Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 30 april 2025, waarmee Perriko in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 2 april 2025; in de dagvaarding zijn de bezwaren tegen het vonnis opgenomen;
- het exploot van aanzegging van 26 mei 2025, waarbij Perriko haar verzuim om de dagvaarding tijdig aan te brengen heeft hersteld en VNMshop opnieuw heeft opgeroepen om te verschijnen voor het hof.
3.Feitelijke achtergrond
TIJDELIJKEHUUROVEREENKOMST WINKELRUIMTE en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290jo. 7:301BW” voor een periode van 23 maanden, vanaf 17 maart 2021 tot en met 14 februari 2023. De huurprijs is € 6.000,- per maand. Artikel 1.3 van de huurovereenkomst bepaalt het volgende:
Het gehuurde zal door of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro, waarbij huurder het gehuurde dient te exploiteren ten behoeve van de verkoop van voedingssupplementen, vitamine(s), sportvoeding, (kracht)sportartikelen en/of aanverwante artikelen/activiteiten conform de formule “VNM Shop””
HUUROVEREENKOMST KANTOORRUIMTE en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW”. Deze overeenkomst is ingegaan op 1 juli 2023 en aangegaan voor onbepaalde tijd. De huurprijs is € 75.720,12 op jaarbasis. Artikel 1 van Pro deze overeenkomst bepaalt onder meer het volgende:
1.1 Verhuurder verhuurt aan Huurder en Huurder huurt van Verhuurderde bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a Burgerlijk Wetboek(…).
4.Procedure bij de voorzieningenrechter
5.Vordering in hoger beroep
grief 1betoogt Perriko dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de huurovereenkomst zo’n uitgesproken tijdelijk karakter heeft dat een verzoek van VNMshop tot verlenging van de ontruimingstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en misbruik van recht oplevert.
Grief 2is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de belangenafweging van de kantonrechter in de bodemprocedure moet worden afgewacht, mede in aanmerking nemende dat de voorgenomen herontwikkeling van het gehuurde nog moet wachten op een vergunning en/of het vrijkomen van de daarvoor benodigde ruimte en het feit dat Perriko in het kader van onderhandelingen met VNMshop had voorgesteld de ontruiming uit te stellen tot 1 september 2025.
Grief 3bouwt voort op grief 1 met het betoog dat de primaire vordering van Perriko toegewezen had moeten worden. Volgens
grief 4had ten minste de subsidiaire vordering toegewezen moeten worden. Volgens
grief 5had het verstekvonnis van 10 maart 2025 in stand moet blijven, voor zover het de toewijzing van de primaire vordering en de proceskostenveroordeling betreft.
Grief 6is gericht tegen de vaststelling van de gebruiksvergoeding.
Grief 7is gericht tegen de proceskostenveroordeling.
6.Beoordeling in hoger beroep
Ook al is de subsidiaire ontruimingsvordering van appellante ten onrechte niet toegewezen, heeft appellante inmiddels geen belang meer bij de betreffende vordering omdat de twee-maands-termijn inmiddels bijna is verstreken. Om die reden zal appellante haar subsidiaire vordering in appel intrekken.” Hoewel Perriko haar grief niet heeft ingetrokken, begrijpt het hof niet welk belang Perriko dan nog heeft bij deze grief. Voor het geval het Perriko ook hier alleen om de proceskostenveroordeling te doen is, stuit de grief af op wat het hof hiervoor in 6.4 heeft overwogen.
7.Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 2 april 2025;
- veroordeelt Perriko in de kosten van de procedure in hoger beroep, die aan de zijde van VNMshop op nihil worden begroot.