ervan uit dat de vader in staat is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het gezamenlijk gezag en de zorgregeling, wijzigt de alimentatie voor de jongmeerderjarige en stelt deze tijdelijk op nihil tot september 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
Zaaknummer : 200.363.385/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 25-541
Zaaknummer rechtbank : C/10/693161
beschikking van de meervoudige kamer van 3 juni 2026
inzake
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M.M.J. Bos te Dordrecht,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. G.A.H. Wiekamp te Hendrik-Ido-Ambacht.
Als belanghebbende is aangemerkt de jongmeerderjarige:
[jongmeerderjarige] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
advocaat mr. G.A.H. Wiekamp te Hendrik-Ido-Ambacht.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 10 oktober 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
De vader is op 8 januari 2026 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2.
De moeder heeft op 23 maart 2026 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, ingediend.
2.3.
De vader heeft op 10 april 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4.
Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
- op 9 februari 2026 een journaalbericht van 6 februari 2026, met bijlagen;
- op 7 april 2026 een journaalbericht van diezelfde datum, met bijlagen;
- op 13 april 2026 een journaalbericht van diezelfde datum, met bijlage;
van de zijde van de moeder:
- op 25 maart 2026 een journaalbericht van 23 maart 2026, met bijlagen;
- op 25 maart 2026 een journaalbericht van diezelfde datum, met bijlagen;
- op 26 maart 2026 een brief van 25 maart 2026, met bijlage.
2.5.
De voorzitter en de oudste raadsheer hebben voorafgaand aan de zitting gesproken met de minderjarige, [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] . Het hof heeft van de minderjarige ook een kindbrief ontvangen die als bijlage bij het bericht van de vader van 13 april 2026 is overgelegd.
2.6.
De mondelinge behandeling heeft op 16 april 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de jongmeerderjarige (voor zover haar alimentatieverzoek op de zitting aan de orde was), bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [raadsvertegenwoordiger] .
De advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de volgende vaststaande feiten.
3.2.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
3.3.
Zij zijn de ouders van:
- [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] (hierna: [jongmeerderjarige] );
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] );
(hierna ook tezamen: de kinderen).
3.4.
De vader heeft de kinderen erkend en tot aan de bestreden beschikking oefende de moeder van rechtswege het eenhoofdig gezag uit over [minderjarige] .
3.5.
De kinderen verblijven samen met de moeder bij de grootmoeder moederszijde.
3.6.
Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld dat zij op 15 februari 2023 hebben ondertekend. In dit ouderschapsplan is, voor zover hier van belang, het volgende afgesproken:
“(…) Artikel 3. Verzorging en opvoeding
3.1
Zorg- en contactregeling
De kinderen zijn gerechtigd tot contact en omgang met de niet-dagelijks verzorgende ouder. De
ouders zijn de volgende zorg/contactregeling overeengekomen: de kinderen zullen de maan- en
dinsdagen doorbrengen bij de moeder en de woens- en donderdagen bij de vader. Vrijdag, zaterdag en zondag zullen de kinderen afwisselend om de week doorbrengen bij vader en moeder, waarbij de kinderen op de maandag naar school worden gebracht door de partij waar ze het weekend hebben doorgebracht. Partijen kunnen als dat in een bepaald geval nodig is in onderling overleg van de overeengekomen zorgregeling afwijken. De zorgregeling in de (school)vakanties zullen tijdig en in overleg met beide partijen worden ingepland, bij voorkeur volgens het in het ouderschapsplan opgenomen schema. (…)”
“(…) Artikel 6. Kosten
(…)
6.2
Vergoedingen moeder
De kinderen zullen hun hoofdverblijf hebben bij de moeder en zullen op haar moeders adres in het bevolkingsregister van de gemeente [gemeente] ingeschreven staan tot moeder een geschikte woning in de buurt van de vader heeft gevonden. Aan moeder komt daarom het recht toe om de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor beide kinderen te innen, de vader ziet af van alle subsidies en kinderbijslagen, deze geeft hij aan moeder en kinderen. Moeder zal hiervan alle kosten van onderhoud/school/kleding van de kinderen op zich nemen, indien er onverhoopt grote uitgaves gedaan moeten worden, te denken aan laptops, beugels e.d. zal vader hierin voor een tegemoetkoming zorgen. Als moeder kan aantonen via rekeningen waaruit blijkt dat er geen voldoende geld per maand overblijft om deze uitgaves te doen. Mocht de subsidie onverhoopt komen te vervallen aan de kant van de belastingdienst/overheid dan zullen de ouders deze kosten gezamenlijk moeten opvangen. Indien de moeder gaat samenwonen met een andere partner en de subsidies komen te vervallen zal de vader vanaf dan geen enkele aanvulling hoeven te geven aan de vervallen subsidies. (...).”

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang:
- het ouderlijk gezag over [minderjarige] gewijzigd, in die zin dat de vader en de moeder dit gezag over haar vanaf de datum van de bestreden beschikking gezamenlijk uitoefenen;
- het ouderschapsplan van 15 februari 2023 gewijzigd, in die zin dat [minderjarige] in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) voortaan bij de vader zal verblijven als volgt:
- op zaterdag 18 oktober 2025 verblijft [minderjarige] van 10.00 uur tot 19.30 uur bij de vader, waarbij de vader haar ophaalt bij de moeder en haar daar ook weer terugbrengt. [minderjarige] eet zaterdagavond bij de vader;
- [minderjarige] verblijft met ingang van 31 oktober 2025 eenmaal in de veertien dagen van vrijdag na school tot en met zondag om 19.00 uur bij de vader. De vader haalt [minderjarige] op vrijdag op uit school en de moeder haalt [minderjarige] op de zondag op bij de vader. [minderjarige] eet zondagavond bij de vader;
- met ingang van de kerstvakantie worden de vakanties en feestdagen weer verdeeld zoals partijen zijn overeengekomen in het ouderschapsplan van 15 februari 2023;
- partijen communiceren met elkaar over de zorgregeling op de wijze zoals omschreven in rechtsoverweging 3.3.8 van de bestreden beschikking;
- het ouderschapsplan van 15 februari 2023 gewijzigd, in die zin dat de tussen partijen overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: de kinderalimentatie) van [minderjarige] met ingang van 23 januari 2025 wordt bepaald op € 800,- per maand en voor [jongmeerderjarige] met ingang van 6 juni 2025 op € 800,- per maand;
- de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- afgewezen het zelfstandig verzoek van de vader om de eventueel te bepalen bijdrage in de kosten van [jongmeerderjarige] met ingang van [datum] 2025 op nihil te stellen.
4.2.
De vader verzoekt in principaal hoger beroep, na verduidelijking van zijn verzoek op de zitting, om bij beschikking, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie en, opnieuw rechtdoende:
- het ouderschapsplan van 15 februari 2023 te wijzigen en te bepalen dat de vader gehouden is een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de moeder te betalen ad € 177,- per maand, met ingang van 10 oktober 2025, althans met ingang van 10 juni 2025, althans met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum;
- het ouderschapsplan van 15 februari 2023 te wijzigen en te bepalen dat de vader gehouden is een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] te betalen ad € 177,- per maand, met ingang van 10 oktober 2025 tot [datum] 2025, althans met ingang van 10 juni 2025 tot [datum] 2025, althans met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum tot [datum] 2025;
- te bepalen dat de door de vader aan de jongmeerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie met ingang van [datum] 2025 gesteld wordt op nihil (€ 0,-).
4.3.
De moeder voert verweer en verzoekt in principaal hoger beroep de vader in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans het beroep van de vader ongegrond te verklaren.
In incidenteel hoger beroep verzoekt de moeder om bij beschikking, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad:
- de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover de ingangsdatum van de verschuldigde kinderalimentatie voor [minderjarige] is gesteld op 23 januari 2025 en aan de vader samen met de moeder het gezag over [minderjarige] toekomt en de zorgregeling is bepaald op een weekend in de 14 dagen, waarbij de verdeling van de vakanties ingevolge het ouderschapsplan ongewijzigd is gebleven en, opnieuw rechtdoende:
- te bepalen dat de kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] verschuldigd is vanaf 1 januari 2024, subsidiair vanaf 1, dan wel 6 september 2024, meer subsidiair vanaf 1 november 2024;
- het recht van de vader op omgang met [minderjarige] te ontzeggen;
- te bepalen dat de moeder alleen belast zal zijn met het gezag over [minderjarige] ;
althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie vermeend te behoren; kosten rechtens.
4.4.
De vader voert verweer in incidenteel hoger beroep en verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen (het hof begrijpt: verzoeken) in het incidenteel hoger beroep, althans haar de vorderingen in het incidenteel hoger beroep te ontzeggen.

5.De motivering van de beslissing

Gezag
5.1.
Op grond van artikel 1:253c eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit wetsartikel bepaalt dat als het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen als:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2.
De moeder legt aan haar standpunt dat de rechtbank ten onrechte het ouderlijk gezag over [minderjarige] heeft gewijzigd – samengevat en voor zover relevant – het volgende ten grondslag. Overleg met de vader is nog steeds niet mogelijk. De vader heeft geweigerd met de moeder in gesprek te gaan bij het sociaal wijkteam en stelt zijn eigen belangen boven die van [minderjarige] . Hij heeft over zijn zomervakantie met [minderjarige] , anders dan opgenomen in het ouderschapsplan, geen overleg gevoerd met de moeder. De vader stelt voor om het contact te laten verlopen via zijn vriendin en de nieuwe vriend van de moeder. De moeder is bereid om met de vader te overleggen, maar zij vreest dat de vader gezien zijn opstelling het gezag zal aanwenden om het leven van de moeder zo moeilijk mogelijk te maken. Zo zal de vader nooit akkoord gaan met de verhuizing van de moeder samen met [minderjarige] naar de omgeving [plaats] , waar de nieuwe partner van de moeder woont. De moeder heeft dan ook gegronde vrees dat [minderjarige] klem zal komen te zitten tussen de verschillende belangen van haar ouders.
5.3.
De vader verweert zich tegen het standpunt van de moeder en voert daarbij – samengevat en voor zover relevant – het volgende aan. De communicatie tussen partijen kan beter, maar er is tussen hen communicatie over [minderjarige] . De vader e-mailt met de moeder over zaken die [minderjarige] betreffen, maar er zijn lang niet altijd bijzonderheden te vermelden. Ook is er overleg geweest over de aankomende zomervakantie. Er blijkt nergens uit dat de vader zijn gezag in het afgelopen halfjaar heeft misbruikt of zal gaan misbruiken. Hij heeft geen vakanties geweigerd of beslissingen van de moeder die raken aan het gezag over [minderjarige] gedwarsboomd en hij zal dat ook niet doen. De angst die de moeder hiervoor stelt te hebben is dan ook ongegrond. De vader betwist dat hij geen toestemming zou verlenen voor een verhuizing naar [plaats] . Een verhuizing is bespreekbaar, mits heldere afspraken worden gemaakt omtrent het brengen en halen van [minderjarige] en met inachtneming van de belangen van [minderjarige] . Op de zitting heeft de vader desgevraagd aangegeven bereid te zijn om deel te nemen aan hulpverlening ter verbetering van de onderlinge communicatie.
5.4.
Het hof is op basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist dat de vader voortaan samen met de moeder wordt belast met het gezag over [minderjarige] . Het hof neemt die gronden over en maakt deze, na eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking. Het standpunt van de moeder dat overleg met de vader niet mogelijk is, levert niet zonder meer een contra-indicatie op voor het gezamenlijk gezag. De vader is bereid deel te nemen aan hulpverlening zodat de onderlinge communicatie mogelijk kan worden verbeterd. Dit is positief en in het belang van [minderjarige] . De vader moet hiertoe ook een kans krijgen. Tot dusver, ook nu de ouders inmiddels zo’n half jaar gezamenlijk gezag hebben, is ook niet gebleken dat de vader in de weg staat aan het nemen van gezagsbeslissingen. De vader betwist dat hij zonder overleg met de moeder een zomervakantie heeft gepland met [minderjarige] . Hij stelt zich daarbij te hebben gehouden aan de verdeling van de zomervakantie bij helfte, als eerder besproken met de moeder. Verder heeft de vader op de zitting desgevraagd bevestigd de verhuizing van de moeder met [minderjarige] naar [plaats] geen probleem te vinden. In dat geval moeten volgens hem nog wel afspraken gemaakt worden over het halen en brengen van [minderjarige] in het kader van de zorgregeling. De moeder heeft hiertegenover geen nadere onderbouwing gegeven van haar standpunt dat [minderjarige] bij gezamenlijk gezag het risico loopt klem of verloren te raken tussen haar ouders. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt van gezamenlijk gezag.
5.5.
Gelet op het voorgaande faalt de grief van de moeder in het incidenteel hoger beroep waarin zij opkomt tegen de beslissing van de rechtbank over het gezamenlijk gezag. Om deze reden heeft de moeder geen belang meer bij haar verzoek in het incidenteel hoger beroep te bepalen dat zij alleen belast zal zijn met het gezag over [minderjarige] . Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Zorgregeling
5.6.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] . Het hof kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van één van hen op grond van artikel 1:253a BW in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.7.
Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt het hof het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.8.
De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte, met wijziging van het ouderschapsplan, een zorgregeling heeft bepaald tussen de vader en [minderjarige] . Zij maakt zich zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader en voert hiertoe – samengevat en voor zover relevant – het volgende aan. De moeder wordt regelmatig door [minderjarige] midden in de nacht gebeld of geappt omdat [minderjarige] angstig is. De vader maakt dan ruzie met zijn nieuwe vriendin. Daar komt veel drankgebruik aan te pas. [minderjarige] wordt meegenomen naar feesten waar alleen volwassenen aanwezig zijn en zij gaat pas 's nachts naar bed. Haar wordt gevraagd om op de weg te letten als de vader dronken achter het stuur gaat zitten. De situatie is extra schadelijk voor [minderjarige] omdat zij loyaal is aan de vader. Tegelijkertijd is zij ook bang voor hem. [minderjarige] vreest escalaties tussen haar ouders en maakt haar eigen wensen ondergeschikt. Verder voert de moeder aan dat de communicatie tussen partijen niet goed is en dat de vader haar niet informeert over de zorgregeling zoals de rechtbank dat heeft overwogen. In januari dit jaar heeft een incident plaatsgevonden bij het ophalen van [minderjarige] . De vader wilde haar niet meegeven aan de moeder, omdat de moeder volgens hem de politie had getipt over ruzie tussen de vader en zijn partner. De moeder meent dat omgang met de vader in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] zodat de vader het recht op omgang met [minderjarige] moet worden ontzegd.
5.9.
De vader voert verweer en brengt in dat kader – samengevat en voor zover relevant – het volgende naar voren. De gewijzigde zorgregeling verloopt goed. Als er daadwerkelijk sprake zou zijn geweest van een onveilige situatie voor [minderjarige] , dan had van de moeder verwacht mogen worden dat zij hiervan melding zou maken bij de vader of de daartoe bevoegde instanties. Nu dit niet gebeurd is, onderstreept dat de stelling van de vader dat geen sprake is van een onveilige woon- of leefsituatie voor [minderjarige] bij de vader. [minderjarige] kan de moeder niet 's nachts bellen of appen, omdat zij voor het slapen gaan haar telefoon inlevert en deze de volgende morgen weer terugkrijgt. De vader gaat er dan ook van uit dat de door de moeder overgelegde berichten gemanipuleerd zijn. De vader betwist dat [minderjarige] meegaat naar feesten waar alleen volwassenen zijn. Waar de moeder aan refereert betreft een vrijdagavond waarop [minderjarige] en de partner van de vader bij een vriendin hadden gegeten. Op de overgelegde foto’s is te zien dat [minderjarige] niet het enige kind was. Ook blijkt uit de berichten dat [minderjarige] en de andere kinderen zijn opgehaald en dat zij niet bij de vader in de auto hebben gezeten, aangezien de vader niet aanwezig was bij die gelegenheid. De vader benadrukt dat hij geen alcohol nuttigt als hij met de auto moet rijden. De vader betwist verder dat [minderjarige] geen berichten zou sturen, omdat zij loyaal is aan haar vader. Uit niets blijkt dat [minderjarige] berichten heeft gestuurd die duiden op een loyaliteitsconflict. Wat het incident met betrekking tot het ophalen van [minderjarige] betreft, heeft de politie geconcludeerd dat er geen sprake was van een zorgelijke situatie.
5.10.
Het hof is op basis van de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken van oordeel dat de rechtbank met betrekking tot de zorgregeling op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel moeten leiden. De vader betwist de stelling van de moeder dat het voor [minderjarige] onveilig zou zijn bij hem. De moeder heeft haar standpunt onvoldoende nader onderbouwd en daardoor niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt dat er dusdanige zorgen zijn dat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] en dat het recht op omgang van de vader met [minderjarige] dus moet worden ontzegd dan wel beperkt. Het gesprek met [minderjarige] geeft het hof hiertoe evenmin aanleiding. Wel is het hof duidelijk geworden dat het halen en brengen van [minderjarige] de moeder de nodige spanning bezorgt. Het ligt in de rede dat partijen deze kwestie (als hulpvraag) en ook de wijze van informeren over hoe het met [minderjarige] gaat over en weer meenemen bij de hulpverlening ter verbetering van de onderlinge communicatie.
5.11.
Gelet op het voorgaande faalt ook grief II van de moeder waar zij in het incidenteel hoger beroep opkomt tegen de beslissing van de rechtbank over de zorgregeling.
Onderhoudsbijdrage
5.12.
Op grond van artikel 1:401 lid 5 BW Pro kan een overeenkomst betreffende kinderalimentatie ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.
5.13.
In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat de overeenkomst in het ouderschapsplan wat betreft de kinderalimentatie met grove miskenning van de wettelijke maatstaven tot stand is gekomen, zodat het hof overgaat tot inhoudelijke beoordeling van de verzoeken over en weer aangaande de kinderalimentatie.
Ingangsdatum
5.14.
Partijen zijn het niet eens over de datum waarop de onderhoudsverplichting moet worden gewijzigd. Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen hiervan, met dien verstande dat volgens vaste jurisprudentie de rechter behoedzaam gebruik dient te maken van de bevoegdheid om de ingangsdatum van de bijdrage in het verleden te bepalen. Dit kan namelijk tot gevolg hebben dat voor één van partijen een (terug)betalingsverplichting ontstaat. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. In dit geval zal het hof, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank, de ingangsdatum voor de gewijzigde kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] bepalen op de datum van het verzoekschrift, namelijk op 23 januari 2025. Dat, zoals betoogd door de vader, de moeder kort voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg haar loonstroken heeft overgelegd ter onderbouwing van haar verzoek leidt niet tot een andere conclusie. Vanaf de datum van het verzoekschrift heeft de vader rekening kunnen en moeten houden met een eventuele wijziging van de kinderalimentatie. Evenmin slaagt de stelling van de moeder dat zij, primair, vanaf 1 januari 2024 aanspraak kan maken op gewijzigde kinderalimentatie. Dat zij vanaf dat moment, in verband met haar verhuizing naar haar moeder, geen aanspraak meer had op de door haar gestelde subsidies kan haar niet baten. De moeder had op dat moment (ook) een verzoek kunnen doen om wijziging van de kinderalimentatie. Dat zij hiertoe niet eerder dan 23 januari 2025 een verzoek heeft gedaan komt dan ook voor haar rekening en risico. Het hof zal de verzoeken van de moeder met betrekking tot de ingangsdatum eerder dan de datum van het verzoekschrift, afwijzen.
5.15.
Ten behoeve van de onderhoudsverplichting voor [jongmeerderjarige] zal het hof de ingangsdatum daarvan bepalen op 6 juni 2025. Dat is het moment waarop [jongmeerderjarige] , als gemotiveerd gesteld door de moeder, bij de moeder is gaan wonen zodat de vader vanaf die datum rekening heeft moeten houden met een wijziging van de kinderalimentatie voor de [jongmeerderjarige] .
5.16.
Gelet op het voorgaande faalt grief I van de vader in het principaal hoger beroep tegen de ingangsdatum waarop de betalingsverplichting aanvangt. Hetzelfde oordeel treft grief I van de moeder in het incidenteel hoger beroep.
Behoefte en draagkracht
5.17.
Bij de beoordeling van de vraag wat de vader kan bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de kinderen stelt het hof het volgende voorop. De vader is directeur-groot aandeelhouder bij [de holding] . (hierna: de holding). De holding houdt de aandelen van [de werkmaatschappij] (hierna: de werkmaatschappij). Uit de door de vader overgelegde notitie van de boekhouder blijkt dat er in 2025 liquiditeit aan de werkmaatschappij is onttrokken ten behoeve van de holding door rekening-courant opnames. De boekhouder vermeldt dat de vordering van de werkmaatschappij op de holding in 2025 € 756.979,- bedroeg. Dat is een toename van ruim € 240.000,- ten opzichte van 2024 toen de werkmaatschappij een vordering had op de holding van € 513.402,-. Destijds is met dit laatste de lening voor de woning van de vader gefinancierd. Waarom in 2025 ruim € 240.000,- naar de holding is gegaan, heeft de vader niet inzichtelijk gemaakt. Kennelijk heeft de vader, zoals door de rechtbank wordt overwogen in de bestreden beschikking onder 3.8.4.1, over een langere periode veel meer opgepot aan uitgesteld dividend dan hij had hoeven doen. De werkmaatschappij boekt, zoals ook volgt uit het door de moeder overgelegde rapport [rapport] , op jaarbasis een gemiddeld resultaat van € 105.000,-. In zoverre komt dit bedrag grotendeels overeen met wat de boekhouder in zijn notitie opmerkt over het positief resultaat dat de werkmaatschappij in 2024 heeft behaald, namelijk € 91.546,- en wat het banksaldo bedraagt in november 2025: € 87.679,-.
5.18.
Het hof constateert dat de vader via de werkmaatschappij substantiële bedragen verdient. Het standpunt van de vader dat hij als ondernemer liquiditeit aan de werkmaatschappij onttrekt, slaagt niet. Niet met stukken onderbouwd is dat de onttrokken middelen (ruim € 240.000,- in 2025) ook zuiver bedoeld zijn voor de onderneming, terwijl de moeder onbetwist heeft gesteld dat de vader geld uitgeeft aan de verbouwing van zijn woning, aanschaf van een vakantiehuis en luxe auto’s voor de onderneming. Het had dan ook op de weg van de vader gelegen om de geldstromen naar de holding toe inzichtelijk te maken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de vader, gezien zijn inkomen, in staat is om alleen in de volledige behoefte van de kinderen te voorzien. Met het aandeel van de moeder hierin houdt het hof geen rekening, omdat een draagkrachtvergelijking gelet op het gebrek aan inzicht in het inkomen van de vader niet goed is te maken. Het hof komt daarom evenmin toe aan berekening van de zorgkorting. Dit komt het hof in het licht van dat wat hiervoor is overwogen niet onredelijk voor.
5.19.
Het hof zal met inachtneming van de datum waarop het ouderschapsplan is ondertekend, de behoefte van de kinderen gelijkstellen aan de maximale behoefte over het jaar 2023 voor twee kinderen (€ 1.460,-), tot het moment dat [jongmeerderjarige] jongmeerderjarig wordt. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.651. Gelet op het verzoek van de moeder zal het bedrag dat de vader aan kinderalimentatie dient te betalen € 800,- per maand per kind bedragen zoals de rechtbank ook heeft bepaald zodat het hof de beslissing van de rechtbank op dit punt zal bekrachtigen.
5.20.
Omdat [jongmeerderjarige] sinds zij jongmeerderjarig is ( [datum] 2025) structureel inkomsten geniet heeft zij, zoals de vader terecht stelt, vanaf dat moment geen behoefte aan een bijdrage van de vader. Dat zij extra kosten heeft in verband met medicatie en behandelingen leidt niet tot een ander oordeel. Niet is gebleken dat zij die niet zelf kan voldoen uit haar inkomen. Het hof zal de bijdrage van de vader in haar levensonderhoud vanaf dat moment dan ook op nihil stellen. Namens [jongmeerderjarige] is voorts nog naar voren gebracht dat zij per september dit jaar een HBO-studie zal volgen. Het is aannemelijk dat [jongmeerderjarige] vanaf dat moment niet meer in haar eigen behoefte kan voorzien. Met ingang van de dag dat [jongmeerderjarige] gaat studeren zal het hof op de voet van artikel 1:395a BW, bepalen dat de vader verplicht is om een bedrag te betalen voor levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] welk bedrag het hof gelijkstelt aan het bedrag dat de vader aan kinderalimentatie diende te voldoen aan de moeder tot aan de dag van haar jongmeerderjarigheid. [jongmeerderjarige] heeft niet gesteld dat haar behoefte meer bedraagt en het hof beschikt niet over gegevens om de exacte behoefte van [jongmeerderjarige] vast te stellen met ingang van de dag dat zij jongmeerderjarig wordt. Het hof zal de door de rechtbank vastgestelde alimentatie voor [jongmeerderjarige] dan ook deels vernietigen en tijdelijk op nihil stellen, van [datum] 2025 tot 1 september 2026.
5.21.
Gelet op het voorgaande falen grieven II, III, IV en V van de vader waarin hij in het principaal hoger beroep opkomt tegen de beslissing van de rechtbank over de onderhoudsbijdrage voor de kinderen gedeeltelijk.
Proceskosten
5.22.
De proceskosten worden, zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard, in hoger beroep gecompenseerd. Dat betekent dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

6.De beslissing

Het hof, in principaal en incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing over het gezamenlijk gezag, de zorgregeling en de kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] ;
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing over de alimentatie ten behoeve van [jongmeerderjarige] , en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt het ouderschapsplan van 15 februari 2023 wat betreft de kinderalimentatie als volgt:
bepaalt de bijdrage van de vader aan [jongmeerderjarige] in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van [datum] 2025 tot 1 september 2026 op nihil en voor de periode daarna op
€ 800,-;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Wahedi, A. Zonneveld en C.M. van der Kleijn, bijgestaan door mr. B. Klous als griffier, en is door A.A.F Donders op 3 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.