Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 15 december 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van 12 april 2023 en 20 september 2023 van de rechtbank Den Haag;
- de memorie van grieven van [appellante] , met bijlage;
- de memorie van antwoord van de Staat;
- het stuk dat [appellante] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd, te weten de “memorie van grieven en mensenrechtelijke onderbouwing” van 22 december 2025, met bijlagen, waaronder een “juridisch memorandum over de schendingen van het familierecht in de zaak [appellante] ”.
3.Feitelijke achtergrond
De adoptie van [appellante]
4.Procedure bij de rechtbank
- De Staat heeft de door een louche Haïtiaans adoptiebureau verstrekte, onjuiste gegevens ten onrechte zonder controle overgenomen zonder de fouten te herstellen. [appellante] was geen zes jaar, maar negen jaar toen zij naar Nederland kwam. [achternicht] was niet haar zusje maar haar achternichtje. De Staat had moeten weten dat deze gegevens niet juist waren. Ook had de Staat moeten weten dat [naam 2] , degene die toestemming zou hebben gegeven voor de adoptie, niet haar biologische moeder was. In elk geval was nader onderzoek op dat punt geïndiceerd.
- [appellante] is in het adoptiegezin psychisch en fysiek mishandeld en seksueel misbruikt. De Staat had dit gezin beter moeten screenen en de Raad heeft het adoptiegezin ook niet of onvoldoende begeleid toen [appellante] daar verbleef. Ook heeft de Raad niets gedaan om het misbruik te laten stoppen; zelfs niet nadat [appellante] zelf het initiatief had genomen om de adoptie te laten vernietigen.
- Ook tijdens haar verblijf in het internaat van de J.P. Heije Stichting heeft [appellante] verbaal en fysiek geweld ondervonden.
5.Vorderingen in hoger beroep
“het afwijzen van de vordering in het geheel, en afgezien van de onrechtmatige rechtspraak”. De Staat heeft in diverse hoedanigheden en instanties onrechtmatig gehandeld, waarbij het zwaartepunt ligt bij de Raad. [appellante] heeft verschillende keren aangegeven dat zij in het adoptiegezin werd mishandeld en zelfs verkracht. De Raad heeft niets gedaan om haar te helpen, en heeft haar zelfs tegengewerkt.
“De ouders [pleegouders] denken dat dit[de op de geboorteakte vermelde [naam 2] ]
niet de natuurlijke moeder is, maar een mevrouw die zich daarvoor uitgaf. Een ander adoptiefkind blijkt dezelfde naam op de geboorte-akte te hebben staan en het is onwaarschijnlijk dat beide meisjes dezelfde moeder hebben.”Ook van belang is een specifieke passage uit het adviesrapport van de Raad Zutphen van augustus 1986 (zie hierboven onder 3.8.), die luidt:
"Bij ziekenhuisopname van pleegmoeder raakte vooral [appellante] erg nerveus omdat [appellante] wist dat haar natuurlijke moeder in een ziekenhuis was overleden. Na de terugkeer van pleegmoeder was alles weer goed". Het is zeer onwaarschijnlijk dat [appellante] de dood van [naam 2] , bij wie zij niet eens verbleef en die zij niet kende, als traumatisch zou hebben ervaren. Het is dus uitgesloten dat dit overlijden heeft plaatsgevonden in de periode dat [appellante] in een kindertehuis wachtte op vertrek naar Nederland, zoals de rechtbank als optie heeft aangenomen. Het ging ook niet om het overlijden van haar biologische moeder – die heeft zij niet echt gekend – maar om de vrouw die als haar moeder fungeerde. De conclusie is dat aan de criteria voor onrechtmatige rechtspraak is voldaan.
6.Beoordeling in hoger beroep
Inleiding – juridisch kader in 1984-1986
voorafgaand aande adoptie was in de voor deze zaak relevante periode dus nog beperkt tot twee aspecten namelijk:
totstandkoming vande Nederlandse adoptie:
voor hengeldende voorwaarden voor adoptie bepaalde, en dat het nationale recht van het te adopteren kind (in dit geval dus het Haïtiaanse recht) de
voor het kindgeldende voorwaarden bepaalde. De vraag of de adoptie in het belang was van het kind en of de (biologische) ouders op de vereiste wijze afstand hadden gedaan en zich niet tegen de adoptie verzetten, moest dus worden beoordeeld naar het nationale recht van en door de bevoegde instanties van het land van herkomst van het te adopteren kind. [7] Uit het in het geding gebrachte Nederlandse adoptievonnis ten aanzien van [appellante] blijkt dat de adoptierechter in haar geval hiervan ook is uitgegaan; dat vonnis verwijst immers naar het Haïtiaanse adoptievonnis uit 1984.
- uit de stukken blijkt van een voldoende uitgebreid en voldoende indringend onderzoek door de Raad naar het adoptiegezin en er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat de Raad in de periode tot medio 1986 op de hoogte was of had moeten zijn van zodanige signalen van geweld in het adoptiegezin dat nader onderzoek of negatieve advisering geboden was;
- uit de stellingen volgt dat de Raad pas in 1993, dus ongeveer drie jaar nadat [appellante] het adoptiegezin had verlaten, op de hoogte raakte van de beschuldigingen van mishandeling en misbruik en dat de Raad toen onderzoek heeft gedaan en heeft geadviseerd dat vanwege de problematische relatie tussen [appellante] en haar adoptief ouders ontheffing van de ouderlijke macht aangewezen was; die ontheffing heeft hierna ook plaatsgevonden;
- niet kan worden aangenomen dat de Staat bij de screening een wettelijke plicht of maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden of jegens [appellante] heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3 en 8 EVRM;
- voor zover moet worden aangenomen dat het door [appellante] gestelde (seksuele) geweld binnen het adoptiegezin daadwerkelijk heeft plaatsgevonden (dit is niet door een rechter vastgesteld), geldt dat vanwege het ontbreken van een wettelijke (controlerende) taak en van bevoegdheid van de Raad, de rechtbank ook niet kan concluderen dat de Staat een
- voor zover in het internaat al sprake was van verbaal en fysiek geweld kan niet worden vastgesteld dat de Raad op de hoogte was of had moeten zijn van zodanig geweld dat (drastische) maatregelen geboden waren; de wel bekende signalen waren niet van dien aard dat interventie of nader onderzoek geboden was.
.
7.Beslissing
- bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 12 april 2023 en van 20 september 2023;
- veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 3.567,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.
- verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.