ECLI:NL:GHDHA:2026:2298

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
200.345.635/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming handschriftdeskundige voor onderzoek echtheid handtekeningen leningsovereenkomst

In deze civiele procedure tussen Pro Customs B.V. en een geïntimeerde gaat het om de echtheid van handtekeningen op een overeenkomst van geldlening. Het hof verwijst naar een eerder arrest van 13 januari 2026 en besluit in deze tussenuitspraak een handschriftdeskundige te benoemen.

Partijen konden geen gezamenlijke deskundige voordragen. Het hof benoemt daarom ing. C. Verhulst van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau B.V. als deskundige. De deskundige zal onderzoek doen naar de authenticiteit van de handtekeningen van de bestuurders van Pro Customs op het betreffende document. De deskundige moet een schriftelijk rapport opstellen met beantwoording van specifieke vragen over de herkomst van de handtekeningen, de mogelijkheid dat één persoon beide handtekeningen plaatste, en eventuele aanwijzingen voor vervalsing.

De raadsheer-commissaris mr. M.T. Nijhuis wordt belast met de supervisie van het onderzoek. De deskundige zal zelfstandig werken, tenzij de raadsheer-commissaris anders beslist. De geïntimeerde dient een voorschot van €4.446,75 te betalen voordat het onderzoek start. Het rapport moet uiterlijk 10 november 2026 worden gedeponeerd, waarna partijen gelegenheid krijgen om schriftelijk te reageren. De zaak wordt aangehouden tot ontvangst van het deskundigenbericht.

Uitkomst: Het hof benoemt een onafhankelijke handschriftdeskundige en bepaalt procedurele voorwaarden voor het deskundigenonderzoek, waarna de zaak wordt aangehouden.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.345.635/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/654333 / HA ZA 23-857
arrest van 21 juli 2026
inzake

1.Pro Costums B.V., gevestigd in Den Haag,

2.
[appellant 1], wonende in [woonplaats 1] ,
3.
[appellant 2], wonende in [woonplaats 1] ,
appellanten,
advocaat: mr. M. de Boorder, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. P. van der Veld, kantoorhoudend in Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk Pro Customs c.s. (appellanten gezamenlijk), Pro Customs, [appellant 1] , [appellant 2] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Waar de zaak over gaat

Voor een korte duiding van de zaak verwijst het hof naar het arrest in deze zaak van 13 januari 2026. In vervolg op dat arrest benoemt het hof een handschriftdeskundige.

2.De processtappen

2.1
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
- de akte van Pro Customs c.s. over de persoon van de te benoemen deskundige;
- de door [geïntimeerde] overgelegde akte van depot met een ‘overeenkomst van geldlening’.
- de akte van [geïntimeerde] over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan deze voor te leggen vragen.
2.2
Partijen hebben aanvullend gefourneerd en er is arrest bepaald.

3.De verdere beoordeling

3.1
Het hof leidt uit de akte van [geïntimeerde] af dat zij bewijs door getuigen wenst te leveren alvorens een deskundigenbericht wordt gelast. Het hof ziet daarin geen aanleiding om terug te komen op zijn voornemen om een deskundigenbericht te gelasten. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [geïntimeerde] vermeldt dat, als het getuigenverhoor niet leidt tot het door haar gewenste resultaat omtrent de echtheid van de handtekening (dat wil zeggen dat de echtheid door middel van getuigenverklaringen komt vast te staan), zij alsnog de benoeming van een deskundige wenst. Het hof is van oordeel dat een efficiënte procesvoering meebrengt dat nu eerst een deskundigenonderzoek plaatsvindt. Partijen kunnen zich in een eventuele memorie na deskundigenbericht vervolgens uitlaten over hun (verdere) bewijsaanbiedingen.
3.2
Pro Customs c.s. hebben voorgesteld mevrouw [deskundige] , die vermeld is in het deskundigenregister NRGD, als deskundige te benoemen. [geïntimeerde] stelt voor dat het hof een deskundige benoemt die niet door partijen is voorgedragen en die kan worden gekwalificeerd als een in Nederland gevestigde documentenonderzoeker/ handschriftdeskundige met aantoonbare ervaring in civiele bewijsprocedures. Alleen [geïntimeerde] heeft zich uitgelaten over de aan de deskundige voor te leggen vragen.
3.3
Partijen zijn dus wat betreft de persoon van de te benoemen deskundige niet gekomen tot een gezamenlijke voordracht. Het hof zal daarom een deskundige benoemen die door geen van beide partijen is voorgedragen: ing. C. Verhulst, verbonden aan het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau B.V.
Partijen hebben zich per e-mail kunnen uitlaten over de persoon van de deskundige en de door deze deskundige opgegeven kostenbegroting (€ 4.446,75 inclusief btw). Pro Customs c.s. hebben het hof laten weten hiermee te kunnen instemmen. [geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt en heeft verzocht om een nadere specificatie van de begroting te vragen of het opgevoerde bedrag te matigen. Het hof ziet daarvoor geen aanleiding omdat de begroting hem niet onredelijk voorkomt. Het hof betrekt daarbij dat het hier gaat om een onderzoek naar twee verschillende handtekeningen en dat uiteindelijk nog een berekening van de werkelijk gemaakte kosten zal volgen. In rov 2.7 van het tussenarrest is al bepaald dat [geïntimeerde] het voorschot van de deskundige dient te betalen.
3.4
Het onderzoek betreft, kort gezegd, de vraag of de handtekeningen op het document met de titel ‘overeenkomst van geldlening’ (hierna: de overeenkomst) zijn geplaatst door [appellant 1] respectievelijk [appellant 2] , bestuurders van Pro Customs, althans door één van hen. [geïntimeerde] heeft het origineel van dit document ter griffie van het hof gedeponeerd. Het hof zal dit document aan de deskundige ter beschikking stellen. Het hof gaat ervan uit dat Pro Customs c.s. zullen zorgen voor het door de deskundige benodigde referentiemateriaal. De deskundige heeft daarover op voorhand opgemerkt dat een doorlooptijd van drie maanden haalbaar is wanneer partijen de gevraagde stukken tijdig aanleveren.
3.5
Het voorgaande betekent dat het hof, rekening houdend met de door (één van de) partijen geformuleerde vragen, aan voornoemde deskundige zal verzoeken de navolgende vragen in een schriftelijk bericht te beantwoorden:
- Zijn de handtekeningen geplaatst op de laatste (ongenummerde) pagina van de overeenkomst onder ‘Lener Pro Customs B.V.’ ter linkerzijde en ter rechterzijde afkomstig van respectievelijk [appellant 1] en [appellant 2] ? Met welke mate van waarschijnlijkheid kunt u deze conclusie trekken? Het hof verzoekt u om uw conclusie toe te lichten aan de hand van de door u gevolgde methodiek en het door u gebruikte referentiemateriaal.
- Kunt u de mogelijkheid onderzoeken dat één persoon ( [appellant 1] of [appellant 2] ) beide handtekeningen heeft geplaatst? Het hof verzoekt u om uw gevolgtrekkingen op dit punt toe te lichten.
- Geeft het onderzoek overigens nog aanleiding tot het maken van opmerkingen die in verband met de beslissing van belang kunnen zijn, waaronder, in het voorkomende geval, de vraag of er kenmerken zijn die duiden op vervalsing of nabootsing? Het hof verzoekt u om uw gevolgtrekkingen op dit punt van een toelichting te voorzien.
3.6
Het hof zal tot raadsheer-commissaris benoemen mr. M.T. Nijhuis. Het hof zal bepalen dat de deskundige zijn onderzoek in beginsel zelfstandig zal verrichten, maar indien de raadsheer-commissaris daartoe aanleiding ziet, onder haar leiding.
3.7
Indien de deskundige vragen heeft over de inhoud van zijn opdracht of over de te volgen procedure, kan hij zich wenden tot de raadsheer-commissaris via de contactpersoon mr. A.R. Vonk, e-mailadres: a.r.vonk@rechtspraak.nl, onder vermelding van de namen van partijen en het zaaknummer. De contactpersoon of de raadsheer-commissaris zal de deskundige berichten.
3.8
In afwachting van het deskundigenbericht wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
Beslissing
Het hof:
- beveelt een deskundigenbericht door één deskundige teneinde aan het hof bericht uit te brengen omtrent de in rov 3.5 vermelde vragen;
  • benoemt als zodanig:
  • benoemt tot raadsheer-commissaris mr. M.T. Nijhuis en bepaalt dat de deskundige zijn onderzoek in beginsel zelfstandig zal verrichten, maar indien de raadsheer-commissaris daartoe aanleiding ziet, onder haar leiding;
  • bepaalt dat de deskundige bij het verrichten van zijn werkzaamheden naast de normen van zijn beroepsgroep tevens de leidraad deskundigen in civiele zaken (te vinden op www.rechtspraak.nl) in acht dient te nemen;
  • bepaalt dat de deskundige zijn werkzaamheden niet zal behoeven aan te vangen voordat door [geïntimeerde] als voorschot op de nader te bepalen kosten van het deskundigenonderzoek een bedrag van € 4.446,75 inclusief btw zal zijn gestort. Hiertoe ontvangt [geïntimeerde] een factuur van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) met betaalinstructies;
  • bepaalt dat dit voorschot uiterlijk vier weken na heden moet zijn voldaan;
  • bepaalt dat de deskundige zal aanvangen nadat de griffier van het hof hem heeft bevestigd dat voormeld voorschot door het LDCR is ontvangen;
  • bepaalt dat de deskundige zijn schriftelijk bericht ter griffie handel van dit hof (Postbus 20302, 2500 EH Den Haag, P2-267A zal deponeren vóór 10 november
  • bepaalt dat de deskundige tegelijk met dit bericht een declaratie van loon en kosten ter griffie zal indienen onder vermelding van de namen van partijen en het zaaknummer;
  • wijst partijen er op dat indien zij schriftelijke opmerkingen aan de deskundige doen toekomen, daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij dient te worden verstrekt;
  • verwijst de zaak naar de rol van
  • bepaalt dat de zaak nadat de deskundige het schriftelijk bericht heeft gedeponeerd, naar de rol zal worden verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [geïntimeerde] ;
  • bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zendt;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.T. Nijhuis, D.A. Schreuder en G.J.M. Verburg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.