ECLI:NL:GHDHA:2026:2282

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
200.361.733/01 (echtscheiding) en 200.361.736/01 (verdeling)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie en afwikkeling huwelijkse voorwaarden na echtscheiding

Partijen zijn gehuwd in 2011 en hebben twee minderjarige kinderen die bij de vrouw verblijven. De rechtbank had de echtscheiding uitgesproken en kinderalimentatie vastgesteld op €285 per kind per maand. De vrouw ging in hoger beroep en verzocht verhoging van de kinderalimentatie en een bedrag uit hoofde van het periodiek verrekenbeding. De man voerde verweer en stelde een lagere kinderalimentatie voor.

Het hof nam het feitelijk inkomen van de man van €71.000 bruto per jaar als uitgangspunt en wees het verzoek van de man af om rekening te houden met zijn werkelijke woonlasten, omdat de echtelijke woning was verkocht en hij overwaarde had ontvangen. De draagkracht van de vrouw werd berekend op basis van een werkweek van 32 uur, omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij haar volledige verdiencapaciteit niet benut.

De gezamenlijke draagkracht van partijen was hoger dan de behoefte van de kinderen, waardoor de behoefte naar rato werd verdeeld. De kinderalimentatie werd vastgesteld op €737 per maand vanaf 22 augustus 2025 en geïndexeerd naar €771 per maand vanaf 1 januari 2026. De vrouw werd niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, nu partijen ter zitting overeenstemming hadden bereikt.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het overige in hoger beroep meer of anders verzochte is afgewezen.

Uitkomst: Het hof stelt de kinderalimentatie vast op €737 per maand vanaf 22 augustus 2025 en €771 per maand vanaf 1 januari 2026 en verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek over de huwelijkse voorwaarden.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.361.733/01 (echtscheiding) en 200.361.736/01 (verdeling)
rekestnummers rechtbank : FA RK 24-2517 (echtscheiding) en FA RK 24-5555 (verdeling)
zaaknummers rechtbank : C/09/664292 (echtscheiding) en C/09/670438 (verdeling)
beschikking van de meervoudige kamer van 24 juni 2026
inzake
[de vrouw] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. P. Vellekoop te Honselersdijk, gemeente Westland,
tegen
[de man] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.J. Boers te ’s-Gravenzande, gemeente Westland.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 22 augustus 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De vrouw is op 20 november 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De man heeft op 12 januari 2026 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vrouw heeft op 26 februari 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 16 januari 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 23 april 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 24 april 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
2.5
De hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] heeft bij brief van 17 februari 2026 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.
2.6
De mondelinge behandeling heeft op 7 mei 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn hierbij verschenen bijgestaan door hun advocaat.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2011 te [huwelijksplaats] .
3.3
Partijen zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ),
hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.
3.4
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
3.5
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.
3.6
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden welke, voor zover hier van belang, luiden als volgt:
“2. Uitsluiting Huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap
Tussen de echtgenoten bestaat geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.
(...)
4. Jaarlijkse verrekening
1.
De echtgenoten zijn verplicht om elk kalenderjaar dat wat van hun inkomen overblijft na betaling van de kosten van de huishouding met elkaar te verrekenen. Voor zover inkomsten waarop een uitsluitingsclausule van toepassing is, niet aan de als de kosten van de huishouding zijn besteed, blijven deze bij de verrekening buiten beschouwing. Voor zover inkomsten waarop een uitsluitingsclausule van toepassing is, niet als kosten van de huishouding zijn besteed blijven deze bij de verrekening buiten beschouwing.
De verrekening vindt binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar of de datum van de aanslag inkomstenbelasting voor dat kalenderjaar, als volgt plaats. De echtgenoot die in het kalenderjaar meer inkomen heeft dan de helft van de som van beide inkomens, is verplicht aan de andere echtgenoot het verschil in geld te betalen met een maximum van de helft van het hoogste inkomen van beiden. De echtgenoten kunnen overeenkomen dat het bedrag niet in geld wordt betaald. Zij worden dan geacht aan de plicht tot verrekening te hebben voldaan door het schriftelijk vastleggen dat het bedrag schuldig wordt gebleven.
2.
Over de periode waarin de echtgenoten, anders dan in onderling overleg, duurzaam gescheiden hebben geleefd, kan geen verrekening worden gevorderd.
(...)
6. Geen finale verrekening bij einde van liet huwelijk anders dan door overlijden
De echtgenoten komen geen finale verrekening bij einde van hel huwelijk anders dan door overlijden overeen.
(...)
BESCHRIJVING AANGEBRACHTE GOEDEREN/VORDERINGEN
(…)
Partijen zijn samen rechthebbende van de woning met aanhorigheden plaatselijk bekend [adres] , [postcode] [plaats] , gemeente [gemeente] en wel ieder voor een gelijk onverdeeld aandeel. Ter zake van de verkrijging van die woning is een extern aangetrokken financiering aangegaan en hebben partijen overigens bijgedragen uit eigen middelen zoals zij hebben vastgesteld als volgt:
-
door comparant sub 1. de somma van een honderd twintigduizend tweehonderd euro (€ 120.200,00).
De comparant sub 1 heeft derhalve een vordering op de comparante sub 2 groot zestigduizend een honderd euro (€ 60.100,00).
(...)".
3.7
Bij beschikking van 25 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van die datum een
voorlopigekinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van in totaal € 802,39 per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang:
  • de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
  • bepaald dat de minderjarigen de hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben;
  • bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van de bestreden beschikking, een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 285,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
  • bepaald dat de man uit hoofde van het periodiek verrekenbeding een bedrag van € 10.507,- aan de vrouw moet betalen;
  • de beschikking, met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding tussen de man en de vrouw, tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
  • het meer of anders verzochte ten aanzien van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, de kinderalimentatie en de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden (waaronder ook begrepen het verzochte in het kader van het periodieke verrekenbeding en de (vergoedings)vorderingen) afgewezen;
  • iedere verder beslissing ten aanzien van de zorgregeling aangehouden in afwachting van het door de raad uit te voeren onderzoek.
4.2
De vrouw verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking op het punt van de kinderalimentatie en het periodiek verrekenbeding te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
I. te bepalen dat de man aan de vrouw een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 554,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
II. te bepalen dat de man uit hoofde van de afwikkeling van het periodiek verrekenbeding een bedrag van € 114.293,75 aan de vrouw dient te voldoen.
4.3
De man verzoek het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de bestreden beschikking te bekrachtigen, behoudens de door de rechtbank daarin bepaalde kinderalimentatie, en de verzoeken van de vrouw in het onderhavige hoger beroep af te wijzen;
de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover deze ziet op de daarin bepaalde kinderalimentatie en opnieuw rechtdoende het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie af te wijzen, althans te bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 22 augustus 2025, althans met ingang van een door het hof te bepalen datum, een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen zal betalen, met een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag gelegen lager dan € 285,- per kind per maand, voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
4.4
De vrouw verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de verzoeken van de man af te wijzen;
II. te bepalen dat de man aan de vrouw een kinderalimentatie van € 692,- per kind per maand dient te betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

5.De motivering van de beslissing

Kinderalimentatie
Ingangsdatum
5.1
De ingangsdatum van de kinderalimentatie, zijnde 22 augustus 2025, is tussen partijen niet in geschil, zodat het hof deze ingangsdatum als uitgangspunt neemt.
Behoefte
5.2
De behoefte van de minderjarigen, zijnde in 2024 € 1.470 voor beide minderjarigen per maand, is tussen partijen niet in geschil, zodat het hof hiervan uitgaat. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte € 1.566,- voor beide minderjarigen per maand.
Draagkracht man
5.3
De draagkracht van de man staat ter discussie. In geschil tussen partijen is het inkomen van de man en de door de man opgevoerde woonlasten.
- Inkomen
5.4
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is behandeld gaat het hof, net als de rechtbank, in de berekening van de draagkracht van de man uit van het feitelijk verdiende inkomen van de man, zijnde bruto € 71.000,- per jaar. Uit het door de man overgelegde fiscaal rapport aangifte inkomstenbelasting 2024 en 2025 blijkt dat de man € 56.000,- bruto per jaar aan inkomen heeft, alsmede € 15.000,- bruto aan een tantième . Het hof ziet in de door de man overgelegde financiële gegevens geen aanleiding om, zoals de vrouw stelt, naast het inkomen dat de man ontvangt rekening te houden met dividend dat de man vanuit zijn BV zou kunnen uitkeren. Het hof ziet daar in de financiële gegevens onvoldoende financiële mogelijkheid toe. Het hof ziet, gelet op de IB aangiftes, ook geen aanleiding om met een lager inkomen rekening te houden, zoals de man stelt. Verder houdt het hof, net als de rechtbank, rekening met de uitgaven voor inkomensvoorzieningen in totaal ten bedrage van € 9.039,- per jaar (premie lijfrente € 1.200,- per jaar en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering € 7.839,- per jaar).
5.5
Op basis van het voorgaande bedraagt het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van de man in 2025 € 3.675,- per maand. Het hof sluit hierbij aan bij de berekening van de rechtbank.
- Werkelijke woonlasten
5.6
Anders dan de rechtbank ziet het hof echter geen aanleiding om rekening te houden met de werkelijke woonlasten van de man. Gebleken is dat de echtelijke woning reeds is verkocht en per 13 januari 2026 is geleverd aan derden. Partijen hebben beiden een aanzienlijk bedrag aan overwaarde hieruit ontvangen. Hoewel de werkelijke woonlast van de man op dit moment hoger is dan het woonbudget, is het hof onvoldoende gebleken dat deze woonlast duurzaam aannemelijk hoger zal zijn. De man heeft ter zitting ook aangegeven dat, vanwege het feit dat nog onduidelijk was hoeveel hij in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw moest betalen, hij niet wist hoeveel overwaarde er overbleef voor de aankoop van een woning. Gelet op de door de man ontvangen overwaarde acht het hof het derhalve aannemelijk dat de man hiermee in de toekomst zijn woonlasten zal kunnen verlagen. Het hof gaat derhalve uit van het woonbudget.
5.7
Nu het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- berekent het hof de draagkracht van de man conform de draagkrachtformule 2025. Het hof berekent de draagkracht van de man derhalve op 70% x [€3.675 – ((0,3 x € 3.675,-) + € 1.310,-)] = afgerond € 884,- per maand.
Draagkracht vrouw
5.8
Tussen partijen is in geschil of de vrouw met haar huidige dienstverband van 24 uur per week haar volledige verdiencapaciteit benut of dat dient te worden uitgegaan van een verdiencapaciteit van 32 uur per week, zoals de man stelt. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op dit moment haar volledige verdiencapaciteit benut. Hoewel er door de vrouw medische stukken in het geding zijn gebracht, is hieruit niet gebleken dat de vrouw de door de man gestelde 32 uur, niet zou kunnen werken. Er is door de vrouw bijvoorbeeld ook geen rapport van een arbeidsdeskundige overgelegd. Ook is onvoldoende gebleken dat de vrouw vanwege haar thuissituatie niet meer dan 24 uur zou kunnen werken. Het hof gaat derhalve in de berekening van de draagkracht van de vrouw uit van een werkweek van 32 uur. Daarnaast gaat het hof uit van de situatie waarin de vrouw het kindgebonden budget ontvangt. De vrouw heeft haar stelling dat zij geen aanspraak kan maken op het kindgebonden budget omdat zij is gaan samenwonen, onvoldoende onderbouwd. Daarbij overweegt het hof dat dit bovendien ook gevolgen zou hebben voor haar werkelijke woonlasten, nu zij dit met haar nieuwe partner zou kunnen delen.
5.9
Gelet op het voorgaande volgt het hof de door de man overgelegde draagkrachtberekening (productie E). Hierin is eveneens rekening gehouden met de pensioenpremie, de inhouding PAWW, de inhouding WHA hiaat van de vrouw en het kindgebonden budget. Uit de berekening van de man volgt dat het NBI van de vrouw in 2025 € 3.535,- per maand betrof. Rekening houdend met de draagkrachtformule over 2025 berekent het hof de draagkracht van de vrouw op 70% x [€3.535,- – ((0,3 x € 3.535,-) + € 1.310,-)] = afgerond € 815,-.
Draagkrachtvergelijking
5.1
Aangezien de gezamenlijke draagkracht van partijen (€ 815,- + € 884,-) € 1699,-, hoger is dan de behoefte van de minderjarigen (€ 1.566,-), moet de behoefte over partijen verdeeld worden. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht, vermenigvuldigd met de behoefte. Het aandeel van de man bedraagt aldus [ (€ 884,- / € 1699,-) x €1.566,- =] afgerond € 815,- voor beide minderjarigen. Het aandeel van de vrouw bedraagt aldus [(€ 815 / € 1.699,-) x € 1.566,- = ] afgerond 751,- voor beide minderjarigen.
Zorgkorting
5.11
Tussen partijen is het zorgkortingspercentage van 5 % niet in geschil. De zorgkorting bedraagt daarmee 5% van de behoefte, zijnde € 78,- per maand.
Conclusie
5.12
Uit het voorgaande volgt dat de man vanaf 22 augustus 2025 een bedrag van € 737,- per maand voor beide minderjarigen aan de vrouw dient te betalen, of wel afgerond € 369,- per kind per maand.
5.13
Gelet op de datum van de onderhavige uitspraak zal het hof, gelet op het wettelijk indexeringspercentage, de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2026 vaststellen op € 771,- voor beide minderjarigen per maand, of wel € 386,- per kind per maand.
Periodiek verrekenbeding
5.14
Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft vervolgens haar grief ten aanzien hiervan ingetrokken. Partijen zijn overeengekomen dat de man binnen twee weken aan de vrouw een bedrag van € 37.500,- betaalt als resultaat van die afwikkeling. Hierop kan de man het bedrag dat hij al betaald heeft aan de vrouw in dat kader aftrekken. Nu de vrouw haar grief heeft ingetrokken, zal het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

6.De beslissing

Het hof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden;
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 22 augustus 2025 als bijdrage in de kosten van de verzorging en op voeding van de minderjarigen € 737,- per maand, of wel afgerond € 369,- per kind per maand zal betalen en met ingang van 1 januari 2026 € 771,- voor beide minderjarigen per maand, ofwel afgerond € 386,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, G.G.B. Boelens en H. Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. M.J. Meeusen als griffier, en is op 24 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.