ECLI:NL:GHDHA:2026:239

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.343.200/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:961 BWArt. 6:170 BWArt. 10 ArbeidsomstandighedenwetArt. 7:961 lid 1 BWArt. 7:961 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzekeringsgeschil over dekking overlijdensschade na val strobaal van aanhangwagen

Op 18 april 2014 viel tijdens het uitladen van strobalen van een aanhangwagen een strobaal op de heer [naam 1], die ter plekke overleed. [naam bedrijf 1], aansprakelijk voor de schade, was verzekerd bij Allianz (WLM-polis) en Fatum (AVB-polis). Allianz betaalde de schade aan de erven en voerde verhaal op Fatum.

De kern van het geschil betrof de vraag of de aansprakelijkheid ook onder de WLM-polis van Allianz viel. Het hof oordeelde dat de schade niet het risico betrof dat eigen is aan het gebruik van de verzekerde objecten (zoals shovel, tractor, strolegmachine) en dat de aanhangwagen ten tijde van het ongeval niet voldeed aan de polisvoorwaarden voor dekking onder de WLM-polis.

Daarmee is de aansprakelijkheid uitsluitend gedekt onder de AVB-polis van Fatum. Allianz kan daarom de door haar betaalde schadevergoeding en kosten verhalen op Fatum. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Rotterdam en wees de vorderingen van Allianz toe, inclusief proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: Het hof oordeelt dat alleen de AVB-polis van Fatum dekking biedt en veroordeelt Fatum tot betaling van € 1.470.145,93 aan Allianz.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.343.200/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/659343 / HA ZA 23-517
Arrest van 17 februari 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
ALLIANZ BENELUX N.V.,
gevestigd te Brussel, België,
appellante,
advocaat: mr. A. Hedeman te Amsterdam,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
FATUM GENERAL INSURANCE N.V.,
gevestigd te Curaçao,
geïntimeerde,
advocaat: mr. P.C. Knijp te Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna Allianz en Fatum.

1.De zaak in het kort

1.1
Het bedrijf [naam bedrijf 1] heeft strobalen geleverd aan de aardbeienkwekerij van [naam 1]. Bij het uitladen viel een strobaal op [naam 1], die daardoor ter plekke is overleden. [naam bedrijf 1] is aansprakelijk voor de overlijdensschade. [naam bedrijf 1] is verzekerd bij zowel Allianz (werk- en landbouwmaterieel) als Fatum (aansprakelijkheid voor bedrijven). Allianz heeft de schade aan de erven vergoed en het schaderegelingstraject bekostigd. De aansprakelijkheid van [naam bedrijf 1] is - in ieder geval - gedekt onder de verzekering van Fatum. De kernvraag in de zaak is of de aansprakelijkheid van [naam bedrijf 1] ook gedekt is onder de verzekering van Allianz.
1.2
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat dit niet het geval is. Niet Allianz maar (alleen) Fatum moet dus dekking verlenen. Het hof wijst daarom in dit arrest alsnog de vorderingen van Allianz toe, die strekken tot verhaal op Fatum van de schadevergoeding en kosten van het schaderegelingstraject, die Allianz heeft betaald.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 28 juni 2024, waarmee Allianz in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2024 (hierna ook: het bestreden vonnis);
  • de memorie van grieven van Allianz, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van Fatum.
2.2
Op 4 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
De heer [naam 1] (hierna: [naam 1]) exploiteerde een aardbeienkwekerij, [naam bedrijf 2] B.V (hierna: de aardbeienkwekerij). [naam bedrijf 1] B.V. (hierna: [naam bedrijf 1]) is een handels- en transportbedrijf in de agrarische sector.
3.2
Op 18 april 2014 heeft [naam 1] aan [naam bedrijf 1] opdracht gegeven tot het leveren en uitrijden (over de aardbeienvelden van [naam 1]) van stro. Een medewerker van [naam bedrijf 1] heeft op die dag 28 strobalen van zeven rijen breed en vier rijen hoog met een shovel op een aanhangwagen (hierna: de aanhangwagen) geladen, de strobalen vastgezet met spanbanden en de aanhangwagen daarna met een tractor naar het aardbeienveld van [naam 1] gereden.
3.3
Een door [naam bedrijf 1] ingeschakelde zzp’er, de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]) heeft vervolgens met een strolegmachine van [naam bedrijf 1] de twee bovenste balen uit een rij in het midden van de aanhangwagen afgenomen en het stro verspreid tussen de aardbeienplanten van [naam 1].
3.4
[naam 1] heeft ondertussen de aanhangwagen gekoppeld aan zijn eigen tractor en deze verplaatst richting de ingang van het aardbeienveld. [naam 1] heeft ook de spanbanden losgemaakt. [naam 2] heeft vervolgens met de strolegmachine de bovenste baal van de voorste rij gepakt. Toen hij een tweede strobaal aan de voorkant wilde pakken, is de achterste rij strobalen van de aanhangwagen naar achteren gekanteld en is een strobaal op [naam 1] gevallen, die zich achter de aanhangwagen bleek te bevinden. [naam 1] is ter plekke aan zijn verwondingen overleden.
3.5
Na het ongeval heeft Inspectie SZW onderzoek verricht. Haar boeterapport van 25 juli 2014 (hierna: het boeterapport) bevat onder meer de volgende bevindingen:

Terwijl bij of in rechtstreeks verband met de arbeid die de [naam bedrijf 1] BV door zijn werknemers deed verrichten in een bedrijf of inrichting of in de onmiddellijke omgeving daarvan, gevaar ontstond voor de veiligheid of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, heeft de werkgever geen doeltreffende maatregelen genomen ter voorkoming van dat gevaar. Dit is een overtreding van artikel 10 Arbeidsomstandighedenwet (…).
[naam bedrijf 1] BV heeft een Risico-inventarisatie en -evaluatie (…). Hierin staat beschreven dat er soms gewerkt wordt met derden (…). Er wordt geadviseerd om andere bedrijven of klanten niet mee te laten helpen met risicovolle werkzaamheden en dat er afspraken met werknemers gemaakt moeten worden. Ook staat beschreven dat er gevaar is voor vallende goederen (…). ‘Geadviseerd wordt de chauffeurs te instrueren zich niet te bevinden in het op- en afzetgebied rondom de wagen. Op momenten dat dit toch noodzakelijk is gezien het werk, dienen medewerkers zich bewust te zijn van de risico’s en de lading altijd in het zicht te houden. Sta nooit tussen de last en een onbeweeglijk punt, zoals de zijkant van de vrachtwagen.’
Tijdens het onderzoek is mij, 1e rapporteur gebleken dat op 25 juli 2013 in België tijdens het lossen van een lading strobalen van een vrachtauto van [naam bedrijf 3] BV een ongeval heeft plaatsgevonden, waarbij een chauffeur van [naam bedrijf 3] BV onder een gevallen strobaal terecht is gekomen en hierdoor is overleden”
3.6
In opdracht van Allianz heeft [naam 3] (hierna: [naam 3]) onderzoek gedaan naar de handelingen die hebben bijgedragen aan het ongeval. In zijn rapport van 22 augustus 2017 staat onder meer het volgende:

C. Welke rol/invloed kan aan wie worden toebedeeld?
In de volgorde van de hiervoor besproken handelingen zal ik hieronder in een overzicht mijn visie uitspreken voor wat betreft de rol c.q. betrokkenheid van partijen.
Handeling
Beschrijving risico/gevolgen
Rol / betrokkenheid / partij
Het laden van de strobalen op de strowagen, waarbij gekozen wordt om de strobalen aan de voor- en achter[zijde] te laten oversteken.
Wijze van overstekende lading en vastsjorren kan in beginsel gezien worden als een handeling waarbij men zou kunnen/moeten weten, dat dit bij het lossen c.q. losmaken van de lading tot een gevaarlijke c.q. risicovolle situatie kan leiden.
Belader.
Transport strowagen met een te hoge lading (meer dan 4 meter) naar het aardbeienveld.
Te hoge lading kan leiden tot contact met bomen of andere objecten, waardoor de lading instabiel wordt.
Belader.
Transport met trekker.
De 1e twee strobalen worden door de strolegmachine van de strowagen gehaald.
Speling tussen bovenste rij balen en vermindering spanning van de spanbanden en systeem van de lading.
Belader.
Transport met trekker.
Strolegmachine.
De strowagen wordt verplaatst.
Instabiele lading (twee balen zijn weg uit het opgesloten systeem), kan nog instabieler worden tijdens het rijden (optrekken / remmen etc.) en het mogelijke contact met boom. De achterste rij balen, deels steunend op de laadvloer en deels niet, kan in een kantelmoment komen met de grens van wel/niet kantelen.
Belader.
Transport met trekker.
Strolegmachine.
De heer [naam 1].
De spanband wordt aan de voorzijde losgemaakt en de heer [naam 1] bevindt zich aan de achterzijde van de strowagen (en maakt de spanband aan de achterzijde los).
Spanband houdt het systeem aan lading niet meer in bedwang. Uit de gevarenzone blijven; het risico van het kunnen gaan kantelen van deze achterste rij moet zichtbaar zijn geweest.
Belader.
Transport met trekker.
Strolegmachine.
De heer [naam 1].
De heer [naam 1]
De voorste en bovenste strobaal wordt geladen.
Schommelingen op strowagen en lading met risico dat dit als een laatste zet ertoe heeft geleid dat de achterste rij over de grens van het kantelmoment geraakte en daadwerkelijk is gaan kantelen en van de wagen is gevallen.
Belader.
Transport met trekker.
Strolegmachine.
De heer [naam 1].
De heer [naam 1].
Strolegmachine.
Alles overziend kom ik tot de vaststelling dat wij in kwestie te maken hebben met een opeenstapeling van risicovolle handelingen die uiteindelijk tot het ongeval hebben geleid. Het bijzondere daarvan is ook dat elke handeling op zich én al van begin af aan een blijvende rol tot het ongeval heeft gespeeld c.q. gespeeld kan hebben. Dat is ook de reden dat ik in de tabel hierboven bij elke volgende handeling de eerdere rol/betrokkenheid in de kleur blauw heb ‘overgenomen’ en met de kleur zwart de ‘introductie’ van de nieuwe c.q. volgende rol/betrokkenheid aangeef.”
3.7
De erven van [naam 1] hebben [naam bedrijf 1] aansprakelijk gesteld voor het ongeval. [naam bedrijf 1] was toen verzekerd onder een Werk- en Landbouwmaterieelverzekering bij Allianz (hierna: de WLM-polis) en een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering bij Fatum (hierna: de AVB-polis).
3.8
In de ten tijde van het ongeval geldende voorwaarden van de WLM-polis is onder meer het volgende bepaald:
Artikel 10 Aard Pro van de dekking
10.1
In het algemeen
De verzekering dekt de aansprakelijkheid van de navolgende verzekerden voor schade aan personen en zaken veroorzaakt met of door het object:
10.1.1
de verzekeringnemer, overeenkomstig de op het polisblad omschreven hoedanigheid;
10.1.2
de eigenaar, de bezitter, de houder, de gebruiker en de bestuurder van het object, alsmede van degenen die dat object bedienen of hiermee worden vervoerd;
10.1.3
de werkgever van de in de artikelen 10.1.1 en 10.1.2 genoemde personen, indien hij krachtens artikel 6:170 BW Pro aansprakelijk is voor de door een van hen veroorzaakte schade.
10.2
Aangekoppeld object
Indien de schade is veroorzaakt, terwijl het object was gekoppeld aan een ander voer- of werktuig, of, na daarvan na koppeling te zijn losgemaakt of losgeraakt, nog niet buiten het verkeer tot stilstand was gekomen, is de desbetreffende aansprakelijkheid slechts gedekt, voor zover deze niet wordt gedekt door een andere verzekering.
10.3
Aanhangwagens e.d.
De verzekering heeft ook betrekking op schade veroorzaakt met of door een aanhangwagen of ander voorwerp, terwijl deze aanhangwagen of dit voorwerp aan het verzekerde object was gekoppeld of, na daarvan te zijn losgemaakt of losgeraakt, nog niet buiten het verkeer tot stilstand was gekomen.
10.4
Lading of last
De verzekering heeft voorts betrekking op schade veroorzaakt met of door zaken, die zich bevinden in of op, vallen uit of van, of zijn gevallen uit of van het object respectievelijk de aanhangwagen of het andere voorwerp als bedoeld in artikel 10.3, waaronder begrepen de lading of last die daarmee wordt vervoerd of verplaatst. (…)
3.9
Op het toen geldende polisblad van de WLM-polis staan als verzekerde objecten genoemd verschillende (met specifieke kenmerken aangeduide) motorrijtuigen, waaronder de hiervoor onder 3.2 - 3.4 genoemde shovel, tractor en strolegmachine, die op 18 april 2014 zijn gebruikt bij het laden, vervoeren en lossen van de strobalen.
3.1
In de ten tijde van het ongeval geldende polisvoorwaarden van de AVB-polis is onder meer het volgende bepaald:

2.1 Verzekerd is aansprakelijkheid van de verzekerden overeenkomstig de voorwaarden die behoren bij de in de polis van toepassing verklaarde rubrieken (…)
2.7
Samenloop
In afwijking van het bepaalde in artikel 7:961 BW Pro geldt het volgende:
2.7.1
Indien blijkt dat een door deze verzekering gedekte aanspraak eveneens onder (een) andere verzekering(en) is gedekt, geldt de onderhavige verzekering als excedent van die andere verzekering(en) respectievelijk als dekking voor het verschil in voorwaarden. (…)
3.2
Motorrijtuigen
Niet gedekt zijn aanspraken tot vergoeding van schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) met aanvullingen en wijzigingen.
Deze uitsluiting geldt echter niet voor:
3.2.1
Aanhangwagens.
Schade veroorzaakt met of door aanhangwagens, die na van een motorrijtuig te zijn losgemaakt of losgeraakt, veilig buiten het verkeer tot stilstand zijn gekomen.
3.2.2
Laden/Lossen.
Schade veroorzaakt met of door lading bij het laden of lossen van een motorrijtuig.
3.2.3
Lading.
Schade veroorzaakt met of door lading die zich bevindt op dan wel valt of gevallen is van een motorrijtuig.
3.11
De assurantietussenpersoon van [naam bedrijf 1] heeft de aansprakelijkstelling in eerste instantie alleen bij Fatum gemeld. Fatum heeft daarna de schaderegeling met de erven van [naam 1] ter hand genomen. Vervolgens is de aansprakelijkstelling ook gemeld bij Allianz. Tussen Allianz en Fatum is daarna uitvoerig gecorrespondeerd en overlegd over de vraag welke verzekering dekking biedt en welke verzekeraar het voortouw moet nemen in het schaderegelingstraject. Uiteindelijk heeft Allianz dit gedaan.
3.12
Allianz heeft met de erven van [naam 1] een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin is opgenomen dat de door de erven geleden en nog te lijden schade wordt vastgesteld op € 1.280.000,00.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
Allianz heeft Fatum gedagvaard en samengevat gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat Fatum volledig draagplichtig is voor de aan de erven van [naam 1] uitgekeerde schadevergoeding en de met het schaderegelingstraject gemoeide kosten;
II. Fatum te veroordelen tot betaling aan Allianz van in totaal € 1.470.145,93, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van betaling van de betreffende bedragen;
III. Fatum te veroordelen in de proceskosten, met nakosten en rente.
4.2
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en Allianz in de proceskosten veroordeeld.

5.Geschil in hoger beroep

5.1
Allianz vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest - haar inleidende vorderingen alsnog toewijst, met veroordeling van Fatum in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten van € 173,00 zonder betekening en verhoogd met € 90,00 in geval van betekening, en wettelijke rente.
5.2
Allianz heeft hiertoe acht grieven aangevoerd. Grieven I-IV en VI richten zich tegen de oordelen van de rechtbank dat de aanhangwagen moet worden gekwalificeerd als een aanhangwagen in de zin van artikel 10.3 van de WLM-polisvoorwaarden en dat sprake is van dekking op grond van artikel 10.4 van de WLM-polisvoorwaarden. Met grief V voert Allianz aan dat geen dekking bestaat op grond van artikel 10.1 van de WLM-polisvoorwaarden. Grief VII komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het subsidiaire beroep van Allianz op - kort gezegd - proportionele verdeling faalt. Met grief VIII komt Allianz ten slotte op tegen een aantal feitelijke vaststellingen door de rechtbank.
5.3
Fatum voert verweer en concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

6.Beoordeling in hoger beroep

Inleiding

6.1
Omdat beide partijen niet in Nederland zijn gevestigd, is sprake van een zaak met een internationaal karakter. Net als de rechtbank gaat het hof uit van rechtsmacht van de Nederlandse rechter en toepasselijkheid van het Nederlandse recht. Het hof verwijst naar rechtsoverwegingen 4.1. en 4.2. van het bestreden vonnis, die het hof onderschrijft.
6.2
Allianz beoogt het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen en de grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Bij de beoordeling daarvan stelt het hof het volgende voorop.
6.3
De vorderingen van Allianz strekken tot verhaal van de door haar betaalde schadevergoeding en kosten van het schaderegelingstraject. Allianz baseert deze vorderingen op artikel 7:961 BW Pro. Hierin is, voor zover relevant, het volgende bepaald. Indien dezelfde schade door meer dan een verzekering wordt gedekt, kan de verzekerde elke verzekeraar aanspreken (lid 1). Met schade die door een verzekering wordt gedekt wordt gelijkgesteld schade die door de verzekeraar onverplicht wordt vergoed (lid 2). De verzekeraars hebben onderling verhaal opdat ieder zijn deel draagt, naar evenredigheid van de bedragen waarvoor een ieder afzonderlijk kan worden aangesproken en op gelijke voet onderling verhaal voor hun redelijke kosten tot het vaststellen van de schade (lid 3). In afwijking van lid 3 bepaalt artikel 2.7.1 van de AVB-polis dat indien blijkt dat een door deze verzekering gedekte aanspraak eveneens onder een andere verzekering is gedekt, de AVB-polis geldt als excedent van die andere verzekering.
6.4
Samengevat stelt Allianz het volgende. Allianz heeft de schade vergoed aan de erven, maar dit was onverplicht omdat de schade niet is gedekt onder haar WLM-polis; Fatum moet de schade geheel dragen omdat deze alleen gedekt is onder haar AVB-polis. De aansprakelijkheid van [naam bedrijf 1] ziet op een werkrisico; [naam bedrijf 1] had erop moeten toezien dat derden zich niet in de buurt van de aanhangwagen konden begeven en aan de spanbanden zouden komen. Fatum stelt daarentegen dat de aansprakelijkheid van [naam bedrijf 1] wel degelijk is gedekt onder de WLM-polis van Allianz, namelijk op grond van de artikelen 10.1 en 10.4 van de polisvoorwaarden. Daarmee is de schade volgens Fatum gedekt onder beide verzekeringen. Omdat Fatum een hardere ‘na-u-clausule’ heeft dan Allianz, dient Allianz in dit geval volledige dekking te verlenen, aldus nog steeds Fatum.
6.5
Gelet op het voorgaande moet het hof dus beoordelen of dekking bestaat op grond van artikel 10.1 of artikel 10.4 van de WLM-polisvoorwaarden van Allianz.
Uitleg polisvoorwaarden; algemeen
6.6
Partijen twisten over de inhoud en strekking van de WLM-polisvoorwaarden. Het komt daarom aan op uitleg daarvan. Omdat het hier gaat om polisvoorwaarden en over dergelijke voorwaarden niet tussen partijen onderhandeld pleegt te worden (en niet gesteld of gebleken is dat het in dit geval anders is), is de uitleg daarvan met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel (zie HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793). Ook de aard en strekking van de verzekering en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende interpretaties van een polisbepaling zouden leiden kunnen bij de uitleg relevante gezichtspunten zijn.
6.7
Over de aard en strekking van de WLM-polis overweegt het hof het volgende. Een werk- en landbouwmaterieelverzekering strekt ertoe de aansprakelijkheid te dekken die kan voortvloeien uit het gebruik van het werk- en landbouwmaterieel zoals omschreven in de polis (vgl. HR 16 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1994, rov. 3.6). Het gaat daarbij om de specifieke risico’s die verbonden zijn aan dat gebruik.
Dekking op grond van artikel 10.1 van de WLM-polisvoorwaarden?
6.8
Het hof beoordeelt eerst of de aansprakelijkheid van [naam bedrijf 1] gedekt is op grond van artikel 10.1 van de WLM-polisvoorwaarden. Dit artikel bepaalt dat de verzekering de aansprakelijkheid dekt voor schade aan personen en zaken “
veroorzaakt met of door het object”. De verzekerde objecten van [naam bedrijf 1] staan gespecifieerd op de polis en betreffen onder meer de shovel, de tractor en de strolegmachine, die op 18 april 2014 zijn gebruikt bij het uitvoeren van de opdracht tot levering van de strobalen. Partijen verschillen van mening over de uitleg van de woorden “
veroorzaakt met of door het object”. Volgens Allianz moet het gaan om het gebruik van een verzekerd object in die zin dat de schade het gevolg moet zijn van een gebrek van het verzekerde object of van een stuur- of regiefout als gevolg waarvan met het object – in de rol van instrument – schade is aangericht. Fatum daarentegen gaat uit van een ruimere uitleg. Dekking onder de WLM-polis is er volgens Fatum als het verzekerde object een onmisbare schakel vormt voor het intreden van schade; de WLM-polis biedt volgens haar ook dekking als de schade is veroorzaakt doordat van het verzekerde object gebruik is gemaakt zonder dat de oorzaak in of op het object zelf is gelegen. Daarbij voert Fatum aan, met een beroep op het rapport van [naam 3], dat meerdere bij Allianz verzekerde objecten van [naam bedrijf 1] een bijdrage hebben geleverd in het doen ontstaan van het ongeval.
6.9
Het hof verwijst allereerst naar wat hiervoor over de aard en strekking van de WLM-polis is overwogen (zie onder 6.7). In het licht daarvan legt het hof de causaliteitstermen “
veroorzaakt met of door het object” in artikel 10.1 van de WLM-polisvoorwaarden zo uit dat het moet gaan om verwezenlijking van het risico dat eigen is aan het gebruik van het object. De uitleg die Fatum voorstaat en erop neerkomt dat een
condicio sine qua non-verband tussen het ongeval en het gebruik van het verzekerde object voldoende is, is dus te ruim. Die uitleg zou ertoe leiden dat al dekking bestaat als op enig moment voorafgaand aan het voorvallen van de schade gebruik is gemaakt van verzekerde objecten, ook in gevallen waarin het risico dat eigen is aan het gebruik daarvan zich niet heeft verwezenlijkt. Deze uitleg gaat voorbij aan de aard en strekking van de WLM-polis, zoals hiervoor uiteen is gezet.
6.1
Die uitleg van Fatum vindt ook geen steun in de door haar aangehaalde uitspraken van de Geschillencommissie Samenloop van het Verbond van Verzekeraars (hierna: de Geschillencommissie), waaraan het hof overigens niet is gebonden. Fatum heeft in dit verband verwezen naar onder meer uitspraak nr. 124 van de Geschillencommissie. In die zaak was een vorkheftruck gebruikt als steiger om bouten aan de bovenzijde van een container te demonteren. De monteur voerde die werkzaamheden uit vanaf de lepels van de vorkheftruck. Na de werkzaamheden liet zijn collega hem zakken, waarbij de monteur van de lepels viel en letsel opliep. De Geschillencommissie heeft in die uitspraak overwogen: “
Ten eerste is de schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig. Het risico dat eigen is aan het gebruik van (het hefmechanisme van) de heftruck heeft zich in dit geval verwezenlijkt waardoor het motorrijtuig een feitelijk onmisbare schakel was in het schadeveroorzakend evenement.”De conclusie dat sprake is van een feitelijk onmisbare schakel wordt aldus gekoppeld aan de vaststelling dat het risico dat eigen is aan het gebruik van het betreffende werkmateriaal zich heeft verwezenlijkt. Ook volgens de Geschillencommissie gaat het dus om de vraag of van die verwezenlijking sprake is.
6.11
Het hof stelt vast dat [naam 1] is overleden doordat een strobaal op hem is gevallen bij het uitladen van de strobalen van de aanhangwagen. [naam 1] was bij het uitladen naast en achter de aanhangwagen aanwezig en heeft zelf de spanband losgemaakt. Allianz heeft hierover onbetwist naar voren gebracht dat de directeur van [naam bedrijf 1] aan de Inspectie SZW heeft verklaard dat deze spanband normaal gesproken wordt losgemaakt door de chauffeur van [naam bedrijf 1] en dat hij na het ongeval zijn werknemers de opdracht heeft gegeven om voortaan erop toe te zien dat de klant niet in de buurt van de aanhangwagen komt.
6.12
Het hof is op grond van de hiervoor geschetste toedracht van het ongeval van oordeel dat het risico dat zich hier heeft gemanifesteerd niet het risico is dat eigen is aan het gebruik van (één van) de verzekerde objecten, maar is verbonden aan de werkzaamheden rondom het uitladen. Werkzaamheden die, ook gelet op het eerdere ongeval (zie onder 3.5) inherent gevaarlijk zijn. [naam bedrijf 1] had ervoor moeten zorgen dat [naam 1] zich tijdens het uitladen niet in de gevaarzone rondom de aanhangwagen bevond en niet meehielp door de spanbanden los te maken. Hierop zien ook de maatregelen die [naam bedrijf 1] na het ongeval heeft genomen.
6.13
De afzonderlijke handelingen die Fatum noemt (het laden met de shovel, het transport met de tractor en het afladen met de strolegmachine) staan in een te ver verwijderd verband tot het risico dat zich hier uiteindelijk heeft verwezenlijkt, namelijk het vallen van een strobaal op [naam 1] bij het uitladen. Juist is dat er telkens sprake was van een
condicio sine qua non-verband tussen het gebruik van deze verzekerde objecten en de - uiteindelijke - schade. Dit volgt ook uit het rapport van [naam 3], waarin is omschreven dat elke (risicovolle) handeling op zich een blijvende rol tot het ongeval heeft gespeeld (zie onder 3.6). Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, is een dergelijk (minimaal) verband echter onvoldoende om te concluderen dat de schade is veroorzaakt met of door deze objecten in de zin van de WLM-polis. Deze schade is met andere woorden in redelijkheid niet meer te beschouwen als een gevolg van het gebruik van genoemde verzekerde objecten (vgl. HR 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1523, rov. 3.3). Dit geldt dus ook voor het door Fatum gestelde te vol beladen van de aanhangwagen met de shovel en het daarmee gaan rijden met de tractor. Dat was wellicht anders geweest als bijvoorbeeld de strolegmachine verkeerd was gebruikt en daarmee te veel druk op de strobalen was uitgeoefend, maar dat heeft Fatum niet gesteld en blijkt ook niet uit de overgelegde rapportages.
6.14
De conclusie uit al het voorgaande is dat de aansprakelijkheid van [naam bedrijf 1] niet is gedekt op grond van artikel 10.1 van de WLM-polisvoorwaarden.
Dekking op grond van artikel 10.4 van de WLM-polisvoorwaarden?
6.15
Het hof beoordeelt vervolgens of de aansprakelijkheid van [naam bedrijf 1] wel gedekt is op grond van artikel 10.4 van de WLM-polisvoorwaarden. Dat artikel bepaalt - samengevat en voor zover hier van belang - dat aansprakelijkheid is gedekt voor schade veroorzaakt met of door zaken die vallen van de aanhangwagen als bedoeld in artikel 10.3 van de WLM-polisvoorwaarden. Van een dergelijke aanhangwagen is volgens dit artikel sprake als deze aan het verzekerd object was gekoppeld of, na daarvan te zijn losgemaakt of losgeraakt, nog niet buiten het verkeer tot stilstand was gekomen (zie onder 3.8).
6.16
Niet in geschil is dat de strobaal van de aanhangwagen van [naam bedrijf 1] op [naam 1] is gevallen. Tussen partijen is in geschil is of die aanhangwagen voldoet aan de beschrijving van artikel 10.3 van de WLM-polisvoorwaarden. Allianz stelt dat dit niet het geval is; de aanhangwagen was vóór het ongeval losgekoppeld van de (bij Allianz verzekerde) tractor van [naam bedrijf 1] en gekoppeld aan een (bij een andere verzekeraar verzekerde) tractor van [naam 1]. Van een losgemaakte of losgeraakte aanhangwagen was daarom volgens Allianz geen sprake meer. Volgens Fatum daarentegen is naar de letter van de tekst hieraan wel voldaan; de aanhangwagen was namelijk losgemaakt van de tractor van [naam bedrijf 1] en nog niet buiten het verkeer tot stilstand gekomen omdat deze nog half in de berm en half op de rijbaan stond.
6.17
Het hof verwijst naar wat hiervoor in het algemeen over de uitleg van polisvoorwaarden is overwogen. Het hof stelt vervolgens bij de beoordeling voorop dat de aanhangwagen als zodanig geen verzekerd object is. De aanhangwagen staat namelijk niet als verzekerd object op de polis vermeld en dekking ontstaat pas op grond van de WLM-polisvoorwaarden als de aanhangwagen aan een wel verzekerd object wordt gekoppeld. De dekking van het wel verzekerde object (in dit geval: de tractor) wordt dus uitgebreid naar de daaraan gekoppelde aanhangwagen. De dekking strekt zich volgens de bewoordingen van artikel 10.3 van de WLM-polisvoorwaarden ook uit tot de aanhangwagen die los is (gekoppeld of geraakt) en nog niet buiten het verkeer tot stilstand is gekomen. De uitleg van Fatum komt erop neer dat deze dekking zich ook uitstrekt tot de aanhangwagen die op enig moment gekoppeld is geweest aan het verzekerd object (tractor), maar inmiddels is gekoppeld aan een ander object (tractor), een niet-losse aanhangwagen dus. Deze uitleg zou tot gevolg hebben dat er telkens sprake zou zijn van dubbele dekking in situaties als de onderhavige, namelijk zowel onder de verzekering van de tractor waaraan de aanhangwagen oorspronkelijk was gekoppeld, maar waarvan deze inmiddels is losgekoppeld, als onder de verzekering van de opvolgende tractor. Een dergelijk rechtsgevolg acht het hof niet aannemelijk. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat over het algemeen beoogd zal zijn de dekking die respectievelijk de WLM-polissen en AVB-polissen bieden zoveel mogelijk bij elkaar te laten aansluiten, zodat er zo min mogelijk overlappingen zijn (vgl. HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7217, rov. 3.3.2).
6.18
Het hof legt artikel 10.3 van de WLM-polisvoorwaarden dus zo uit dat alleen gedekt is (1) een aanhangwagen die aan een verzekerd object is gekoppeld of (2) een van het verzekerde object losgekoppelde aanhangwagen die nog niet buiten het verkeer tot stilstand is gekomen. Vast staat dat de aanhangwagen op het moment van het ongeval niet was gekoppeld aan de bij Allianz verzekerde tractor. Ook was geen sprake van een losgekoppelde aanhangwagen (meer); deze was namelijk gekoppeld aan een ander voertuig, te weten de tractor van [naam 1] en zelfs met die tractor nog verplaatst. Een en ander betekent naar het oordeel van het hof dat de aanhangwagen van [naam bedrijf 1] ten tijde van het ongeval geen aanhangwagen in de zin van artikel 10.3 van de WLM-polisvoorwaarden was.
6.19
De conclusie is dat aansprakelijkheid van [naam bedrijf 1] gelet op het voorgaande ook niet is gedekt op grond van artikel 10.4 van de WLM-polisvoorwaarden. Op de discussie die partijen nog hebben gevoerd over (het belang van) de wetsgeschiedenis van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen hoeft het hof gezien het voorgaande niet meer in te gaan.
Slotsom dekking
6.2
Het betoog van Allianz dat geen dekking bestaat op grond van de artikelen 10.1 en 10.4 van de WLM-polisvoorwaarden gaat op. De in dat kader aangevoerde grieven treffen doel. Concluderend is het hof van oordeel dat geen dekking bestaat onder de WLM-polis van Allianz. Alleen Fatum kan dus worden aangesproken door de erven van [naam 1]. Dit betekent dat Allianz de door haar uitbetaalde schadevergoeding en gemaakte redelijke kosten tot het vaststellen van de schade op grond van artikel 7:961 BW Pro op Fatum kan verhalen (zie onder 6.3). Bij de behandeling van de overige grieven heeft Allianz geen belang meer.
Omvang van de verhaalsvordering
6.21
Allianz vordert om Fatum te veroordelen om in totaal € 1.470.145,93 aan haar te betalen. Dit bedrag bestaat volgens Allianz uit de schadevergoeding die Allianz heeft betaald aan de erven van [naam 1] van € 1.280.000,00 en de kosten die gemoeid waren met het schaderegelingstraject van € 190.145,93.
6.22
Fatum heeft het volgende naar voren gebracht. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft Fatum de door Allianz gestelde schadeomvang, die door Allianz verder niet is onderbouwd, bij gebrek aan wetenschap betwist. Indien één van de grieven zou slagen, dan zou de schadeomvang op grond van de devolutieve werking alsnog relevant kunnen worden. Voor zover dat met het oog op de twee-conclusieregel nog mogelijk zou zijn – Fatum meent van niet – zal Allianz in dat geval bewijs van de door haar gestelde schadeomvang moeten bijbrengen.
6.23
Met Allianz is het hof van oordeel dat van een (voldoende) gemotiveerde betwisting door Fatum geen sprake is. Allianz heeft de door haar gestelde bedragen gespecificeerd (inleidende dagvaarding, nrs. 123-128) en met bescheiden onderbouwd (producties 44-49). In het licht daarvan had het op de weg van Fatum gelegen om daarop in haar verweer (voldoende gemotiveerd) in te gaan. Dat heeft Fatum niet gedaan. Het hof gaat dan ook aan het verweer van Fatum voorbij. Het hof gaat daarom uit van een verhaalsvordering van Allianz op Fatum van in totaal € 1.470.145,93.
Conclusie en proceskosten
6.24
De conclusie is dat het hoger beroep van Allianz slaagt. Daarom zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en de inleidende vorderingen van Allianz alsnog toewijzen. Tegen de gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van betaling van de betreffende bedragen heeft Fatum geen afzonderlijk verweer gevoerd. Het hof zal dit toewijzen.
6.25
Het hof zal Fatum als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep.
6.26
Het hof begroot de proceskosten van de eerste aanleg aan de zijde van Allianz op:
dagvaarding € 132,42
griffierecht € 8.519,00
salaris advocaat € 8.714,00(2 punten × tarief VIII)
Totaal € 17.365,42
6.27
Het hof begroot de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van Allianz op:
dagvaarding € 139,42
griffierecht € 13.124,00
salaris advocaat € 12.434,00 (2 punten × tarief VIII)
nakosten € 173,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 25.870,42
6.28
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
  • vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2024;
  • verklaart voor recht dat Fatum volledig draagplichtig is voor de aan de erven van [naam 1] uitgekeerde schadevergoeding en de met het schaderegelingstraject gemoeide kosten;
  • veroordeelt Fatum tot betaling aan Allianz van in totaal € 1.470.145,93, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van de betreffende bedragen;
  • veroordeelt Fatum in de kosten van de procedure in eerste aanleg, aan de zijde van Allianz begroot op € 17.365,42, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Fatum deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • veroordeelt Fatum in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Allianz begroot op € 25.870,42, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Fatum deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als Fatum niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Fatum de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 90,00, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Fatum deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de veroordelingen betreft;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.H.M. van der Heiden, D.A. Schreuder en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.