ECLI:NL:GHDHA:2026:343

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
200.361.344/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 805 RvArt. 806 RvArt. 1 lid 1 Algemene Termijnenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij gezamenlijk ouderlijk gezag

In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 8 augustus 2025 het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen aan de ouders toegekend. De moeder is op 11 november 2025 in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking, maar dit was buiten de wettelijke termijn van drie maanden na de beschikking.

De moeder voerde aan dat zij vanwege een medische situatie in Duitsland en coma niet eerder in hoger beroep kon komen. Het hof oordeelde echter dat zij deze bijzondere omstandigheden onvoldoende had onderbouwd, terwijl de vader dit betwistte. De advocaat van de moeder had pas op het laatste moment contact met haar en diende het hoger beroepschrift een dag later in, wat het hof niet als rechtvaardiging accepteerde.

Het hof benadrukte dat rechtsmiddeltermijnen van openbare orde zijn en strikt moeten worden nageleefd, met slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering. Gezien het ontbreken van voldoende bewijs voor bijzondere omstandigheden verklaarde het hof het hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk. De beslissing werd op 25 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het hoger beroep van de moeder is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder geldige bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.361.344/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 24-1600
zaaknummer rechtbank : C/10/674646
beschikking van de meervoudige kamer van 25 februari 2026
inzake
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.V. Paniagua te Rotterdam,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. Rahimzadeh te Amsterdam.
Als belanghebbende in deze zaak is aangemerkt:
[de oma (mz)] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de oma (mz).
Het hof merkt aan als informant:
Stichting Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam,
locatie: Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 augustus 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). Bij die beschikking heeft de rechtbank het ouderlijk gezag over de hierna te noemen minderjarigen gewijzigd, in die zin dat de vader en de moeder vanaf de datum van de beschikking het gezag over hen gezamenlijk uitoefenen.
2. Het geding in hoger beroep
2.1.
De moeder is op 11 november 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2.
De vader heeft op 12 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3.
De raad heeft bij brief van 7 januari 2026 aan het hof meegedeeld niet ter zitting aanwezig te zullen zijn.
2.4.
De voorzitter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling gesproken met de minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , beiden geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
2.5.
De mondelinge behandeling heeft op 20 januari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de advocaat van de moeder;
- de advocaat van de vader;
- de oma (mz);
- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door de [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

3.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1.
Aan de orde is de vraag of het hoger beroep van de moeder tijdig is ingesteld. Bij de beoordeling van deze vraag stelt het hof het volgende voorop. Rechtsmiddeltermijnen zijn van openbare orde en worden om die reden door de rechter ambtshalve toegepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan rechtsmiddeltermijnen moet daarom strikt de hand worden gehouden. Hierop kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt.
3.2.
De moeder heeft op 11 november 2025 hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. Nu de moeder in eerste aanleg is verschenen, geldt voor haar een beroepstermijn van drie maanden na de dag van de bestreden beschikking. Dit volgt uit artikel 806 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang met artikel 805 Rv Pro. Aangezien de bestreden beschikking is gegeven op 8 augustus 2025 en rekening houdende met het feit dat 8 november 2025 een zaterdag is, is met toepassing van artikel 1 lid 1 Algemene Pro Termijnenwet 10 november 2025 de laatste dag van de beroepstermijn. De moeder is in dit geval buiten de wettelijke termijn in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
3.3.
Het hof volgt de moeder niet in haar betoog dat zij, kort gezegd, vanwege haar medische situatie het hoger beroep niet eerder heeft kunnen instellen dan op 11 november 2025. De moeder heeft geen onderbouwing gegeven van haar stelling dat zij in Duitsland was en in coma heeft gelegen waardoor zij zich niet (tijdig) heeft kunnen beraden. In dit geval had de moeder de door haar gestelde bijzondere omstandigheden (met bewijsstukken) moeten onderbouwen gelet op de betwisting daarvan door de vader. Dat de advocaat van de moeder op het laatste moment contact met haar heeft gekregen en een dag later het hoger beroepschrift heeft opgesteld en ingediend, kan de moeder evenmin baten nu het hof aan de zijde van de moeder geen bijzondere omstandigheden aanneemt die de termijnoverschrijding rechtvaardigen. Reeds hierom laat het hof in het midden of de advocaat van de moeder, zoals betoogd door de vader, ook eerder zonder toestemming van de moeder in hoger beroep mocht komen van de bestreden beschikking, gelet op het feit dat de rechtbank al in een eerdere tussenbeschikking het oordeel over het gezamenlijk gezag had gegeven. Dat leidt niet tot een andere conclusie nu is komen vast te staan dat het hoger beroep van de moeder van de eindbeslissing inzake het gezamenlijk gezag niet tijdig is ingesteld.
3.4.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Reijngoud, A. Zonneveld en A.J.I. Mullenders, bijgestaan door mr. A.M. Sipkes-Kerkman als griffier en is op 25 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.