ECLI:NL:GHDHA:2026:334

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
200.360.839
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a BWArt. 7:290 BWArt. 7:301 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen in geschil over ontruimingsbescherming bedrijfsruimte

VNMshop huurt bedrijfsruimte van Perriko en maakt aanspraak op ontruimingsbescherming op grond van artikel 7:230a BW. Perriko vorderde ontruiming en een hogere gebruiksvergoeding, maar de voorzieningenrechter wees de ontruimingsvordering af en kende een lagere gebruiksvergoeding toe.

Perriko ging in hoger beroep tegen dit vonnis, maar VNMshop verscheen niet en liet verstek gaan. Het hof nam kennis van het feit dat VNMshop een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn had ingediend en dat de rechtbank dit verzoek naar verwachting had toegewezen.

Het hof oordeelde dat het hoger beroep daardoor faalt, omdat de belangenafweging reeds door de bodemrechter was gemaakt. De grieven van Perriko over het tijdelijke karakter van de huurovereenkomst, de gebruiksvergoeding en de proceskosten werden verworpen. Het hof bekrachtigde het vonnis en veroordeelde Perriko in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst het hoger beroep van Perriko af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.360.839
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/695838/ KG ZA 25-212
Arrest van 17 maart 2026 in kort geding
in de zaak van
Perriko KL B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
appellante,
advocaat: mr. N. van Collem, kantoorhoudend te Zoetermeer,
tegen
VNMshop B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerde,
niet verschenen.
Het hof noemt partijen hierna Perriko en VNMshop.

1.De zaak in het kort

1.1
VNMshop huurt een bedrijfsruimte van Perriko. In de bedrijfsruimte exploiteert VNMshop een fitnessruimte annex winkel voor krachtsportartikelen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat VNMshop geen aanspraak kan maken op huurbescherming voor bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro, maar wel op ontruimingsbescherming op grond van artikel 7:230a BW, en verlenging van de ontruimingstermijn kan verzoeken. Perriko heeft hoger beroep ingesteld. Zij meent dat de voorzieningenrechter de ontruimingsvordering had moeten toewijzen en is het niet eens met de door de voorzieningenrechter toegewezen gebruiksvergoeding. VNMshop heeft verstek laten gaan.
1.2
Het hof komt tot hetzelfde oordeel als de voorzieningenrechter en bekrachtigt het vonnis.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 30 april 2025, waarmee Perriko in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 2 april 2025; in de dagvaarding zijn de bezwaren tegen het vonnis opgenomen;
  • het exploot van aanzegging van 26 mei 2025, waarbij Perriko haar verzuim om de dagvaarding tijdig aan te brengen heeft hersteld en VNMshop opnieuw heeft opgeroepen om te verschijnen voor het hof.
VNMshop is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
VNMshop huurt een bedrijfsruimte van Perriko aan de [adres]. Partijen hebben eind februari 2021 een huurovereenkomst gesloten met als titel “
TIJDELIJKEHUUROVEREENKOMST WINKELRUIMTE en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290jo. 7:301BW” voor een periode van 23 maanden, vanaf 17 maart 2021 tot en met 14 februari 2023. De huurprijs is € 6.000,- per maand. Artikel 1.3 van de huurovereenkomst bepaalt het volgende:

Het gehuurde zal door of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro, waarbij huurder het gehuurde dient te exploiteren ten behoeve van de verkoop van voedingssupplementen, vitamine(s), sportvoeding, (kracht)sportartikelen en/of aanverwante artikelen/activiteiten conform de formule “VNM Shop”
Later is deze overeenkomst met een allonge verlengd tot 1 juli 2023.
3.2
Eind juni 2023 hebben partijen een nieuwe huurovereenkomst gesloten met als titel “
HUUROVEREENKOMST KANTOORRUIMTE en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW”. Deze overeenkomst is ingegaan op 1 juli 2023 en aangegaan voor onbepaalde tijd. De huurprijs is € 75.720,12 op jaarbasis. Artikel 1 van Pro deze overeenkomst bepaalt onder meer het volgende:

1.1 Verhuurder verhuurt aan Huurder en Huurder huurt van Verhuurderde bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a Burgerlijk Wetboek(…).
(…)
1.3
Het Gehuurde zal door of vanwege Huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt alssportcentrum en aanverwanten activiteiten met daarbij de verkoop van sportartikelen, voedingssupplementen en/of aanverwante artikelen.
(…)
3.3
Perriko heeft in een brief die op 30 november 2024 aan VNMshop is betekend de huurovereenkomst opgezegd en VNMshop aangezegd de bedrijfsruimte uiterlijk 28 februari 2025 te ontruimen.

4.Procedure bij de voorzieningenrechter

4.1
Perriko heeft VNMshop gedagvaard en gevorderd VNMshop te veroordelen tot, primair, ontruiming van het gehuurde binnen acht dagen na betekening van het vonnis, en subsidiair, ontruiming van het gehuurde binnen acht dagen na betekening van het vonnis onder de voorwaarde dat betekening niet vóór 5 mei 2025 mag plaatsvinden en alleen als VNMshop dan nog geen verzoekschrift heeft ingediend tot het verlenen van ontruimingsbescherming. Verder heeft Perriko een gebruiksvergoeding gevorderd van € 25.440,25 per maand tot de dag van ontruiming, en veroordeling van VNMshop in de proceskosten. VNMshop is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend. Bij vonnis van 10 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter VNMshop veroordeeld het gehuurde te ontruimen en een gebruiksvergoeding te betalen van € 7.764,76 inclusief btw per maand tot en met de dag van ontruiming. VNMshop is veroordeeld in de proceskosten.
4.2
VNMshop heeft verzet ingesteld. Bij vonnis in verzet van 2 april 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzet gegrond verklaard, het vonnis van 10 maart 2025 vernietigd en VNMshop veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 7.764,76 inclusief btw per maand tot en met de dag van ontruiming, conform het eerdere, vernietigde vonnis. Perriko is in de proceskosten veroordeeld.
4.3
In het vonnis in verzet heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het niet aannemelijk is dat de kantonrechter in een bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat sprake is van de huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro. Verder heeft de voorzieningenrechter overwogen dat niet vooruitgelopen kan worden op een beslissing van de kantonrechter op een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn op grond van artikel 7:230a BW in een bodemprocedure.

5.Vordering in hoger beroep

Perriko trekt haar subsidiaire ontruimingsvordering in. Verder handhaaft zij haar vorderingen. Kort gezegd zien de grieven van Perriko tegen het vonnis op het volgende. Met
grief 1betoogt Perriko dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de huurovereenkomst zo’n uitgesproken tijdelijk karakter heeft dat een verzoek van VNMshop tot verlenging van de ontruimingstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en misbruik van recht oplevert.
Grief 2is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de belangenafweging van de kantonrechter in de bodemprocedure moet worden afgewacht, mede in aanmerking nemende dat de voorgenomen herontwikkeling van het gehuurde nog moet wachten op een vergunning en/of het vrijkomen van de daarvoor benodigde ruimte en het feit dat Perriko in het kader van onderhandelingen met VNMshop had voorgesteld de ontruiming uit te stellen tot 1 september 2025.
Grief 3bouwt voort op grief 1 met het betoog dat de primaire vordering van Perriko toegewezen had moeten worden. Volgens
grief 4had ten minste de subsidiaire vordering toegewezen moeten worden. Volgens
grief 5had het verstekvonnis van 10 maart 2025 in stand moet blijven, voor zover het de toewijzing van de primaire vordering en de proceskostenveroordeling betreft.
Grief 6is gericht tegen de vaststelling van de gebruiksvergoeding.
Grief 7is gericht tegen de proceskostenveroordeling.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
VNMshop heeft verstek laten gaan en dus in hoger beroep geen verweer gevoerd. Het hof moet bij de beoordeling van de grieven van Perriko tegen het vonnis echter betrekken wat VNMshop in de procedure bij de voorzieningenrechter als verweer tegen de vorderingen van Perriko heeft aangevoerd.
6.2
In de dagvaarding in hoger beroep vermeldt Perriko niet dat VNMshop een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn heeft ingediend. Dat had VNMshop moeten doen binnen twee maanden na het tijdstip waartegen schriftelijke ontruiming is aangezegd, dus uiterlijk op 28 april 2025. De dagvaarding in hoger beroep is uitgebracht op 30 april 2025. Het hof heeft navraag gedaan bij mr. Van Collem. Die heeft het hof bij email van 16 januari 2026 laten weten dat door VNMshop een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn is ingediend en dat de rechtbank hier inmiddels op heeft beslist. Wat de rechtbank heeft beslist is niet vermeld. Omdat mr. Van Collem hierover geen nadere informatie heeft verstrekt, gaat het hof ervan uit dat de termijn van ontruiming door de kantonrechter is verlengd. Het hoger beroep stuit hierop al af, omdat door de kantonrechter in een bodemprocedure dan de belangen al zijn afgewogen en ten nadele van Perriko is beslist. Het hof moet zijn beslissing in een kort geding hierop afstemmen. Overigens geldt het volgende.
6.3
Grief 1 van Perriko faalt omdat van de ontruimingsbescherming van artikel 7:230a BW niet ten nadele van de huurder kan worden afgeweken. Dat is een belangrijke aanwijzing dat zo’n beroep niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan worden geacht, of kan worden geacht misbruik van recht op te leveren, vanwege het (vermeende) tijdelijke karakter van de overeenkomst. Het gegeven dat partijen bij aanvang van de huur mogelijk een korte huurperiode voor ogen stond, brengt in ieder geval niet mee dat een beroep op de ontruimingsbescherming onaanvaardbaar is of misbruik van recht oplevert.
6.4
Ter onderbouwing van grief 2 stelt Perriko dat de vergunning voor de herontwikkeling van het gehuurde inmiddels onherroepelijk is, maar dat zij geen stap verder komt omdat VNMshop weigert het gehuurde vrijwillig te ontruimen. Verder stelt Perriko dat haar bereidheid om de ontruiming uit te stellen tot 1 september 2025 niet tegen haar had mogen worden gebruikt.
Als Perriko met deze grief beoogt dat het hof, anders dan de voorzieningenrechter heeft gedaan, vooruitlopend op de beslissing van de kantonrechter in de bodemprocedure een voorziening moet treffen, faalt deze grief. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, heeft VNMshop tijdig een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn ingediend en gaat het hof ervan uit dat dit verzoek is toegewezen. In dit kort geding is dan geen ruimte om de door de bodemrechter gemaakte belangenafweging over te doen. Als het Perriko gaat om de kostenveroordeling, en zij daarom wenst dat het hof de juistheid van de overweging van de voorzieningenrechter beoordeelt, faalt de grief ook. Destijds was Perriko nog in afwachting van de vergunning. Verder begrijpt het hof dat Perriko de concessie ten aanzien van de datum van ontruiming heeft gedaan om af te zijn van een procedure met een onzekere uitkomst. De voorzieningenrechter kon daar echter uit afleiden dat uitstel van de ontruiming Perriko niet voor onoverkomelijke problemen zou plaatsen. In die omstandigheden is het begrijpelijk dat de voorzieningenrechter niet op de beslissing van de kantonrechter heeft willen vooruitlopen door VNMshop zelf tot ontruiming te veroordelen.
6.5
Grief 3 bouwt voort op grief 1 en deelt het lot daarvan.
6.6
In de toelichting op grief 4 stelt Perriko: “
Ook al is de subsidiaire ontruimingsvordering van appellante ten onrechte niet toegewezen, heeft appellante inmiddels geen belang meer bij de betreffende vordering omdat de twee-maands-termijn inmiddels bijna is verstreken. Om die reden zal appellante haar subsidiaire vordering in appel intrekken.” Hoewel Perriko haar grief niet heeft ingetrokken, begrijpt het hof niet welk belang Perriko dan nog heeft bij deze grief. Voor het geval het Perriko ook hier alleen om de proceskostenveroordeling te doen is, stuit de grief af op wat het hof hiervoor in 6.4 heeft overwogen.
6.7
Grief 5 is een herhaling van grief 1 en faalt eveneens.
6.8
Ter onderbouwing van grief 6 stelt Perriko dat de voorzieningenrechter ten onrechte, in lijn met het eerdere verstekvonnis, voor de verschuldigde gebruiksvergoeding aansluiting heeft gezocht bij de overeengekomen huurprijs. Volgens Perriko had de voorzieningenrechter conform artikel 7:230a BW moeten uitgaan van het huurpeil ter plaatse, wat volgens haar veel hoger lag dan de overeengekomen huurprijs. Deze grief slaagt evenmin, omdat een kort geding zich niet leent voor een onderzoek naar wat in de gegeven omstandigheden een marktconforme huurprijs is. Gezien het grote verschil tussen de gebruiksvergoeding waarop Perriko aanspraak maakt en de overeengekomen huurprijs, kan niet zonder nader onderzoek, uitsluitend op basis van de taxatie van Spijker Retail, de door Perriko gevorderde gebruiksvergoeding worden toegewezen.
6.9
Grief 7 is gericht tegen de proceskostenveroordeling en deelt het lot van de vorige grieven.
Conclusie en proceskosten
6.1
De conclusie is dat het hoger beroep van Perriko niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal Perriko als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Aangezien VNMshop in hoger beroep niet is verschenen, is het niet nodig om de proceskosten van VNMshop te begroten.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 2 april 2025;
  • veroordeelt Perriko in de kosten van de procedure in hoger beroep, die aan de zijde van VNMshop op nihil worden begroot.
Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, J.J. van der Helm en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.