ECLI:NL:GHDHA:2026:2312

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
22-000589-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 63 SrArt. 5 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens ernstige verkeersovertredingen met zwaar lichamelijk letsel en frontale botsing

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor twee ernstige verkeersovertredingen: het veroorzaken van een ongeval met zwaar lichamelijk letsel door te hard rijden en het niet verlenen van voorrang aan een voetganger op een oversteekplaats, en het overschrijden van een doorgetrokken dubbele streep met een motorfiets, resulterend in een frontale botsing.

In hoger beroep werd het vonnis bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging. De verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard voor het hoger beroep tegen een vrijspraak in eerste aanleg. Het hof verwierp het verweer dat het slachtoffer niet op de oversteekplaats liep, gesteund door getuigenverklaringen en verkeersongevallenonderzoek.

Het hof oordeelde dat de verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar bracht, met ingrijpende gevolgen voor de slachtoffers en de samenleving. Gezien het strafblad en het beperkte inzicht van de verdachte in zijn aandeel, werd een taakstraf van 140 uren en een rijontzegging van 9 maanden opgelegd, waarbij de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep werd verdisconteerd.

De overige onderdelen van het vonnis werden bevestigd. De straf is een passende reactie op de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 140 uren taakstraf en 9 maanden rijontzegging wegens twee ernstige verkeersovertredingen met zwaar lichamelijk letsel en frontale botsing.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000589-24
Parketnummer: 10-702038-18
Datum uitspraak: 24 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het 1 primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 dagen, subsidiair 90 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden ten aanzien van feit 1 primair en een ontzegging voor de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden ten aanzien van feit 2, met vermindering van de duur dat het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 ten laste is gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 27 oktober 2017 te Barendrecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid, te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Buitenlandse Baan, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
- met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid heeft gereden en/of
- voetganger [slachtoffer 1] , die op of ter hoogte van een voetgangersoversteekplaats overstak, niet heeft laten voorgaan en/of
- op de voetgangersoversteekplaats tegen die [slachtoffer 1] is aangereden en/of aangebotst, waardoor die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 oktober 2017 te Barendrecht als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Buitenlandse Baan,
- met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid heeft gereden en/of
- voetganger [slachtoffer 1] , die op of ter hoogte van een voetgangersoversteekplaats overstak, niet heeft laten voorgaan en/of
- op de voetgangersoversteekplaats tegen die [slachtoffer 1] is aangereden en/of aangebotst, , door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.
hij op of omstreeks 03 november 2017 te Oud-Beijerland als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets) op de weg, de Beneden Oostdijk, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar
- over een dubbel doorgetrokken streep heeft ingehaald en/of
- zodanig op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer heeft gereden, dat een tegemoetkomende personenauto (met daarin [slachtoffer 2] ) voor hem, verdachte, moest uitwijken naar de berm en/of
- tegen die tegemoetkomende personenauto is gereden.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de straffen en dat de verdachte ter zake van feit 1 primair zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden en ter zake van feit 2 tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden.

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de oplegging van de straffen en de motivering daarvan.
In dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden aanvulling aanbrengt ten aanzien van feit 1 primair.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij, overeenkomstig het in eerste aanleg gevoerde verweer, aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Volgens de raadsvrouw is daarbij van belang dat het slachtoffer niet over de voetgangersoversteekplaats liep, maar schuin overstak in de richting van de bushalte. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij gewezen op de verklaring die de getuige [getuige] op 4 oktober 2023 tegenover de raadsheer-commissaris heeft afgelegd. Deze getuige heeft verklaard dat hij het slachtoffer zag voordat deze overstak en dat het erop leek dat het slachtoffer al voor het zebrapad wilde beginnen met oversteken.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de betreffende getuige kort na het ongeval, namelijk op 17 november 2017, tegenover de politie gedetailleerd heeft verklaard over de plaats waar hij het slachtoffer vlak vóór de aanrijding heeft waargenomen. De getuige heeft toen verklaard dat hij zag dat het slachtoffer zich op de voetgangersoversteekplaats bevond, nog aan het begin daarvan. Deze verklaring vindt steun in de resultaten van het verkeersongevallenonderzoek. Uit de analyse van de bandensporen volgt immers dat de aanrijding tussen de auto van de verdachte en het slachtoffer heeft plaatsgevonden op de voetgangersoversteekplaats.
Voor zover de getuige ongeveer zes jaar later tegenover de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat het erop leek dat het slachtoffer reeds vóór het zebrapad wilde beginnen met oversteken, acht het hof die verklaring onvoldoende om af te doen aan zijn eerdere, kort na het ongeval afgelegde verklaring, die bovendien steun vindt in de objectieve bevindingen van het verkeersongevallenonderzoek.
Het hof gaat dan ook uit van de juistheid van de eerdere verklaring van de getuige [getuige] en stelt vast dat het slachtoffer zich ten tijde van de aanrijding op de voetgangersoversteekplaats bevond.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling van gronden te worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan twee ernstige verkeersdelicten. Op 27 oktober 2017 heeft hij als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval veroorzaakt door met een te hoge snelheid te rijden en geen voorrang te verlenen aan het slachtoffer dat zich toen als voetganger op de voetgangersoversteekplaats bevond. Als gevolg daarvan heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Slechts een week later, op 3 november 2017, heeft de verdachte opnieuw gevaarzettend verkeersgedrag vertoond. Hij heeft toen met zijn motorfiets een doorgetrokken dubbele streep overschreden, waarna hij frontaal in botsing is gekomen met een tegemoetkomende personenauto. Met zijn handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid tweemaal ernstig in gevaar gebracht. Verkeersdeelnemers moeten erop kunnen vertrouwen dat anderen zich aan de verkeersregels houden en zich verantwoordelijk gedragen in het verkeer. De verdachte heeft dit vertrouwen in ernstige mate beschaamd. De gevolgen van zijn handelen zijn ingrijpend geweest voor de slachtoffers. Daarnaast is aannemelijk dat het ongeval ook grote impact heeft gehad op degenen die daarvan ongewild getuige zijn geweest en brengt bovendien – naar ervaringsregels – in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder - en ook hierna - onherroepelijk is veroordeeld voor verkeersgerelateerde strafbare feiten.
Het hof acht het zorgelijk dat de verdachte, destijds nota bene nog maar een beginnend bestuurder, ook ter zitting in hoger beroep slechts in beperkte mate inzicht toont in zijn eigen aandeel in het ontstaan van deze ernstige verkeersongevallen, die ook nog zeer kort na elkaar hebben plaatsgevonden. Hij geeft aan dat hij een voorzichtige chauffeur is, maar blijft ook nu nog de oorzaak van de beide verkeersongevallen buiten zichzelf leggen, waarbij het hof stellig de indruk heeft dat hij meer begaan is met de gevolgen voor hemzelf, dan met de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Deze houding - in combinatie met het strafblad van de verdachte - geeft het hof weinig vertrouwen dat hij in de toekomst zijn rijgedrag zal aanpassen.
Gezien de aard en ernst van de feiten acht het hof de reeds door de rechtbank opgelegde taakstraf voor de duur van 180 uren en de ontzeggingen van de rijbevoegdheid, een passende en geboden reactie.
Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, in hoger beroep is overschreden.
De termijn in hoger beroep is immers aangevangen op 28 februari 2020, toen het hoger beroep namens de verdachte werd ingesteld. Omdat het hof uitspraak doet op 24 juni 2026 is de termijn in hoger beroep met meer dan 4 jaar overschreden.
Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat in die zin, dat het hof in plaats van de eerder genoemde in beginsel passende en geboden taakstraf een geheel onvoorwaardelijke taakstaf voor de duur van 140 uren zal opleggen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat de geheel onvoorwaardelijke taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
140 (honderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
70 (zeventig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van Pro die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. B. Stapert, als voorzitter, mr. O.E.M. Leinarts en
mr. R. Brand, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 juni 2026.
Mr. R. Brand is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.