ECLI:NL:GHDHA:2026:238

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
22-002466-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep minderjarige veroordeeld voor medeplegen diefstal met geweld en overtreding Opiumwet

De verdachte, destijds 17 jaar, werd in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van een gewelddadige diefstal en overtreding van de Opiumwet. In hoger beroep werd hij niet-ontvankelijk verklaard voor het hoger beroep tegen de vrijspraak op een ander feit. Het hof stelde vast dat de verdachte samen met anderen een straatroof pleegde waarbij geweld werd gebruikt en goederen van het slachtoffer werden weggenomen. Bewijs bestond uit camerabeelden, telefoongegevens, foto’s van gestolen goederen en de vondst van de identiteitskaart van het slachtoffer in de woning van de verdachte.

Daarnaast werd bewezen verklaard dat de verdachte hennep verwerkte en handelde, ondersteund door telefoongesprekken, foto’s en de vondst van ruim 1,5 kilo hennep in zijn slaapkamer. De verdachte gaf geen geloofwaardige verklaring voor deze feiten. Het hof achtte de verdachte strafbaar en wees op zijn eerdere veroordelingen en het feit dat hij in proeftijd verkeerde tijdens het plegen van de feiten.

Hoewel de reclassering adviseerde toepassing van het volwassenenstrafrecht vanwege het gedrag van de verdachte, oordeelde het hof dat onvoldoende indicaties bestonden om artikel 77b Sr toe te passen. De opgelegde straf is een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie van 200 dagen met aftrek van voorarrest. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke jeugddetentie van 90 dagen gelast vanwege het niet naleven van de proeftijd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 200 dagen onvoorwaardelijke jeugddetentie en tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straf gelast.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002466-25
Parketnummers: 09-057466-25 en 09-097453-23 (TUL)
Datum uitspraak: 19 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 7 augustus 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteland] op [geboortedatum] 2007,
ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in de [verblijfplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 200 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 92 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder oplegging van dadelijk uitvoerbare bijzondere voorwaarden zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Ook zijn beslissingen genomen over de vorderingen van de benadeelde partijen, over de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde straf en over de inbeslaggenomen voorwerpen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Den Haag vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:
2.
hij op of omstreeks 23 september 2024 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een pet van het merk Gucci en/of een IPhone 11 en/of een gouden ketting (met een gouden hanger in de vorm van een gouden kruis met steentjes) en/of een jas van het merk MonCler en/of een identiteitskaart en/of (huis)sleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van
het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] van achteren vast te pakken en/of van
achteren bij zijn keel te grijpen en/of een klap op/tegen zijn neus te geven.
3.
hij in of omstreeks de periode van 25 november 2024 tot en met 22 maart 2025 te
’s-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 1606 gram , in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 200 dagen met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat het hof komt tot een enigszins andere bewezenverklaring. Ook zal het hof de bewijsvoering aanpassen en andere beslissingen nemen ten aanzien van de strafoplegging.

Nadere bewijsoverwegingen

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat – zakelijk en verkort weergegeven – de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde, nu er onvoldoende bewijs is dat hij dit feit heeft begaan.
Het hof overweegt, grotendeels in overeenstemming met de rechtbank, hieromtrent als volgt.
Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.
Op 22 september 2024 omstreeks 23:45 uur is aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) slachtoffer geworden van een straatroof toen hij voor het restaurant [restaurant] op de Laan van Wateringseveld in Den Haag aan het wachten was op een vriend, [medeverdachte] . Het hof gaat, anders dan de raadsvrouw, uit van het tijdstip van de camerabeelden van het restaurant, nu blijkens het proces-verbaal van aangifte (p. 290 van het zaaksdossier Zaak30Levorg) een verbalisant op 23 september om 00:01 de aangifte van [slachtoffer] heeft opgenomen. De straatroof moet dus voor 00:01 uur moet hebben plaatsgevonden zodat het aannemelijk is dat de beroving rond het tijdstip van de camerabeelden – 23:45 uur – heeft plaatsgevonden.. De aangever zat op het terras van het restaurant toen hij door twee jongens werd benaderd en van achteren werd vastgepakt. Hij werd door een van de jongens van achteren bij zijn keel gepakt. De andere jongen gaf hem een klap op zijn neus. Zijn Gucci pet werd van zijn hoofd gepakt. Ook werden zijn gouden ketting met een hangertje in de vorm van een kruis en zijn telefoon afgepakt. De jongens hebben verder de Moncler jas van de aangever meegenomen, waar zijn huissleutels, identiteitskaart en telefoon in zaten.
De verdachte werd op 26 februari 2025 naar aanleiding van de verdenking ten aanzien van een ander feit aangehouden. Tijdens de doorzoeking in de woning van de vader van de verdachte werd in de slaapkamer van de verdachte een identiteitskaart op naam van de aangever [slachtoffer] gevonden. Op de inbeslaggenomen rode iPhone van de verdachte zijn twee foto’s aangetroffen van een goudkleurige ketting met een kruis met steentjes. Op de terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij deze foto’s heeft gemaakt in de woning van zijn vader. Deze foto’s van de ketting zijn op 22 september 2024 om 23:56 uur door de gebruiker van de telefoon vanuit zijn iCloud-omgeving opgehaald en in de galerij weergegeven. Op de telefoon van de verdachte zijn daarnaast twee foto’s aangetroffen van een Gucci pet die beide op 23 september 2024, één in de ochtend en één in de middag, vanuit de iCloud-omgeving zijn opgehaald en in de galerij zijn weergegeven. Op de eerste foto ligt de pet op een ondergrond gelijkend op de zwarte leren bank in de woning van de vader van de verdachte. Op de tweede foto is te zien dat de verdachte de pet draagt. De politie concludeert dat de ketting en de pet op de foto’s dezelfde uiterlijke kenmerken hebben als de weggenomen ketting en pet van de aangever.
Uit de analyse van de telefoon van de verdachte blijkt verder dat de verdachte op 22 september 2024 vanaf 22.11 uur meerdere WhatsApp berichten heeft ontvangen van een contact met de naam ‘ [naam 1] ’. Volgens de politie is het daaraan gekoppelde telefoonnummer geregistreerd bij medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). De aangever had die bewuste avond een afspraak gemaakt bij het restaurant [restaurant] met “ [medeverdachte] ”, die uiteindelijk niet was komen opdagen. Uit de analyse van de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] blijkt dat op 22 september 2024 om 21:56:08 uur twee uitgaande berichten worden verstuurd naar ‘ [naam 2] ’ met de tekst: “Eeeeeeeee” en “Bel mij snel”, gevolgd door een uitgaande oproep om 22:56:48 van 27 seconden naar ‘ [naam 2] ’ die gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer] . Volgens de politie wordt [verdachte] ook wel ‘ [naam 2] ’ genoemd en is hij de gebruiker van dit telefoonnummer. Tussen 20:00 uur en 24:00 uur waren er in totaal 17 inkomende- en uitgaande oproepen tussen de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] en de telefoon van de verdachte, zo blijkt uit de analyse. Verder blijkt uit de analyse dat medeverdachte [medeverdachte] op 23 september tussen 07:30 uur en 10:04 uur een chatgesprek had waarin hij een Moncler jas aanbood, die hij niet kon dragen omdat die ‘van een bekende was gedouwd’. De politie heeft deze jas vergeleken met de jas van de aangever en concludeert dat de jassen op veel punten overeenkomen.
Voorts blijkt uit de telefoongegevens van de verdachte dat zijn telefoon in de avond van 22 september 2024 aanstraalde in het gebied waar de straatroof is gepleegd. De telefoon van de verdachte verplaatste zich tussen 22.51 uur en 23.12 uur waarschijnlijk vanuit de omgeving van de woning van de verdachte naar de omgeving van de plaats delict en vervolgens, in het tijdvak van 23:44 uur tot en met 23:50 uur, waarschijnlijk terug naar de omgeving van zijn woning.
Samenvattend komt het er dus op neer dat verschillende feiten en omstandigheden in de richting van de verdachte wijzen als een van de daders van de straatroof. Het hof stelt vast dat de verdachte – voor zover hij een verklaring heeft afgelegd – er niet in is geslaagd deze belastende omstandigheden te ontzenuwen. De verdachte heeft geen verklaring willen afleggen over waarom hij in de avonduren van 22 september 2024 in de omgeving van de plaats delict is geweest. Ook heeft hij geen verklaring gegeven voor het feit dat de identiteitskaart van de aangever in zijn slaapkamer is aangetroffen. De verdachte heeft eerder bij de politie ook geen verklaring willen afleggen over de op zijn telefoon aangetroffen foto’s van de Gucci pet en gouden ketting welke foto’s zeer kort na de gepleegde straatroof van zijn iCloud-omgeving zijn gehaald. Ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte hierover een wel verklaring afgelegd, namelijk dat hij deze pet en ketting van zijn vader cadeau had gekregen. Het hof schuift deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde.
Gelet op hetgeen uit de bewijsmiddelen blijkt, in onderling verband en samenhang bezien, en de omstandigheid dat de verdachte geen enkele (geloofwaardige) verklaring heeft afgelegd die moet leiden tot een andere uitleg van de inhoud van de bewijsmiddelen, komt het hof tot de conclusie dat de verdachte één van de jongens is geweest die de straatroof hebben gepleegd. Het hof acht daarom het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat – zakelijk en verkort weergegeven – de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde, nu de foto’s, gesprekken en notities op de telefoon van de verdachte geen bewijs opleveren dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.
Het hof overweegt, grotendeels in overeenstemming met de rechtbank, hieromtrent als volgt.
Anders dan de raadsvrouw acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk een hoeveelheid hennep heeft verwerkt. Daarbij overweegt het hof dat er niet alleen diverse gesprekken, foto’s en notities op de telefoon van de verdachte zijn aangetroffen waaruit blijkt dat hij zich bezig hield met de handel in hennep, maar ook dat er tijdens de doorzoeking op 26 februari 2025 een hoeveelheid van ruim 1,5 kilo hennep in zijn slaapkamer is aangetroffen en diverse (lege) gripzakjes. Aan de opgenomen gesprekken, foto’s en notities, in verband bezien met de vondst van de hennep in de slaapkamer van de verdachte, kan geen andere uitleg worden gegeven dan dat het om hennepgerelateerde gesprekken gaat en dat de verdachte zich heeft beziggehouden met het verwerken daarvan. Immers zijn er filmpjes aangetroffen waarop hennep wordt gewogen en verdeeld. Ook zijn er foto’s aangetroffen waarop prijzen worden genoemd en over bezorging wordt gesproken. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie op 26 februari 2025, ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep geen verklaring heeft gegeven voor de bevindingen op zijn telefoon en de hennepvondst in zijn slaapkamer.
Aan de beoordeling van het overige ten laste gelegde (het bezit van 1606 gram hennep)
komt het hof – evenals de rechtbank – niet toe door de (impliciet) subsidiaire wijze van ten laste leggen.
Gelet op voorgaande overwegingen is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is
bewezen dat de verdachte in de periode van 25 november 2024 tot en met 26 februari 2025
hennep heeft verwerkt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij
op ofomstreeks 23 september 2024 te ’s-Gravenhage,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,een pet van het merk Gucci en
/ofeen
iPhone 11 en
/ofeen gouden ketting (met een gouden hanger in de vorm van een gouden kruis met steentjes) en
/ofeen jas van het merk Mon
cler en
/ofeen identiteitskaart en
/of(huis)sleutels,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [slachtoffer]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s)toebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan
,envergezeld
en/of gevolgdvan geweld
en/of bedreiging met geweldtegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken,
of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door die [slachtoffer] van achteren vast te pakken en
/ofvan
achteren bij zijn keel te grijpen en
/ofeen klap op
/tegenzijn neus te geven.
3.
hij in
of omstreeksde periode van 25 november 2024 tot en met
26 februari2025 te
’s-Gravenhage,
althans in Nederland,opzettelijk heeft
geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/ofverwerkt
en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,een hoeveelheid
van ongeveer 1606 gram , in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gramhennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen op de openbare weg schuldig gemaakt aan een gewelddadige beroving. Door aldus te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit, de veiligheid en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Feiten als de onderhavige worden door slachtoffers als zeer bedreigend en beangstigend ervaren en versterken de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft daar geen oog voor gehad en zijn eigen belang bij het verkrijgen van de spullen vooropgesteld. Tevens heeft de verdachte zich gedurende een aantal maanden schuldig gemaakt aan het verwerken van hennep. Dit levert een bijdrage aan de handel in en verspreiding van drugs. Drugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en het gebruik ervan leidt veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden weer dergelijke feiten te plegen. Bovendien liep de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten in een proeftijd van een eerdere veroordeling die door de rechtbank slechts enkele maanden eerder was opgelegd. Uit het strafblad blijkt verder dat
verdachte ook na de onderhavige pleegdata is veroordeeld, zodat artikel 63 van Pro het Wetboek
van Strafrecht van toepassing is.
Het hof heeft acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 17 juli 2025 en de negatieve terugmeldrapportage van de jeugdreclassering van 20 september 2025. De Raad voor de Kinderbescherming heeft een deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden, inhoudende een meldplicht, een ambulante behandeling, begeleiding door een coach, een avondklok met elektronische monitoring en het volgen van onderwijs en/of dagbesteding, geadviseerd. De rechtbank heeft dit advies gevolgd en heeft deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaard. Blijkens de negatieve terugmeldrapportage van de jeugdreclassering van 20 september 2025 – kort na de veroordeling - heeft de verdachte zich direct al niet aan de bijzondere voorwaarden gehouden. Het verslag dat is opgesteld over de manier waarop de verdachte de elektronische monitoring en de avondklok aan zijn laars heeft gelapt, laat zien dat de verdachte niet openstaat voor begeleiding door de jeugdreclassering. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de jeugdreclasseerder dit bevestigd en heeft daaraan nog toegevoegd dat de verdachte niet met haar in gesprek wilde gaan en dat hij snel boos kan worden. Gelet op het voorgaande gaat het hof, anders dan de rechtbank, niet over tot het opleggen van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming.
Het hof heeft voorts kennis genomen van de adviezen van Reclassering Nederland van respectievelijk 5 en 12 november 2025, uitgebracht in verband met de verdenking van nieuwe – ernstige – strafbare feiten nadat verdachte de leeftijd van 18 jaar had bereikt. De reclassering adviseert – voorlopig – om het volwassenenstrafrecht toe te passen en om betrokkene in een reguliere penitentiaire inrichting (hierna te noemen: PI) te plaatsen. In dit kader is onder meer overwogen dat betrokkene niet pedagogisch ontvankelijk is en berekenend gedrag vertoont. Voorts wordt ingeschat dat betrokkene in een justitiële jeugdinrichting (hierna te noemen: JJI) jeugdige medeverdachten mogelijk negatief zou kunnen beïnvloeden.
Deze informatie heeft het hof doen aarzelen over de vraag of de verdachte (nog) geschikt geacht kan worden voor plaatsing in een JJI en of de in het kader van de huidige strafzaak op te leggen detentiestraf in een PI ten uitvoer gelegd zou moeten worden, te meer nu de verdachte in het kader van voorlopige hechtenis in een andere strafzaak inmiddels sedert begin november 2025 in een volwassenregime verblijft.
Uiteindelijk heeft het hof doorslaggevende betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten waarvoor hij thans schuldig is bevonden nog minderjarig was en daarbij geoordeeld dat er onvoldoende indicaties zijn om ten aanzien van deze feiten het volwassenstrafrecht met toepassing van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing te verklaren.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te noemen duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Het hof zal de teruggave gelasten aan de verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen, te weten een bedrag van € 1.300,- en een bedrag van € 613,-, nu het dossier geen aanknopingspunten bevat dat deze geldbedragen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen. Een vermoeden daartoe volstaat niet. Het geld is daarmee niet vatbaar voor verbeurdverklaring.
Ook ten aanzien van de overige in beslag genomen goederen, te weten:
- balaclava (goednummer: 3286174);
- schroevendraaier (goednummer: 3286280);
- schroevendraaier (goednummer: 3286281);
- schaar (goednummer: 3286282);
- cilinderslot (goednummer: 3286284);
- AH-tas (goednummer: 3286293);
zal het hof de teruggave aan de belanghebbende gelasten nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 mei 2024 onder parketnummer 09-097453-23 is de verdachte veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, met bevel dat die jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is daarom gegrond.
Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 63, 77a, 77g, 77i en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van
200 (tweehonderd) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- € 1.300,- ( goednummer: 3286172);
- € 613,- ( goednummer: 3286305);
- balaclava (goednummer: 3286174);
- schroevendraaier (goednummer: 3286280);
- schroevendraaier (goednummer: 3286281);
- schaar (goednummer: 3286282);
- cilinderslot (goednummer: 3286284);
- AH-tas (goednummer: 3286293).
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 mei 2024, parketnummer 09-097453-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een:
jeugddetentievoor de duur van
90 (negentig) dagen.
Heft op het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bij vonnis van de rechtbank van 7 augustus 2025 op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en hierop uit te oefenen toezicht.
Dit arrest is gewezen door mr. H.M.D. de Jong, als voorzitter, en mr. J.B. Wijnholt en mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, leden, in bijzijn van de griffier mr. J.H.M. van Dam-Peusken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 februari 2026.
Mr. J.B. Wijnholt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.