ECLI:NL:GHDHA:2026:2302

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
22-001566-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 23 SrArt. 24 SrArt. 177 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep omkoping en fraude bij gemeente Rotterdam met manipulatie productieverantwoordingsstaten

Deze strafzaak betreft een omvangrijk onderzoek naar omkoping en fraude bij de gemeente Rotterdam in de periode 2012-2018. De verdachte, een rechtspersoon, werd beschuldigd van het omkopen van een ambtenaar door het verstrekken van luxe goederen en geldbedragen in ruil voor het manipuleren en accorderen van productieverantwoordingsstaten en facturen.

In eerste aanleg werd de verdachte deels vrijgesproken en deels veroordeeld tot een geldboete van €50.000. In hoger beroep werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard voor het hoger beroep tegen de vrijspraken. Het hof sprak de verdachte vrij van de valsheid in geschrift ten laste gelegde feiten, maar verklaarde het omkopingsfeit bewezen. De verdachte werd veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van €25.000, mede vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en persoonlijke omstandigheden.

Het onderzoek toonde aan dat de verdachte via haar directeur en medeverdachten jarenlang de ambtenaar omkocht met fietsen, horloges en geldbedragen, en dat de ambtenaar productieverantwoordingsstaten manipuleerde om hogere betalingen van de gemeente mogelijk te maken. De verdachte heeft aanzienlijke delen van de geleden schade terugbetaald. Het hof achtte de straf passend en hield rekening met de financiële situatie van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: De verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van €25.000 wegens omkoping en vrijgesproken van valsheid in geschrift.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001566-23
Parketnummer: 83-097432-22
Datum uitspraak: 14 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verdachte rechtspersoon],
gevestigd te [vestigingsplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,-.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 primair, 1 subsidiair en 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd, hetgeen vermeld is in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is – voor zover nog aan de orde in hoger beroep - als bijlage I aan dit arrest gehecht.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met aanvulling van gronden en met uitzondering van de straf, in die zin dat aan de verdachte wordt opgelegd een geldboete ter hoogte van € 47.500,-.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Algemene inleiding

Het strafrechtelijk onderzoek "Abaris" is gestart naar aanleiding van een onderzoek van de
Belastingdienst in 2017 naar de BTW-vrijstelling die een aan [naam medeverdachte 1] (hierna:
[naam medeverdachte 1] ) gelieerd bedrijf had gevraagd voor facturen met de omschrijving "sponsoring".
Deze facturen waren afkomstig van de verdachte rechtspersoon [naam medeverdachte rechtspersoon hierna fietsenwinkel] , die
handelt onder de naam [naam fietsenwinkel] (hierna ook: [naam fietsenwinkel] ), een fietsenwinkel in
Hardinxveld-Giessendam. Uit nadere informatie van de fietsenwinkel bleek dat [naam medeverdachte 2]
(hierna: [naam medeverdachte 2] ), een ambtenaar van de gemeente Rotterdam, sinds
2009 spullen uit de winkel kon meenemen die door middel van een sponsorfactuur werden
betaald door verschillende bedrijven. De filiaalhouder van [naam fietsenwinkel] [naam medeverdachte 4]
(hierna: [naam medeverdachte 4] ) had deze sponsorfacturen op aanwijzing van [naam medeverdachte 2] opgemaakt en naar deze bedrijven gestuurd. Het vermoeden ontstond dat [naam medeverdachte 1]
Bestratingen zich schuldig had gemaakt aan omkoping.
In het onderzoek naar [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] ontstond een verdenking van omkoping
tegen [naam medeverdachte 3] (hierna: [naam medeverdachte 3] ) en het bedrijf [verdachte rechtspersoon] (hierna: [verdachte rechtspersoon] ), handelend onder de naam [naam bedrijf 1] . Ook de bedrijven van [naam medeverdachte 3] bleken facturen van [naam fietsenwinkel] te hebben betaald.
Uit nader onderzoek naar de bankrekeningen van [naam fietsenwinkel] bleek dat ook het bedrijf
[naam bedrijf 2] (hierna: [naam bedrijf 2] ) betalingen aan de fietsenwinkel had gedaan. Dit leidde
tot een verdenking tegen [naam bedrijf 2] en [naam directeur bedrijf 2] (hierna: [naam directeur bedrijf 2] ), de directeur van
dit bedrijf.
[naam bedrijf 3] voerde tot 2018 bestratingswerkzaamheden uit in de gemeente
Rotterdam op basis van een raamovereenkomst, ook wel “bestek” genoemd. Ook [naam bedrijf 2] had een dergelijke overeenkomst met de gemeente Rotterdam voor belijningswerkzaamheden. Bij de uitvoering van deze werkzaamheden konden deze bedrijven gebruik maken van onderaannemers. De werkzaamheden van deze onderaannemers werden via [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 2] bij de gemeente Rotterdam in rekening gebracht. [verdachte rechtspersoon] was als onderaannemer werkzaam in de gemeente Rotterdam voor zowel [naam bedrijf 3] als [naam bedrijf 2] .
Om de verrichte werkzaamheden bij de gemeente Rotterdam te kunnen declareren, registreerde een aannemer de door hem en eventuele onderaannemers verrichte werkzaamheden in een productieverantwoordingsstaat (hierna: pv). Daarin stond ook welke prijs volgens het bestek voor de verrichte werkzaamheden was overeengekomen. De pv werd naar de directievoerder van de werkzaamheden bij de gemeente Rotterdam gestuurd. De directievoerder controleerde of de werkzaamheden waren uitgevoerd en of de bestekposten juist waren ingevuld. Hij ondertekende de pv als dit akkoord was. Vervolgens tekende de projectleider voor "gezien", waarna de pv in het systeem van de gemeente werd opgenomen en werd teruggestuurd naar de aannemer. De aannemer maakte op basis van de geaccordeerde pv een factuur op die bij de gemeente Rotterdam werd ingediend. De factuur werd betaalbaar gesteld als het bedrag op de factuur overeenkwam met het bedrag op de pv, waarna er door de gemeente automatisch betaald werd.

Vrijspraak feit 4

De tenlastegelegde offerte van [naam bedrijf 4] (hierna: [naam bedrijf 4] ) van 6 april 2017 is aangetroffen in de onder de verdachte in beslag genomen administratie en ziet op uit te voeren werkzaamheden aan een zoutopslagloods in Rotterdam. De door [naam bedrijf 4] uit te voeren werkzaamheden werden beschreven als “het leveren en aanbrengen van een laag kunststof (…) conform bestaande aangevuld met extra anti slip conform goedgekeurde proefvlak ca 360m2”.
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de offerte is vervalst door deze tweemaal te verhogen, eerst door hierin een hogere prijs per m2 te vermelden en daarna een groter oppervlakte dan in de oorspronkelijke factuur. Dit gebeurde nadat contact had plaatsgevonden tussen [naam medeverdachte 2] en de verdachte over het ophogen van de offerte. Een kostenraming van hoofdaannemer [naam bedrijf 2] vermeldt vervolgens de gegevens van de laatste verhoogde factuur en is daarmee ook vals.
Namens de verdachte is aangevoerd dat zowel de verhoging in de prijs per m2 als het oppervlakte zijn te verklaren. In de oorspronkelijke offerte waren alleen werkzaamheden meegenomen die de coating betrof, conform de offerte van [naam bedrijf 4] . Echter, de werkzaamheden waren inclusief schoonmaken, zoals ze ook zijn uitgevoerd. De wijziging van de oppervlakte is doorgevoerd, omdat de verdachte via [naam bedrijf 2] wist dat de oppervlakte niet circa 360m2 bedroeg maar circa 540m2. [naam bedrijf 2] had immers al eerder werkzaamheden uitgevoerd aan de Zoutloods, terwijl de offerte van [naam bedrijf 4] was opgesteld naar aanleiding van een globale visuele inspectie van de Zoutloods en niet op basis van inmeting. De werkzaamheden zijn vervolgens op basis van deze laatste gegevens uitgevoerd en betaald.
Het hof is van oordeel dat de verklaring van de verdachte niet wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en niet onaannemelijk is. De verdachte is over de gang van zaken omtrent deze facturen steeds consistent geweest in zijn verklaring en [naam medeverdachte 2] heeft in dezelfde lijn verklaard als getuige bij de raadsheer-commissaris. Dat het initiatief over het ophogen van de factuur uitging van [naam medeverdachte 2] , en dat hij met de verdachte contact had over de aan te brengen wijzigen in de factuur zijn geen omstandigheden die dat anders maken: hij was immers bekend met de informatie die aan de wijzigingen ten grondslag lag. Bovendien kan het goed zijn, dat de eigenaar van [naam bedrijf 4] in het buitenland was, zoals [naam medeverdachte 2] heeft verklaard, zodat hij niet geadresseerd kon worden. Onder deze omstandigheden is er geen sprake van het valselijk opmaken of vervalsen van de offerte van [naam bedrijf 4] , en evenmin van het gebruik maken van een valse offerte. Hetzelfde geldt voor de kostenraming van [naam bedrijf 2]
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging feit 2

Onder feit 2 wordt [verdachte rechtspersoon] verweten dat zij [naam medeverdachte 2] heeft omgekocht door hem – via fietsenzaak [naam fietsenwinkel] , juwelier [naam juwelier] en via facturen van [naam bedrijf 5] , de eenmanszaak van [naam medeverdachte 2] – giften, in de vorm van fietsen, horloges en grote geldbedragen, te hebben gegeven.
Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging het volgende aangevoerd.
[naam medeverdachte 3] had geen invloed op de aanbesteding of de facturering aan de gemeente. Het stond de aannemers vrij om met welke onderaannemer dan ook in zee te gaan.
[naam medeverdachte 2] was voor [naam medeverdachte 3] de enige verbinding met de gemeente, maar die verbinding liep steeds via de aannemers [naam bedrijf 2] of [naam medeverdachte 1] . [naam medeverdachte 3] werkte tegen lage stuksprijzen en stond dag en nacht klaar voor de gemeente. Daarom was het voor [naam medeverdachte 3] aantrekkelijk dat hij slechts de (omvang van zijn) werkzaamheden aan [naam medeverdachte 2] behoefde aan te leveren. Vervolgens ontzorgde [naam medeverdachte 2] hem voor het gehele traject dat uiteindelijk tot uitbetaling van de facturen van [naam medeverdachte 3] leidde. De werkzaamheden van [naam medeverdachte 2] leverden [naam medeverdachte 3] en [verdachte rechtspersoon] veel geld op. Tegenover de betalingen van [naam medeverdachte 3] stonden dus reële werkzaamheden van [naam medeverdachte 2] voor [naam medeverdachte 3] . Van “giften” was dus geen sprake.
Het hof overweegt als volgt.
[naam medeverdachte 3] voerde zijn werkzaamheden als onderaannemer van [naam medeverdachte 1] of [naam bedrijf 2] tot 2015 uit als eenmanszaak en vanaf 2015 als besloten vennootschap. Uit het dossier volgt dat alleen directeur en enig aandeelhouder [naam medeverdachte 3] de contacten met [naam medeverdachte 2] , [naam bedrijf 5] , [naam medeverdachte 1] en [naam bedrijf 3] heeft onderhouden en handelingen heeft verricht. Die contacten en handelingen kunnen redelijkerwijs aan de vennootschap worden toegerekend nu [naam medeverdachte 3] werknemer-directeur van [verdachte rechtspersoon] was en de contacten en handelingen in de sfeer van [verdachte rechtspersoon] plaatsvonden en [verdachte rechtspersoon] ten dienste waren.
[naam medeverdachte 2] heeft in 2014 en 2015 periodiek vanaf zijn privé e-mailadres e-mails naar [naam medeverdachte 1] gestuurd met daarbij gevoegd pv's, waaronder pv's van de werkzaamheden die [naam medeverdachte 3] (Infra) als onderaannemer voor [naam bedrijf 3] had uitgevoerd. In deze e-mails werd steeds het totaalbedrag van de desbetreffende pv's opgenomen en aangekondigd dat [naam medeverdachte 1] ( [naam bedrijf 3] ) van [naam medeverdachte 3] ( [verdachte rechtspersoon] ) een factuur zou krijgen ter hoogte van een deel van dat bedrag. Daarnaast werd in deze e-mails aangegeven dat het resterende deel van dit bedrag "meer", "extra" of "teveel geschreven" was. Bij deze e-mails waren Excelbestanden gevoegd waarin deze "meer"-bedragen werden opgeteld en vervolgens door drie werden gedeeld.
[naam medeverdachte 3] was ervan op de hoogte dat [naam medeverdachte 2] de pv’s manipuleerde en dat het tot zijn taak behoorde dat [naam medeverdachte 2] diezelfde pv’s voor de gemeente moest goedkeuren.
[verdachte rechtspersoon] heeft in de periode van 1 april 2012 tot en met 23 mei 2018 facturen van [naam fietsenwinkel] betaald. Op deze facturen stond in vrijwel alle gevallen de omschrijving "fietstrommels". Vast staat dat met deze facturen geen fietstrommels zijn aangeschaft, maar dat daarmee betaald werd voor fietsen en accessoires die [naam medeverdachte 2] in de winkel ophaalde. De totale waarde van deze goederen bedroeg € 100.231,80.
[verdachte rechtspersoon] heeft in deze periode voor [naam medeverdachte 2] in totaal 9 horloges betaald die waren gekocht bij juwelier [naam juwelier] , met een totale waarde van € 35.985,-.
Tot slot heeft [verdachte rechtspersoon] in deze periode 103 facturen betaald van [naam bedrijf 5] (hierna: [naam bedrijf 5] ), de eenmanszaak van [naam medeverdachte 2] , met een totale waarde van € 184.170,49. Op deze facturen stond geen inhoudelijke beschrijving, maar werd verwezen naar een offerte. Op deze offertes stond hoofdzakelijk als omschrijving vermeld "het maken van calculaties, werkvoorbereiding en begeleiding projecten". De facturen noch de offertes bevatten een nadere specificatie van de werkzaamheden en het aantal te werken of gewerkte uren en ook werd het uurloon niet vermeld.
De totale waarde van de facturen van [naam fietsenwinkel] , de horloges van juwelier [naam juwelier] en de facturen van [naam bedrijf 5] bedraagt € 320.387,29. [naam medeverdachte 3] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 2] van begin af aan de pv’s opmaakte. Voorts heeft hij verklaard dat hij [naam medeverdachte 2] aanvankelijk betaalde in natura, maar dat zijn boekhouder hem zei dat dit niet kon. Vervolgens ontving [naam medeverdachte 3] facturen van [naam bedrijf 5] , die [naam medeverdachte 3] betaalde als vergoeding voor de door [naam medeverdachte 2] verrichte werkzaamheden.
Dat [naam medeverdachte 2] voor [naam medeverdachte 3] werkzaamheden zou verrichten waarvoor hij als gewone werknemer betaald zou krijgen is niet vastgelegd. Evenmin is het door [naam medeverdachte 2] gehanteerde uurtarief of een loonvergoeding vastgelegd. Ook is niet vastgelegd dat [naam medeverdachte 2] in natura betaald zou krijgen. Die betalingen in natura werden niet rechtstreeks met [naam medeverdachte 2] afgerekend, maar via facturen van [naam fietsenwinkel] en juwelier [naam juwelier] . Op de facturen die [naam medeverdachte 3] later van [naam bedrijf 5] kreeg stond niet een concrete, gedetailleerde omschrijving van de aard en omvang van de werkzaamheden.
[naam medeverdachte 3] was ervan op de hoogte dat [naam medeverdachte 2] als ambtenaar werkzaam was op de afdeling die de juistheid van de pv’s van [naam medeverdachte 1] en [naam bedrijf 2] , en daarmee de juistheid van zijn eigen pv’s, moest controleren. Hij wist ook dat [naam medeverdachte 2] daarmee als het ware zijn “eigen” pv’s controleerde omdat [naam medeverdachte 2] alle pv’s voor [naam medeverdachte 3] opstelde. Gelet op de omvangrijke vergoedingen die [naam medeverdachte 2] , onder andere van [naam medeverdachte 3] , ontving wist hij tevens dat [naam medeverdachte 2] er een belang bij had dat [naam medeverdachte 3] door [naam medeverdachte 1] en [naam bedrijf 2] werd gekozen als onderaannemer van diverse projecten van de gemeente Rotterdam en dat de betalingen aan [naam medeverdachte 2] meebrachten dat [naam medeverdachte 3] in een voorkeurspositie verkeerde ten opzichte van andere potentiële onderaannemers.
In conversaties tussen [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] wordt onder andere gesproken over het zoeken naar ‘slachtoffers’, dat wil zeggen partijen die als ‘tussenstation’ voor de betalingen aan [naam medeverdachte 2] zouden kunnen fungeren.
Gelet op alle hierboven genoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat de betalingen van [naam medeverdachte 3] en/of [verdachte rechtspersoon] aan [naam medeverdachte 2] giften zijn als bedoeld in de omkoopbepalingen, welke giften het oogmerk hadden [naam medeverdachte 2] [naam medeverdachte 3] als onderaannemer van [naam medeverdachte 1] en [naam bedrijf 2] te handhaven dan wel in te schakelen en de opgehoogde pv’s formeel te accorderen zodat de gemeente aan de aannemers hogere bedragen betaalden dan waar zij recht op hadden. Een deel van die hogere bedragen kwam dan weer bij [naam medeverdachte 3] terecht.
Nu [naam medeverdachte 3] zelf de (natuurlijke) persoon is geweest die de tenlastegelegde omkoophandelingen heeft uitgevoerd en deze handelingen, zoals hierboven overwogen, aan [verdachte rechtspersoon] redelijkerwijs zijn toe te rekenen, acht het hof feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Ook het opzet tot die handelingen, die bij [naam medeverdachte 3] bestond, is aan de vennootschap toe te rekenen nu de gedragingen van [naam medeverdachte 3] moeilijk zonder opzet hebben kunnen plaatsvinden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
zij
op één of meer tijdstip(pen) gelegenin
of omstreeksde periode van 2 januari 2015 tot en met 23 mei 2018
te Brakel en/of Rotterdam en/of (elders)in Nederland,
tezamen en in vereniging met
(een)ander
(en
),
althans alleen,meermalen,
althans eenmaal,
een ambtenaar, te weten [naam medeverdachte 2] , werkzaam in de functie van uitvoerder op de afdeling Onderhoud wegen van Gemeentewerken Rotterdam en/of uitvoerder, vakspecialist A op de afdeling Specialistische Teams van de Gemeente Rotterdam,
(telkens
) (een)gift
(en
) en/of (een) belofte(n) en/of (een) dienst(en), te weten
- een totaalbedrag van
(circa)53.699,04 euro
(fietsen en accessoires door tussenkomst van [naam fietsenwinkel]
[proces-verbaalnummer 1] dossierpag. 238), en
/of
-
een totaalbedrag van (circa) 2.440,11 euro (schoenen door tussenkomst van [naam winkel] [proces-verbaalnummer 2] dossierpag. 153), en/of
-
4, althans één of meerhorloges te
rwaarde van een totaalbedrag van
(circa)28.485euro
(horloges door tussenkomst van Juwelier [naam juwelier]
[proces-verbaalnummer 3] dossierpag. 344), en
/of
- een bedrag van
circa184.170,49 euro (facturen [naam bedrijf 5]
[proces-verbaalnummer 4] dossierpag. 245),

althans één of meer geldbedrag(en),

althans enige gift en/of belofte en/of dienst heeft gedaan en/of verleend en/of aangeboden,
1° (telkens) met het oogmerk om die ambtenaar te bewegen in zijn bediening iets te doen en/of na te laten, en/of
2° (telkens
)ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door die ambtenaar in zijn huidige
of vroegerebediening is gedaan of nagelaten,
te weten het
(telkens
)
- ophogen van bedragen in productieverantwoordingsstaten afkomstig van [naam bedrijf 3] en/of [naam bedrijf 2] , en
/of
-
(aldus
)opstellen van productieverantwoordingsstaten die een onjuiste weergave vormden van daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden, gemaakte uren en gebruikte
materialen/middelen, en
/of
- accorderen en ter verdere goedkeuring doorsturen van productieverantwoordingsstaten, en
/of
- (vervolgens) accorderen van de facturen van [naam bedrijf 3] en/of [naam bedrijf 2] zodat deze betaalbaar gesteld worden, en/of
- raadplegen van systemen, waaronder het ISO-register van de Gemeente Rotterdam met een ander doel dan waarvoor deze bestemd zijn, en/of
- (vervolgens) aan derde(n) inzicht geven in en informatie verstrekken over de werkwijze van de Gemeente Rotterdam met betrekking tot het verkrijgen van aannemingsopdrachten terwijl dat inzicht en die informatie daarvoor niet zijn bedoeld, te weten informatie over het aanbesteden van markeerwerkzaamheden aan [naam directeur bedrijf 2] en/of [naam bedrijf 2] en/of informatie met betrekking tot een inschrijving op het bestek 'Reconstructie Linker Rottekade te Rotterdam' aan haar, verdachte, en/of [naam medeverdachte 3] ;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van aan een ambtenaar een gift aanbieden ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door die ambtenaar in zijn huidige bediening, is gedaan en/of nagelaten, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte rechtspersoon heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan de omkoping van een ambtenaar van de gemeente Rotterdam. De verdachte heeft deze ambtenaar onder andere een aanzienlijke hoeveelheid (dure) fietsen en horloges geschonken met een totale waarde van ruim 82.000 euro, als tegenprestatie voor het ophogen en accorderen van productieverantwoordingsstaten. Na enkele jaren heeft de verdachte bij de ambtenaar
aangedrongen om een eenmanszaak op te richten, zodat de ambtenaar via die eenmanszaak
facturen kon versturen naar aannemers (vooral naar de verdachte) en betaling in natura niet
meer nodig was. Het totaalbedrag van deze betalingen is eveneens aanzienlijk, te weten een bedrag van ruim 184.000 euro.
Op basis van het dossier is een beeld ontstaan van intensief contact tussen de verdachte, in de persoon van haar directeur [naam medeverdachte 3] , en
de ambtenaar. In conversaties wordt onder andere gesproken over het zoeken naar slachtoffers. De verdachte heeft zich gedurende vele jaren schaamteloos verrijkt ten koste van de algemene middelen. Door haar medewerking heeft zij [naam medeverdachte 2] gelegenheid gegeven, en hem daarin gestimuleerd, om – naast zijn formele werkzaamheden voor de gemeente – grote bedragen te ontvangen en [naam medeverdachte 2] handelingen te laten verrichten of nalaten waardoor het controle systeem van de gemeente, wat van de robuustheid daarvan ook zij, volledig werd ondermijnd. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan. Dat [verdachte rechtspersoon] voor het verkrijgen van opdrachten afhankelijk was van [naam medeverdachte 2] maakt dit niet anders.
Justitiële Documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Redelijke termijn
Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in eerste aanleg is overschreden met 3 jaren. De redelijke termijn is op 23 mei 2018, zijnde de dag waarop er bij de verdachte doorzoekingen hebben plaatsgevonden, aangevangen. De rechtbank heeft vervolgens pas op 11 mei 2023 vonnis gewezen. Voorts is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim een jaar overschreden. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in die zin dat het hof in plaats van een in beginsel passende en geboden onvoorwaardelijke geldboete een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van na te melden bedrag zal opleggen.
Conclusie
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.
Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de financiële omstandigheden waarin de verdachte verkeert.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 23, 24 en 177 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro).
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door, mr. R. van der Hoeven als voorzitter, en mr. L.C. van Walree en mr. K. Versteeg, leden, in bijzijn van de griffier mr. S. Roos.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 juli 2026.
Bijlage I
Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
2.
zij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 2 januari 2015 tot en met 23 mei 2018 te Brakel en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
een ambtenaar, te weten [naam medeverdachte 2] , werkzaam in de functie van uitvoerder op de afdeling Onderhoud wegen van Gemeentewerken Rotterdam en/of uitvoerder, vakspecialist A op de afdeling Specialistische Teams van de Gemeente Rotterdam,
(telkens) (een) gift(en) en/of (een) belofte(n) en/of (een) dienst(en), te weten
- een totaalbedrag van (circa) 53.699,04 euro (fietsen en accessoires door tussenkomst van [naam fietsenwinkel] [proces-verbaalnummer 1] dossierpag. 238), en/of
- een totaalbedrag van (circa) 2.440,11 euro (schoenen door tussenkomst van [naam winkel] [proces-verbaalnummer 2] dossierpag. 153), en/of
- 4, althans één of meer horloges te waarde van een totaalbedrag van (circa) 81.583,50 euro (horloges door tussenkomst van Juwelier [naam juwelier] [proces-verbaalnummer 3] dossierpag. 344), en/of
- een bedrag van circa 184.170,49 euro (facturen [naam bedrijf 5] [proces-verbaalnummer 4] dossierpag. 245),
althans één of meer geldbedrag(en),
althans enige gift en/of belofte en/of dienst heeft gedaan en/of verleend en/of aangeboden,
1° (telkens) met het oogmerk om die ambtenaar te bewegen in zijn bediening iets te doen en/of na te laten, en/of
2° (telkens) ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door die ambtenaar in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten,
te weten het (telkens)
- ophogen van bedragen in productieverantwoordingsstaten afkomstig van [naam bedrijf 3] en/of [naam bedrijf 2] , en/of
- ( aldus) opstellen van productieverantwoordingsstaten die een onjuiste weergave vormden van daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden, gemaakte uren en gebruikte materialen/middelen, en/of
- accorderen en ter verdere goedkeuring doorsturen van productieverantwoordingsstaten, en/of
- ( vervolgens) accorderen van de facturen van [naam bedrijf 3] en/of [naam bedrijf 2] zodat deze betaalbaar gesteld worden, en/of
- raadplegen van systemen, waaronder het ISO-register van de Gemeente Rotterdam met een ander doel dan waarvoor deze bestemd zijn, en/of
- ( vervolgens) aan derde(n) inzicht geven in en informatie verstrekken over de werkwijze van de Gemeente Rotterdam met betrekking tot het verkrijgen van aannemingsopdrachten terwijl dat inzicht en die informatie daarvoor niet zijn bedoeld, te weten informatie over het aanbesteden van markeerwerkzaamheden aan [naam directeur bedrijf 2] en/of [naam bedrijf 2] en/of informatie met betrekking tot een inschrijving op het bestek 'Reconstructie Linker Rottekade te Rotterdam' aan haar, verdachte, en/of [naam medeverdachte 3] ;
4.
zij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 6 april 2017 tot en met 11 april 2017 te Hardinxveld-Giessendam en/of Brakel en/of (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
- een offerte ten name van [naam bedrijf 4] B.V. gericht aan [naam bedrijf 1] gedateerd 6 april 2017 ( [proces-verbaalnummer 5] , dossierpag. 1891), en/of
- een kostenberaming ten name van [naam bedrijf 2] gedateerd 8 april 2017 ( [proces-verbaalnummer 6] , dossierpag. 1828 en/of [proces-verbaalnummer 7] , dossierpag. 1831),
- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, en/of doen opmaken en/of doen vervalsen,
immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) toen en daar valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op die offerte en/of kostenberaming een hogere dan de werkelijke verrekenprijs meer/minder per m2 vermeld en/of doen vermelden ( [proces-verbaalnummer 8] dossierpag. 388),
zulks (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken,
en/of
(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van hiervoor genoemd(e) geschrift(en) als ware(n) het/zij echt en onvervalst door dit/deze valse geschrift(en) op te sturen en/of doen opsturen naar J. Klatten van de Gemeente Rotterdam.