ECLI:NL:GHDHA:2026:258

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
22-000975-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen poging zware mishandeling en openlijke geweldpleging bij uitgaansgeweld

In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte veroordeeld voor medeplegen van poging zware mishandeling en openlijke geweldpleging. De feiten betreffen een incident op 14 december 2024 waarbij het slachtoffer meerdere trappen tegen het hoofd en lichaam kreeg, vastgelegd op camerabeelden.

Het hof oordeelde dat er voldoende bewijs is dat de verdachte met opzet, al dan niet voorwaardelijk, zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen. Medeplegen met een medeverdachte werd vastgesteld op basis van nauwe en bewuste samenwerking. Het beroep op putatief noodweerexces werd verworpen omdat geen verschoonbare situatie van noodweer bestond.

De straf bestaat uit 60 dagen jeugddetentie waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 80 uur. Daarnaast is de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor een schadevergoeding van €2.997,56 aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade. Het hof verklaarde de verdachte vrij van overige tenlasteleggingen en bepaalde dat de voorlopige hechtenis wordt verrekend met de opgelegde straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot deels voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen en taakstraf van 80 uur, met toewijzing van schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000975-25
Parketnummer: 09-398128-24
Datum uitspraak: 19 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 21 maart 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
BRP-adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Ook is een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is bepaald dat de voorlopige hechtenis geschorst blijft, onder de voorwaarden genoemd in het schorsingsbevel van 24 december 2024.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
zij op of omstreeks 14 december 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (meermaals) met een geschoeide voet tegen het gezicht, althans het hoofd, heeft geschopt en/of getrapt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2.
zij op of omstreeks 14 december 2024 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, op/aan het [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten, [slachtoffer] , door één of meermalen, die [slachtoffer] :
- met een geschoeide voet tegen het gezicht, althans het hoofd, te schoppen en/of trappen;
- tegen de borst en/of rug, althans het lichaam, te schoppen en/of trappen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 60 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende jeugddetentie.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Hiertoe heeft zij – zakelijk en verkort weergegeven – aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte tegen het hoofd van de aangeefster heeft getrapt, dat de verdachte met haar handelen, te weten het enkel trappen tegen het lichaam van de aangeefster, geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel en dat er geen sprake is geweest van medeplegen tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] .
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
In de nacht van 14 december 2024 was aangeefster [slachtoffer] (hierna: aangeefster) samen met anderen in het centrum van Den Haag. Zij heeft verklaard dat ‘meid 1’ haar op de grond heeft gegooid en dat ‘meid 1’ meerdere keren tegen haar hoofd heeft getrapt. Een verbalisant heeft de camerabeelden van het incident bekeken en uitgewerkt in een proces-verbaal van bevindingen. De verbalisant heeft bij de tijdstippen 03:27:25 uur en 03:27:31 uur gerelateerd dat aangeefster op de grond valt en dat verdachte meerdere trappen geeft tegen aangeefster, onder andere tegen haar borst. Bij het tijdstip 03:27:36 uur heeft de verbalisant gerelateerd dat verdachte met haar rechterbeen een trap geeft tegen het hoofd van aangeefster en dat aangeefster vervolgens met haar hoofd tegen een bankje aan valt. Vervolgens bij de tijdstippen 03:27:39 uur, 03:27:43 uur en 03:27:47 uur heeft de verbalisant gerelateerd dat verdachte met haar rechterbeen meerdere trappen geeft tegen de rug en het hoofd van aangeefster, dat medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) een trap geeft tegen het gezicht van aangeefster en dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aangeefster achterlaten en samen weglopen.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de camerabeelden getoond. Het hof overweegt dat de waarneming door het hof van deze beelden overeenkomt met de hierboven gerelateerde bevindingen door de verbalisant, in het bijzonder hetgeen is gerelateerd bij het tijdstip 03:27:36 uur waar, in aanvulling op het proces-verbaal van bevindingen, het hof heeft waargenomen dat de verdachte met kracht met haar been een trap geeft tegen het achterhoofd van de aangeefster waarna de aangeefster hard met haar hoofd tegen een bankje aan valt.
Gelet op het voorgaande is het hof, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat er voldoende bewijs is dat de verdachte tegen het hoofd van aangeefster heeft getrapt.
Ter beoordeling staat dan vervolgens of de verdachte ook het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Dienaangaande overweegt het hof dat het schoppen en trappen tegen het hoofd op de wijze en onder de omstandigheden als in het voorliggende geval naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans oplevert dat zwaar lichamelijk letsel ontstaat. De verdachte heeft die kans op dat zwaar lichamelijk letsel, blijkens de uiterlijke verschijningsvorm van haar handelen, ook welbewust aanvaard en op de koop toegenomen.
Het hof ziet zich voorts voor de vraag gesteld of sprake is geweest van medeplegen tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Het hof is van oordeel dat sprake is geweest van medeplegen en acht daartoe de volgende omstandigheden van belang. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij met haar vriendin ruzie kreeg met een groepje jongens, dat zij toen haar vriend, medeverdachte [medeverdachte] , heeft gebeld en dat hij toen is gekomen. Uit de verklaring van getuige [getuige] en de camerabeelden volgt dat de situatie verder is geëscaleerd toen medeverdachte [medeverdachte] was aangekomen. De verdachte heeft verder verklaard dat zij heeft gezien dat er een jongen op de grond lag, dat medeverdachte [medeverdachte] een beweging maakte met een gebalde vuist en dat zij er toen tussenkwam. Vervolgens kwam ook aangeefster ertussen, die zij ‘een gooi’ heeft gegeven. Hierna blijkt uit de beelden, zoals ook hierboven beschreven, dat verdachte meerdere trappen geeft tegen het lichaam en het hoofd van aangeefster, dat medeverdachte [medeverdachte] vervolgens kort daarna een trap geeft tegen het hoofd van aangeefster en dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aangeefster achterlaten en samen weglopen.
Het hof is op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien van oordeel dat sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat van medeplegen moet worden gesproken.
Het hof verwerpt aldus de verweren en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt een het medeplegen van een poging tot zware mishandeling.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
zij op
of omstreeks14 december 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en
/ofhaarmededader
(s)voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
(meermaals
)met een geschoeide voet tegen
het gezicht, althanshet hoofd
,heeft geschopt en/of getrapt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2.
zij op
of omstreeks14 december 2024 te 's-Gravenhage openlijk, te weten,
op/aan het [adres] ,
in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten, [slachtoffer] , door
één ofmeermalen, die [slachtoffer] :
- met een geschoeide voet tegen
het gezicht, althanshet hoofd, te schoppen en/of trappen;
- tegen de borst en
/ofrug
, althans het lichaam,te schoppen en
/oftrappen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van poging tot zware mishandeling
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens putatief noodweerexces.
Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat er zich omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan de verdachte in een situatie verkeerde waarin zij verschoonbaar heeft kunnen menen dat de noodzaak bestond zich te verdedigen tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van haar lijf. Het hof acht hiertoe van belang dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat aangeefster er tussenkwam, dat aangeefster de boel probeerde te sussen maar vervolgens ‘bijdehand ging doen’ waarna zij aangeefster ‘een gooi’ heeft gegeven. Het verweer wordt verworpen.
Er is tevens geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met een ander in de nacht in het centrum van Den Haag schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en een openlijke geweldpleging. Dit zijn ernstige feiten. Zij heeft door zo te handelen letsel en pijn veroorzaakt bij het slachtoffer en inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de slachtofferverklaring, die namens het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep is voorgedragen, komt naar voren dat het geweldsincident veel impact op haar heeft gehad en nog altijd heeft. Het hof neemt mede in aanmerking dat uitgaansgeweld een vorm van geweld betreft waarbij de geweldshandelingen in het openbaar plaatsvinden, waardoor anderen getuige worden van het toegepaste geweld. Een feit als het onderhavige wekt enorme verontwaardiging in de maatschappij en versterkt ook de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Nadien is de verdachte ook niet meer aanraking gekomen met politie en justitie.
Tevens heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies van 20 maart 2025, een e-mailbericht van een reclasseringswerker van 2 februari 2026 en een afsluitende brief van 20 oktober 2025 ten aanzien van de behandeling bij de Waag. De verdachte heeft vanaf 27 december 2024 onder toezicht gestaan van de reclassering in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis. De verdachte heeft zich gehouden aan de meldplicht en het alcoholverbod en heeft een behandeling gehad bij de Waag. De reclassering is van mening dat de voortzetting van het toezicht geen toegevoegde waarde heeft omdat er geen doelen meer zijn om aan te werken en ook de behandelaars van de Waag hebben aangegeven dat er geen indicatie is voor een verdere behandeling, gelet op het ontbreken van risicofactoren, de motivatie van de verdachte om herhaling te voorkomen en het ontbreken van een hulpvraag.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf, een passende en geboden reactie vormen. Het hof ziet geen aanleiding om aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie bijzondere voorwaarden te verbinden.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van
€ 10.963,16, bestaande uit € 963,16 materiële schade en € 10.000,- immateriële schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.997,56, bestaande uit € 497,56 materiële schade en € 3.500,- immateriële schade.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Materiële schade
Nu de schadepost ten aanzien van de studievertraging onvoldoende is onderbouwd, gelet op de betwisting door de verdediging, zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Nadere bewijslevering zou immers een te grote belasting voor het strafproces vormen. De vordering kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde tandartskosten (ad € 200,64), de gevorderde ziektekosten (ad € 226,92) en de gevorderde inkomensschade (ad € 70,-) aangetoond dat deze materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 497,56, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Immateriële schade
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde, nu de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen (artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek). De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, betrokken. Daarnaast heeft het hof mede gelet op de zogenoemde ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengelden-bedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, meer specifiek bij hetgeen daar is opgenomen onder het kopje “licht letsel”. Het hof overweegt dat er sprake is geweest van meerdere letsels die belastend zijn geweest voor het slachtoffer en dat aannemelijk is dat het voorval ook van invloed is geweest op haar geestelijk welbevinden.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.997,56 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van
60 (zestig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot
46 (zesenveertig) dagen,niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen jeugddetentie.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.997,56 (tweeduizend negenhonderdzevenennegentig euro en zesenvijftig cent) bestaande uit € 497,56 (vierhonderdzevenennegentig euro en zesenvijftig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 2.997,56 (tweeduizend negenhonderdzevenennegentig euro en zesenvijftig cent) bestaande uit € 497,56 (vierhonderdzevenennegentig euro en zesenvijftig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 20 maart 2025.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, als voorzitter, en mr. H.M.D. de Jong en mr. J.B. Wijnholt, leden, in bijzijn van de griffier mr. J.H.M. van Dam-Peusken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 februari 2026.
Mr. J.B. Wijnholt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.