ECLI:NL:GHDHA:2026:2310

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
22-002583-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 14e SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep poging woningoverval met oplegging deels voorwaardelijke gevangenisstraf

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en de verdachte veroordeeld voor poging tot afpersing, gepleegd op 12 december 2024 te 's-Gravenhage. De verdachte toonde een groot mes aan het slachtoffer en eiste geld en goederen, maar het misdrijf werd niet voltooid doordat het slachtoffer hem wist te overmeesteren.

Het hof baseerde zijn oordeel op de feiten, omstandigheden en bewijsmiddelen, en achtte de verdachte strafbaar. Het strafmotief betrof de ernst van het feit, het gebruik van een steekwapen, de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en het risico op recidive, mede gelet op eerdere veroordelingen en het reclasseringsadvies.

De verdachte heeft in hoger beroep het feit bekend en toont volgens het reclasseringsverslag een positieve gedragsverandering. Het hof legde een gevangenisstraf van 600 dagen op, waarvan 234 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en stelde bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, contactverbod, dagbesteding, schuldaflossing en ambulante begeleiding. De dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden werd bevolen vanwege het hoge recidiverisico.

De voorlopige hechtenis werd opgeheven en de tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht. Het vonnis is uitgesproken op 15 juli 2026 door het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 600 dagen gevangenisstraf, waarvan 234 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en dadelijke uitvoerbaarheid.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002583-25
Parketnummer: 09-009712-25
Datum uitspraak: 15 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 augustus 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 12 december 2024 te ‘s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte toebehoorde(n) met een (groot) mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, naar een woning gelegen aan de [adres] is gegaan en/of (vervolgens) dat mes, althans dat voorwerp, aan die [slachtoffer] heeft getoond en/of (daarbij) heeft geroepen: “Waar is het geld, waar zijn je spullen”, althans woorden van gelijke aard en strekking, en/of (vervolgens) dat mes, althans dat voorwerp, tegen de keel van die [slachtoffer] heeft gezet, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 233 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een contactverbod, een locatiegebod (te controleren met GPS), dagbesteding, het aflossen van schulden en een ambulante begeleiding, een en ander op de wijze zoals omschreven in het reclasseringsadvies van 13 april 2026.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt. Ook komt het hof tot een andere bewijsvoering, gelet op de gewijzigde proceshouding van de verdachte in hoger beroep, en tot een andere strafoplegging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks12 december 2024 te ‘s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich
of een anderwederrechtelijk te bevoordelen door
geweld en/ofbedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld en
/ofgoederen
, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan die [slachtoffer]
, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachtetoebehoorde
(n
)met een (groot) mes
, althans een scherp en/of puntig voorwerp,naar een woning gelegen aan de [adres] is gegaan en
/of (vervolgens
)dat mes
, althans dat voorwerp,aan die [slachtoffer] heeft getoond en
/of (daarbij
)heeft geroepen: “Waar is het geld, waar zijn je spullen”,
althans woorden van gelijke aard en strekking, en/of (vervolgens) dat mes, althans dat voorwerp, tegen de keel van die [slachtoffer] heeft gezet,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot afpersing.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft geprobeerd een woningoverval te plegen. Nadat hij via de dating-app [naam dating-app] een afspraak met het slachtoffer had gemaakt, is de verdachte naar de woning gegaan waar het slachtoffer op dat moment verbleef. Eenmaal in de woning heeft de verdachte het slachtoffer een (groot) mes getoond en hem daarbij de woorden gezegd: “Waar is het geld, waar zijn je spullen” met de bedoeling het slachtoffer te dwingen geld en andere (waardevolle) spullen aan hem te geven. Dat het bij een poging is gebleven, is te danken aan het adequate optreden van het slachtoffer zelf. Hij is erin geslaagd de verdachte te overmeesteren en hem met het mes de woning uit te zetten. De (hoofd)bewoonster van de bewuste woning is daarvan getuige geweest.
De verdachte heeft getoond geen respect te hebben voor het eigendom van een ander.
Door zo te handelen, heeft de verdachte bovendien op zeer intimiderende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, te meer omdat een woning bij uitstek een plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van geweldsdelicten daarvan nog langere tijd de nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Daarnaast dragen dergelijke misdrijven bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van (gekwalificeerde) vermogensdelicten en het in het bezit hebben van een steekwapen.
Verder heeft het hof bij de beraadslaging acht geslagen op een de verdachte betreffend reclasseringsadvies van 19 juni 2025. Hieruit blijkt (onder meer) dat de verdachte een uitgebreid jeugdhulpverleningstraject heeft gehad. Hij is een periode onder toezicht gesteld en heeft in een instelling voor gesloten jeugdhulp gezeten. Ook heeft hij in een strafrechtelijk kader begeleiding ontvangen vanuit Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond en de William Schrikker Stichting. De verdachte heeft die trajecten naar eigen zeggen niet positief afgerond. Hij ontvangt hulp via Stroomopwaarts, die hem ook heeft geholpen bij het treffen van een betalingsregeling voor zijn schulden. Er is bij de verdachte geen sprake van problematisch middelengebruik.
Ook heeft het hof kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 13 april 2026 dat is opgemaakt ten behoeve van de raadkamer voorlopige hechtenis. Hieruit blijkt dat het sociaal netwerk van de verdachte en zijn financiële situatie delictgerelateerde factoren zijn. Zijn houding is mogelijk een delictgerelateerde factor. De verdachte is door bekenden uit zijn verleden gevraagd om tot het plegen van het delict over te gaan. Het ontbrak de verdachte aan dagbesteding en hij ontving een bijstandsuitkering. De verdachte heeft inmiddels realistische toekomstdoelen gesteld. Naar eigen zeggen heeft hij het contact met zijn negatieve sociaal netwerk verbroken. De verdachte toont zich gemotiveerd om gedragsverandering te bewerkstelligen. Het risico op recidive wordt ingeschat op gemiddeld tot hoog. Gelet op het voorgaande is geadviseerd de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen onder de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, contactverbod, locatiegebod (met elektronisch toezicht), dagbesteding (te controleren met GPS), het aflossen van schulden en ambulante begeleiding.
Met ingang van 28 april 2026 is de voorlopige hechtenis van de verdachte onder bovengenoemde voorwaarden geschorst.
Op 26 juni 2026 heeft het hof een e-mailbericht van de reclassering ontvangen, inhoudende een voortgangsverslag over het reclasseringstoezicht. Hieruit blijkt (onder meer) dat de verdachte op 29 april 2026 is aangesloten op elektronische monitoring. Op die datum is ook het reclasseringstoezicht gestart. Sindsdien meldt de verdachte zich iedere twee weken op het kantoor van Reclassering Nederland. Hij is een keer zonder bericht niet verschenen en heeft zich een keer ziek gemeld. Tijdens de gesprekken toont de verdachte een open en meewerkende houding. De verdachte is aangemeld voor ambulante begeleiding door een coach van E25. Op 8 juli 2026 zal het intakegesprek plaatsvinden. De verdachte heeft contact met Stroomopwaarts van de gemeente Schiedam. Stroomopwaarts helpt de verdachte bij het vinden van werk. Hij is naar eigen zeggen op 1 juli 2026 schuldenvrij. De verdachte woont samen met zijn moeder. Het gaat volgens hem goed thuis. Op 17 juni 2026 heeft de reclassering contact met de politie gezocht. Volgens de politie zijn er geen recente meldingen en/of bijzonderheden.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2026 verklaard dat hij in het kader van elektronisch toezicht veel thuis is en maar een paar uur per dag naar buiten mag. Hij is verplicht tien keer per week te solliciteren. Zijn coach van E25 zal hem helpen om op het rechte pad te blijven. De verdachte heeft zich op verschillende scholen ingeschreven zodat hij een opleiding tot logistiek medewerker op mbo-niveau 2 kan gaan volgen.
Het voorgaande brengt het hof tot de volgende conclusies met betrekking tot de strafoplegging.
Gezien de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstaf.
Het hof ziet in de omstandigheid dat de verdachte enige verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden door in hoger beroep het feit te bekennen, alsmede in de inhoud van het meest recente voortgangsverslag van de reclassering waaruit blijkt dat de verdachte probeert zijn leven een wending ten goede te geven, aanleiding een aanzienlijk deel van die straf voorwaardelijk op te leggen. Daarmee beoogt het hof te voorkomen dat de verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten. Het hof zal daarbij na te melden bijzondere voorwaarden stellen, die grotendeels overeenkomen met de aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden. Een locatiegebod en elektronisch toezicht acht het hof niet langer aangewezen.
Het hof zal op de voet van het bepaalde in artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht de dadelijke uitvoerbaarheid van die bijzondere voorwaarden bevelen, nu er naar het oordeel van het hof ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. In dit verband overweegt het hof dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het in het bezit hebben van een steekwapen, het onderhavige feit eveneens met behulp van een steekwapen is begaan en uit het reclasseringsadvies van 13 april 2026 blijkt dat het risico op recidive wordt ingeschat op gemiddeld tot hoog.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, waarvan het onvoorwaardelijke deel in duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
600 (zeshonderd) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
234 (tweehonderdvierendertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen vijf dagen na de uitspraak in hoger beroep bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2 te Rotterdam;
- de verdachte zich gedurende het reclasseringstoezicht zal inspannen voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van (on)betaald werk, opleiding en- of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur;
- de verdachte zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte zal de reclassering daarbij inzicht in zijn financiën en schulden geven;
- de verdachte zich zal laten begeleiden door een coach van E25 of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 juli 2026.