ECLI:NL:GHDHA:2026:2339

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
200.353.462/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:111 BWArt. 6:112 BWArt. 6:123 BWArt. 6:124 BWArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap met waardering woning in Suriname in lokale munteenheid

Partijen waren van 1990 tot 2022 gehuwd en zijn in geschil over de verdeling van hun ontbonden huwelijksgemeenschap, met name over de waardering van een woning in Suriname en een kredietfaciliteit. De rechtbank had de woning in euro’s gewaardeerd en de vrouw veroordeeld tot betaling van de helft van de aflossing van de kredietfaciliteit aan de man.

In hoger beroep vordert de vrouw dat de woning in Surinaamse dollars wordt gewaardeerd en dat de betaling van de kredietfaciliteit in lokale munteenheid plaatsvindt, terwijl de man betaling in euro’s eist en medewerking aan aanpassing van registers in Suriname verlangt. Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is.

Het hof stelt vast dat de woning in Suriname moet worden gewaardeerd in de lokale munteenheid (SRD) en dat de omrekening naar euro’s pas na toedeling bij de notaris dient te geschieden, conform de koers van de dag van betaling. De vrouw moet de helft van de aflossing van de kredietfaciliteit in SRD voldoen, omgerekend naar euro’s bij betaling. Het conservatoir beslag van de man op het aandeel van de vrouw in de verkoopopbrengst van de woning was niet onrechtmatig, zodat het hof het beslag handhaaft en de veroordeling van de man tot betaling van rente over het beslag vernietigt.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het hof wijst de overige vorderingen af en verklaart het arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De woning in Suriname wordt gewaardeerd in SRD en pas na toedeling omgezet naar euro’s; de vrouw moet de helft van de kredietfaciliteit in SRD betalen; het conservatoir beslag wordt gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
Zaaknummer hof : 200.353.462/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/614909 / HA ZA 21-626
Arrest van 16 juni 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonend in [woonplaats] , Suriname,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A. Ramsaroep, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[de man],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.J.F. Gonesh, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna de vrouw en de man.

1.De zaak in het kort

1.1
In geschil is de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 3 maart 2025, waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 4 december 2024 (hierna: het bestreden vonnis), alsmede de eerdere tussenvonnissen van 26 juli 2023, 7 december 2022 en 10 augustus 2022;
  • de memorie van grieven van de vrouw, met bijlage;
  • de memorie van antwoord van de man tevens houdende incidenteel hoger beroep, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van de vrouw;
  • de vordering van de man in het incident ex artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) met bijlagen;
  • de antwoordconclusie van de vrouw in het incident tevens houdende incident tot schorsing van uitvoerbaarheid bij voorraad ex artikel 351 Rv Pro met bijlage;
  • de antwoordconclusie van de man in het incident.
2.2
Op 30 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij de hoofdzaak en de incidenten gezamenlijk zijn behandeld. Verschenen zijn: de advocaat van de vrouw en de man, bijgestaan door zijn advocaat. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Partijen zijn van [datum] 1990 tot [datum] 2022 gehuwd geweest. Op 12 april 2019 heeft de vrouw een verzoekschrift tot opheffing van de huwelijksgemeenschap ingediend. Bij de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2019 heeft de rechtbank de gemeenschap van goederen tussen partijen opgeheven en in de beschikking opgenomen de door partijen ter zitting getroffen regeling ter zake de verdeling, die – voor zover thans van belang – inhoudt:
“(…)
Het onroerend goed aan de [adres] te Suriname
2.2.22.
De vrouw wil de grond splitsen en ieder van partijen een perceel toedelen. De man wil de grond te verkopen. Tijdens de mondelinge behandeling is het idee ontstaan om het gehele perceel aan de vrouw toe te delen en dit (gedeeltelijk) weg te strepen tegen de toedeling van de woning aan de [adres] te [plaats] aan de man. Of dit financieel haalbaar is voor de vrouw moet blijken. Partijen maken hierover in onderling overleg afspraken. De waarde van het onroerend goed wordt bepaald op de volgende wijze.
Binnen twee weken na deze beschikking selecteert de man vijf erkende makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de vrouw. Na ontvangst daarvan kiest de vrouw binnen één week uit die selectie de verkopende makelaar.
(…)
De kredietfaciliteit in Suriname
2.2.27.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat hij de kredietfaciliteit volledig heeft afgelost. Niet duidelijk is of de aflossing voor of na de peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap, te weten 12 april 2019, heeft plaatsgevonden. Als de man aantoont dat is afgelost na deze peildatum, moet de vrouw de helft van het door de man na deze datum afgeloste bedrag aan hem vergoeden.”
Het onroerend goed aan de [adres] te [plaats] (Suriname) wordt hierna aangeduid als de woning in Suriname.
3.2
Op 22 juni 2021 heeft de man een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag onder een derde – de maatschap [de maatschap] (hierna: de maatschap) – bij de voorzieningenrechter in Den Haag ingediend, vanwege – kort gezegd – de vorderingen die hij nog heeft uit voormelde verdeling/ overbedeling van de vrouw op het bedrag van € 100.982,06 (het aandeel van de vrouw in de verkoopopbrengst van de woning aan het [adres] te [plaats] (hierna: de woning aan [adres] in [plaats] )). Op 22 juni 2021 heeft de voorzieningenrechter daarvoor verlof verleend en op 23 juni 2021 heeft de deurwaarder daarvoor beslag gelegd onder de notaris.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vastgesteld zoals in het bestreden vonnis is overwogen in 2.8 en 3.16 (de rechtbank heeft in rov. 3.16 overwogen – voor zover in dit hoger beroep van belang – dat de woning in Suriname wordt toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 342.864,-, onder de verplichting de helft van deze waarde te vergoeden aan de man (onderdeel 2) en dat de vrouw aan de man de helft van de aflossing van de kredietfaciliteit in Suriname, dus € 2.750, moet betalen (onderdeel 11)). Verder heeft de rechtbank verstaan dat partijen hun medewerking verlenen aan de levering van de in de verdeling betrokken goederen en bepaald dat partijen gehouden zijn om ieder de helft van de kosten, verbonden aan de uitvoering van deze verdeling, te voldoen. Daarnaast heeft de rechtbank het op 21 juni 2021 (het hof begrijpt: 23 juni 2021) door de man onder de maatschap gelegde conservatoire derdenbeslag op het aandeel van de vrouw in de verkoopopbrengst van de woning aan [adres] in [plaats] opgeheven en de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van de (enkelvoudige) wettelijke rente over het beslagen bedrag, vanaf 21 juni 2021 tot aan de dag waarop het beslag zal zijn opgeheven. De rechtbank heeft verder bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
De vrouw is in hoger beroep gekomen en vordert in haar incident ex artikel 351 Rv Pro dat het hof de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis schorst met betrekking tot het onderdeel onder randnummer 3.16 onderdeel 2, waarbij de woning te Suriname wordt toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 342.864,-, met veroordeling van de man in de proceskosten, alsook de nakosten.
5.2
De man voert verweer in het incident van de vrouw ex artikel 351 Rv Pro en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar incidentele vordering tot schorsing, althans tot afwijzing van de incidentele vordering van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het incident, vermeerderd met de wettelijke rente over die kosten als de vrouw ze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen tussenarrest heeft voldaan.
5.3
De man vordert in zijn incident ex artikel 223 Rv Pro, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: (i) de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen € 89.095,22, althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2025, althans vanaf de dag van het verzuim tot de dag van de algehele voldoening;
(ii) de vrouw te veroordelen om eraan mee te werken dat de openbare registers in Suriname met betrekking tot de woning in Suriname in overeenstemming worden gebracht met de toedeling van die woning aan de vrouw in het bestreden vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte van een dag dat de vrouw die medewerking niet verleent binnen acht dagen nadat een bevoegde notaris in [plaats] (Suriname) haar daartoe heeft uitgenodigd;
(iii) de vrouw te veroordelen in de kosten van dit incident, vermeerderd met de wettelijke rente over die kosten als de vrouw deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest heeft voldaan.
5.4
In het incident van de man ex artikel 223 Rv Pro voert de vrouw verweer en vordert zij dat het hof de man in zijn incidentele vordering niet-ontvankelijk verklaart dan wel deze vordering afwijst, met veroordeling van de man in de proceskosten, alsook de nakosten.
5.5
In de hoofdzaak vordert de vrouw, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis en de tussenvonnissen van 26 juli 2023, 7 december 2022 en 10 augustus 2022 te vernietigen (naar het hof begrijpt voor zover het betreft de kredietfaciliteit in Suriname en de woning in Suriname), en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat:
  • de vrouw aan de man de helft van de aflossing van de kredietfaciliteit in Suriname, dus SRD (Surinaamse dollars) 23.457,50, moet betalen (randnummer 3.16, onderdeel 11 van het bestreden vonnis);
  • de woning in Suriname wordt toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van SRD 10.869.131,66 onder de verplichting de helft van de waarde te vergoeden aan de man (randnummer 3.16, onderdeel 2 van het bestreden vonnis);
  • met bekrachtiging van het bestreden vonnis voor het overige.
5.6
De man voert gemotiveerd verweer in de hoofdzaak. In het incidenteel hoger beroep vordert hij dat het hof het bestreden vonnis vernietigt voor zover het betreft de opheffing van het beslag en de veroordeling tot betaling aan de vrouw van de enkelvoudige wettelijke rente over het door hem beslagen bedrag, met alsnog afwijzing van de desbetreffende vorderingen van de vrouw, en opnieuw rechtdoende, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de vrouw te veroordelen:
  • om aan de man € 106.405,52 te betalen, althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2025, althans vanaf de dag van het verzuim, tot de dag der algehele voldoening;
  • om eraan mee te werken dat de openbare registers in Suriname met betrekking tot de woning in Suriname in overeenstemming worden gebracht met de toedeling van die woning aan de man in het vonnis van 4 december 2024, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte van een dag dat de vrouw die medewerking niet verleent binnen acht dagen nadat een bevoegde notaris in [plaats] (Suriname) haar daartoe heeft uitgenodigd;
  • in de kosten van het hoger beroep, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten als de vrouw deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest heeft voldaan.
5.7
De vrouw verweert zich in het incidenteel hoger beroep van de man en vordert met uitvoerbaarverklaring bij voorraad de man te veroordelen in proceskosten van het hoger beroep, zowel in principaal als in incidenteel hoger beroep, alsmede de nakosten.

6.Beoordeling in hoger beroep

De incidentele vorderingen

6.1
Nu het hof in de hoofdzaak heden een beslissing geeft, heeft de man geen belang meer bij het door hem ingediende incident tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro en de vrouw geen belang meer bij haar incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis ex artikel 351 Rv Pro. Het hof wijst de incidentele vorderingen over en weer dan ook af.
Kredietfaciliteit in Suriname (grief 1 principaal hoger beroep)
6.2
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank beslist dat de vrouw vanwege de aflossing door de man op de kredietfaciliteit, aan hem € 2.750,- moet betalen, zijnde de helft van die aflossing (zie ook het tussenvonnis van de rechtbank van 10 augustus 2022, onder 4.40-4.42). De vrouw is het daar niet mee eens.
6.3
Nu de vordering van de man op de vrouw zou zijn ontstaan op 28 juni 2019 (door de man is ter zitting bij het hof verwezen naar de antwoordakte van de vrouw in eerste aanleg van 19 oktober 2022 onder 7 waarin verder wordt verwezen naar productie 12 bij de inleidende dagvaarding van de man in eerste aanleg), na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap (12 april 2019, datum indiening van het verzoekschrift tot opheffing van de gemeenschap) maar voordat het huwelijk is ontbonden door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand ( [datum] 2022) en ingesteld na 29 januari 2019, is hierop van toepassing de Huwelijksvermogensverordening (Verordening (EU) 2016/1103)) (hierna: de Verordening). Omdat de vordering niet als nevenvoorziening bij een verzoek tot echtscheiding is ingesteld, maar als zelfstandige vordering in een dagvaardingsprocedure, moet de rechtsmacht worden beoordeeld aan de hand van de bevoegdheidsregeling als neergelegd in artikel 6 van Pro de Verordening. Op grond van sub d van dit artikel is de Nederlandse rechter bevoegd, nu beide partijen de Nederlandse nationaliteit hebben. Aangezien geen van partijen een grief heeft gericht tegen de toepassing van Nederlands recht, zal het hof dit recht toepassen.
6.4
De vrouw stelt allereerst dat de man geen inzicht heeft verschaft in het werkelijke bedrag dat is afgelost door hem op de kredietfaciliteit. Ter zitting is namens de man erkend dat uit de overgelegde stukken slechts volgt dat een bedrag van € 5.500,- is overgemaakt naar een bankrekening in Suriname. Het hof kan dan ook niet vaststellen dat dit bedrag is aangewend voor de aflossing van de kredietfaciliteit in Suriname. Nu de vrouw echter ter zitting heeft erkend dat een bedrag van 46.915,- SRD is aangewend voor de aflossing, is de vrouw gehouden om de helft daarvan aan de man te voldoen. Aangezien de rechtsvordering door de man in Nederland is ingesteld en het hierbij gaat om de verkrijging van een geldsom, uitgedrukt in buitenlands geld, kan de man als schuldeiser op grond van artikel 6:123 lid 1 van Pro het Burgerlijke Wetboek (hierna: BW) veroordeling vorderen tot betaling in Nederlands geld. Omrekening naar Nederlands geld (euro’s) dient, zoals de vrouw dat in dat kader ook terecht stelt conform artikel 6:124 BW Pro, plaats te vinden naar de koers van de dag waarop de betaling door de vrouw aan de man geschiedt.
6.5
Het voorgaande brengt met zich mee dat grief 1 in principaal hoger beroep deels slaagt en het hof het bestreden vonnis in zoverre zal vernietigen en zal bepalen dat de vrouw uit hoofde van regres aan de man een bedrag van 23.457,50 SRD dient te voldoen, althans gelet op het bepaalde in artikel 6:123 en Pro 6:124 BW het equivalent daarvan in euro’s omgerekend naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt.
De echtelijke woning met grond in [plaats] (grief 2 principaal hoger beroep en grief 1 incidenteel hoger beroep)
6.6
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de woning in Suriname toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 342.864,-, onder de verplichting de helft van deze waarde in het kader van de verdeling te vergoeden aan de man. Naar het hof begrijpt komt de vrouw met haar grief 2 in het principaal hoger beroep op tegen de waardering van de woning in euro’s. Bij de beoordeling hiervan stelt het hof het volgende voorop. Evenals het geschil over het vermogensbestanddeel kredietfaciliteit is de Nederlandse rechter bevoegd hiervan kennis te nemen nu dit voortvloeit uit het huwelijksvermogensregime van partijen. Op dit geschil is Nederlands recht van toepassing. Bij de waardering van de woning heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het taxatierapport dat door de vrouw is overgelegd in eerste aanleg. De woning is hierin getaxeerd in SRD, Amerikaanse dollars en euro’s (te weten: 10.869.131,66 SRD, 355.412,82 Amerikaanse dollars (USD) en 342.864,00 euro; zie de akte overlegging taxatierapport van de vrouw van 9 december 2022 in eerste aanleg). Tegen deze waarde(n) is niet afzonderlijk gegriefd zodat het hof in hoger beroep uitgaat van de juistheid hiervan.
6.7
In geschil is of de rechtbank in het kader van de verdeling de woning terecht in euro’s heeft gewaardeerd. De vrouw meent dat deze waarde in SRD moet worden uitgedrukt, omdat de woning in Suriname staat en daar betalingen alleen in SRD plaatsvinden. De man betwist dat betalingen in en/of vanuit Suriname alleen in SRD kunnen plaatsvinden. Hij betoogt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de vrouw hem in euro’s moet betalen, want dat volgt uit artikel 6:111 BW Pro en artikel 6:112 BW Pro.
6.8
Het hof volgt de man niet in zijn betoog en overweegt hiertoe als volgt. De woning staat in Suriname zodat het meer voor de hand ligt om dit vermogensbestanddeel te waarderen naar de lokale munteenheid, dus in SRD. De bepalingen waar de man zich op beroept zijn in zoverre niet relevant voor de beantwoording van de vraag in welke valuta een tot de gemeenschap behorend vermogensbestanddeel dient te worden gewaardeerd. In het kader van de vergoeding van de overwaarde bij toedeling van de woning aan de vrouw, zal omzetting naar euro’s plaatsvinden overeenkomstig wettelijke bepalingen. Dat de man zijn vordering in euro’s kan instellen is op zichzelf onvoldoende om de woning in Suriname te waarderen in euro’s. Ook hierom faalt het betoog van de man. Uit het voorgaande en uit het systeem van de wet volgt naar het oordeel van het hof dat de grief van de vrouw slaagt voor zover de rechtbank de waarde van de woning in Suriname reeds in het bestreden vonnis had opgenomen in euro’s. Na toedeling van de woning aan de vrouw bij de notaris in Suriname dient - bij toepassing van artikel 6:123 BW Pro op vordering van de man – de omrekening pas naar euro’s te geschieden naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt. De man heeft verder gemotiveerd betwist dat betalingen in en/of vanuit Suriname alleen in SRD kunnen en mogen plaatsvinden, zodat het hof daar aan voorbij gaat.
6.9
Gelet op het voorgaande slaagt grief 2 van de vrouw in het principaal hoger beroep voor zover de vrouw daarin naar voren brengt dat voor zover de man betaling in euro’s eist op grond van artikel 6:123 BW Pro, de omrekening naar euro’s dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt (conform artikel 6:124 BW Pro).
6.1
Ter zake de vordering van de man tot veroordeling van de vrouw om eraan mee te werken dat de openbare registers in Suriname met betrekking tot de woning in Suriname in overeenstemming worden gebracht met de toedeling daarvan aan de vrouw overweegt het hof dat het niet bevoegd is hierin te beslissen. De Verordening is ingevolge artikel 1 lid 2 sub h niet Pro van toepassing op de inschrijving van rechten op onroerende en roerende zaken in een register, met inbegrip van de wettelijke voorschriften voor de inschrijving van en de rechtsgevolgen van de inschrijving of van het achterwege blijven daarvan. Evenmin biedt artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens een grondslag om de vordering op dit punt toe te wijzen. Deze bepaling ziet op de toegang tot de rechter en waarborgt het recht op een eerlijk proces. Het hof zal de vordering van de man op dit punt dan ook afwijzen.
6.11
Gelet op het voorgaande faalt grief 1 van de man in het incidenteel hoger beroep.
Het door de man op de verkoopopbrengst van de woning aan [adres] in [plaats] gelegde beslag (grief 2 incidenteel hoger beroep)
6.12
Het conservatoir beslag is een wettelijke voorziening die ertoe dient de beslaglegger in de gelegenheid te stellen verhaal voor een – op het moment van het leggen van het conservatoir beslag nog niet vaststaande – vordering veilig te stellen, terwijl bij een afwijzing van de vordering in de hoofdzaak de beslaglegger aangesproken kan worden voor de door het beslag ontstane schade. Aangezien in deze hoofdzaak door de rechtbank de vordering van de man is toegewezen, was het conservatoire beslag niet onrechtmatig. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte dit conservatoir beslag opgeheven en de man veroordeeld tot betaling van de (enkelvoudige) wettelijke rente over het beslagen bedrag vanaf 21 juni 2021. Het hof zal die vorderingen van de vrouw alsnog afwijzen. Het hof overweegt ten overvloede dat de vernietiging van het dictum van de rechtbank onder 4.4. – zoals door de man in zijn incidenteel hoger beroep terecht wordt geconstateerd – niet zal bewerkstelligen dat de man met terugwerkende kracht -in de woorden van de man- “grip krijgt op het bedrag” ter grootte van het aandeel van de vrouw in de verkoopopbrengst van de woning aan [adres] in [plaats] maar wel dat op het bedrag waarop hij jegens de vrouw aanspraak kan maken, geen rente in mindering kan worden gebracht.
Premie polissen
6.13
Nu er aan de standpunten van partijen met betrekking tot de premies van de polissen geen gevolgtrekking is verbonden in hun petita, behoeven die naar het oordeel van het hof geen afzonderlijke bespreking.
Bewijsaanbod
6.14
Het hof ziet in het licht van het voorgaande geen reden een bewijsopdracht te verstrekken alvorens verder te beslissen. Daarom gaat het hof voorbij aan het door partijen gedane (algemene en niet gespecifieerde) bewijsaanbod.
Proceskosten
6.15
Nu partijen ex-echtgenoten zijn en de zaak een familierechtelijk karakter heeft, compenseert het hof de proceskosten van de incidentele vorderingen en de hoofdzaak aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. De over en weer gedane vorderingen om elkaar in de proceskosten te veroordelen, zal het hof dan ook afwijzen.
6.16
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.Beslissing

Het hof:
in de incidenten:
- wijst af al het gevorderde;
in de hoofdzaak:
- vernietigt het bestreden vonnis voor zover het betreft de betaling in euro’s en leest het bestreden vonnis aldus dat:
o de vrouw aan de man een bedrag van 23.457,50 SRD uit hoofde van regres in euro’s dient te betalen;
o de [woning in Suriname] aan de vrouw wordt toegedeeld tegen een waarde van 10.869.131,66 SRD, onder de verplichting de helft van deze waarde aan de man te vergoeden in euro’s;
waarbij de omrekening naar euro’s telkens plaatsvindt naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt;
- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- vernietigt het bestreden vonnis voor zover het betreft de opheffing van het conservatoir beslag op het aandeel van de vrouw in de verkoopopbrengst van de woning aan [adres] in [plaats] en de veroordeling van de man tot betaling van de (enkelvoudige) wettelijke rente over het beslagen bedrag vanaf de beslagdatum, en wijst de betreffende vorderingen van de vrouw daarover alsnog af;
- compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.G.B. Boelens, S. Wahedi en R.L.M.C. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.